Hoofdstuk 1

1Kon 1:1 De koning David nu was oud, wel bedaagd; en zij dekten hem met klederen, doch hij werd niet warm.
1Kon 1:2 Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat men voor mijn heer de koning een jongedochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht des konings staat, en hem koestert; en die slaapt in uw schoot, zodat mijn heer de koning warm wordt.
1Kon 1:3 Dus zochten zij een schone jongedochter in alle gebieden van Israel; en zij vonden Abisag, een Sunamietische, en brachten ze tot de koning.
1Kon 1:4 En de jongedochter was bovenmate schoon, en was de koning een gezellin, en diende hem; doch de koning bekende haar niet.

1Kon 1:5 Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij voorzag zich van wagens en ruiters, en vijftig mannen, die voor hem uit liepen.
1Kon 1:6 En zijn vader had hem nooit iets verweten al zijn dagen, met te zeggen: Waarom hebt gij alzo gedaan? En ook was hij zeer schoon van gedaante, en Haggith had hem gebaard na Absalom.
1Kon 1:7 En hij beraadslaagde met Joab, de zoon van Zeruja, en met Abjathar, de priester; die hem hielpen, Adonia volgend.
1Kon 1:8 Maar Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Nathan, de profeet, en SimeÔ, en Rei, en de helden, die David had, waren met Adonia niet.
1Kon 1:9 En Adonia slachtte schapen en runderen, en gemest vee bij de steen Zoheleth, die bij de fontein Rogel is; en nodigde al zijn broers, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda, de knechten van de koning.
1Kon 1:10 Maar Nathan, de profeet, en Benaja, en de helden, en Salomo, zijn broer, nodigde hij niet.

1Kon 1:11 Toen sprak Nathan tot Bathseba, de moeder van Salomo, zeggende: Hebt gij niet gehoord, dat Adonia, de zoon van Haggith, koning is geworden? En onze heer David weet dat niet.
1Kon 1:12 Nu dan, kom, laat mij u toch een raad geven, dat gij uw ziel en de ziel van uw zoon Salomo redt.
1Kon 1:13 Ga heen, en treed in tot de koning David, en zeg tot hem: Hebt gij niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning?
1Kon 1:14 Zie, als gij daar nog met de koning spreken zult, zo zal ik na u inkomen, en zal uw woorden bevestigen.
1Kon 1:15 En Bathseba ging in tot de koning in de binnenkamer; doch de koning was zeer oud, en Abisag, de Sunamietische, diende de koning.
1Kon 1:16 En Bathseba neigde het hoofd en boog zich neer voor de koning; en de koning zei: Wat hebt u?
1Kon 1:17 En zij zei tot hem: Mijn heer! gij hebt uw dienstmaagd bij de HEERE, uw God, gezworen: Voorzeker Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten!
1Kon 1:18 En nu zie, Adonia is koning; en nu, mijn heer koning, gij weet het niet.
1Kon 1:19 En hij heeft ossen, en gemest vee, en schapen in menigte geslacht, en genodigd al de zonen van de koning, en Abjathar, de priester, en Joab, de legeroverste, maar uw knecht Salomo heeft hij niet genodigd.
1Kon 1:20 Maar gij, mijn heer koning, de ogen van het ganse Israel zijn op u gericht, dat gij hun te kennen zult geven, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zal.
1Kon 1:21 Anders zal het geschieden, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als schuldig zullen worden gerekend.
1Kon 1:22 En ziet, zij sprak nog met de koning, toen de profeet Nathan binnenkwam.
1Kon 1:23 En zij gaven de koning te kennen, zeggende: Zie, de profeet Nathan is daar; en hij kwam voor het aangezicht van de koning, en boog zich voor de koning met zijn aangezicht ter aarde.
1Kon 1:24 En Nathan zei: Mijn heer koning! hebt gij gezegd: Adonia zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten?
1Kon 1:25 Want hij is heden afgegaan, en heeft geslacht ossen, en gemest vee, en schapen in menigte, en heeft genodigd al de zonen van de koning, en de oversten van het leger, en Abjathar, de priester; en zie, zij eten, en drinken voor zijn aangezicht, en zeggen: De koning Adonia leve!
1Kon 1:26 Maar mij, die uw knecht ben, en Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Salomo, uw knecht, heeft hij niet genodigd.
1Kon 1:27 Is deze zaak vanwege mijn heer de koning geschied? En hebt gij uw knecht niet bekend gemaakt, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zou?
1Kon 1:28 En de koning David antwoordde en zei: Roept mij Bathseba; en zij kwam binnen en stond voor het aangezicht van de koning.
1Kon 1:29 Toen zwoer de koning, en zei: Zo waarachtig als de HEERE leeft, die mijn ziel uit alle nood verlost heeft;
1Kon 1:30 Voorzeker, gelijk als ik u gezworen heb bij de HEERE, de God van Israel, zeggende: Voorzeker zal uw zoon Salomo na mij koning zijn, en zal op mijn troon in mijn plaats zitten; voorzeker, alzo zal ik op deze zelfde dag doen.
1Kon 1:31 Toen neigde zich Bathseba met het aangezicht ter aarde, en boog zich neer voor de koning, en zei: Mijn heer de koning David leve in eeuwigheid!

1Kon 1:32 En de koning David zei: Roep mij Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada; en zij kwamen voor het aangezicht van de koning.
1Kon 1:33 En de koning zei tot hen: Neemt met u de knechten van uw heer, en doet mijn zoon Salomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en brengt hem naar Gihon.
1Kon 1:34 En dat Zadok, de priester, met Nathan, de profeet, hem aldaar tot koning over Israel zalven. Daarna zult gij met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve!
1Kon 1:35 Dan zult gij achter hem optrekken, en hij zal komen, en zal op mijn troon zitten, en hij zal koning zijn in mijn plaats; want ik heb geboden, dat hij een voorganger zou zijn over Israel en over Juda.
1Kon 1:36 Toen antwoordde Benaja, de zoon van Jojada, de koning, en zei: Amen; alzo zegge de HEERE, de God van mijn heer de koning!
1Kon 1:37 Gelijk als de HEERE met mijn heer de koning geweest is, alzo zij Hij met Salomo; en Hij make zijn troon groter dan de troon van mijn heer de koning David!
1Kon 1:38 Toen ging Zadok, de priester, heen, met Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en zij deden Salomo rijden op de muilezelin van de koning David, en geleidden hem naar Gihon.
1Kon 1:39 En Zadok, de priester, nam de oliehoorn uit de tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zei: De koning Salomo leve!
1Kon 1:40 En al het volk kwam op achter hem, en het volk speelde op de fluit, en verblijdde zich met grote blijdschap, zodat de aarde van hun geluid spleet.

1Kon 1:41 En Adonia hoorde het, en al de genodigden, die met hem waren, die zojuist geŽindigd hadden te eten; ook hoorde Joab het geluid van de bazuinen, en zei: Waarom is dit geluid uit de stad, als in tumult?
1Kon 1:42 Terwijl hij nog sprak, ziet, zo kwam Jonathan, de zoon van Abjathar, de priester; en Adonia zei: Kom verder, want gij zijt een kloekmoedig man, en zult het goede boodschappen.
1Kon 1:43 En Jonathan antwoordde en zei tot Adonia: Ja, maar onze heer, de koning David, heeft Salomo tot koning gemaakt.
1Kon 1:44 En de koning heeft met hem gezonden Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi; en zij hebben hem doen rijden op de muilezelin van de koning.
1Kon 1:45 Daartoe hebben hem Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, in Gihon tot koning gezalfd, en zijn van daar met blijdschap opgetrokken, zodat de stad in rep en roer is; dat is het rumoer, dat gij gehoord hebt.
1Kon 1:46 En ook zit Salomo op de troon van het koninkrijk.
1Kon 1:47 Zo zijn ook de knechten van de koning gekomen, om onze heer, de koning David, te zegenen, zeggende: Uw God make de naam van Salomo beter dan uw naam, en make zijn troon groter dan uw troon; en de koning boog zijn hoofd in aanbidding op de slaapplaats.
1Kon 1:48 Ja, ook heeft de koning aldus gezegd: Geloofd zij de HEERE, de God van Israel, Die heden iemand gegeven heeft, zittende op mijn troon, dat het mijn ogen nog gezien hebben!
1Kon 1:49 Toen schrokken al de genodigden, die bij Adonia waren, stonden op en gingen een ieder zijns weegs.
1Kon 1:50 Doch Adonia vreesde voor Salomo, en hij stond op, en ging heen, en greep de hoornen van het altaar.
1Kon 1:51 En men maakte Salomo bekend, zeggende: Zie, Adonia vreest de koning Salomo, want zie, hij heeft de hoornen van het altaar gegrepen, zeggende: Dat de koning Salomo mij heden zwere, dat hij zijn knecht met het zwaard niet doden zal!
1Kon 1:52 En Salomo zei: Indien hij een eerbaar man zal zijn, zal er niet ťťn haar op de aarde vallen; maar indien in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven.
1Kon 1:53 En de koning Salomo zond heen, en zij deden hem weggaan van het altaar; en hij kwam, en boog zich neer voor de koning Salomo. En Salomo zei tot hem: Ga heen naar uw huis.

Hoofdstuk 2
1Kon 2:1 Toen nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Salomo, zeggende:
1Kon 2:2 Ik ga heen in de weg van de hele aarde, zo wees sterk, en wees een man.
1Kon 2:3 En neem waar de wacht van de HEERE, uw God, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, zoals geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandig handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;
1Kon 2:4 Opdat de HEERE bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht getrouw, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israel.
1Kon 2:5 Ook weet gij, wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee legeroversten van Israel, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft oorlogsbloed vergoten in vrede; en hij heeft oorlogsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.
1Kon 2:6 Doe dan naar uw wijsheid, dat gij zijn grijze haar niet met vrede in het graf laat dalen.
1Kon 2:7 Maar aan de zonen van Barzillai, de Gileadiet, zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want alzo naderden zij tot mij, toen ik vluchtte voor het aangezicht van uw broer Absalom.
1Kon 2:8 En zie, bij u is SimeÔ, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldige vloek, ten dage toen ik ging naar MahanaÔm; doch hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij de HEERE, zeggende: Ik zal hem met het zwaard niet doden!
1Kon 2:9 Maar nu, houd hem niet onschuldig, omdat gij een wijs man zijt; en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grijze haar met bloed in het graf doet dalen.
1Kon 2:10 En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.
1Kon 2:11 De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israel, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaar geregeerd.

1Kon 2:12 En Salomo zat op de troon van zijn vader David; en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd.
1Kon 2:13 Toen kwam Adonia, de zoon van Haggith, tot Bathseba, de moeder van Salomo; en zij zei: Is uw komst vrede? En hij zei: vrede.
1Kon 2:14 Daarna zei hij: Ik heb een woord aan u. En zij zei: Spreek.
1Kon 2:15 Hij zei dan: Gij weet, dat het koninkrijk mij toekwam, en het ganse Israel zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; maar het koninkrijk is omgewend en van mijn broer geworden; want het is van de HEERE hem geworden.
1Kon 2:16 En nu begeer ik van u een enkele begeerte; wijs mijn aangezicht niet af. En zij zei tot hem: Spreek.
1Kon 2:17 En hij zei: Spreek toch tot de koning Salomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abisag, de Sunamietische, tot vrouw geeft.
1Kon 2:18 En Bathseba zei: Het is goed, ik zal de koning voor u aanspreken.
1Kon 2:19 Zo kwam Bathseba tot de koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder van de koning zetten; en zij zat aan zijn rechterhand.
1Kon 2:20 Toen zei zij: Ik begeer van u een enkele kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zei tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.
1Kon 2:21 En zij zei: Laat Abisag, de Sunamietische, aan Adonia, uw broer, tot vrouw gegeven worden.
1Kon 2:22 Toen antwoordde de koning Salomo, en zei tot zijn moeder: En waarom begeert gij Abisag, de Sunamietische, voor Adonia? Begeer ook voor hem het koninkrijk -want hij is mijn broer, die ouder is dan ik ben-, ja, voor hem, en voor Abjathar, de priester, en voor Joab, de zoon van Zeruja.
1Kon 2:23 En de koning Salomo zwoer bij de HEERE, zeggende: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, voorzeker heeft Adonia dat woord tegen zijn leven gesproken!
1Kon 2:24 En nu, zo waarachtig als de HEERE leeft, Die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op de troon van mijn vader David, en Die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had; voorzeker, Adonia zal heden gedood worden!
1Kon 2:25 En de koning Salomo zond door de hand van Benaja, de zoon van Jojada; die viel hem aan, dat hij stierf.

1Kon 2:26 En tot Abjathar, de priester, zei de koning: Ga naar Anathoth, op uw akker; want gij zijt een man des doods; maar op deze dag zal ik u niet doden, omdat gij de ark van de Heere HEERE voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zijt geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was.
1Kon 2:27 Salomo dan verdreef Abjathar, dat hij des HEEREN priester niet zou zijn, om te vervullen het woord des HEEREN, dat Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had.
1Kon 2:28 Toen het gerucht tot Joab kwam -want Joab had zich aangesloten bij Adonia, hoewel hij zich niet had aangesloten bij Absalom-, zo vluchtte Joab tot de tent des HEEREN, en greep de hoornen van het altaar.
1Kon 2:29 En het werd de koning Salomo aangezegd, dat Joab tot de tent des HEEREN gevlucht was, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Salomo Benaja, de zoon van Jojada, zeggende: Ga heen, val hem aan.
1Kon 2:30 En Benaja kwam tot de tent des HEEREN, en zei tot hem: Zo zegt de koning: Kom uit. En hij zei: Neen, maar hier zal ik sterven! En Benaja bracht het antwoord weer aan de koning, zeggende: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord.
1Kon 2:31 En de koning zei tot hem: Doe gelijk als hij gesproken heeft, en val hem aan, en begraaf hem, opdat gij wegdoet, van mij en van het huis van mijn vader, dat bloed, dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft.
1Kon 2:32 Zo zal de HEERE zijn bloed op zijn hoofd doen weerkeren, omdat hij twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, heeft aangevallen, en die met het zwaard gedood heeft, waarvan mijn vader David niet wist; Abner, de zoon van Ner, de legeroverste van Israel, en Amasa, de zoon van Jether, de legeroverste van Juda.
1Kon 2:33 Alzo zal hun bloed weerkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van de HEERE tot in eeuwigheid.
1Kon 2:34 En Benaja, de zoon van Jojada, ging op, en viel hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de wildernis.

1Kon 2:35 En de koning zette Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats over het leger; en Zadok, de priester, zette de koning in de plaats van Abjathar.
1Kon 2:36 Daarna zond de koning, en riep SimeÔ, en zei tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem, en woon aldaar; en ga van daar niet uit hierheen of daarheen.
1Kon 2:37 Want het zal geschieden ten dage van uw uitgaan, als gij over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat gij de dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.
1Kon 2:38 En SimeÔ zei tot de koning: Dat woord is goed; gelijk als mijn heer de koning gesproken heeft, alzo zal uw knecht doen. En SimeÔ woonde te Jeruzalem vele dagen.
1Kon 2:39 Doch het geschiedde aan het einde van drie jaren, dat twee knechten van SimeÔ wegliepen tot Achis, de zoon van Mašcha, de koning van Gath; en men gaf het SimeÔ te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath.
1Kon 2:40 Toen maakte zich SimeÔ op, en zadelde zijn ezel, en trok heen naar Gath tot Achis, om zijn knechten te zoeken; zo trok SimeÔ heen, en bracht zijn knechten van Gath.
1Kon 2:41 En het werd Salomo aangezegd, dat SimeÔ uit Jeruzalem naar Gath getrokken, en teruggekomen was.
1Kon 2:42 Toen zond de koning, en riep SimeÔ, en zei tot hem: Heb ik u niet beëdigd bij de HEERE, en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage van uw uitgaan, als gij hierheen of daarheen zult gaan, weet voorzeker, dat gij de dood zult sterven? En gij zei tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.
1Kon 2:43 Waarom dan hebt gij de eed des HEEREN niet gehouden, en het gebod, dat ik over u geboden had?
1Kon 2:44 Verder zei de koning tot SimeÔ: Gij weet al de boosheid, waarvan uw hart weet, die gij aan mijn vader David gedaan hebt; daarom heeft de HEERE uw boosheid op uw hoofd doen wederkeren.
1Kon 2:45 Maar de koning Salomo is gezegend; en de troon van David zal bevestigd zijn voor het aangezicht des HEEREN tot in eeuwigheid.
1Kon 2:46 En de koning gebood Benaja, de zoon van Jojada; die ging uit, en viel hem aan, dat hij stierf. Alzo is het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomo.

Hoofdstuk 3
1Kon 3:1 En Salomo verzwagerde zich met Farao, de koning van Egypte; en nam de dochter van Farao, en bracht ze in de stad Davids totdat hij voltooid zou hebben het bouwen van zijn huis en het huis des HEEREN, en de muur van Jeruzalem rondom.
1Kon 3:2 Alleen offerde het volk op de hoogten, want geen huis was voor de Naam des HEEREN gebouwd, tot die dagen toe.
1Kon 3:3 En Salomo had de HEERE lief, wandelende in de inzettingen van zijn vader David; alleen offerde hij en wierookte op de hoogten.
1Kon 3:4 En de koning ging naar Gibeon, om aldaar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandoffers offerde Salomo op dat altaar.

1Kon 3:5 Te Gibeon verscheen de HEERE aan Salomo in een droom in de nacht en God zei: Begeer wat Ik u geven zal.
1Kon 3:6 En Salomo zei: Gij hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid van hart met U; en Gij hebt hem deze grote weldadigheid gehouden, dat Gij hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, zoals op deze dag.
1Kon 3:7 Nu dan, HEERE, mijn God! Gij hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een kleine jongen, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan.
1Kon 3:8 En Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat Gij verkoren hebt, een groot volk, dat niet kan geteld noch gerekend worden, vanwege de menigte.
1Kon 3:9 Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandig onderscheid makend tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw volk, zo talrijk, kunnen richten?
1Kon 3:10 Die zaak nu was goed in de ogen des HEEREN, dat Salomo deze zaak begeerd had.
1Kon 3:11 En God zei tot hem: Daarom dat gij deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt het leven van uw vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om recht en onrecht te onderscheiden;
1Kon 3:12 Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, zoals niemand voor u gehad heeft, en niemand na u zal hebben.
1Kon 3:13 Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom en eer; zoals niemand onder de koningen zal hebben, al uw dagen.
1Kon 3:14 En zo gij in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen.
1Kon 3:15 En Salomo ontwaakte, en ziet, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de ark van het verbond des HEEREN, en offerde brandoffers, en bereidde dankoffers, en maakte een maaltijd voor al zijn knechten.

1Kon 3:16 Toen kwamen er twee vrouwen, die hoeren waren, tot de koning; en stonden voor zijn aangezicht.
1Kon 3:17 En de ene vrouw zei: Och, mijn heer. Ik en deze vrouw wonen in één huis; en ik heb bij haar in dat huis gebaard.
1Kon 3:18 Het is nu geschied op de derde dag na mijn baren dat deze vrouw ook gebaard heeft; en wij waren tezamen, geen vreemde was met ons in dat huis, behalve ons tweeën in het huis.
1Kon 3:19 En de zoon van deze vrouw is des nachts gestorven, omdat zij op hem gelegen had.
1Kon 3:20 En zij stond te middernacht op, en nam mijn zoon bij mij weg, terwijl uw dienstmaagd sliep, en legde hem in haar schoot, en haar dode zoon legde zij in mijn schoot.
1Kon 3:21 En ik stond in de morgen op, om mijn zoon te voeden, en zie, hij was dood; maar ik keek in de morgen aandachtig naar hem, en zie, het was mijn zoon niet, die ik gebaard had.
1Kon 3:22 Toen zei de andere vrouw: Nee, maar die levende is mijn zoon, en de dode is uw zoon; maar de eerste daarentegen zei: Nee, maar de dode is uw zoon, en de levende is mijn zoon! Alzo spraken zij voor het aangezicht van de koning.
1Kon 3:23 Toen zei de koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon, die leeft, maar uw zoon is het, die dood is; en die zegt: Neen, maar de dode is uw zoon, en de levende mijn zoon.
1Kon 3:24 Verder zei de koning: Haalt mij een zwaard; en zij brachten een zwaard voor de koning.
1Kon 3:25 En de koning zei: Snijdt dat levende kind in tweeën, en geeft de ene een helft, en de andere een helft.
1Kon 3:26 Maar de vrouw, van wie de levende zoon was, sprak tot de koning -want haar hart weende over haar zoon-, en zei: Och, mijn heer! Geef haar dat levende kind, en dood het geenszins; deze daarentegen zei: Het zij noch het uwe noch het mijne, snijdt het in tweeën.
1Kon 3:27 Toen antwoordde de koning, en zei: Geeft aan de eerste het levende kind, en doodt het geenszins; die is zijn moeder.
1Kon 3:28 En geheel Israel hoorde dat oordeel, dat de koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht van de koning; want zij zagen, dat de wijsheid Gods in hem was, om recht te doen.

Hoofdstuk 4
1Kon 4:1 Alzo was de koning Salomo koning over geheel Israel.
1Kon 4:2 En deze waren de vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok,
1Kon 4:3 Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
1Kon 4:4 En Benaja, de zoon van Jojada, was over het leger; en Zadok en Abjathar waren priesters.
1Kon 4:5 En Azaria, de zoon van Nathan, was hoofd van de gouverneurs; en Zabud, de zoon van Nathan, was raadsheer, de vriend van de koning.
1Kon 4:6 En Ahisar was hoofd van de huishouding; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de belastingen.
1Kon 4:7 En Salomo had twaalf gouverneurs over gans Israel, die de koning en zijn huis van voedsel voorzagen; voor elk was een maand in het jaar om te voorzien.
1Kon 4:8 En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van EfraÔm.
1Kon 4:9 De zoon van Deker in Makaz, en in Sašlbim, en Beth-semes, en Elon-beth-hanan.
1Kon 4:10 De zoon van Hesed in Arubboth; hij had daartoe Socho en het ganse land Hefer.
1Kon 4:11 De zoon van Abinadab had de ganse landstreek van Dor; deze had Tafath, de dochter van Salomo, tot een vrouw.
1Kon 4:12 Bašna, de zoon van Ahilud, had Tašnach, en Megiddo, en het ganse Beth-sean, dat is bij Zartana, onder JizreŽl, van Beth-sean aan tot Abel-mehola, tot op gene zijde van Jokmeam.
1Kon 4:13 De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van JaÔr, de zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, dat in Basan ligt, zestig grote steden, met muren en koperen grendels.
1Kon 4:14 Abinadab, de zoon van Iddo, was te MahanaÔm.
1Kon 4:15 Ahimašz was in Nafthali; deze nam ook Salomo's dochter, Basmath, tot vrouw.
1Kon 4:16 Bašna, de zoon van HusaÔ, was in Aser en in Aloth.
1Kon 4:17 Josafath, de zoon van Paruah, in Issaschar.
1Kon 4:18 SimeÔ, de zoon van Ela, in Benjamin.
1Kon 4:19 Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het land van Sihon, de koning der Amorieten, en van Og, de koning van Basan, en hij was de enige stadhouder, die in dat land was.

1Kon 4:20 Juda nu en Israel waren velen, als zand, dat aan de zee is in menigte, etend en drinkend, en verblijd zijnde.
1Kon 4:21 En Salomo heerste over al de koninkrijken, van de rivier tot het land der Filistijnen, en tot aan de grens van Egypte; die hun schatting brachten en Salomo dienden al de dagen van zijn leven.
1Kon 4:22 Het voedsel nu aan Salomo was voor ťťn dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel;
1Kon 4:23 Tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgenomen de herten, en reeën, en buffels en gemeste vogels.
1Kon 4:24 Want hij had heerschappij over al wat aan deze zijde van de rivier was van Thifsah tot aan Gaza, over alle koningen aan deze zijde der rivier; en hij had vrede van alle kanten rondom.
1Kon 4:25 En Juda en Israel woonden veilig, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo.
1Kon 4:26 Salomo had ook veertig duizend paardenstallen voor zijn wagens, en twaalf duizend ruiters.   *)
1Kon 4:27 Die gouverneurs nu, een ieder voor zijn maand, verzorgden de koning Salomo, en al degenen, die aan de tafel van de koning Salomo kwamen; zij lieten geen ding ontbreken.
1Kon 4:28 De gerst nu en het stro voor de paarden, en voor de renkamelen, brachten zij naar de plaats, waar de koning zich bevond, een ieder volgens zijn opdracht.

1Kon 4:29 En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip van hart, gelijk zand, dat aan de oever der zee is.
1Kon 4:30 En de wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van al die van het oosten, en dan alle wijsheid van de Egyptenaren;
1Kon 4:31 Ja, hij was wijzer dan alle mensen; dan Ethan, de Ezrahiet, en Heman, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom.
1Kon 4:32 En hij sprak drie duizend spreuken; daartoe waren zijn liederen duizend en vijf.
1Kon 4:33 Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die uit de muur groeit; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
1Kon 4:34 En van alle volken kwamen er, om de wijsheid van Salomo te horen, van alle koningen der aarde, die van zijn wijsheid gehoord hadden.

Hoofdstuk 5
1Kon 5:1 En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo -want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in de plaats van zijn vader-, omdat Hiram David altijd bemind had.
1Kon 5:2 Daarna zond Salomo tot Hiram, zeggende:
1Kon 5:3 Gij weet, dat mijn vader David voor de Naam van de HEERE, zijn God, geen huis kon bouwen, vanwege de oorlogen, waarmee hij was omringd, totdat de HEERE zijn vijanden onder zijn voetzolen gaf.
1Kon 5:4 Maar nu heeft de HEERE, mijn God, mij van rondom rust gegeven; er is geen tegenstander, en geen kwade bejegening.
1Kon 5:5 En zie, ik denk voor de Naam van de HEERE, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als de HEERE gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
1Kon 5:6 Zo gebied nu, dat men mij cederbomen uit de Libanon kapt, en mijn knechten zullen met uw knechten zijn, en het loon van uw knechten zal ik u geven, naar al wat gij zeggen zult; want gij weet, dat onder ons niemand is, die weet hout te kappen, gelijk de SidoniŽrs.
1Kon 5:7 En het geschiedde, toen Hiram de woorden van Salomo gehoord had, dat hij zich zeer verheugde, en zei: Gezegend zij de HEERE heden, Die David een wijze zoon gegeven heeft over dit grote volk!
1Kon 5:8 En Hiram zond tot Salomo, zeggende: Ik heb gehoord, waarom gij tot mij gezonden hebt; ik zal al uw wil doen met het cederhout, en met het dennenhout.
1Kon 5:9 Mijn knechten zullen het afbrengen van de Libanon naar de zee; en ik zal het op vlotten over zee laten brengen, tot die plaats, die gij aan mij noemen zult, en zal het aldaar los maken, en gij zult het aannemen; gij zult ook mijn wil doen, dat gij mijn huis spijze geeft.

1Kon 5:10 Alzo gaf Hiram aan Salomo cederhout en dennenhout, naar al zijn wil.
1Kon 5:11 En Salomo gaf Hiram twintig duizend kor tarwe, tot spijze van zijn huis, en twintig kor gestoten olie; alzo gaf Salomo aan Hiram jaar op jaar.
1Kon 5:12 De HEERE dan gaf Salomo wijsheid, zoals Hij tot hem gesproken had; en er was vrede tussen Hiram en Salomo, en zij beiden maakten een verbond.
1Kon 5:13 En de koning Salomo deed een lichting opkomen uit gans Israel; en de lichting was dertig duizend man.
1Kon 5:14 En hij zond hen naar de Libanon, tien duizend elke maand bij toerbeurt; een maand waren zij op de Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over deze lichting.
1Kon 5:15 Daartoe beschikte Salomo over zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend houwers op het gebergte.
1Kon 5:16 Daarnevens de oversten van Salomo, die over dat werk waren, drie duizend en driehonderd man, die het opzicht hadden over het volk, dat dit werk deed.
1Kon 5:17 Toen de koning het nu gebood, zo voerden zij grote stenen aan, kostelijke stenen, gehouwen stenen, om het fundament van dat huis te leggen.
1Kon 5:18 En de bouwlieden van Salomo, en de bouwlieden van Hiram, en de Giblieten bewerkten en bereidden het hout, en de stenen, om dat huis te bouwen.

Hoofdstuk 6
1Kon 6:1 Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na de uitgang van de kinderen Israels uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israel, in de maand Ziv -deze is de tweede maand-, dat hij het huis des HEEREN bouwde.
1Kon 6:2 En van dat huis, dat de koning Salomo de HEERE bouwde, was de lengte zestig el, en de breedte twintig, en de hoogte dertig el.
1Kon 6:3 En het voorportaal, vooraan de tempel van dat huis, had een lengte van twintig el, over de breedte van het huis, en een diepte van tien el, vooraan het huis.
1Kon 6:4 En hij maakte vensters aan het huis van solide, open latwerk.
1Kon 6:5 En rondom aan de muur van het huis bouwde hij kamers, aan de muren van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Alzo maakte hij zijkamers rondom.
1Kon 6:6 Een kamer op de begane grond was vijf el breed, een kamer op de middelste verdieping was zes el breed en een kamer op de derde verdieping was zeven el breed; want hij had aan het huis rondom de muur een richel uitgehouwen, zodat het niet nodig was de balken van de kamers in de muur van het huis vast te maken.
1Kon 6:7 Het huis nu, toen het gebouwd werd, werd met volmaakte steen, zoals die toegevoerd was, gebouwd; zodat geen hamers, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd.
1Kon 6:8 De deur van de middelste zijkamer was aan de rechterzijde van het huis; en door middel van wenteltrappen ging men tot de zijkamer van de middelste verdieping, en van de middelste tot de derde.
1Kon 6:9 Alzo bouwde hij het huis, en volmaakte het; en werkte dat huis van binnen af met balken en planken van cederhout.
1Kon 6:10 Hij bouwde ook de kamers aan het hele huis, van vijf el hoog; en hij voegde ze vast aan dat huis met cederhout.

1Kon 6:11 Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Salomo, zeggende:
1Kon 6:12 Aangaande dit huis, dat gij bouwt, zo gij wandelt in Mijn inzettingen, en doet Mijn rechten, en onderhoudt al Mijn geboden, daarin wandelend; zo zal Ik Mijn woord aan u bevestigen, dat Ik tot uw vader David gesproken heb;
1Kon 6:13 En Ik zal in het midden van de kinderen Israels wonen; en Ik zal Mijn volk Israel niet verlaten.
1Kon 6:14 Alzo bouwde Salomo dat huis en voltooide het.

1Kon 6:15 Ook bouwde hij de muren van het huis van binnen met cederen planken; van de vloer van het huis tot aan de dwarsbalken van het plafond, beschoot hij ze van binnen met hout; en overdekte de vloer van het huis met dennen planken.
1Kon 6:16 Daartoe bouwde hij twintig el met cederen planken in het achterste deel van het huis, van de vloer af tot het dak; dit bouwde hij Hem van binnen tot een aanspraakplaats, tot het heilige der heiligen.
1Kon 6:17 En het huis dat voor de aanspraakplaats was, namelijk de tempel, was veertig el lang.
1Kon 6:18 En het cederhout aan het huis inwendig was gesneden met knoppen en open bloemen; het was alles cederhout, geen steen werd gezien.
1Kon 6:19 En de aanspraakplaats bereidde hij binnen in het huis, om de ark van het verbond des HEEREN daar te plaatsen.
1Kon 6:20 En de aanspraakplaats was twintig el in lengte, en twintig el in breedte, en twintig el in haar hoogte, en hij overtrok ze met zuiver goud; ook het cederen altaar overtrok hij.
1Kon 6:21 En Salomo overtrok het huis van binnen met zuiver goud; en hij maakte met gouden ketenen een scheiding met de aanspraakplaats, en overtrok die met goud.
1Kon 6:22 Alzo overtrok hij het hele huis met goud, totdat het hele huis voltooid was; daartoe overtrok hij met goud het hele altaar, dat voor de aanspraakplaats was.
1Kon 6:23 In de aanspraakplaats nu maakte hij twee cherubs van olijfhout; elks hoogte was tien el.
1Kon 6:24 En vijf el was de ene vleugel van de cherub, en vijf el de andere vleugel van de cherub; van het einde van zijn ene vleugel tot aan het einde van zijn andere vleugel, waren tien el.
1Kon 6:25 Ook de andere cherub was tien el; beide cherubs hadden één maat, en één vorm.
1Kon 6:26 De hoogte van de ene cherub was tien el, en zo ook van de andere cherub.
1Kon 6:27 En hij zette deze cherubs in het midden van het binnenste huis; en de cherubs spreidden de vleugels uit, zodat de vleugel van de ene raakte aan deze wand, en de vleugel van de andere cherub raakte aan de andere wand; en hun vleugels naar het midden van het huis raakten vleugel aan vleugel.
1Kon 6:28 En hij overtrok deze cherubs met goud.
1Kon 6:29 En al de wanden van het huis, rondom, graveerde hij met uitgesneden graveringen van cherubs, en van palmbomen, en open bloemen, van binnen en van buiten.
1Kon 6:30 Daartoe overtrok hij de vloer van het huis met goud van binnen en van buiten.
1Kon 6:31 En aan de ingang van de aanspraakplaats maakte hij deuren van olijfhout; de bovendorpel met de posten was het vijfde deel van de wand.
1Kon 6:32 De twee deuren ook waren van olijfhout; en hij graveerde daarop graveringen van cherubs, en van palmbomen, en van open bloemen, die hij met goud overtrok; ook overtrok hij met goud de cherubs en de palmbomen.
1Kon 6:33 En evenzo maakte hij aan de deuren van de tempel posten van olijfhout, het vierde deel van de wand.
1Kon 6:34 En de twee deuren waren van dennenhout; de twee zijden van de ene deur waren vouwbaar; alzo waren de twee gegraveerde zijden van de andere deur vouwbaar.
1Kon 6:35 En hij graveerde ze met cherubs, en palmbomen, en open bloemen, die hij met goud overtrok, over het uitgesneden werk.
1Kon 6:36 Daarna bouwde hij de binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.
1Kon 6:37 In het vierde jaar werd het fundament van het huis des HEEREN gelegd, in de maand Ziv;
1Kon 6:38 En in het elfde jaar, in de maand Bul, dat is de achtste maand, was dit huis voltooid, in alle onderdelen en overeenkomstig het bouwplan; alzo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd.

Hoofdstuk 7
1Kon 7:1 Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaren, en hij voltooide zijn hele huis.
1Kon 7:2 Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd el in zijn lengte, en vijftig el in zijn breedte, en dertig el in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.
1Kon 7:3 En het was bedekt met cederhout van boven op de zijkamers, die op vijfenveertig pilaren waren, vijftien in een rij.
1Kon 7:4 Er waren drie rijen van uitzichten, dat het ene venster was tegenover het andere venster, in drie rijen.
1Kon 7:5 Ook waren al de deuren en de posten vierkant van enerlei aanzicht; en venster was tegenover venster, in drie rijen.
1Kon 7:6 Daarna maakte hij een voorhal van pilaren; vijftig el was zijn lengte, en dertig el zijn breedte; en nog een voorhal was tegenover die, en de pilaren met de drempel daar tegenover.
1Kon 7:7 Ook maakte hij een troonzaal, alwaar hij richtte, een hal van rechtspraak, dat met cederhout bedekt was, van vloer tot plafond.
1Kon 7:8 In zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, achter het portaal, van hetzelfde werk; ook maakte hij voor de dochter van Farao, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat huis gelijk.
1Kon 7:9 Al deze dingen waren van kostelijke stenen, volgens de maten van gehouwen steen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van het fundament tot het dak, en van buiten tot de grote voorhof.
1Kon 7:10 Het was ook gefundeerd met kostelijke stenen, grote stenen; met stenen van tien el, en stenen van acht el.
1Kon 7:11 En bovenop kostelijke stenen, naar de maat van gehouwen stenen, en cederen.
1Kon 7:12 En de grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen, met een rij van cederen balken. Zo was het met de binnenste voorhof, van het huis des HEEREN, en met de voorhal van dat huis.

1Kon 7:13 En de koning Salomo zond heen, en liet Hiram van Tyrus halen.
1Kon 7:14 Hij was de zoon van een weduwe, uit de stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met kennis, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot de koning Salomo, en maakte al zijn werk.
1Kon 7:15 Want hij maakte twee koperen pilaren; de hoogte van een pilaar was achttien el, en een draad van twaalf el omving elk van hen.
1Kon 7:16 Hij maakte ook twee kapitelen, van gegoten koper, om boven op de pilaren te zetten; vijf el was de hoogte van het ene kapiteel, en vijf el de hoogte van het andere kapiteel.
1Kon 7:17 De netten waren van latwerk, de guirlandes van fijne ketenen voor de kapitelen, die op het hoofd van de pilaren waren; zeven waren voor het ene kapiteel, en zeven voor het andere kapiteel.
1Kon 7:18 Zo maakte hij de pilaren, alsook twee rijen granaatappels rondom over het ene net, om de kapitelen te bedekken; alzo deed hij ook aan het andere kapiteel.
1Kon 7:19 En de kapitelen, die op het hoofd van de pilaren waren, waren van leliewerk als in de voorhal, van vier el.
1Kon 7:20 De kapitelen nu waren op de twee pilaren, ja, daarboven tegenover de buik, aan de andere kant van het net; en tweehonderd granaatappels waren in rijen rondom, ook over het andere kapiteel.
1Kon 7:21 Daarna richtte hij de pilaren op in het voorhuis van de tempel; en de pilaar rechts opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Jachin, en de pilaar links opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Boaz.
1Kon 7:22 En op het hoofd van de pilaren was het leliewerk; alzo werd het werk der pilaren voltooid.
1Kon 7:23 Verder maakte hij de gegoten zee; van tien el was zij van haar ene rand tot haar andere rand, geheel rond, en van vijf el in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig el omving ze rondom.
1Kon 7:24 En onder haar rand waren knoppen, die rondom omringend, tien in een el, omringend die zee rondom; twee rijen van deze knoppen waren in haar gietsel gegoten.
1Kon 7:25 Zij stond op twaalf runderen; drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was op deze runderen; en al hun achterste delen waren binnenwaarts gericht.
1Kon 7:26 Haar dikte nu was een handbreed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij bevatte twee duizend bath.
1Kon 7:27 Hij maakte ook tien koperen stellingen; vier el was de lengte van een stelling, en vier el haar breedte, en drie el haar hoogte.
1Kon 7:28 En dit was het werk van de stelling; zij hadden panelen, en de panelen waren tussen de randen.
1Kon 7:29 En op de panelen, die tussen de randen waren, waren leeuwen, runderen en cherubs; en een voetstuk er boven; en onder de leeuwen en runderen, waren guirlandes.
1Kon 7:30 En een stelling had vier koperen wielen, en koperen platen; en haar vier hoeken hadden schouders; onder het wasvat waren deze gegoten schouders terzijde van ieders guirlandes.
1Kon 7:31 En de opening ervan was binnen de kroon een el hoog, en de opening daarvan was rond als een voetstuk, een el en een halve el; en op de opening daarvan waren ook graveringen, en de lijsten daarvan waren vierkant, niet rond.
1Kon 7:32 De vier wielen nu waren onder de panelen, en de assen van de wielen aan de stelling; en de hoogte van een wiel was een el en een halve el.
1Kon 7:33 En het werk van die wielen was als het werk van een wagenrad; hun assen, en hun naven, en hun randen, en hun spaken waren alle gegoten.
1Kon 7:34 En er waren vier schouders op de vier hoeken van een stelling; haar schouders en de stelling waren uit één stuk.
1Kon 7:35 En op het hoofd van een stelling was een ronde hoogte van een halve el rondom; ook waren op het hoofd van de stelling haar houders, en haar lijsten uit één stuk.
1Kon 7:36 Hij sneed nu op de platen van haar houders en op haar lijsten, cherubs, leeuwen, en palmbomen, naar de beschikbare ruimte, en guirlandes rondom.
1Kon 7:37 Alzo maakte hij de tien stellingen; enerlei gietsel, enerlei maat, enerlei snede hadden zij allen.
1Kon 7:38 Hij maakte ook tien koperen wasvaten; een wasvat bevatte veertig bath; een wasvat was vier el in doorsnee; op elke stelling van die tien stellingen was een wasvat.
1Kon 7:39 En hij zette vijf van die stellingen aan de rechterzijde van het huis, en vijf aan de linkerzijde van het huis; maar de zee zette hij aan de rechterzijde van het huis, oostwaarts tegen het zuiden.
1Kon 7:40 Daartoe maakte Hiram de wasvaten, en de scheppen, en de sprengbekkens; en Hiram voltooide al het werk te maken, dat hij voor de koning Salomo maakte voor het huis des HEEREN;
1Kon 7:41 Te weten de twee pilaren, en de bollen van de kapitelen, die op het hoofd van de twee pilaren waren, en de twee netten, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die op de pilaren waren;
1Kon 7:42 En de vierhonderd granaatappels tot de twee netten, namelijk twee rijen van granaatappels tot het ene net, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die boven op de pilaren waren;
1Kon 7:43 Alsook de tien stellingen, en de tien wasvaten op de stellingen;
1Kon 7:44 Daartoe de enige zee; en de twaalf runderen onder die zee.
1Kon 7:45 De potten ook, en de scheppen, en de sprengbekkens, en al deze vaten, die Hiram voor de koning Salomo tot het huis des HEEREN maakte, alle van gepolijst koper.
1Kon 7:46 In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in kleigrond, tussen Sukkoth en Zarthan.
1Kon 7:47 En Salomo liet al deze vaten ongewogen vanwege de zeer grote menigte; het gewicht van het koper werd niet vastgesteld.

1Kon 7:48 Ook maakte Salomo al de vaten, die voor het huis des HEEREN waren; het gouden altaar, en de gouden tafel, waar de toonbroden op waren;
1Kon 7:49 En de kandelaren, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand, voor de aanspraakplaats, van zuiver goud; en de bloemen, en de lampen, en de snuiters van goud;
1Kon 7:50 Alsook de schalen, en de gaffels, en de sprengbekkens, en de wierookschalen, en de wierookvaten, van zuiver goud; daartoe de scharnieren van de deuren van het binnenste huis, van het heilige der heiligen, en van de deuren van het huis van de tempel, van goud.
1Kon 7:51 Alzo werd al het werk voltooid, dat de koning Salomo aan het huis van de HEERE maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen van zijn vader David; het zilver en het goud, en de vaten legde hij bij in de schatkamers van het huis des HEEREN.

Hoofdstuk 8
1Kon 8:1 Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israel, en al de hoofden van de stammen, de oversten der vaderen onder de kinderen Israels, tot de koning Salomo te Jeruzalem, om de ark van het verbond des HEEREN op te brengen uit de stad Davids, dat is Sion.
1Kon 8:2 En alle mannen van Israel verzamelden zich tot de koning Salomo, in de maand Ethanim op het feest; dat is de zevende maand.
1Kon 8:3 En al de oudsten van Israel kwamen; en de priesters namen de ark op.
1Kon 8:4 En zij brachten de ark des HEEREN en de tent der samenkomst opwaarts evenals al de heilige vaten, die in de tent waren; en de priesters en de Levieten brachten deze opwaarts.
1Kon 8:5 De koning Salomo nu en de hele vergadering van Israel, die bij hem vergaderd waren, waren met hem voor de ark, offerende schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld, noch gerekend worden.
1Kon 8:6 Alzo brachten de priesters de ark van het verbond des HEEREN tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder de vleugels van de cherubim.
1Kon 8:7 Want de cherubim spreidden beide vleugels over de plaats van de ark; en de cherubim overdekten de ark en haar handbomen van boven.
1Kon 8:8 Daarna schoven zij de handbomen verder uit, zodat de uiteinden van de handbomen gezien werden uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij zijn aldaar tot op deze dag.
1Kon 8:9 Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafels, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, toen de HEERE een verbond maakte met de kinderen Israels, toen zij uit Egypteland weggetrokken waren.
1Kon 8:10 En het geschiedde, toen de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde.
1Kon 8:11 En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld.

1Kon 8:12 Toen zei Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.
1Kon 8:13 Ik heb immers een huis gebouwd, U tot woonplaats, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.
1Kon 8:14 Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israel; en de ganse gemeente van Israel stond.
1Kon 8:15 En hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van Israel, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn hand vervuld, zeggende:
1Kon 8:16 Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israel uit Egypteland uitgeleid heb, heb Ik geen stad verkozen uit alle stammen van Israel, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David verkozen, dat hij over Mijn volk Israel wezen zou.
1Kon 8:17 Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis voor de Naam van de HEERE, de God van Israel, te bouwen.
1Kon 8:18 Maar de HEERE zei tot David, mijn vader: Omdat dat in uw hart geweest is Mijn Naam een huis te bouwen, hebt gij welgedaan, dat het in uw hart geweest is.
1Kon 8:19 Evenwel gij zult dat huis niet bouwen; maar uw zoon, die uit uw lendenen voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
1Kon 8:20 Zo heeft de HEERE bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op de troon van Israel, gelijk als de HEERE gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd voor de Naam van de HEERE, de God van Israel.
1Kon 8:21 En ik heb daar een plaats bereid voor de ark, waarin het verbond des HEEREN is, dat Hij met onze vaderen maakte, toen Hij hen uit Egypteland uitleidde.

1Kon 8:22 En Salomo stond voor het altaar des HEEREN, tegenover de ganse gemeente van Israel, en breidde zijn handen uit naar de hemel;
1Kon 8:23 En hij zei: HEERE, God van Israel, er is geen God, gelijk Gij, boven in de hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun ganse hart wandelen;
1Kon 8:24 Die aan Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat Gij tot hem gesproken hebt; want met Uw mond hebt Gij gesproken, en met Uw hand vervuld, gelijk het heden is.
1Kon 8:25 En nu HEERE, God van Israel, houd aan Uw knecht, mijn vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op de troon van Israel zal zitten; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen voor Mijn aangezicht, gelijk als gij gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.
1Kon 8:26 Nu dan, o God van Israel, laat toch Uw woord waar worden, dat Gij gesproken hebt tot Uw knecht, mijn vader David.
1Kon 8:27 Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!
1Kon 8:28 Wend U nochtans tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o HEERE, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht heden voor Uw aangezicht bidt.
1Kon 8:29 Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, waarvan Gij gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
1Kon 8:30 Hoor dan naar de smeking van Uw knecht, en van Uw volk Israel, die in deze plaats zullen bidden; en Gij, hoor in de plaats van Uw woning, in de hemel, ja, hoor, en vergeef.
1Kon 8:31 Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en van hem een eed is geëist, om zijn onschuld te bezweren; en hij voor Uw altaar in dit huis zal zweren;
1Kon 8:32 Hoor Gij dan in de hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelend de schuldige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende de onschuldige, gevende hem naar zijn gerechtigheid.
1Kon 8:33 Wanneer Uw volk Israel zal verslagen worden door de vijand, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich tot U bekeren, en Uw Naam belijden, en tot U in dit huis bidden en smeken zullen;
1Kon 8:34 Hoor Gij dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israel, en breng hen terug in het land, dat Gij hun vaderen gegeven hebt.
1Kon 8:35 Als de hemel zal gesloten zijn, zodat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, omdat Gij hen benauwt;
1Kon 8:36 Hoor Gij dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw knechten en van Uw volk Israel, als Gij hun zult geleerd hebben de goede weg waarin zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.
1Kon 8:37 Als er honger in het land zijn zal, als er pest zijn zal, als er brandkoren, honingdauw, sprinkhanen, kevers zullen zijn, als zijn vijand in het land zijn zal en zijn poorten belegeren, of enige plaag of enige ziekte zijn zal;
1Kon 8:38 Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, van al Uw volk Israel, geschieden zal; als zij erkennen, een ieder de plaag van zijn hart, en een ieder zijn handen in dit huis uitstrekken zal;
1Kon 8:39 Hoor Gij dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en doe, en geef een ieder naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van alle kinderen der mensen;
1Kon 8:40 Opdat zij U vrezen al de dagen, die zij leven zullen in het land, dat Gij onze vaderen gegeven hebt.
1Kon 8:41 Zelfs ook aangaande de vreemde, die van Uw volk Israel niet zal zijn, maar uit verre lande vanwege Uw Naam komen zal;
1Kon 8:42 -Want zij zullen horen van Uw grote Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekte arm- als hij komen en bidden zal in dit huis;
1Kon 8:43 Hoor Gij in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, om U te vrezen, gelijk Uw volk Israel, en om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, dat ik gebouwd heb.
1Kon 8:44 Wanneer Uw volk in de oorlog tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die Gij hen zenden zult, en zullen tot de HEERE bidden met het aangezicht gekeerd naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
1Kon 8:45 Hoor dan in de hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit.
1Kon 8:46 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U -want geen mens is er, die niet zondigt-, en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen overleveren zult aan de vijand, dat degenen, die hen gevangen genomen hebben, hen gevangen wegvoeren in het land van de vijand, dat ver of nabij is.
1Kon 8:47 En zij in het land, waar zij gevangen naar weggevoerd zijn, zichzelf onderzoeken, zodat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land van hen, die hen gevangen weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd, en verkeerd gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld;
1Kon 8:48 En zij zich tot U bekeren, met hun gehele hart, en met hun gehele ziel, in het land van hun vijanden, die hen gevangen weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen gekeerd in de richting van hun land -dat Gij hun vaderen gegeven hebt-, naar deze stad, die Gij verkoren hebt en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
1Kon 8:49 Hoor dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, hun gebed en hun smeking en voer hun recht uit;
1Kon 8:50 En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmee zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht van hen, die hen gevangen houden, opdat zij zich over hen ontfermen;
1Kon 8:51 Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, dat Gij uitgeleid hebt uit Egypteland, uit het midden van de ijzeroven.
1Kon 8:52 Dat Uw ogen open zijn tot de smeking van Uw knecht, en tot de smeking van Uw volk Israel, om naar hen te horen, in al hun roepen tot U.
1Kon 8:53 Want Gij hebt hen U tot een erfdeel afgezonderd, uit alle volken der aarde; gelijk als Gij gesproken hebt door de dienst van Mozes, Uw knecht, toen Gij onze vaderen uit Egypte uitgeleid hebt, Heere HEERE!
1Kon 8:54 Het geschiedde nu, als Salomo voleindigd had dit hele gebed, en deze smeking tot de HEERE te bidden, dat hij van voor het altaar des HEEREN opstond, van het knielen op zijn knieŽn, met zijn handen uitgestrekt naar de hemel;
1Kon 8:55 Zo stond hij, en zegende de hele gemeente van Israel, zeggende met luider stem:
1Kon 8:56 Geloofd zij de HEERE, Die aan Zijn volk Israel rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft! Niet een enig woord is er gevallen van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door de dienst van Mozes, Zijn knecht.
1Kon 8:57 De HEERE, onze God, zij met ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet;
1Kon 8:58 Neigende tot Zich ons hart, om in al Zijn wegen te wandelen, en om te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, die Hij onze vaderen geboden heeft.
1Kon 8:59 En dat deze mijn woorden, waarmee ik voor de HEERE gesmeekt heb, mogen nabij zijn voor de HEERE, onze God, dag en nacht; opdat Hij het recht van Zijn knecht uitvoere, en het recht van Zijn volk Israel, voor een ieder te allen tijde.
1Kon 8:60 Opdat alle volken der aarde weten, dat de HEERE die God is, er is geen andere;
1Kon 8:61 En uw hart geheel en al zij met de HEERE, onze God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk heden.

1Kon 8:62 En de koning, en geheel Israel met hem, offerden slachtoffers voor het aangezicht des HEEREN.
1Kon 8:63 En Salomo offerde ten dankoffer, dat hij de HEERE offerde, twee en twintig duizend runderen, en honderd en twintig duizend schapen. Alzo hebben zij het huis des HEEREN ingewijd, de koning en al de kinderen Israels.
1Kon 8:64 Op die dag heiligde de koning het midden van de voorhof, dat voor het huis des HEEREN was, omdat hij aldaar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, alsook het vet van de dankoffers; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN was, was te klein, om de brandoffers, en de spijsoffers, en het vet van de dankoffers te bevatten.
1Kon 8:65 Diezelfde tijd ook hield Salomo het feest, en gans Israel met hem, een grote gemeente, vanaf de ingang Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen.
1Kon 8:66 Op de achtste dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden de koning; daarna gingen zij naar hun tenten, blij en goedsmoeds over al het goede, dat de HEERE aan David, Zijn knecht, en aan Israel, Zijn volk, gedaan had.

Hoofdstuk 9
1Kon 9:1 Het geschiedde nu, als Salomo voltooid had te bouwen het huis des HEEREN en het huis des konings, en al wat Salomo behaagd had te maken;
1Kon 9:2 Dat de HEERE weer aan Salomo verscheen, zoals Hij hem in Gibeon verschenen was.
1Kon 9:3 En de HEERE zei tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die gij voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, dat gij gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam aldaar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn elke dag.
1Kon 9:4 En zo gij voor Mijn aangezicht wandelen zult, zoals uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid van hart, en met oprechtheid, om te doen naar al wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult;
1Kon 9:5 Zo zal Ik de troon van uw koninkrijk over Israel bevestigen in eeuwigheid; gelijk als Ik gesproken heb tot uw vader David, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden van de troon van Israel.
1Kon 9:6 Maar zo gij u afkeren zult, gij en uw kinderen, van Mij na te volgen, en niet houden zult Mijn geboden en Mijn inzettingen, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb; maar heengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult;
1Kon 9:7 Zo zal Ik Israel uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Israel zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken.
1Kon 9:8 En aangaande dit huis, dat verheven zal geweest zijn, al wie het zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft de HEERE alzo gedaan aan dit land en aan dit huis?
1Kon 9:9 En men zal zeggen: Omdat zij de HEERE, hun God, verlaten hebben, Die hun vaderen uit Egypteland uitgeleid had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor die nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft de HEERE al dit kwaad over hen gebracht.
1Kon 9:10 Na twintig jaren had Salomo die twee huizen gebouwd, het huis des HEEREN en het huis des konings;
1Kon 9:11 -Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Salomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn behoefte voorzien had-, en de koning Salomo gaf aan Hiram twintig steden in het land van Galilea.
1Kon 9:12 En Hiram trok uit van Tyrus, om de steden te bezien, die Salomo hem gegeven had, maar die bevielen hem niet
1Kon 9:13 Daarom zei hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broeder, die gij mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul, tot op deze dag.
1Kon 9:14 En Hiram had de koning gezonden honderd en twintig talenten goud.
1Kon 9:15 Dit is nu de reden van de lichting, die de koning Salomo deed opkomen, om het huis des HEEREN te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, alsook Hazor en Megiddo en Gezer.
1Kon 9:16 (Farao, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanašnieten, die in de stad woonden, gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven.)
1Kon 9:17 Alzo bouwde Salomo Gezer, en het lage Beth-horon.
1Kon 9:18 En Bašlath, en Tamor in de wildernis, in dat land;
1Kon 9:19 En al de voorraadsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden der ruiters, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op de Libanon, en in het ganse land van zijn heerschappij.
1Kon 9:20 Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet waren van de kinderen Israels;
1Kon 9:21 Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen Israels niet hadden kunnen verbannen, werden door Salomo gebracht tot herendienst tot op deze dag.
1Kon 9:22 Doch van de kinderen Israels maakte Salomo geen slaaf; maar zij waren soldaten, en zijn dienaren, en zijn vorsten, en zijn aanvoerders, en de oversten van zijn wagens en zijn ruiters.
1Kon 9:23 Dezen waren de oversten, die over het werk van Salomo waren, vijfhonderd en vijftig, die het opzicht hadden over het volk, dat in het werk doende was.
1Kon 9:24 Ook verhuisde de dochter van Farao van de stad Davids op tot haar huis, dat hij voor haar gebouwd had; toen bouwde hij Millo.
1Kon 9:25 En Salomo offerde driemaal in het jaar brandoffers en dankoffers, op het altaar, dat hij de HEERE gebouwd had, en reukofferde op dat, dat voor het aangezicht des HEEREN was, toen hij het huis voltooid had.
1Kon 9:26 De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-geber, dat bij Eloth is, aan de oever van de Schelfzee, in het land van Edom.
1Kon 9:27 En Hiram zond met die schepen zijn knechten, scheepslieden, kenners van de zee, met de knechten van Salomo.
1Kon 9:28 En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo.

Hoofdstuk 10
1Kon 10:1 En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam des HEEREN, kwam zij, om hem met raadsels te toetsen.
1Kon 10:2 En zij kwam te Jeruzalem, met een grote stoet met kamelen, dragende specerijen, en zeer veel goud, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem over al wat in haar hart was.
1Kon 10:3 En Salomo beantwoordde al haar vragen; geen ding was er verborgen voor de koning, dat hij haar niet verklaarde.
1Kon 10:4 Als nu de koningin van Scheba zag al de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had,
1Kon 10:5 En de spijze van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kleding, en zijn schenkers, en zijn brandoffer, dat hij offerde in het huis des HEEREN, zo was in haar geen geest meer.
1Kon 10:6 En zij zei tot de koning: Het woord was dus waar, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.
1Kon 10:7 Ik heb die woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft is mij niet aangezegd; gij hebt met wijsheid en welvaart overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.
1Kon 10:8 Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die steeds voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen!
1Kon 10:9 Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op de troon van Israel te zetten! Omdat de HEERE Israel in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
1Kon 10:10 En zij gaf de koning honderd en twintig talenten goud, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; zoals deze specerij, die de koningin van Scheba de koning Salomo gaf, kwam er nooit meer in zo een overvloed.
1Kon 10:11 Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente.
1Kon 10:12 En de koning maakte van dit almuggimhout balustraden voor het huis des HEEREN, en voor het huis des konings, alsook harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet eerder gekomen noch gezien, tot op deze dag.
1Kon 10:13 En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde; behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van de koning Salomo; zo keerde zij terug en trok weer naar haar land, zij en haar knechten.

1Kon 10:14 Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo in een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten goud;
1Kon 10:15 Behalve hetgeen van de kooplieden en het handelsverkeer kwam, en van alle koningen van ArabiŽ, en de gouverneurs van het land.
1Kon 10:16 Ook maakte de koning Salomo tweehonderd grote schilden van geslagen goud; zeshonderd sikkels goud liet hij opwegen voor elk groot schild.
1Kon 10:17 Insgelijks driehonderd kleinere schilden van geslagen goud; drie pond goud liet hij opwegen voor elk klein schild; en de koning plaatste ze in het huis van het woud van Libanon.
1Kon 10:18 Nog maakte de koning een grote ivoren troon, en hij overtrok dat met dicht goud.
1Kon 10:19 Deze troon had zes trappen, en de troon was bovenaan van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen.
1Kon 10:20 En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest.
1Kon 10:21 Ook waren alle drinkvaten van de koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis van het woud van Libanon waren van zuiver goud; geen zilver was er aan; want het werd in de dagen van Salomo niet van waarde geacht.
1Kon 10:22 Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen binnen, eenmaal in drie jaar, brengende goud, en zilver, ivoor, en apen, en pauwen.
1Kon 10:23 Alzo werd de koning Salomo groter dan alle koningen der aarde, in rijkdom en in wijsheid.
1Kon 10:24 En de hele wereld zocht het aangezicht van Salomo, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.
1Kon 10:25 En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen, en pantser, en specerijen, paarden en muilezels, elk jaar weer.
1Kon 10:26 Daartoe vergaderde Salomo wagens en ruiters, en hij had duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiters, en legde ze in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem.
1Kon 10:27 En de koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de ceders maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in het Laagland zijn, in menigte.
1Kon 10:28 En de paarden van Salomo kwamen uit Egypte en Tekoa; en aangaande de aankoop van de paarden, de kooplieden van de koning kochten ze voor de prijs.
1Kon 10:29 En een wagen kwam uit Egypte, voor zeshonderd sikkels zilver, en een paard voor honderd en vijftig; en alzo voerden ze die uit aan alle koningen der Hethieten, en de koningen van SyriŽ.

Hoofdstuk 11
1Kon 11:1 En de koning Salomo had benevens de dochter van Farao veel vreemde vrouwen lief: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische;
1Kon 11:2 Van die volken, waarvan de HEERE gezegd had tot de kinderen Israels: Gijlieden zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden uw hart stellig achter hun goden neigen; aan dezen verbond zich Salomo niettemin door liefde.
1Kon 11:3 En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijvrouwen en zijn vrouwen neigden zijn hart.
1Kon 11:4 Want het geschiedde in de tijd van Salomo's ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met de HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.
1Kon 11:5 Want Salomo wandelde Astoreth na, de god van de SidoniŽrs, en Milchom, het verfoeisel van de Ammonieten.
1Kon 11:6 Alzo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; en volhardde niet de HEERE te volgen, gelijk zijn vader David.
1Kon 11:7 Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen van Ammon.
1Kon 11:8 En alzo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die hun goden wierookten en offerden.
1Kon 11:9 Daarom werd de HEERE toornig op Salomo, omdat hij zijn hart afgewend had van de HEERE, de God van Israel, Die hem tweemaal verschenen was.
1Kon 11:10 En hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; doch hij hield niet, wat de HEERE geboden had.
1Kon 11:11 Daarom zei de HEERE tot Salomo: Omdat dit bij u geschied is, dat gij niet hebt gehouden Mijn verbond en Mijn inzettingen, die Ik u geboden heb; Ik zal dit koninkrijk gewis van u scheuren, en dat uw knecht geven.
1Kon 11:12 In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, omwille van uw vader David, van de hand van uw zoon zal Ik het scheuren.
1Kon 11:13 Maar het hele koninkrijk zal Ik niet afscheuren; één stam zal Ik uw zoon geven, omwille van Mijn knecht David, en omwille van Jeruzalem, dat Ik verkoren heb.
1Kon 11:14 Zo verwekte de HEERE Salomo een tegenstander, Hadad, de Edomiet; hij was van het koninklijk zaad in Edom.
1Kon 11:15 Want het was geschied, als David in Edom was, en Joab, de legeroverste, optrok, om de verslagenen te begraven, dat hij al wat mannelijk was in Edom sloeg;
1Kon 11:16 Want Joab bleef aldaar zes maanden, met het ganse Israel, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had.
1Kon 11:17 Doch Hadad was ontvlucht, hij en enige Edomietische mannen van de knechten van zijn vader met hem, om in Egypte te komen; Hadad nu was nog een kleine jongen.
1Kon 11:18 En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran; en namen met zich mannen van Paran, en kwamen in Egypte tot Farao, de koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding beloofde, en hem land gaf.
1Kon 11:19 En Hadad vond grote genade in de ogen van Farao, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zuster van zijn huisvrouw, de zuster van Tachpenes, de koningin.
1Kon 11:20 En de zuster van Tachpenes baarde hem zijn zoon Genubath, en Tachpenes voedde hem op in het huis van Farao; zodat Genubath in het huis van Farao was, onder de zonen van Farao.
1Kon 11:21 Toen nu Hadad in Egypte hoorde, dat David met zijn vaderen ontslapen was, en dat Joab, de legeroverste, dood was, zei Hadad tot Farao: Laat mij gaan, dat ik naar mijn land trek.
1Kon 11:22 Doch Farao zei: Maar wat ontbreekt u bij mij, dat, zie, gij naar uw land zoekt te trekken? En hij zei: Niets, maar laat mij evenwel gaan.
1Kon 11:23 Ook verwekte God hem een tegenstander, Rezon, de zoon van Eljada, die gevlucht was voor zijn heer Hadad-ezer, de koning van Zobah,
1Kon 11:24 Tegen wie hij ook mannen vergaderd had, en werd overste van een bende, toen David die van Zobah doodde; en getrokken zijnde naar Damaskus, woonden zij aldaar, en regeerden in Damaskus.
1Kon 11:25 En hij was Israels tegenstander al de dagen van Salomo, en dat benevens het kwaad, dat Hadad deed; want hij had een afkeer van Israel, en hij regeerde over SyriŽ.
1Kon 11:26 Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht -wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw-; ook hij hief de hand op tegen de koning.
1Kon 11:27 Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen de koning ophief. Salomo bouwde Millo, en repareerde de breuk van de stad van zijn vader David.
1Kon 11:28 En de man Jerobeam was een dapper held. Toen Salomo van deze jongeman zag, dat hij bekwaam was, zo stelde hij hem tot opzichter over al de last van het huis van Jozef.
1Kon 11:29 Het geschiedde nu in die tijd, toen Jerobeam eens Jeruzalem verliet, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op de weg ontmoette, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren;
1Kon 11:30 Zo vatte Ahia het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het in twaalf stukken.
1Kon 11:31 En hij zei tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.

1Kon 11:32 Maar één stam zal hij hebben, omwille van Mijn knecht David, en omwille van Jeruzalem, de stad, die Ik verkoren heb uit alle stammen van Israel.
1Kon 11:33 Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god der SidoniŽrs, Kamos, de god der Moabieten, en Milchom, de god der kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
1Kon 11:34 Doch niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen van zijn leven, omwille van Mijn knecht David, die Ik verkoren heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft.
1Kon 11:35 Maar uit de hand van zijn zoon zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven.
1Kon 11:36 En zijn zoon zal Ik één stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht zal hebben in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij verkoren heb, om Mijn Naam daar te vestigen.
1Kon 11:37 Zo zal Ik u nemen, en gij zult regeren over al wat uw ziel zal begeren; en gij zult koning zijn over Israel.
1Kon 11:38 En het zal geschieden, zo gij horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als Mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israel geven.
1Kon 11:39 En Ik zal hierdoor het zaad van David verootmoedigen; nochtans niet altijd.
1Kon 11:40 Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vluchtte naar Egypte, tot Sisak, de koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.
1Kon 11:41 Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet geschreven in het boek der geschiedenissen van Salomo?
1Kon 11:42 De tijd nu, die Salomo te Jeruzalem over het gehele Israel regeerde, was veertig jaren.
1Kon 11:43 Daarna ontsliep Salomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Hoofdstuk 12
1Kon 12:1 En Rehabeam trok naar Sichem, want heel Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.
1Kon 12:2 Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, toen hij nog in Egypte was -want hij was van het aangezicht van de koning Salomo gevlucht; en Jerobeam woonde in Egypte-,
1Kon 12:3 Dat zij heen zonden, en hem lieten roepen; en Jerobeam en de hele gemeente van Israel kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende:
1Kon 12:4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak de harde dienst van uw vader, en zijn zware juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.
1Kon 12:5 En hij zei tot hen: Gaat heen tot aan de derde dag, komt dan terug tot mij. En het volk ging heen.
1Kon 12:6 En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, toen hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?
1Kon 12:7 En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.
1Kon 12:8 Maar hij achtte niet op de raad der oudsten, die zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongemannen, die met hem opgegroeid waren, die voor zijn aangezicht stonden.
1Kon 12:9 En hij zei tot hen: Wat raadt gij, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter.
1Kon 12:10 En de jongemannen, die met hem opgegroeid waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan de lenden van mijn vader.
1Kon 12:11 Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met gesels gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
1Kon 12:12 Zo kwam Jerobeam en het hele volk tot Rehabeam op de derde dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt terug tot mij op de derde dag.
1Kon 12:13 En de koning antwoordde het volk hard; want hij achtte niet op de raad der oudsten, die zij hem geraden hadden.
1Kon 12:14 En hij sprak tot hen naar de raad der jongemannen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met gesels gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
1Kon 12:15 Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze wending was van de HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat de HEERE door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.

1Kon 12:16 Toen heel Israel zag, dat de koning naar hen niet luisterde, zo gaf het volk de koning weder antwoord, zeggende: Welk deel hebben wij aan David? Ja, geen erfenis hebben wij aan de zoon van IsaÔ; naar uw tenten, o Israel! Zorg zelf voor uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten.
1Kon 12:17 Doch aangaande de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.
1Kon 12:18 Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de belastingen was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vermande zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.
1Kon 12:19 Alzo vielen de Israelieten van het huis Davids af, tot op deze dag.
1Kon 12:20 En het geschiedde, als heel Israel hoorde, dat Jerobeam teruggekomen was, dat zij heen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over heel Israel koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen.
1Kon 12:21 Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het hele huis van Juda en de stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgekozen mannen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis van Israel te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam, de zoon van Salomo, bracht.
1Kon 12:22 Doch het woord van God geschiedde tot Semaja, de man Gods, zeggende:
1Kon 12:23 Zeg tot Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tot het hele huis van Juda en Benjamin, en het overige van het volk, zeggende:
1Kon 12:24 Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broeders, de kinderen van Israel; een ieder kere terug tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord des HEEREN, en keerden terug, om weg te trekken naar het woord des HEEREN.

1Kon 12:25 Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van EfraÔm, en woonde daarin, en trok van daar uit, en bouwde Penuel.
1Kon 12:26 En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer tot het huis van David keren;
1Kon 12:27 Als dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart van dit volk tot hun heer, tot Rehabeam, de koning van Juda, weerkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, de koning van Juda, weerkeren.
1Kon 12:28 Daarom overlegde de koning met zijn raadgevers, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot het volk: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
1Kon 12:29 En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij op te Dan.
1Kon 12:30 En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen om daarvoor te aanbidden, tot Dan toe.
1Kon 12:31 Hij maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesters van de minsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi.
1Kon 12:32 En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; zo deed hij te Beth-el, offerende de kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-el priesters der hoogten, die hij gemaakt had.
1Kon 12:33 En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-el gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, van de maand, die hij in zijn hart bedacht had; zo maakte hij de kinderen van Israel een feest, en offerde op dat altaar, wierokend.

Hoofdstuk 13
1Kon 13:1 En ziet, een man Gods kwam uit Juda, door het woord des HEEREN tot Beth-el; en Jerobeam stond bij het altaar, om te wieroken.
1Kon 13:2 En hij riep tegen het altaar, door het woord des HEEREN, en zei: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, een zoon zal aan het huis Davids geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters der hoogten, die op u wieroken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.
1Kon 13:3 En hij gaf op diezelfde dag een wonderteken, zeggende: Dit is dat wonderteken, waarvan de HEERE gesproken heeft; ziet, het altaar zal vaneen gescheurd, en de as, die daarop is, eraf gestort worden.
1Kon 13:4 Het geschiedde nu, toen de koning het woord van de man Gods hoorde, dat hij tegen het altaar te Beth-el geroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdroogde, zodat hij ze niet weer tot zich trekken kon.
1Kon 13:5 En het altaar werd vaneen gescheurd, en de as van het altaar afgestort, naar dat wonderteken, dat de man Gods gegeven had, door het woord des HEEREN.
1Kon 13:6 Toen antwoordde de koning, en zei tot de man Gods: Aanbid toch het aangezicht van de HEERE, uw God, ernstig, en bid voor mij, dat mijn hand weer tot mij komt! Toen bad de man Gods het aangezicht des HEEREN ernstig; en de hand van de koning kwam weer tot hem, en werd gelijk tevoren.
1Kon 13:7 En de koning sprak tot de man Gods: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven.
1Kon 13:8 Maar de man Gods zei tot de koning: Al gaf u mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.
1Kon 13:9 Want zo heeft mij de HEERE geboden door Zijn woord, zeggende: Gij zult geen brood eten, noch water drinken; en gij zult niet weerkeren door de weg, die gij gegaan zijt.
1Kon 13:10 En hij ging langs een andere weg, en keerde niet weer langs de weg, door welke hij te Beth-el gekomen was.

1Kon 13:11 Een oude profeet nu woonde te Beth-el; en zijn zonen kwamen, en vertelden hem al het werk, dat de man Gods op die dag in Beth-el gedaan had, met de woorden, die hij tot de koning gesproken had; die vertelden zij ook hun vader.
1Kon 13:12 En hun vader sprak tot hen: Welke weg is hij gegaan? En zijn zonen hadden de weg gezien, die de man Gods, die uit Juda was gekomen, gegaan was.
1Kon 13:13 Toen zei hij tot zijn zonen: Zadelt mij de ezel. En zij zadelden hem de ezel, en hij reed daarop weg.
1Kon 13:14 En hij ging de man Gods achterna, en vond hem zittend onder een eik; en hij zei tot hem: Zijt gij de man Gods, die uit Juda gekomen zijt? En hij zei: Ik ben het.
1Kon 13:15 Toen zei hij tot hem: Kom met mij naar huis, en eet brood.
1Kon 13:16 Doch hij zei: Ik kan niet met u terugkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats.
1Kon 13:17 Want een woord is tot mij geschied door het woord des HEEREN: Gij zult aldaar noch brood eten, noch water drinken; gij zult niet terugkeren, gaande door de weg, door welke gij gegaan zijt.
1Kon 13:18 En hij zei tot hem: Ik ben ook een profeet, gelijk gij, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord des HEEREN, zeggende: Breng hem weer met u in uw huis, dat hij brood eet en water drinkt. Doch hij loog hem voor.
1Kon 13:19 En hij keerde met hem terug, en at brood in zijn huis, en dronk water.
1Kon 13:20 En het geschiedde, toen zij aan tafel zaten, dat het woord des HEEREN geschiedde tot de profeet, die hem had doen terugkeren;
1Kon 13:21 En hij riep tot de man Gods, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt de HEERE: Daarom dat gij de mond des HEEREN zijt weerspannig geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u de HEERE, uw God, geboden had,
1Kon 13:22 Maar zijt teruggekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: Gij zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dood lichaam in het graf van uw vaderen niet komen.

1Kon 13:23 En het geschiedde, nadat hij brood gegeten, en nadat hij gedronken had, dat hij hem de ezel zadelde, te weten voor de profeet, die hij had doen terugkeren.
1Kon 13:24 Zo trok hij heen, en een leeuw vond hem op de weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op de weg, en de ezel stond daarbij; ook stond de leeuw bij het dode lichaam.
1Kon 13:25 En ziet, er gingen mensen voorbij, en zagen het dode lichaam geworpen op de weg, en de leeuw, staande bij het dode lichaam; en zij kwamen en vertelden het in de stad, waarin de oude profeet woonde.
1Kon 13:26 Toen de profeet, die hem van de weg had doen terugkeren, dit hoorde, zo zei hij: Het is de man Gods, die de mond des HEEREN weerspannig is geweest; daarom heeft de HEERE hem aan de leeuw overgegeven, die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar het woord des HEEREN, dat Hij tot hem gesproken had.
1Kon 13:27 Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadelt mij de ezel. En zij zadelden hem de ezel.
1Kon 13:28 Toen trok hij heen, en vond zijn dood lichaam geworpen op de weg, en de ezel, en de leeuw, staande bij het dode lichaam; de leeuw had het dode lichaam niet gegeten, en de ezel niet gebroken.
1Kon 13:29 Toen nam de profeet het dode lichaam van de man Gods op, en legde dat op de ezel, en bracht het terug; zo kwam de oude profeet in de stad om rouw te bedrijven en hem te begraven.
1Kon 13:30 En hij legde zijn dood lichaam in zijn graf; en zij maakten over hem een weeklacht: Ach, mijn broeder!
1Kon 13:31 Het geschiedde nu, nadat hij hem begraven had, dat hij tot zijn zonen sprak, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man Gods begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen.
1Kon 13:32 Want de zaak zal gewis geschieden, die hij door het woord des HEEREN uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-el is, en tegen al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria zijn.
1Kon 13:33 Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn boze weg; maar stelde wederom priesters der hoogten aan van de minsten van het volk; wie wilde, die wijdde hij, en werd zo één van de priesters der hoogten.
1Kon 13:34 En deze zaak werd het huis van Jerobeam tot zonde, om dat te doen afsnijden en te verdelgen van de aardbodem.

Hoofdstuk 14
1Kon 14:1 In diezelfde tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam, ziek.
1Kon 14:2 En Jerobeam zei tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en vermom u, dat men niet merkt, dat gij Jerobeams huisvrouw zijt, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahia, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.
1Kon 14:3 En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honing, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat deze jongen geschieden zal.
1Kon 14:4 En Jerobeams huisvrouw deed alzo, en maakte zich op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahia. Ahia nu kon niet zien, want zijn ogen waren star vanwege zijn ouderdom.
1Kon 14:5 Maar de HEERE zei tot Ahia: Zie, Jerobeams huisvrouw komt, om u te vragen aangaande haar zoon, want hij is ziek; zo en zo zult gij tot haar spreken, en het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zal doen alsof zij een ander is.
1Kon 14:6 En het geschiedde, toen Ahia het geluid van haar voeten hoorde, toen zij door de deur inkwam, dat hij zei: Kom in, gij huisvrouw van Jerobeam! Waarom doet gij alsof gij een ander zijt? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.
1Kon 14:7 Ga heen, zeg Jerobeam: Zo zegt de HEERE, de God van Israel: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden van het volk, en u tot een voorganger over Mijn volk Israel gesteld heb;
1Kon 14:8 En het koninkrijk van het huis van David gescheurd, en dat u gegeven heb, maar gij niet geweest zijt, gelijk Mijn knecht David, die Mijn geboden hield, en die Mij met zijn hele hart navolgde, om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen;
1Kon 14:9 Maar kwaad gedaan hebt, meer dan allen, die voor u geweest zijn, en heengegaan zijt, en hebt u andere goden en gegoten beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen;
1Kon 14:10 Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, slaaf en vrije in Israel; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het geheel vergaan is.
1Kon 14:11 Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten; want de HEERE heeft het gesproken.
1Kon 14:12 Gij dan maak u op, ga naar uw huis; als uw voeten in de stad zullen gekomen zijn, zo zal het kind sterven.
1Kon 14:13 En heel Israel zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor de HEERE, de God van Israel, in het huis van Jerobeam gevonden is.
1Kon 14:14 Doch de HEERE zal Zich een koning verwekken over Israel, die het huis van Jerobeam in die dag uitroeien zal; is het niet nu ook al?
1Kon 14:15 De HEERE zal ook Israel slaan, gelijk een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israel uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien aan gene zijde van de rivier; daarom dat zij hun bossen gemaakt hebben, de HEERE tot toorn verwekkend.
1Kon 14:16 En Hij zal Israel overgeven, omwille van Jerobeams zonden, die gezondigd heeft, en die Israel heeft doen zondigen.
1Kon 14:17 Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; toen zij nu op de dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeman.
1Kon 14:18 En zij begroeven hem, en heel Israel beklaagde hem; naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de profeet.
1Kon 14:19 Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij oorlog heeft gevoerd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israel.
1Kon 14:20 De dagen nu, die Jerobeam heeft geregeerd, zijn tweeŽntwintig jaar; en hij ontsliep met zijn vaderen, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

1Kon 14:21 Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; eenŽnveertig jaar was Rehabeam oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaar te Jeruzalem, in de stad, die de HEERE verkoren had uit al de stammen van Israel, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Našma, de Ammonietische.
1Kon 14:22 En Juda deed, wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij verwekten Hem tot naijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden.
1Kon 14:23 Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op alle hoge heuvels, en onder elke groene boom.
1Kon 14:24 Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelen van de heidenen, die de HEERE van het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.
1Kon 14:25 Het geschiedde nu in het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optrok tegen Jeruzalem.
1Kon 14:26 En hij nam de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had.
1Kon 14:27 En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten van de wacht, die de deur van het huis des konings bewaakten.
1Kon 14:28 En het geschiedde, zo vaak als de koning in het huis des HEEREN ging, dat de wacht die droeg, en die terug bracht in het verblijf van de wacht.
1Kon 14:29 Het overige nu van de geschiedenissen van Rehabeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda?
1Kon 14:30 En er was oorlog tussen Rehabeam en Jerobeam, al hun dagen.
1Kon 14:31 En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en de naam van zijn moeder was Našma, de Ammonietische; en zijn zoon Abiam regeerde in zijn plaats.

Hoofdstuk 15
1Kon 15:1 In het achttiende jaar nu van de koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda.
1Kon 15:2 Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Mašcha, een dochter van Absalom.
1Kon 15:3 En hij wandelde in al de zonden van zijn vader, die hij voor hem gedaan had; en zijn hart was niet volkomen met de HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.
1Kon 15:4 Maar omwille van David, gaf de HEERE, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem, zijn zoon na hem verwekkend en Jeruzalem bevestigend.
1Kon 15:5 Omdat David gedaan had wat recht was in de ogen des HEEREN, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen van zijn leven, dan alleen in de zaak van Uria, de Hethiet.
1Kon 15:6 En er was oorlog geweest tussen Rehabeam en Jerobeam, al de dagen van zijn leven.
1Kon 15:7 Het overige nu van de geschiedenissen van Abiam, en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda? Er was ook oorlog tussen Abiam en tussen Jerobeam.
1Kon 15:8 En Abiam ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

1Kon 15:9 In het twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israel, werd Asa koning over Juda.
1Kon 15:10 En hij regeerde eenenveertig jaar te Jeruzalem, en de naam van zijn moeder was Mašcha, een dochter van Absalom.
1Kon 15:11 En Asa deed wat recht was in de ogen des HEEREN, zoals zijn vader David.
1Kon 15:12 Want hij nam weg de schandjongens uit het land, en deed weg al de drekgoden, die zijn vaders gemaakt hadden.
1Kon 15:13 Ja, zelfs zijn moeder Mašcha zette hij ook af, dat zij geen koningin meer was, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijke afgod uit, en verbrandde hem aan de beek Kidron.
1Kon 15:14 De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met de HEERE, al zijn dagen.
1Kon 15:15 En hij bracht in het huis des HEEREN de geheiligde dingen van zijn vader, en zijn geheiligde dingen, zilver en goud en vaten.
1Kon 15:16 En er was oorlog tussen Asa en BaŽsa, de koning van Israel, al hun dagen.
1Kon 15:17 Want BaŽsa, de koning van Israel, trok op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda.
1Kon 15:18 Toen nam Asa al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis van de koning, en gaf ze in de hand van zijn knechten; en de koning Asa zond ze tot Benhadad, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Hezion, de koning van SyriŽ, die te Damaskus woonde, zeggende:
1Kon 15:19 Er is een verbond tussen mij en u, tussen mijn vader en uw vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud; ga heen, maak uw verbond teniet met BaŽsa, de koning van Israel, dat hij wegtrekt van mij.
1Kon 15:20 En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de legers, die hij had, tegen de steden van Israel; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Mašcha, en het ganse Cinneroth, met het ganse land Nafthali.
1Kon 15:21 En het geschiedde, toen BaŽsa dat hoorde, dat hij ophield Rama te bouwen, en hij bleef te Thirza.
1Kon 15:22 Toen liet de koning Asa door gans Juda uitroepen -niemand was vrij-, dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee BaŽsa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmee Geba-benjamins, en Mizpa.
1Kon 15:23 Het overige nu van alle geschiedenissen van Asa, en al zijn macht, en al wat hij gedaan heeft, en de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda? Doch in de tijd van zijn ouderdom werd hij ziek aan zijn voeten.
1Kon 15:24 En Asa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven met zijn vaderen, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats.

1Kon 15:25 Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israel, in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda; en hij regeerde twee jaar over Israel.
1Kon 15:26 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de weg van zijn vader, en in zijn zonde, waarmee hij Israel had doen zondigen.
1Kon 15:27 En BaŽsa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een samenzwering tegen hem, en BaŽsa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, terwijl Nadab en gans Israel Gibbethon belegerden.
1Kon 15:28 En BaŽsa doodde hem, in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats.
1Kon 15:29 Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het ganse huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet;
1Kon 15:30 Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die Israel zondigen deed, en om zijn tergen, waarmee hij de HEERE, de God van Israel, getergd had.
1Kon 15:31 Het overige nu van de geschiedenissen van Nadab, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israel?
1Kon 15:32 En er was oorlog tussen Asa en BaŽsa, de koning van Israel, al hun dagen.
1Kon 15:33 In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd BaŽsa, de zoon van Ahia, koning over gans Israel, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaar.
1Kon 15:34 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de weg van Jerobeam, en in zijn zonde, waarmee hij Israel had doen zondigen.

Hoofdstuk 16
1Kon 16:1 Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jehu, de zoon van Hanani, tegen BaŽsa, zeggende:
1Kon 16:2 Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israel gesteld heb, en gij gewandeld hebt in de weg van Jerobeam, en Mijn volk Israel hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkend door hun zonden;
1Kon 16:3 Zie, zo zal Ik de nakomelingen van BaŽsa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat.
1Kon 16:4 Die van BaŽsa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten.
1Kon 16:5 Het overige nu van de geschiedenissen van BaŽsa, en wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israel?
1Kon 16:6 En BaŽsa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats.
1Kon 16:7 Alzo geschiedde ook het woord des HEEREN, door de dienst van de profeet Jehu, de zoon van Hanani, tegen BaŽsa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen des HEEREN, Hem tot toorn verwekkend door het werk van zijn handen, omdat hij was gelijk het huis van Jerobeam, en omdat hij het verslagen had.
1Kon 16:8 In het zesentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van BaŽsa, koning over Israel, te Thirza, en regeerde twee jaar.
1Kon 16:9 En Zimri, zijn knecht, overste van de helft van de strijdwagens, maakte een samenzwering tegen hem, toen hij te Thirza was, zich bedrinkend in het huis van Arza, de hofmeester te Thirza;
1Kon 16:10 Zo kwam Zimri binnen, en sloeg hem, en doodde hem, in het zevenentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats.
1Kon 16:11 En het geschiedde, toen hij regeerde, toen hij op zijn troon zat, dat hij het gehele huis van BaŽsa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden.
1Kon 16:12 Alzo verdelgde Zimri het gehele huis van BaŽsa, naar het woord des HEEREN, dat Hij over BaŽsa gesproken had, door de dienst van de profeet Jehu;
1Kon 16:13 Om al de zonden van BaŽsa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmee zij gezondigd hadden, en waarmee zij Israel hadden doen zondigen, tot toorn verwekkend de HEERE, de God van Israel, door hun ijdelheden.
1Kon 16:14 Het overige nu van de geschiedenissen van Ela, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israel?
1Kon 16:15 In het zevenentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat van de Filistijnen is.
1Kon 16:16 Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een samenzwering gemaakt, ja, heeft ook de koning verslagen; daarom maakte het ganse Israel op die dag Omri, de legeroverste, koning over Israel, in het leger.
1Kon 16:17 En Omri trok op, en geheel Israel met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza.
1Kon 16:18 En het geschiedde, toen Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij het paleis binnen ging van het huis van de koning, en verbrandde boven zich het huis van de koning met vuur, en stierf;
1Kon 16:19 Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelend in de weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israel zondigen.
1Kon 16:20 Het overige nu van de geschiedenissen van Zimri, en zijn samenzwering, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israel?
1Kon 16:21 Toen werd het volk van Israel verdeeld in twee helften; de helft van het volk volgde Tibni, de zoon van Ginath, om hem koning te maken; en de helft volgde Omri.
1Kon 16:22 Maar het volk, dat Omri volgde, was sterker dan het volk, dat Tibni, de zoon van Ginath, volgde; en Tibni stierf, en Omri regeerde.
1Kon 16:23 In het eenendertigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Omri koning over Israel, en regeerde twaalf jaar; te Thirza regeerde hij zes jaar.
1Kon 16:24 En hij kocht de berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilver, en bebouwde de berg; en noemde de naam van de stad, die hij bouwde, naar de naam van Semer, de heer van de berg, Samaria.
1Kon 16:25 En Omri deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; ja, hij deed erger dan allen, die voor hem geweest waren.
1Kon 16:26 En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, de zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmee hij Israel had doen zondigen, verwekkend de HEERE, de God van Israel, tot toorn, door hun ijdelheden.
1Kon 16:27 Het overige nu van de geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijn macht die hij heeft uitgeoefend, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israel?
1Kon 16:28 En Omri ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Samaria; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats.
1Kon 16:29 En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israel, in het achtendertigste jaar van Asa, de koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israel, te Samaria, tweeŽntwintig jaar.
1Kon 16:30 En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, meer dan allen, die voor hem geweest waren.
1Kon 16:31 En het geschiedde -was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?-, dat hij nog tot vrouw nam Izebel, de dochter van Eth-Bašl, de koning der SidoniŽrs, en heenging, en diende Bašl, en boog zich voor hem.
1Kon 16:32 En hij richtte voor Bašl een altaar op, in het huis van Bašl, dat hij te Samaria gebouwd had.
1Kon 16:33 Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om de HEERE, de God van Israel, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israel, die voor hem geweest waren.
1Kon 16:34
In zijn dagen bouwde HiŽl, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeboren zoon, heeft hij haar gefundeerd, en op Segub, zijn jongste zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord des HEEREN, dat Hij door de dienst van Jozua, de zoon van Nun, gesproken had.

Hoofdstuk 17
1Kon 17:1 En Elia, de Thisbiet, van de inwoners van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God van Israel, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!
1Kon 17:2 Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:
1Kon 17:3 Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is.
1Kon 17:4 En het zal geschieden, dat gij uit de beek drinken zult; en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen.
1Kon 17:5 Hij ging dan heen, en deed naar het woord des HEEREN; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die voor aan de Jordaan is.
1Kon 17:6 En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek.
1Kon 17:7 En het geschiedde na vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.

1Kon 17:8 Toen geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:
1Kon 17:9 Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u zal onderhouden.
1Kon 17:10 Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort van de stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, die hout bijeen zocht; en hij riep tot haar, en zei: Haal mij toch een weinig water in dit kruikje, dat ik drinken kan.
1Kon 17:11 Toen zij nu heenging om dat te halen, zo riep hij tot haar, en zei: Haal mij toch ook een stukje brood in uw hand.
1Kon 17:12 Maar zij zei: Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een handvol meel in de kruik, en een weinig olie in de kruik! En zie ik heb twee stukken hout gevonden, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven.
1Kon 17:13 En Elia zei tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij eerst een kleine koek daarvan, en breng mij die hier; doch voor u en uw zoon zult gij daarna wat maken.
1Kon 17:14 Want zo zegt de HEERE, de God van Israel: Het meel van de kruik zal niet opraken, en de olie van de kruik zal niet ontbreken, tot op de dag, dat de HEERE regen op de aardbodem geven zal.
1Kon 17:15 En zij ging heen, en deed naar het woord van Elia; zo at zij, en hij, en haar huis, vele dagen.
1Kon 17:16 Het meel van de kruik raakte niet op, en de olie van de kruik ontbrak niet, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door de dienst van Elia.

1Kon 17:17 En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon van deze vrouw, de vrouw des huizes, ziek werd; en zijn ziekte werd zeer ernstig, totdat geen adem in hem overgebleven was.
1Kon 17:18 En zij zei tot Elia: Wat heb ik met u te doen, gij man Gods? Zijt gij bij mij in huis gekomen, om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen, en om mijn zoon te doden?
1Kon 17:19 En hij zei tot haar: Geef mij uw zoon. En hij nam hem van haar schoot, en droeg hem boven in de opperkamer, waar hij zelf woonde, en hij legde hem neer op zijn bed.
1Kon 17:20 En hij riep de HEERE aan, en zei: HEERE, mijn God, hebt Gij dan ook deze weduwe, bij wie ik verblijf, zo kwalijk gedaan, dat Gij haar zoon gedood hebt?
1Kon 17:21 En hij strekte zich driemaal uit over dat kind, en riep de HEERE aan, en zei: HEERE, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem terugkomen.
1Kon 17:22 En de HEERE verhoorde de stem van Elia; en de ziel van het kind kwam weer in hem, dat het weer levend werd.
1Kon 17:23 En Elia nam het kind, en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het aan zijn moeder; en Elia zei: Zie, uw zoon leeft.
1Kon 17:24 Toen zei die vrouw tot Elia: Nu weet ik, dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des HEEREN in uw mond waarheid is.

Hoofdstuk 18
1Kon 18:1 En het gebeurde na vele dagen, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op de aardbodem.
1Kon 18:2 En Elia ging heen, om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk in Samaria.
1Kon 18:3 En Achab had Obadja, de hofmeester, geroepen; en Obadja vreesde de HEERE zeer.
1Kon 18:4 Want het geschiedde, als Izebel de profeten des HEEREN uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water.
1Kon 18:5 En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezels in het leven behouden, en niets uitroeien van de dieren.
1Kon 18:6 En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortrokken; Achab ging zelf de ene weg, en Obadja ging ook zelf de andere weg.
1Kon 18:7 Toen nu Obadja onderweg was, ziet, zo kwam hem Elia tegemoet; en hem herkennend, zo viel hij op zijn aangezicht, en zei: Zijt gij mijn heer Elia?
1Kon 18:8 Hij zei: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier.
1Kon 18:9 Maar hij zei: Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, zodat hij mij zal doden?
1Kon 18:10 Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, zo er een volk of koninkrijk is, waar mijn heer niet gezonden heeft, om u te zoeken; en als zij zeiden: Hij is hier niet; zo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af; dat zij u niet hadden gevonden.
1Kon 18:11 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier.
1Kon 18:12 En het mocht eens geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des HEEREN u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees de HEERE van mijn jeugd af.
1Kon 18:13 Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, toen Izebel de profeten des HEEREN doodde? Dat ik van de profeten des HEEREN honderd man heb verborgen, elk vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb?
1Kon 18:14 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier, en hij zou mij doodslaan.
1Kon 18:15 En Elia zei: Zo waarachtig als de HEERE der legerscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
1Kon 18:16 Toen ging Obadja Achab tegemoet, en zei het hem aan; en Achab ging Elia tegemoet.

1Kon 18:17 En het geschiedde, toen Achab Elia zag, dat Achab tot hem zei: Zijt gij het, die beroerder van Israel?
1Kon 18:18 Toen zei hij: Ik heb Israel niet beroerd, maar gij en het huis van uw vader, daarmee, dat gijlieden de geboden des HEEREN verlaten hebt en de Bašls nagevolgd zijt.
1Kon 18:19 Nu dan, zend heen, verzamel tot mij heel Israel op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Bašl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.
1Kon 18:20 Zo zond Achab onder alle kinderen Israels, en verzamelde de profeten op de berg Karmel.
1Kon 18:21 Toen naderde Elia tot het ganse volk, en zei: Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Bašl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet één woord.

1Kon 18:22 Toen zei Elia tot het volk: Ik alleen ben als profeet des HEEREN overgebleven, en de profeten van Bašl zijn vierhonderd en vijftig mannen.
1Kon 18:23 Dat men ons dan twee varren geve, en dat zij voor zich de ene var kiezen, en die in stukken delen, en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal de andere var bereiden, en op het hout leggen, en geen vuur daaraan leggen.
1Kon 18:24 Roept gij daarna de naam van uw god aan, en ik zal de Naam des HEEREN aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn. En het hele volk antwoordde en zei: Dat woord is goed.
1Kon 18:25 En Elia zei tot de profeten van Bašl: Kiest gijlieden voor u de ene var, en bereidt gij hem eerst, want gij zijt velen; en roept de naam van uw god aan, en legt geen vuur daaraan.
1Kon 18:26 En zij namen de var, die hij hun gegeven had, en bereidden hem, en riepen de naam van Bašl aan, van de morgen tot op de middag, zeggende: O Bašl, antwoord ons! Maar er was geen stem en niemand, die antwoordde. En zij sprongen tegen het altaar, dat men gemaakt had.
1Kon 18:27 En het geschiedde op de middag, dat Elia met hen spotte, en zei: Roept met luider stem, want hij is een god; omdat hij in gedachten is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij een reis maakt; misschien slaapt hij en zal wakker worden.
1Kon 18:28 En zij riepen met luider stem, en zij sneden zichzelf met messen en met priemen, naar hun wijze van doen, totdat zij bloed over zich uitstortten.
1Kon 18:29 Het geschiedde nu, vanaf het middaguur tot de tijd van het spijsoffer, dat zij profeteerden; maar er was geen stem, en niemand, die antwoordde en geen opmerking.
1Kon 18:30 Toen zei Elia tot het hele volk: Nadert tot mij. En al het volk naderde tot hem; en hij herstelde het altaar des HEEREN, dat verbroken was.
1Kon 18:31 En Elia nam twaalf stenen, naar het getal der stammen van de kinderen Jakobs, tot wie het woord des HEEREN geschied was, zeggende: Israel zal uw naam zijn.
1Kon 18:32 En hij bouwde met die stenen het altaar in de Naam des HEEREN; daarna maakte hij een greppel rondom het altaar, ruim genoeg voor twee maten zaad.
1Kon 18:33 En hij schikte het hout, en deelde de var in stukken, en legde hem op het hout.
1Kon 18:34 En hij zei: Vult vier kruiken met water, en giet het op het brandoffer en op het hout. En hij zei: Doet het voor de tweede keer. En zij deden het voor de tweede keer. Voorts zei hij: Doet het voor de derde keer. En zij deden het voor de derde keer;
1Kon 18:35 Zodat het water rondom het altaar liep; daartoe vulde hij ook de greppel met water.
1Kon 18:36 Het geschiedde nu, toen men het spijsoffer offerde, dat de profeet Elia naderde, en zei: HEERE, God van Abraham, Izak en Israel, dat het heden bekend worde, dat Gij God in Israel zijt, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb.
1Kon 18:37 Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun hart bekeert.
1Kon 18:38 Toen viel het vuur des HEEREN neer, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte het water op, dat in de greppel was.
1Kon 18:39 Toen nu het ganse volk dat zag, zo vielen zij op hun aangezichten, en zeiden: De HEERE is God, de HEERE is God!
1Kon 18:40 En Elia zei tot hen: Grijpt de profeten van Bašl, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en doodde hen aldaar.

1Kon 18:41 Daarna zei Elia tot Achab: Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedige regen.
1Kon 18:42 Alzo trok Achab op, om te eten en te drinken; maar Elia ging op naar een hoogte van de Karmel, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieŽn.
1Kon 18:43 En hij zei tot zijn dienaar: Ga nu op, en kijk uit over de zee. Toen ging hij op, en keek uit, en zei: Er is niets. Toen zei hij: Ga weer heen, zevenmaal.
1Kon 18:44 En het geschiedde na de zevende maal, dat hij zei: Zie, een kleine wolk, als de hand van een man, komt op boven de zee. En hij zei: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, opdat u de regen niet zal ophouden.
1Kon 18:45 En het geschiedde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en trok naar JizreŽl.
1Kon 18:46 En de hand des HEEREN was over Elia, en hij gordde zijn lenden, en liep voor het aangezicht van Achab heen, tot waar men te JizreŽl komt.

Hoofdstuk 19
1Kon 19:1 En Achab vertelde Izebel al wat Elia gedaan had, en allen, die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard.
1Kon 19:2 Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent deze tijd uw ziel stellen, als de ziel van een van hen.
1Kon 19:3 Toen hij dat bemerkte, maakte hij zich op, en ging heen, om zijn leven te redden, en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn dienaar daar achter.
1Kon 19:4 Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis ver, en kwam en zat onder een jeneverbesboom; en bad, dat zijn ziel mocht sterven, en zei: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
1Kon 19:5 En hij legde zich neer, en sliep onder de jeneverbesboom; en ziet, toen raakte hem een engel aan, en zei tot hem: Sta op, eet;
1Kon 19:6 En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een kruik met water; alzo at hij, en dronk, en legde zich wederom neer.
1Kon 19:7 En de engel des HEEREN kwam voor de tweede keer, en raakte hem aan, en zei: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn.
1Kon 19:8 Zo stond hij op, en at en dronk; en hij ging door de kracht van deze spijs, veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg Gods, Horeb.

1Kon 19:9 En hij kwam daar in een spelonk, en overnachtte aldaar; en ziet, het woord des HEEREN geschiedde tot hem, en zei tot hem: Wat zoekt gij hier, Elia?
1Kon 19:10 En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor de HEERE, de God der legerscharen; want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
1Kon 19:11 En Hij zei: Ga uit, en sta op deze berg, voor het aangezicht des HEEREN. En ziet, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de rotsen voor de HEERE uit; doch de HEERE was in de wind niet; en na deze wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet;
1Kon 19:12 En na de aardbeving een vuur; de HEERE was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte.
1Kon 19:13 En het geschiedde, toen Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht omwond met zijn mantel, en uitging, en stond in de ingang van de spelonk. En ziet, een stem kwam tot hem, die zei: Wat zoekt gij hier, Elia?
1Kon 19:14 En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor de HEERE, de God der legerscharen; want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
1Kon 19:15 En de HEERE zei tot hem: Ga, keer terug op uw weg, naar de woestijn van Damaskus; en ga daar in, en zalf Hazael tot koning over SyriŽ.
1Kon 19:16 Daartoe zult gij Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israel; en Elisa, de zoon van Safat, van Abel-mehola, zult gij tot profeet zalven in uw plaats.
1Kon 19:17 En het zal geschieden, dat Jehu hem, die van het zwaard van Hazael ontkomt, doden zal; en die van het zwaard van Jehu ontkomt, die zal Elisa doden.
1Kon 19:18 Ook heb Ik in Israel doen overblijven zeven duizend, alle knieŽn, die zich niet gebogen hebben voor Bašl, en alle mond, die hem niet gekust heeft.

1Kon 19:19 Zo ging hij van daar, en vond Elisa, de zoon van Safat; deze ploegde met twaalf juk runderen voor zich uit, en hij was bij het twaalfde; en Elia ging naar hem toe en wierp zijn mantel op hem.
1Kon 19:20 En hij verliet de runderen, en liep Elia na en zei: Dat ik toch mijn vader en mijn moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zei tot hem: Ga, keer weer; want wat heb ik u gedaan?
1Kon 19:21 Zo keerde hij weer terug van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap van de runderen kookte hij hun vlees, dat hij aan het volk gaf en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem.

Hoofdstuk 20
1Kon 20:1 En Benhadad, de koning van SyriŽ, vergaderde al zijn macht; en tweeŽndertig koningen waren met hem, en paarden en wagens; en hij trok op, en belegerde Samaria en streed tegen haar.
1Kon 20:2 En hij zond boden tot Achab, de koning van Israel, in de stad.
1Kon 20:3 En hij zei hem aan: Zo zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is mijn, daartoe uw vrouwen en uw beste kinderen, die zijn mijn.
1Kon 20:4 En de koning van Israel antwoordde en zei: Naar uw woord, mijn heer de koning, ik ben uwe, en al wat ik heb.
1Kon 20:5 Daarna kwamen de boden weer, en zeiden: Alzo spreekt Benhadad, zeggende: Ik heb wel tot u gezonden, zeggende: Uw zilver, en uw goud, en uw vrouwen, en uw kinderen zult gij mij geven;
1Kon 20:6 Maar morgen om deze tijd zal ik mijn knechten tot u zenden, dat zij uw huis en de huizen van uw knechten bezoeken; en het zal geschieden, dat zij al de begeerte van uw ogen in hun handen leggen en wegnemen zullen.
1Kon 20:7 Toen riep de koning van Israel alle oudsten van het land, en zei: Merkt toch en ziet, dat deze het kwade zoekt; want hij had tot mij gezonden, om mijn vrouwen, en om mijn kinderen, en om mijn zilver, en om mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd.
1Kon 20:8 Doch al de oudsten, en het ganse volk, zeiden tot hem: Hoor niet, en bewillig niet.
1Kon 20:9 Daarom zei hij tot de boden van Benhadad: Zegt mijn heer de koning: Alles, waarom gij in het eerst tot uw knecht gezonden hebt, zal ik doen; maar deze zaak kan ik niet doen. Zo gingen de boden heen en brachten hem bescheid weder.
1Kon 20:10 En Benhadad zond tot hem en zei: De goden doen mij zo, en doen zo daartoe, indien het stof van Samaria genoeg zal zijn tot het vullen van de handen van al het volk, dat mijn voetstappen volgt!
1Kon 20:11 Maar de koning van Israel antwoordde en zei: Spreekt tot hem: Die zich aangordt, beroeme zich niet, als die zich ontgordt.

1Kon 20:12 En het geschiedde, als hij dit woord hoorde, terwijl hij aan het drinken was, hij en de koningen in de tenten, dat hij zijn knechten beval: Slagorde opstellen! En zij stelden de slagorde op tegen de stad.
1Kon 20:13 En ziet, een profeet trad tot Achab, de koning van Israel, en zei: Zo zegt de HEERE: Hebt gij gezien al deze grote menigte? Zie, Ik zal ze heden in uw hand geven, opdat gij weet, dat Ik de HEERE ben.
1Kon 20:14 En Achab zei: Door wie? En hij zei: Zo zegt de HEERE: Door de jongemannen van de oversten der districten. En hij zei: Wie zal de strijd aanbinden? En hij zei: Gij.
1Kon 20:15 Toen telde hij de jongemannen van de oversten der districten, en zij waren tweehonderd twee en dertig; en na hen telde hij al het volk, al de kinderen Israels, zeven duizend.
1Kon 20:16 En zij trokken uit op de middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de koningen, de twee en dertig koningen, die hem hielpen.
1Kon 20:17 En de jongemannen van de oversten der districten trokken het eerst uit. En Benhadad zond enigen uit, en zij boodschapten hem, zeggende: Uit Samaria zijn mannen opgetrokken.
1Kon 20:18 En hij zei: Hetzij dat zij tot vrede uitgetrokken zijn, grijpt hen levend; hetzij ook, dat zij ten strijde uitgetrokken zijn, grijpt hen levend.
1Kon 20:19 Zo trokken deze jongemannen van de oversten der districten uit de stad, en het leger, dat hen navolgde.
1Kon 20:20 En een ieder sloeg zijn man, zodat de SyriŽrs vluchtten, en Israel joeg hen na. Doch Benhadad, de koning van SyriŽ, ontkwam op een paard, met enige ruiters.
1Kon 20:21 En de koning van Israel trok uit, en sloeg paarden en wagens, dat hij een grote slag aan de SyriŽrs sloeg.

1Kon 20:22 Toen trad die profeet tot de koning van Israel, en zei tot hem: Ga heen, versterk u; en bemerk, en zie, wat gij doen zult; want met de komst van het volgende jaar zal de koning van SyriŽ tegen u optrekken.
1Kon 20:23 Want de knechten van de koning van SyriŽ hadden tot hem gezegd: Hun goden zijn berggoden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij; maar zeker, laat ons tegen hen op het vlakke veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij!
1Kon 20:24 Daarom doe deze zaak: Doe de koningen weg, ieder uit zijn plaats, en stel stadhouders in hun plaats.
1Kon 20:25 En gij, tel u een leger, als dat leger, dat gij hebt verloren en paarden, als die paarden, en wagens, als die wagens; en laat ons tegen hen op het vlakke veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij! En hij hoorde naar hun stem, en deed alzo.
1Kon 20:26 Het geschiedde nu met de komst van het volgende jaar, dat Benhadad de SyriŽrs monsterde; en hij trok op naar Afek, ten oorlog tegen Israel.
1Kon 20:27 De kinderen Israels werden ook gemonsterd, en werden verzorgd met leeftocht, en trokken hen tegemoet; en de kinderen Israels legerden zich tegenover hen als twee kleine geitenkudden, maar de SyriŽrs vervulden het land.
1Kon 20:28 En de man Gods trad toe, en sprak tot de koning van Israel, en zei: Zo zegt de HEERE: Daarom dat de SyriŽrs gezegd hebben: De HEERE is een God der bergen, en Hij is niet een God der laagten; zo zal Ik al deze grote menigte in uw hand geven, opdat gijlieden weet, dat Ik de HEERE ben.
1Kon 20:29 En dezen waren gelegerd tegenover die, zeven dagen; het geschiedde nu op de zevende dag, dat de strijd begon; en de kinderen Israels sloegen van de SyriŽrs honderd duizend man voetvolk op ťťn dag.
1Kon 20:30 En de overgeblevenen vluchtten naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vluchtte Benhadad, en kwam in de stad van kamer naar kamer.

1Kon 20:31 Toen zeiden de knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord, dat de koningen van het huis Israels goedertieren koningen zijn; laat ons toch zakken om onze lenden leggen, en koorden om onze hoofden, en uitgaan tot de koning van Israel; mogelijk zal hij uw ziel in het leven behouden.
1Kon 20:32 Toen gordden zij zakken om hun lenden, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot de koning van Israel, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zei: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder.
1Kon 20:33 De mannen nu namen gretig dat woord op, en vatten het haastig en zeiden: Uw broeder Benhadad leeft. En hij zei: Komt, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op de wagen klimmen.
1Kon 20:34 En hij, Benhadad, zei tot hem: De steden, die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u straten in Damaskus, gelijk mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan.

1Kon 20:35 Toen zei een man uit de zonen der profeten tot zijn naaste, door het woord des HEEREN: Sla mij toch. Maar de man weigerde hem te slaan.
1Kon 20:36 En hij zei tot hem: Daarom dat gij de stem des HEEREN niet gehoorzaam zijt geweest, zie, als gij van mij weggegaan zijt, zo zal u een leeuw slaan. En toen hij van bij hem weggegaan was, zo vond hem een leeuw, die hem sloeg.
1Kon 20:37 Daarna vond hij een andere man, en zei: Sla mij toch. En die man sloeg hem, verwondde hem met het slaan.
1Kon 20:38 Toen ging de profeet heen en hij vermomde zich met as boven zijn ogen en stond voor de koning op de weg.
1Kon 20:39 En het geschiedde, toen de koning voorbijging, dat hij tot de koning riep, en zei: Uw knecht was uitgegaan in het midden van de strijd; en zie, een man was afgeweken, en bracht tot mij een man, en zei: Bewaar deze man; als hij om welke reden ook gemist wordt, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, of gij zult een talent zilver moeten betalen.
1Kon 20:40 Het geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij er niet meer was. Toen zei de koning van Israel tot hem: Zo is uw oordeel; gij hebt het zelf geveld.
1Kon 20:41 Toen haastte hij zich, en deed de as af van zijn ogen; en de koning van Israel kende hem, dat hij ťťn van de profeten was.
1Kon 20:42 En hij zei tot hem: Zo zegt de HEERE: Omdat gij de man, die Ik verbannen heb, uit uw hand hebt laten gaan, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk.
1Kon 20:43 En de koning van Israel trok heen, gemelijk en toornig, naar zijn huis, en kwam te Samaria.

Hoofdstuk 21
1Kon 21:1 Het geschiedde nu na deze dingen, alzo Naboth, een JizreŽliet, een wijngaard had, die te JizreŽl was, bij het zomerpaleis van Achab, de koning van Samaria.
1Kon 21:2 Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidenhof, omdat hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo het goed in uw ogen is, zo zal ik u in geld de waarde daarvan geven.
1Kon 21:3 Maar Naboth zei tot Achab: Dat late de HEERE verre van mij zijn, dat ik u de erfenis van mijn vaderen geven zou!
1Kon 21:4 Toen kwam Achab in zijn huis, gemelijk en toornig over het woord, dat Naboth, de JizreŽliet, tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal de erfenis van mijn vaderen niet geven. En hij legde zich neder op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om, en at geen brood.

1Kon 21:5 Maar Izebel, zijn huisvrouw, kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest aldus gemelijk is, en dat gij geen brood eet?
1Kon 21:6 En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, de JizreŽliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uw wijngaard om geld, of, zo het u behaagt, zo zal ik u een wijngaard in zijn plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijn wijngaard niet geven.
1Kon 21:7 Toen zei Izebel, zijn huisvrouw, tot hem: Zoudt gij nu het koninkrijk van Israel regeren? Sta op, eet brood, en uw hart zij vrolijk; ik zal u de wijngaard van Naboth, de JizreŽliet, geven.
1Kon 21:8 Zij dan schreef brieven in de naam van Achab, en verzegelde ze met zijn zegel; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth.
1Kon 21:9 En zij schreef in die brieven, zeggende: Roept een vasten uit, en zet Naboth op de voorste plaats van het volk;
1Kon 21:10 En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: Gij hebt God en de koning gevloekt; en voert hem uit, en stenigt hem, zodat hij sterft.
1Kon 21:11 En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen, die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel tot hen gezonden had; gelijk als geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had.
1Kon 21:12 Zij riepen een vasten uit; en zij zetten Naboth op de voorste plaats van het volk.
1Kon 21:13 Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en de koning gevloekt. En zij voerden hem buiten de stad, en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.
1Kon 21:14 Daarna zonden zij tot Izebel, zeggende: Naboth is gestenigd en is dood.
1Kon 21:15 Het geschiedde nu, toen Izebel hoorde, dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tot Achab zei: Sta op, bezit de wijngaard van Naboth, de JizreŽliet, erfelijk, die hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood.
1Kon 21:16 En het geschiedde, toen Achab hoorde, dat Naboth dood was, dat Achab opstond, om naar de wijngaard van Naboth, de JizreŽliet, af te gaan, om die erfelijk te bezitten.

1Kon 21:17 Doch het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, de Thisbiet, zeggende:
1Kon 21:18 Maak u op, ga heen af, Achab, de koning van Israel, tegemoet, die in Samaria is; zie hij is in de wijngaard van Naboth, waarheen hij afgegaan is, om die erfelijk te bezitten.
1Kon 21:19 En gij zult tot hem spreken, zeggende: Alzo zegt de HEERE: Hebt gij doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult gij tot hem spreken, zeggende: Alzo zegt de HEERE: In plaats dat de honden het bloed van Naboth gelekt hebben, zullen de honden uw bloed lekken, ja het uwe!
1Kon 21:20 En Achab zei tot Elia: Hebt gij mij gevonden, o, mijn vijand? En hij zei: Ik heb u gevonden, omdat gij uzelf verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de ogen des HEEREN.
1Kon 21:21 Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, zowel de gevangene als de vrije in Israel.
1Kon 21:22 En Ik zal uw huis maken gelijk het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en gelijk het huis van BaŽsa, de zoon van Ahia; om de terging, waarmee gij Mij getergd hebt, en dat gij Israel hebt doen zondigen.
1Kon 21:23 Verder ook over Izebel sprak de HEERE, zeggende: De honden zullen Izebel eten, aan de voorwal van JizreŽl.
1Kon 21:24 Die van Achab sterft in de stad, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten.
1Kon 21:25 Er was niemand geweest gelijk Achab, die zichzelf zo verkocht had, om te doen dat kwaad is in de ogen des HEEREN, omdat Izebel, zijn huisvrouw, hem aanporde.
1Kon 21:26 En hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de drekgoden; naar alles, wat de Amorieten gedaan hadden, die God voor het aangezicht van de kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.
1Kon 21:27 Het geschiedde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn klederen scheurde, en een zak om zijn lichaam deed, en vastte; hij lag ook neder in de zak, en liep langzaam.
1Kon 21:28 En het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, de Thisbiet, zeggende:
1Kon 21:29 Hebt gij gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Daarom omdat hij zich vernedert voor Mijn aangezicht, zo zal Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen; in de dagen van zijn zoon zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen.

Hoofdstuk 22
1Kon 22:1 En drie jaar verstreken zonder oorlog tussen SyriŽ en Israel.
1Kon 22:2 Maar het geschiedde in het derde jaar, als Josafat, de koning van Juda, tot de koning van Israel gekomen was,
1Kon 22:3 Dat de koning van Israel tot zijn dienaren zei: Weet gij, dat Ramoth in Gilead van ons is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van de koning van SyriŽ.
1Kon 22:4 Daarna zei hij tot Josafat: Zult gij met mij trekken in de strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zei tot de koning van Israel: Ik zal zijn gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.
1Kon 22:5 Verder zei Josafat tot de koning van Israel: Vraag toch heden naar het woord des HEEREN.
1Kon 22:6 Toen vergaderde de koning van Israel de profeten, omtrent vierhonderd man, en hij zei tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want de Heer zal ze in de hand des konings geven.
1Kon 22:7 Maar Josafat zei: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij het van hem vragen zullen?
1Kon 22:8 Toen zei de koning van Israel tot Josafat: Er is nog een man, om door hem de HEERE te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: De koning zegge niet alzo!
1Kon 22:9 Toen riep de koning van Israel een kamerling, en hij zei: Haal haastig Micha, de zoon van Jimla.
1Kon 22:10 De koning van Israel nu, en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, op het plein, aan de deur van de poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.
1Kon 22:11 En Zedekia, de zoon van Kenašna, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zei: Zo zegt de HEERE: Met deze zult gij de SyriŽrs stoten, totdat gij hen geheel verdaan zult hebben.
1Kon 22:12 En al de profeten profeteerden alzo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn; want de HEERE zal hen in de hand des konings geven.
1Kon 22:13 De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden van de profeten zijn als uit één mond goed tot de koning; dat toch uw woord zij, gelijk als het woord van één uit hen, en spreek het goede.
1Kon 22:14 Doch Micha zei: Zo waarachtig als de HEERE leeft, hetgeen de HEERE tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken.

1Kon 22:15 Toen hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem: Trek op, en gij zult voorspoedig zijn, want de HEERE zal ze in de hand des konings geven.
1Kon 22:16 Toen zei de koning tot hem: Hoe veel keer moet ik u bezweren, dat gij tot mij niet spreekt, dan alleen de waarheid, in de Naam des HEEREN?
1Kon 22:17 En hij zei: Ik zag het hele Israel verstrooid op de bergen, gelijk schapen, die geen herder hebben; en de HEERE zei: Dezen hebben geen heer; een ieder kere weer naar zijn huis in vrede.
1Kon 22:18 Toen zei de koning van Israel tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goed, maar kwaad profeteren?
1Kon 22:19 Verder zei hij: Daarom hoort het woord des HEEREN: Ik zag de HEERE, zittende op Zijn troon, en al het hemelse leger staande naast Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.
1Kon 22:20 En de HEERE zei: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekt en valt te Ramoth in Gilead? De één nu zei aldus, en de andere zei alzo.
1Kon 22:21 Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht des HEEREN, en zei: Ik zal hem overreden.
1Kon 22:22 En de HEERE zei tot hem: Waarmee? En hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: Gij zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe alzo.
1Kon 22:23 Nu dan, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van al deze uw profeten gegeven; en de HEERE heeft kwaad over u gesproken.
1Kon 22:24 Toen trad Zedekia, de zoon van Kenašna, toe, en sloeg Micha op de kaak; en hij zei: Langs welke weg is de geest des HEEREN van mij weggegaan, om u aan te spreken?
1Kon 22:25 En Micha zei: Zie, gij zult het zien, op dezelfde dag, dat gij zult gaan van kamer naar kamer, om u te verbergen.
1Kon 22:26 De koning van Israel nu zei: Neem Micha, en breng hem weer tot Amon, de overste van de stad, en tot Joas, de zoon van de koning;
1Kon 22:27 En gij zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze in het gevangenhuis, en spijst hem met brood der bedruktheid, en met water der bedruktheid, totdat ik met vrede weder kom.
1Kon 22:28 En Micha zei: Indien gij enigszins met vrede wederkomt, zo heeft de HEERE door mij niet gesproken! Verder zei hij: Hoort, alle gij volken!

1Kon 22:29 Alzo trok de koning van Israel en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.
1Kon 22:30 En de koning van Israel zei tot Josafat: Als ik mij vermomd heb, zal ik in de strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo vermomde zich de koning van Israel, en kwam in de strijd.
1Kon 22:31 De koning nu van SyriŽ had geboden aan de oversten van de wagens, van welke hij er twee en dertig had, zeggende: Gij zult noch kleinen noch groten bestrijden, maar de koning van Israel alleen.
1Kon 22:32 Het geschiedde dan, toen de oversten van de wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Gewis, dat is de koning van Israel, en zij keerden zich naar hem, om te strijden; maar Josafat riep uit.
1Kon 22:33 En het geschiedde, toen de oversten van de wagens zagen, dat hij de koning van Israel niet was, dat zij zich van achter hem afkeerden.
1Kon 22:34 Toen spande een man de boog in zijn eenvoud, en schoot de koning van Israel tussen de gespen en het pantser. Toen zei hij tot zijn wagenmenner: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zwaar gewond.
1Kon 22:35 En de strijd nam op die dag toe, en de koning werd met de wagen staande gehouden tegenover de SyriŽrs; en hij stierf des avonds, en het bloed der wond vloeide in de bak van de wagen.
1Kon 22:36 En er ging een uitroep door het leger, toen de zon onderging, zeggende: Een ieder kere naar zijn stad, en een ieder naar zijn land!
1Kon 22:37 Alzo stierf de koning, en werd naar Samaria gebracht; en zij begroeven de koning te Samaria.
1Kon 22:38 Toen men nu de wagen in de vijver van Samaria afspoelde, lekten de honden zijn bloed, waar de hoeren zich wasten, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had.
1Kon 22:39 Het overige nu van de geschiedenissen van Achab, en al wat hij gedaan heeft, en het ivoren huis, dat hij gebouwd heeft, en al de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israel?
1Kon 22:40 Alzo ontsliep Achab met zijn vaderen; en zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats.

1Kon 22:41 Josafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, de koning van Israel.
1Kon 22:42 Josafat was vijf en dertig jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi.
1Kon 22:43 En hij wandelde in al de weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen des HEEREN. (22:44) Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
1Kon 22:44 (22:45) En Josafat maakte vrede met de koning van Israel.
1Kon 22:45 (22:46) Het overige nu der geschiedenissen van Josafat, en zijn macht, die hij bewezen heeft, en de oorlogen, die hij gevoerd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda?
1Kon 22:46 (22:47) Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren.
1Kon 22:47 (22:48) Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder van de koning.
1Kon 22:48 (22:49) En Josafat maakte schepen te Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden verbroken te Ezeon-geber.
1Kon 22:49 (22:50) Toen zei Ahazia, de zoon van Achab, tot Josafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Josafat wilde niet.
1Kon 22:50 (22:51) En Josafat ontsliep met zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.
1Kon 22:51 (22:52) Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over Israel te Samaria, in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en regeerde twee jaar over Israel.
1Kon 22:52 (22:53) En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde in de weg van zijn vader, en in de weg van zijn moeder, en in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
1Kon 22:53 (22:54) En hij diende Bašl, en boog zich voor hem, en vertoornde de HEERE, de God van Israel, naar alles, wat zijn vader gedaan had.

Aantekeningen
4:26 40.000 paardenstallen is wel heel veel voor 12.000 ruiters. Zie echter ook 2Kron 1:14