Hoofdstuk 1

1Kron 1:1 Adam, Seth, Enos,
1Kron 1:2 Kenan, Mahalal-el, Jered,
1Kron 1:3 Henoch, Methusalah, Lamech,
1Kron 1:4 Noach, Sem, Cham en Jafeth.
1Kron 1:5 De zonen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
1Kron 1:6 En de zonen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma.
1Kron 1:7 En de zonen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten.
1Kron 1:8 De zonen van Cham waren Cusch en MitsraÔm, Put, en Kanašn.
1Kron 1:9 En de zonen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de zonen van Raema waren Scheba en Dedan.
1Kron 1:10 Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.
1Kron 1:11 En MitsraÔm gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,
1Kron 1:12 En de Pathrusieten, en de Casluchieten, -uit wie de Filistijnen zijn voortgekomen- en de Cafthorieten.
1Kron 1:13 Kanašn nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
1Kron 1:14 En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet,
1Kron 1:15 En de Heviet, en de Arkiet, en de Siniet,
1Kron 1:16 En de Arvadiet, en de Zemariet, en de Hamathiet.
1Kron 1:17 De zonen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
1Kron 1:18 Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.
1Kron 1:19 Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam van de ene was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan.
1Kron 1:20 En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,
1Kron 1:21 En Hadoram, en Uzal, en Dikla,
1Kron 1:22 En Ebal, en Abimael, en Scheba,
1Kron 1:23 En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.
1Kron 1:24 Sem, Arfachsad, Selah,
1Kron 1:25 Heber, Peleg, Rehu,
1Kron 1:26 Serug, Nahor, Terah,
1Kron 1:27 Abram; dit is Abraham.
1Kron 1:28 De zonen van Abraham waren Izak en Ismael.
1Kron 1:29 Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismael was Nebajoth, en Kedar, en AdbeŽl, en Mibsam,
1Kron 1:30 Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,
1Kron 1:31 Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de zonen van Ismael.
1Kron 1:32 De zonen nu van Ketura, Abrahams bijvrouw: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de zonen van Joksan waren Scheba en Dedan.
1Kron 1:33 De zonen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaš. Die allen waren zonen van Ketura.
1Kron 1:34 Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israel.
1Kron 1:35 En de zonen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.
1Kron 1:36 De zonen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek.
1Kron 1:37 De zonen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
1Kron 1:38 De zonen van SeÔr nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.
1Kron 1:39 De zonen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna.
1Kron 1:40 De zonen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de zonen van Zibeon waren Aja en Ana.
1Kron 1:41 De zonen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.
1Kron 1:42 De zonen van Ezer waren Bilhan, en Zašvan, en Jaškan. De zonen van Disan waren Uz en Aran.
1Kron 1:43 Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de zonen van Israel: Bela, de zoon van Beor; en de naam van zijn stad was Dinhaba.
1Kron 1:44 En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.
1Kron 1:45 En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.
1Kron 1:46 En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam van zijn stad was Avith.
1Kron 1:47 En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.
1Kron 1:48 En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
1Kron 1:49 En Saul stierf, en Bašl-hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
1Kron 1:50 Toen Bašl-hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam van zijn stad was Pahi, en de naam van zijn huisvrouw was MehetabeŽl, de dochter van Matred, dochter van Mee-sahab.
1Kron 1:51 Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,
1Kron 1:52 De vorst Aholi-bama, de vorst Ela, de vorst Pinon,
1Kron 1:53 De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar,
1Kron 1:54 De vorst MagdiŽl, de vorst Iram. Dezen waren de vorsten van Edom.

Hoofdstuk 2
1Kron 2:1 Dezen zijn de zonen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
1Kron 2:2 Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
1Kron 2:3 De zonen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanašnietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem.
1Kron 2:4 Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.
1Kron 2:5 De zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
1Kron 2:6 En de zonen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
1Kron 2:7 En de zonen van Charmi waren Achan, de beroerder van Israel, die zich vergrepen had aan, wat de HEERE was gewijd.
1Kron 2:8 De zonen van Ethan nu waren Azaria.
1Kron 2:9 En de zonen van Hezron, die hem geboren zijn, waren JerahmeŽl, en Ram, en Chelubai.
1Kron 2:10 Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, de vorst van de zonen van Juda;
1Kron 2:11 En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz,
1Kron 2:12 En Boaz gewon Obed, en Obed gewon IsaÔ,
1Kron 2:13 En IsaÔ gewon Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, de tweede, en Simea, de derde,
1Kron 2:14 NethaneŽl, de vierde, Raddai, de vijfde,
1Kron 2:15 Ozem, de zesde, David, de zevende.
1Kron 2:16 En hun zusters waren Zeruja en AbigaÔl. De zonen nu van Zeruja waren AbisaÔ, en Joab, en Asa-el; drie.
1Kron 2:17 En AbigaÔl baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaeliet.

1Kron 2:18 Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon zonen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
1Kron 2:19 Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.
1Kron 2:20 En Hur gewon Uri, en Uri gewon BezaleŽl.
1Kron 2:21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.
1Kron 2:22 Segub nu gewon JaÔr; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.
1Kron 2:23 En hij nam Gesur en Aram, met de dorpen van JaÔr, met Kenath en haar bijbehorende plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, de vader van Gilead.
1Kron 2:24 En na de dood van Hezron, in Kaleb-efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Asschur, de vader van Thekoa.
1Kron 2:25 De zonen van JerahmeŽl nu, de eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.
1Kron 2:26 JerahmeŽl had nog een andere vrouw, haar naam was Atara; zij was de moeder van Onam.
1Kron 2:27 En de zonen van Ram, de eerstgeborene van JerahmeŽl waren Mašz, en Jamin, en Eker.
1Kron 2:28 En de zonen van Onam waren Sammai en Jada. En de zonen van Sammai: Nadab en Abisur.
1Kron 2:29 De naam nu van de huisvrouw van Abisur was AbihaÔl: die baarde hem Achban en Molid.
1Kron 2:30 En de zonen van Nadab waren Seled en AppaÔm; en Seled stierf zonder kinderen.
1Kron 2:31 En de zonen van AppaÔm waren JiseÔ; en de zonen van JiseÔ waren Sesan; en de zonen van Sesan, Achlai.
1Kron 2:32 En de zonen van Jada, de broeder van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.
1Kron 2:33 De zonen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de zonen van JerahmeŽl.
1Kron 2:34 En Sesan had geen zonen, maar dochters. En Sesan had een Egyptische knecht, wiens naam was Jarha.
1Kron 2:35 Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.
1Kron 2:36 Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,
1Kron 2:37 En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,
1Kron 2:38 En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,
1Kron 2:39 En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
1Kron 2:40 En Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,
1Kron 2:41 En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.
1Kron 2:42 De zonen van Kaleb nu, de broer van JerahmeŽl, zijn Mesa, zijn eerstgeborene -dit is de vader van Zif-, en de zonen van Maresa, de vader van Hebron.
1Kron 2:43 De zonen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.
1Kron 2:44 Sema nu gewon Raham, de vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.
1Kron 2:45 De zoon van Sammai nu was Maon; en Maon was de vader van Beth-zur.
1Kron 2:46 En Efa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.
1Kron 2:47 De zonen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Sašf.
1Kron 2:48 Uit de bijvrouw Mašcha gewon Kaleb: Seber en Tirhana.
1Kron 2:49 En de huisvrouw van Saaf, de vader van Madmanna, baarde Seva, de vader van Machbena, en de vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.
1Kron 2:50 Dit waren de zonen van Kaleb, de zoon van Hur, de eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-jearim;
1Kron 2:51 Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-gader.
1Kron 2:52 De zonen van Sobal, de vader van Kirjath-jearim, waren HaroŽ en Hazihammenuchoth.
1Kron 2:53 En de geslachten van Kirjath-jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de MisraÔeten; hieruit zijn voortgekomen de ZoraÔeten en de Esthaolieten.
1Kron 2:54 De zonen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-joab, en de helft der Manathieten, en de Zorieten.
1Kron 2:55 En de huisgezinnen van de schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, de vader van het huis van Rechab.

Hoofdstuk 3
1Kron 3:1 Dezen nu waren de zonen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinoam, de JizreŽlitische; de tweede DaniŽl, van AbigaÔl, de Karmelietische;
1Kron 3:2 De derde Absalom, de zoon van Mašcha, de dochter van Thalmai, de koning te Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;
1Kron 3:3 De vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, van zijn huisvrouw Egla.
1Kron 3:4 Zes zijn hem te Hebron geboren; waar hij regeerde zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem.
1Kron 3:5 Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-sua, de dochter van AmmiŽl;
1Kron 3:6 Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,
1Kron 3:7 En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
1Kron 3:8 En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.
1Kron 3:9 Deze allen zijn zonen van David, behalve de zonen van de bijvrouwen, en Thamar hun zuster.

1Kron 3:10 Salomo's zoon nu was Rehabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat;
1Kron 3:11 Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas;
1Kron 3:12 Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham;
1Kron 3:13 Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkia; zijn zoon was Manasse;
1Kron 3:14 Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josia.
1Kron 3:15 De zonen van Josia nu waren dezen: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum.
1Kron 3:16 De zonen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon.
1Kron 3:17 En de zonen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was SealthiŽl;
1Kron 3:18 Zijn zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.
1Kron 3:19 De zonen van Pedaja nu waren Zerubbabel en SimeÔ; en de zonen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hun zuster;
1Kron 3:20 En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
1Kron 3:21 De zonen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De zonen van Refaja, de zonen van Arnan, de zonen van Obadja, de zonen van Sechanja.
1Kron 3:22 De zonen nu van Sechanja waren Semaja; en de zonen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes.
1Kron 3:23 En de zonen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.
1Kron 3:24 En de zonen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.

Hoofdstuk 4
1Kron 4:1 De zonen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.
1Kron 4:2 En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;
1Kron 4:3 En dezen zijn van de vader Etam: JizreŽl, en Isma, en Idbas; en de naam van hun zuster was Hazelelponi.
1Kron 4:4 En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de zonen van Hur, de eerstgeborene van Efratha, de vader van Bethlehem.
1Kron 4:5 Asschur nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, Hela en Našra.
1Kron 4:6 En Našra baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Hašhastari. Dit zijn de zonen van Našra.
1Kron 4:7 En de zonen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
1Kron 4:8 En Koz gewon Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharhel, de zoon van Harum.
1Kron 4:9 Jabez nu was aanzienlijker dan zijn broers; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard.
1Kron 4:10 En Jabez riep de God van Israel aan, zeggende: Oh, dat Gij mij rijkelijk zegenen en mijn grens verruimen zult, en Uw hand met mij zal zijn, en het met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smart,
En God liet komen, wat hij begeerde.

1Kron 4:11 En Chelub, de broer van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.
1Kron 4:12 Eston nu gewon Beth-rafa, en Pasea, en Tehinna, de vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.
1Kron 4:13 En de zonen van Kenaz waren OthniŽl en Seraja; en de zonen van OthniŽl, Hathath.
1Kron 4:14 En Meonothai gewon Ofra; en Seraja gewon Joab, de vader van Ge-harashim; want zij waren ambachtslieden.
1Kron 4:15 De zonen van Kaleb nu, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Našm; en de zonen van Ela, te weten Kenaz.
1Kron 4:16 En de zonen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en AsareŽl.
1Kron 4:17 En de zonen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, de vader van Esthemoa.
1Kron 4:18 En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, de vader van Gedor, en Heber, de vader van Socho, en JekuthiŽl, de vader van Zanoah; en die zijn zonen van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had.
1Kron 4:19 En de zonen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Mašchathiet.
1Kron 4:20 En de zonen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de zonen van IseÔ waren Zoheth en Ben-zoheth.
1Kron 4:21 De zonen van Sela, de zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbea.
1Kron 4:22 Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf -die over de Moabieten geheerst hebben- en Jasubi-lehem; doch deze dingen zijn oud.
1Kron 4:23 Dezen waren pottenbakkers, inwoners van NetaÔm en Gedera; zij zijn daar gebleven bij de koning in zijn werk.

1Kron 4:24 De zonen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
1Kron 4:25 Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.
1Kron 4:26 De zonen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, SimeÔ zijn zoon.
1Kron 4:27 SimeÔ nu had zestien zonen en zes dochters; maar zijn broers hadden niet veel zonen; en hun ganse huis werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de zonen van Juda.
1Kron 4:28 En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-sual,
1Kron 4:29 En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,
1Kron 4:30 En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,
1Kron 4:31 En te Beth-markaboth, en te Hazar-susim, en te Beth-biri, en te SašraÔm. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
1Kron 4:32 En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.
1Kron 4:33 En al hun dorpen, die rond deze steden lagen, tot Bašl toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.
1Kron 4:34 Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia,
1Kron 4:35 En JoŽl, en Jehu, de zoon van Jesibja, de zoon van Seraja, de zoon van AsiŽl,
1Kron 4:36 En Eljoenai, en Jaškoba, en Jesohaja, en Asaja, en AdiŽl, en JesimeŽl, en Benaja,
1Kron 4:37 En Ziza, de zoon van SifeÔ, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja;
1Kron 4:38 Dezen werden tot namen, zijnde vorsten in hun families, en de huizen van hun vaderen braken uit in menigte.
1Kron 4:39 En zij gingen tot aan de ingang van Gedor tot het oosten van het dal, om weide te zoeken voor hun schapen.
1Kron 4:40 En zij vonden vette en goede weide, en een land, ruim en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar tevoren.
1Kron 4:41 Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, de koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen van hen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op deze dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.
1Kron 4:42 Ook gingen uit hen, te weten uit de zonen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van SeÔr; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en UzziŽl, de zonen van IseÔ, waren hun tot hoofden.
1Kron 4:43 En zij sloegen de overigen ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op deze dag.

Hoofdstuk 5
1Kron 5:1 De zonen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israel; -want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij het bed van zijn vader ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de zonen van Jozef, de zoon van Israel; zodat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte niet rekenen mocht;
1Kron 5:2 Want Juda werd machtig onder zijn broeders, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef.-
1Kron 5:3 De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.
1Kron 5:4 De zonen van JoŽl: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon SimeÔ;
1Kron 5:5 Zijn zoon Micha; zijn zoon Reaja; zijn zoon Bašl;
1Kron 5:6 Zijn zoon BeŽra, welke Tiglath-pilneser, de koning van AssyriŽ, gevangen wegvoerde; hij was de vorst der Rubenieten.
1Kron 5:7 Aangaande zijn broeders in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest JehiŽl en Zecharja,
1Kron 5:8 En Bela, de zoon van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van JoŽl, die woonde te AroŽr, en tot aan Nebo, en Bašl-meon,
1Kron 5:9 En hij woonde tegen het oosten, tot de ingang van de woestijn, van de rivier Eufraath af; want hun vee was veel geworden in het land van Gilead.
1Kron 5:10 En in de dagen van Saul voerden zij oorlog tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead.
1Kron 5:11 De zonen van Gad nu woonden tegenover hen, in het land van Basan, tot Salcha toe.
1Kron 5:12 JoŽl was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jaenai en Safat bleven in Basan.
1Kron 5:13 Hun broers nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.
1Kron 5:14 Dezen zijn de zonen van AbihaÔl, de zoon van Huri, de zoon van Jaroah, de zoon van Gilead, de zoon van Michael, de zoon van Jesisai, de zoon van Jahdo, de zoon van Buz.
1Kron 5:15 Ahi, de zoon van AbdiŽl, de zoon van Guni, was het hoofd van het huis van hun vaderen.
1Kron 5:16 En zij woonden in Gilead, in Basan, en in zijn onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen.
1Kron 5:17 Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de koning van Israel.

1Kron 5:18 Van de zonen van Ruben, en van de Gadieten, en van de halve stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragend, en de boog spannend, en ervaren in de oorlog, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het leger.
1Kron 5:19 En zij voerden strijd tegen de Hagarenen, en tegen Jethur, en Nafis, en Nodab.
1Kron 5:20 Doch zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in de strijd, zo liet Hij Zich van hen verbidden, omdat zij op Hem vertrouwden.
1Kron 5:21 En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kamelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezels, en honderd duizend zielen der mensen.
1Kron 5:22 Want er vielen vele gewonden, omdat de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevangen weggevoerd werden.
1Kron 5:23 De zonen nu van de halve stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Bašl-hermon, en Senir, en de berg Hermon.
1Kron 5:24 Dezen nu waren de hoofden van hun vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en JiseÔ, en EliŽl, en AzriŽl, en Jeremia, en Hodavja, en JahdiŽl; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden van de huizen van hun vaderen.
1Kron 5:25 Maar zij hebben tegen de God van hun vaderen overtreden, en de goden der volken van het land nagehoereerd, die God voor hun aangezichten had verdelgd.
1Kron 5:26 Zo verwekte de God van Israel de geest van Pul, de koning van AssyriŽ, en de geest van Tiglath-pilneser, de koning van AssyriŽ, die voerde hen gevangen weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.

Hoofdstuk 6
1Kron 6:1 De zonen van Levi waren Gerson, Kohath en Merari.
1Kron 6:2 De zonen van Kohath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en UzziŽl.
1Kron 6:3 En de zonen van Amram waren Ašron, en Mozes en Mirjam; en de zonen van Ašron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
1Kron 6:4 En Eleazar gewon Pinehas, en Pinehas gewon Abisua;
1Kron 6:5 En Abisua gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi;
1Kron 6:6 En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth;
1Kron 6:7 En Merajoth gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;
1Kron 6:8 En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimašz;
1Kron 6:9 En Ahimašz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;
1Kron 6:10 En Johanan gewon Azarja. Hij is het, die het priesterambt bediende in het huis, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had.
1Kron 6:11 En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;
1Kron 6:12 En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum;
1Kron 6:13 En Sallum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja;
1Kron 6:14 En Azarja gewon Seraja, en Seraja gewon Jozadak;
1Kron 6:15 En Jozadak ging mee, toen de HEERE Juda en Jeruzalem gevangen wegvoerde door de hand van Nebukadnezar.
1Kron 6:16 Zo zijn dan de zonen van Levi: Gerson, Kohath en Merari.
1Kron 6:17 En dit zijn de namen van de zonen van Gerson: Libni en SimeÔ.
1Kron 6:18 En de zonen van Kohath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en UzziŽl.
1Kron 6:19 De zonen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen van de Levieten, naar hun vaderen.
1Kron 6:20 Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;
1Kron 6:21 Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
1Kron 6:22 De zonen van Kohath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
1Kron 6:23 Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;
1Kron 6:24 Zijn zoon Tahath; zijn zoon UriŽl; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.
1Kron 6:25 De zonen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.
1Kron 6:26 Betreffende Elkana: de zonen van Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;
1Kron 6:27 Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.
1Kron 6:28 De zonen van Samuel nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia.
1Kron 6:29 De zonen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon SimeÔ; zijn zoon Uzza;
1Kron 6:30 Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.

1Kron 6:31 Dezen nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt van gezang in het huis des HEEREN, nadat de ark tot rust gekomen was.
1Kron 6:32 En zij dienden voor de tabernakel van de tent der samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis des HEEREN te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun ordening in hun ambt.
1Kron 6:33 Dezen nu zijn het, die daar stonden met hun zonen; van de zonen der Kohathieten, Heman de zanger, de zoon van JoŽl, de zoon van Samuel,
1Kron 6:34 De zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van EliŽl, de zoon van Toah,
1Kron 6:35 De zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai,
1Kron 6:36 De zoon van Elkana, de zoon van JoŽl, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja,
1Kron 6:37 De zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah,
1Kron 6:38 De zoon van Jizhar, de zoon van Kohath, de zoon van Levi, de zoon van Israel.
1Kron 6:39 En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechterzijde; Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea,
1Kron 6:40 De zoon van Michael, de zoon van Baeseja, de zoon van Malchija,
1Kron 6:41 De zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja,
1Kron 6:42 De zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van SimeÔ,
1Kron 6:43 De zoon van Jahath, de zoon van Gerson, de zoon van Levi.
1Kron 6:44 Hun broeders nu, de zonen van Merari, stonden aan de linkerzijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,
1Kron 6:45 De zoon van Hasabja, de zoon van Amazia, de zoon van Hilkia,
1Kron 6:46 De zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer,
1Kron 6:47 De zoon van Maheli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi.
1Kron 6:48 Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst van de tabernakel van het huis Gods.
1Kron 6:49 Ašron nu en zijn zonen offerden de offeranden op het altaar van het brandoffer, en het reukwerk op het reukaltaar, gesteld zijnde tot al het werk van het heilige der heiligen, en om over Israel verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht Gods, geboden had.
1Kron 6:50 Dit nu zijn de zonen van Ašron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon;
1Kron 6:51 Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;
1Kron 6:52 Merajoth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahitub zijn zoon;
1Kron 6:53 Zadok zijn zoon; Ahimašz zijn zoon.

1Kron 6:54 En dit waren hun woning en verblijfplaats binnen hun grenzen, namelijk van de zonen van Ašron, van het geslacht der Kohathieten, want dat lot was voor hen.
1Kron 6:55 En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en haar voorsteden rondom.
1Kron 6:56 Maar het veld van de stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, de zoon van Jefunne.
1Kron 6:57 En de zonen van Ašron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemoa, en haar voorsteden,
1Kron 6:58 En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,
1Kron 6:59 En Asan en haar voorsteden, en Beth-semes en haar voorsteden.
1Kron 6:60 Van de stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun geslachten, waren dertien steden.
1Kron 6:61 Maar de zonen van Kohath, die overgebleven waren van het geslacht van de stam, hadden uit de halve stam van Manasse, door het lot, tien steden.
1Kron 6:62 En de zonen van Gerson, naar hun geslachten, hadden van de stam van Issaschar, en van de stam van Aser, en van de stam van Nafthali, en van de stam van Manasse in Basan, dertien steden.
1Kron 6:63 De zonen van Merari, naar hun geslachten, hadden van de stam van Ruben, en van de stam van Gad, en van de stam van Zebulon, door het lot, twaalf steden.
1Kron 6:64 Alzo gaven de zonen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.
1Kron 6:65 En zij gaven ze door het lot, van de stam der zonen van Juda, en van de stam der zonen van Simeon, en van de stam der zonen van Benjamin, deze steden, welke zij bij namen noemden.
1Kron 6:66 De overigen nu, uit de geslachten der zonen van Kohath, die kregen de steden van hun gebied van de stam van EfraÔm.
1Kron 6:67 Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van EfraÔm, en Gezer en haar voorsteden,
1Kron 6:68 En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden,
1Kron 6:69 En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-rimmon en haar voorsteden.
1Kron 6:70 En uit de halve stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bileam en haar voorsteden. De geslachten der overige zonen van Kohath hadden deze steden.
1Kron 6:71 De zonen van Gerson kregen van de geslachten van de halve stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharoth, en haar voorsteden.
1Kron 6:72 En van de stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden,
1Kron 6:73 En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden.
1Kron 6:74 En van de stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdon en haar voorsteden,
1Kron 6:75 En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.
1Kron 6:76 En van de stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en KirjathaÔm en haar voorsteden.
1Kron 6:77 De overige zonen van Merari kregen van de stam van Zebulon: Rimmono en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden;
1Kron 6:78 En aan gene zijde van de Jordaan tegenover Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van de stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden,
1Kron 6:79 En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefašth en haar voorsteden;
1Kron 6:80 En van de stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en MahanaÔm en haar voorsteden,
1Kron 6:81 En Hesbon en haar voorsteden, en Jaezer en haar voorsteden.

Hoofdstuk 7
1Kron 7:1 De zonen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.
1Kron 7:2 De zonen van Thola nu waren Uzzi, en Refaja, en JeriŽl, en Jachmai, en Jibsam, en Samuel; hoofden van de huizen van hun vaderen, van Thola, kloeke helden in hun geslachten; hun getal was in de dagen van David twee en twintig duizend en zeshonderd.
1Kron 7:3 En de zonen van Uzzi waren Jizrahja; en de zonen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en JoŽl, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden.
1Kron 7:4 En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de afdelingen van het leger zes en dertig duizend man; want zij hadden vele vrouwen en zonen.
1Kron 7:5 En hun broeders, in alle geslachten van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, allen deze in geslachtsregisters gesteld zijnde.
1Kron 7:6 De zonen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
1Kron 7:7 En de zonen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en UzziŽl, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig.
1Kron 7:8 De zonen van Becher nu waren Zemira, en Joas, en EliŽzer, en Eljoenai, en Omri, en Jeremoth, en Abija, en Anathoth, en Alemeth; deze allen waren zonen van Becher.
1Kron 7:9 Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden van de huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.
1Kron 7:10 De zonen van Jediael nu waren Bilhan; en de zonen van Bilhan waren JeŁs en Benjamin, en Ehud, en Chenašna, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
1Kron 7:11 Alle dezen waren zonen van Jediael, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het leger ten strijde.
1Kron 7:12 Daartoe Suppim en Huppim waren zonen van Ir, en Husim, zonen van Aher.
1Kron 7:13 De zonen van Nafthali waren JahziŽl, en Guni, en Jezer, en Sallum, zonen van Bilha.
1Kron 7:14 De zonen van Manasse waren AsriŽl, die de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijvrouw, de Syrische, baarde Machir, de vader van Gilead.
1Kron 7:15 Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Mašcha; en de naam van de tweede was Zelafead. Zelafead nu had dochters.
1Kron 7:16 En Mašcha, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naam van zijn broer was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.
1Kron 7:17 De zonen van Ulam nu waren Bedan; deze zijn de zonen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse.
1Kron 7:18 Betreffende nu zijn zuster Molecheth, zij baarde Ishod, en AbiŽzer, en Mahela.
1Kron 7:19 De zonen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.

1Kron 7:20 En de zonen van EfraÔm waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath;
1Kron 7:21 En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen.
1Kron 7:22 Daarom droeg EfraÔm, hun vader, vele dagen leed; en zijn broeders kwamen om hem te troosten.
1Kron 7:23 Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Beria, vanwege de ellende, die in zijn huis was geweest.
1Kron 7:24 Zijn dochter nu was SeŽra, die bouwde het lage en het hoge Beth-horon, en Uzzen-seŽra.
1Kron 7:25 En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;
1Kron 7:26 Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;
1Kron 7:27 Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.
1Kron 7:28 En hun bezitting en hun woning was Beth-el, en haar bijbehorende plaatsen; en tegen het oosten Našran, en tegen het westen Gezer en haar bijbehorende plaatsen; en Sichem en haar bijbehorende plaatsen, tot Gaza toe, en haar bijbehorende plaatsen.
1Kron 7:29 En aan de zijden der zonen van Manasse was Beth-sean en haar bijbehorende plaatsen, Thašnach en haar bijbehorende plaatsen, Megiddo en haar bijbehorende plaatsen, Dor en haar bijbehorende plaatsen. In deze hebben de zonen van Jozef, de zoon van Israel, gewoond.
1Kron 7:30 De zonen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hun zuster.
1Kron 7:31 De zonen van Beria nu waren Heber en MalchiŽl; hij is de vader van Birzavith.
1Kron 7:32 En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hun zuster.
1Kron 7:33 De zonen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de zonen van Jaflet.
1Kron 7:34 En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
1Kron 7:35 En de zonen van zijn broer Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal.
1Kron 7:36 De zonen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
1Kron 7:37 Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en BeŽra.
1Kron 7:38 De zonen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.
1Kron 7:39 En de zonen van Ulla waren Arah, en HanniŽl, en Rizja.
1Kron 7:40 Deze allen waren zonen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezen kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld voor het leger in de strijd; hun getal was zes en twintig duizend mannen.

Hoofdstuk 8
1Kron 8:1 Benjamin nu gewon Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, en Ahrah, de derde,
1Kron 8:2 Naho, de vierde, en Rafa, de vijfde,
1Kron 8:3 Bela nu had deze zonen: Addar, en Gera, en Abihud,
1Kron 8:4 En Abisua, en Našman, en Ahoah,
1Kron 8:5 En Gera, en Sefufan, en Huram.
1Kron 8:6 Dezen zijn de zonen van Ehud (zij waren hoofden der vaderen van de inwoners van Geba, en zij zijn in ballingschap naar Manahat weggevoerd-
1Kron 8:7 En Našman, en Ahia, en Gera hebben hen in ballingschap weggevoerd;) en hij gewon Uzza en Ahihud.
1Kron 8:8 En SaharaÔm gewon zonen in het land van Moab -nadat hij zijn vrouwen, Husim en Bašra, weggezonden had-;
1Kron 8:9 En uit Hodes, zijn huisvrouw, gewon hij Jobab, en Zibja, en Mesa, en Malcham,
1Kron 8:10 En Jeuz, en Sochja, en Mirma; dit zijn zonen, hoofden der vaderen.
1Kron 8:11 En uit Husim gewon hij Abitub en Elpašl.
1Kron 8:12 De zonen van Elpašl nu waren Eber, en Misam, en Semed; deze heeft Ono gebouwd, en Lod en haar bijbehorende plaatsen;
1Kron 8:13 En Beria, en Sema; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Ajalon; dezen hebben de inwoners van Gath verdreven.
1Kron 8:14 En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
1Kron 8:15 En Zebadja, en Arad, en Eder,
1Kron 8:16 En Michael, en Jispa, en Joha waren zonen van Beria.
1Kron 8:17 En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
1Kron 8:18 En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de zonen van Elpašl.
1Kron 8:19 En Jakim, en Zichri, en Zabdi,
1Kron 8:20 En Eljoenai, en Zillethai, en EliŽl,
1Kron 8:21 En Adaja, en Beraja, en Simrath waren zonen van SimeÔ.
1Kron 8:22 En Jispan, en Eber, en EliŽl,
1Kron 8:23 En Abdon, en Zichri, en Hanan,
1Kron 8:24 En Hananja, en Elam, en Antothija,
1Kron 8:25 En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak.
1Kron 8:26 En Samserai, en Seharja, en Athalja,
1Kron 8:27 En Jašresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
1Kron 8:28 Dezen waren de hoofden der vaderen, hoofden naar hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.
1Kron 8:29 En te Gibeon woonde de vader van Gibeon; en de naam van zijn huisvrouw was Mašcha.
1Kron 8:30 En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Bašl, en Nadab,
1Kron 8:31 En Gedor, en Ahio, en Zecher.
1Kron 8:32 En Mikloth gewon Simea; en dezen woonden ook tegenover hun broeders te Jeruzalem, met hun broeders.
1Kron 8:33 Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbašl.
1Kron 8:34 En Jonathans zoon was Merib-Bašl, en Merib-Bašl gewon Micha.
1Kron 8:35 De zonen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thašrea, en Achaz.
1Kron 8:36 En Achaz gewon Jehoadda, en Jehoadda gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza;
1Kron 8:37 En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elasa; zijn zoon was Azel.
1Kron 8:38 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.
1Kron 8:39 En de zonen van Esek, zijn broeder, waren Ulam, zijn eerstgeborene, JeŁs, de tweede, en Elifelet, de derde.
1Kron 8:40 En de zonen van Ulam waren mannen, kloeke helden, de boog spannend, en zij hadden vele zonen en kleinzonen, honderd en vijftig. Al dezen waren van de zonen van Benjamin.

Hoofdstuk 9
1Kron 9:1 En heel Israel werd in geslachtsregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israel. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, vanwege hun overtredingen.
1Kron 9:2 De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden terugkwamen, waren de Israelieten, de priesters, de Levieten, en de Nethinim.
1Kron 9:3 En te Jeruzalem woonden van de zonen van Juda, en van de zonen van Benjamin, en van de zonen van EfraÔm en Manasse;
1Kron 9:4 Uthai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, van de zonen van Perez, de zoon van Juda.
1Kron 9:5 En van de Silonieten was Asaja, de eerstgeborene, en zijn zonen.
1Kron 9:6 En van de zonen van Zerah was Jeuel, en van hun broeders waren zeshonderd en negentig.
1Kron 9:7 En van de zonen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodavia, de zoon van Hassenua;
1Kron 9:8 En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reuel, de zoon van Jibnija;
1Kron 9:9 En hun broeders naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen van hun vaderen.
1Kron 9:10 Van de priesters nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,
1Kron 9:11 En Azarja, de zoon van Hilkija, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, overste van het huis Gods;
1Kron 9:12 En Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchija; en Massi, de zoon van AdiŽl, de zoon van Jahzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemith, de zoon van Immer.
1Kron 9:13 Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen van hun vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van de dienst van het huis van God.

1Kron 9:14 Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, van de zonen van Merari;
1Kron 9:15 En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf;
1Kron 9:16 En Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun; en Berechja, de zoon van Asa, de zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen der Netofathieten.
1Kron 9:17 De poortwachters nu waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahiman, en hun broeders; Sallum was het hoofd.
1Kron 9:18 Ook tot nog toe, aan de poort des konings oostwaarts, waren dezen de poortwachters onder de legers der zonen van Levi.
1Kron 9:19 En Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, en zijn broeders van het huis van zijn vader, de Korachieten, waren over het werk van de dienst, dorpelwachters van de tabernakel; gelijk hun vaders in het leger van de wachters des HEEREN wachters van de ingang geweest waren;
1Kron 9:20 Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, tevoren voorganger bij hen was, met wie de HEERE was.
1Kron 9:21 Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortwachter aan de deur van de tent der samenkomst.
1Kron 9:22 Allen, die uitgekozen waren tot poortwachters aan de dorpels, waren tweehonderd en twaalf. Dezen waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en Samuel, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.
1Kron 9:23 Zij dan en hun zonen waren aan de poorten van het huis des HEEREN, in het huis der tent, om beurten.
1Kron 9:24 Die poortwachters waren aan de vier windstreken, tegen het oosten, tegen het westen, tegen het noorden, en tegen het zuiden.
1Kron 9:25 En hun broeders waren in hun dorpen, inkomende elke zevende dag van tijd tot tijd, om met hen te dienen;
1Kron 9:26 Want in dat ambt waren vier overste poortwachters, die Levieten waren; en zij waren over de kamers en over de schatten van het huis Gods.
1Kron 9:27 En zij bleven des nachts rondom het huis Gods; want zij moesten de wacht houden, en zij verzorgden de opening, en dat elke morgen.
1Kron 9:28 En enigen van hen waren over de vaten van de dienst; en na telling brachten zij ze binnen, en na telling brachten zij ze buiten.
1Kron 9:29 En uit hen zijn sommigen gesteld over de vaten, en over al de heilige vaten, en over de meelbloem, en wijn, en olie, en wierook, en specerij.
1Kron 9:30 En enigen uit de zonen der priesters waren de bereiders van het reukwerk der specerijen.
1Kron 9:31 En Mattithja uit de Levieten, die de eerstgeborene was van Sallum, de Korachiet, was in het ambt over het werk, dat in pannen gekookt wordt.
1Kron 9:32 En uit de zonen der Kohathieten, uit hun broeders, waren enigen over de toonbroden, om die elke sabbat te bereiden.
1Kron 9:33 Uit dezen zijn ook de zangers, hoofden der vaderen onder de Levieten in de kamers, van dienst vrijgesteld; want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn.
1Kron 9:34 Dit zijn de hoofden der vaderen onder de Levieten, hoofden in hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.

1Kron 9:35 Maar te Gibeon hadden gewoond JeÔ-el, de vader van Gibeon; de naam van zijn zuster nu was Mašcha.
1Kron 9:36 En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Bašl, en Ner, en Nadab.
1Kron 9:37 En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.
1Kron 9:38 Mikloth nu gewon Simeam; dezen woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broeders, met hun broeders.
1Kron 9:39 En Ner gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, en Abinadab, en Esbašl.
1Kron 9:40 En Jonathans zoon: Merib-Bašl, en Merib-Bašl gewon Micha.
1Kron 9:41 De zonen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaerea.
1Kron 9:42 En Achaz gewon Jaera, en Jaera gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza;
1Kron 9:43 En Moza gewon Bina; wiens zoon was Refaja; wiens zoon was Elasa; wiens zoon was Azel.
1Kron 9:44 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn de zonen van Azel.

Hoofdstuk 10
1Kron 10:1 En de Filistijnen streden tegen Israel, en de mannen van Israel vluchtten voor het aangezicht der Filistijnen, en zij vielen verslagen op het gebergte Gilboa.
1Kron 10:2 En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen aan; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, de zonen van Saul.
1Kron 10:3 En de strijd werd zwaar tegen Saul, en de schutters met de bogen kregen hem in hun bereik; en hij vreesde zeer voor de schutters.
1Kron 10:4 Toen zei Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmee, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en met mij de spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en stortte zich daarin.
1Kron 10:5 Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo stortte ook hij zich in het zwaard en stierf.
1Kron 10:6 Alzo stierf Saul en zijn drie zonen; ook zijn ganse huis is tegelijk gestorven.
1Kron 10:7 Als al de mannen van Israel, die in het dal waren, zagen, dat zij gevlucht waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij hun steden, en zij vluchtten. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.
1Kron 10:8 Het geschiedde nu de volgende dag, toen de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn zonen, liggend op het gebergte Gilboa.
1Kron 10:9 En zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijn wapens, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rond, om dit te boodschappen aan hun afgoden, en aan het volk.
1Kron 10:10 En zij legden zijn wapens in het huis van hun god; en zijn hoofd hechtten zij vast in het huis van Dagon.
1Kron 10:11 Toen geheel Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden,
1Kron 10:12 Zo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, en zij brachten ze te Jabes; en zij begroeven hun beenderen onder een eikeboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen.
1Kron 10:13 Alzo stierf Saul, in zijn overtreding, waarmee hij overtreden had tegen de HEERE, tegen het woord des HEEREN dat hij niet gehouden had; en ook omdat hij de waarzegster bezocht had, om haar te vragen,
1Kron 10:14 En de HEERE niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, de zoon van IsaÔ.

Hoofdstuk 11
1Kron 11:1 Toen vergaderde zich heel Israel tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees.
1Kron 11:2 Zelfs ook tevoren, toen Saul nog koning was, hebt gij Israel al aangevoerd; ook heeft de HEERE, uw God, tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israel weiden, en gij zult voorganger zijn van Mijn volk Israel.
1Kron 11:3 Ook kwamen alle oudsten in Israel tot de koning naar Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David tot koning over Israel, naar het woord des HEEREN, door de dienst van Samuel.
1Kron 11:4 En David trok op, en heel Israel, naar Jeruzalem, dat is Jebus; want daar waren de Jebusieten, inwoners van het land.
1Kron 11:5 En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David dan nog overwon de burcht Sion, dat is de stad Davids.
1Kron 11:6 Want David zei: Al wie de Jebusieten de eerste slag toebrengt, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen klom Joab, de zoon van Zeruja, het eerst naar boven; daarom werd hij tot een hoofd.
1Kron 11:7 David nu woonde op de burcht; daarom noemt men die de stad Davids.
1Kron 11:8 En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom heen; en Joab vernieuwde het overige van de stad.
1Kron 11:9 En David ging gedurig voort, en werd groot, want de HEERE der legerscharen was met hem.

1Kron 11:10 De volgenden nu waren de hoofden van de helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israel, om hem koning te maken, naar het woord des HEEREN over Israel.
1Kron 11:11 Dezen nu zijn van het getal der helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd van de dertig, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen in één keer versloeg.
1Kron 11:12 En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder de drie helden.
1Kron 11:13 Hij was met David te Pas-dammim, toen de Filistijnen daar ten strijde verzameld waren, en een stuk akker vol gerst stond, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vluchtte;
1Kron 11:14 En zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij versloegen de Filistijnen; en de HEERE verloste hen door een grote verlossing.
1Kron 11:15 En drie uit de dertig hoofden trokken af naar de rots tot David in de spelonk van Adullam; en het leger der Filistijnen had zich gelegerd in het dal RefaÔm.
1Kron 11:16 En David was toen in de vesting en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.
1Kron 11:17 En David zei, vol verlangen: Wie zal mij water te drinken geven uit de bornput van Bethlehem, die onder de poort is?
1Kron 11:18 Toen braken die drie door het leger der Filistijnen, en putten water uit de bornput van Bethlehem, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Doch David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor de HEERE;
1Kron 11:19 En hij zei: Dat late mijn God verre van mij zijn, zoiets te doen! Zou ik het bloed van deze mannen drinken? Met gevaar voor hun leven, ja, met gevaar voor hun leven hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.
1Kron 11:20 AbisaÔ nu, de broer van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij verhief zijn spies tegen driehonderd, en versloeg hen; alzo had hij een naam onder de drie.
1Kron 11:21 Uit die drie was hij geëerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste; maar hij kwam niet tot aan de eerste drie.
1Kron 11:22 Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dappere man van KabzeŽl, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden van de kuil, in de sneeuwtijd.
1Kron 11:23 Hij versloeg ook een Egyptische man, een man van grote lengte, van vijf el; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand van de Egyptenaar, en hij doodde hem met zijn eigen spies.
1Kron 11:24 Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; daarom had hij een naam onder die drie helden.
1Kron 11:25 Ziet, hij was de voornaamste van die dertig; nochtans kwam hij tot aan de eerste drie niet. En David stelde hem over zijn lijfwacht.
1Kron 11:26 De helden nu der legers waren: Asahel, de broer van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;
1Kron 11:27 Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
1Kron 11:28 Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; AbiŽzer, de Anathothiet;
1Kron 11:29 Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
1Kron 11:30 Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Bašna, de Netofathiet;
1Kron 11:31 Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea van de zonen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;
1Kron 11:32 Hurai, van de beken van Gašs; AbiŽl, de Arbathiet;
1Kron 11:33 Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Sašlboniet;
1Kron 11:34 Van de zonen van Hasem, de Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;
1Kron 11:35 Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
1Kron 11:36 Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;
1Kron 11:37 Hezro, de Karmeliet; Našri, de zoon van Ezbai;
1Kron 11:38 JoŽl, de broer van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;
1Kron 11:39 Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja;
1Kron 11:40 Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
1Kron 11:41 Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
1Kron 11:42 Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, was het hoofd van de Rubenieten; nochtans waren er dertig boven hem;
1Kron 11:43 Hanan, de zoon van Mašcha, en Josafat, de Mithniet;
1Kron 11:44 Uzzia, de Asterathiet; Sama, en JeÔ-el, de zoon van Hotham, de AroŽriet;
1Kron 11:45 Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broer, de Tiziet;
1Kron 11:46 EliŽl, Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnašm; en Jithma, de Moabiet;
1Kron 11:47 EliŽl en Obed, en JašziŽl van Mezobaja.

Hoofdstuk 12
1Kron 12:1 Dezen nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij ingesloten was voor het aangezicht van Saul, de zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die bij die strijd hielpen.
1Kron 12:2 Gewapend met bogen, rechts en links met stenen werpend, en met pijlen schietend uit de boog; zij waren van de broeders van Saul, uit Benjamin.
1Kron 12:3 Het hoofd was AhiŽzer, en Joas, zonen van Semaš, de Gibeathiet; daarna JeziŽl en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
1Kron 12:4 En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en JahaziŽl, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;
1Kron 12:5 Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
1Kron 12:6 Elkana, en Jissia, en AzareŽl, en JoŽzer, en Jasobam, de Korachieten;
1Kron 12:7 En JoŽla en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
1Kron 12:8 Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David, in die vesting naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorlog toegerust met rondas en schild; en hun aangezichten waren aangezichten als van leeuwen; en zij waren als de reeën op de bergen in snelheid.
1Kron 12:9 Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;
1Kron 12:10 Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;
1Kron 12:11 Attai de zesde; EliŽl de zevende;
1Kron 12:12 Johanan de achtste; Elzabad de negende;
1Kron 12:13 Jormeja de tiende; Machbannai de elfde.
1Kron 12:14 Dezen waren van de zonen van Gad, hoofden van het leger; de minste onder hen was te vergelijken met honderd, de sterkste met duizend man.
1Kron 12:15 Dezen zijn het ook, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen deze vol was tot aan al haar oevers; en zij verdreven al de inwoners van de laagten, tegen het oosten en tegen het westen.
1Kron 12:16 Er kwamen ook van de zonen van Benjamin en Juda naar de vesting tot David.
1Kron 12:17 En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zei tot hen: Indien gijlieden tot vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zo zal mijn hart met u verenigd zijn; maar indien het is, om mij aan mijn vijanden bedrieglijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, dat de God van onze vaderen het zie en het straffe!
1Kron 12:18 En de Geest dreef AmasaÔ aan, de overste der hoofdmannen, en hij zei: Wij zijn de uwe, o David, en met u zijn wij, gij, zoon van IsaÔ. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helpers; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot afdelingshoofden.
1Kron 12:19 Er gingen ook van Manasse tot David over, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten der Filistijnen lieten hem weggaan, na overleg, zeggende: Met gevaar van onze hoofden zou hij tot Saul, zijn heer, overlopen.
1Kron 12:20 Toen hij naar Ziklag trok, gingen tot hem over uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michael, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden over duizend, die in Manasse waren.
1Kron 12:21 En dezen hielpen David mee tegen de benden der Amelekieten; want alle dezen waren kloeke helden; en zij waren oversten in het leger.
1Kron 12:22 Er kwamen er in die tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods.

1Kron 12:23 En dit zijn de aantallen van de hoofden dergenen, die toegerust waren ten strijde, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar de mond des HEEREN:
1Kron 12:24 Van de zonen van Juda, die schilden en spiesen droegen, waren zes duizend en achthonderd toegerust ten strijde;
1Kron 12:25 Van de zonen van Simeon, kloeke helden ten strijde, zeven duizend en honderd;
1Kron 12:26 Van de zonen van Levi, vier duizend en zeshonderd;
1Kron 12:27 En Jehojada was overste der Ašronieten; en met hem waren er drie duizend en zevenhonderd.
1Kron 12:28 En Zadok was een jongeman, een kloek held; en uit het huis van zijn vader waren twee en twintig oversten;
1Kron 12:29 En van de zonen van Benjamin, de broeders van Saul, drie duizend; want tot nog toe waren er velen van hen, die het huis van Saul trouw bleven;
1Kron 12:30 En van de zonen van EfraÔm, twintig duizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis van hun vaderen;
1Kron 12:31 En van de halve stam van Manasse achttien duizend, die met name genoemd zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken;
1Kron 12:32 En van de zonen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israel doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en al hun broeders onder hun bevel;
1Kron 12:33 Uit Zebulon, uitgaande in het leger, toegerust ten strijde met alle krijgswapens, vijftig duizend; en om een slagorde te houden met een onwankelbaar hart;
1Kron 12:34 En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met schild en spies, zeven en dertig duizend.
1Kron 12:35 En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd;
1Kron 12:36 En uit Aser, uitgaande in het leger, en gereed tot de strijd, waren veertig duizend;
1Kron 12:37 En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en de halve stam van Manasse, met allerlei wapens ten oorlog, honderd en twintigduizend.
1Kron 12:38 Al deze krijgslieden, die de slagorde konden handhaven, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over heel Israel. En ook was al het overige van Israel eensgezind, om David tot koning te maken.
1Kron 12:39 En zij waren daar bij David drie dagen lang, etende en drinkende; want hun broeders hadden voor hen daartoe voorbereidingen getroffen.
1Kron 12:40 En ook de naasten aan hen, zelfs tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezels, en op kamelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, vijgenkoeken, en rozijnenkoeken, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israel.

Hoofdstuk 13
1Kron 13:1 En David hield raad met de oversten van duizend en van honderd, en met alle vorsten.
1Kron 13:2 En David zei tot de hele gemeente van Israel: Indien het ulieden goeddunkt, en van de HEERE, onze God, te zijn, laat ons zenden aan onze overige broeders, in alle gebieden van Israel, en de priesters en Levieten, die met hen zijn in de steden, met haar voorsteden, opdat zij tot ons vergaderd worden.
1Kron 13:3 En laat ons de ark van onze God tot ons terug brengen, want wij hebben ze in de dagen van Saul niet gezocht.
1Kron 13:4 Toen zei de hele gemeente, dat men alzo doen zou; want die zaak was recht in de ogen van het hele volk.
1Kron 13:5 David dan vergaderde heel Israel van het Egyptische Sichor af, tot waar men komt te Hamath, om de ark van God te brengen van Kirjath-jearim.
1Kron 13:6 Toen trok David op met het hele Israel naar Bašla, dat is, Kirjath-jearim, dat in Juda is, dat hij van daar ophaalde de ark van God, van de HEERE, Die tussen de cherubim woont, waar de Naam wordt aangeroepen.
1Kron 13:7 En zij voerden de ark van God op een nieuwe wagen uit het huis van Abinadab. Uzza nu en Ahio leidden de wagen.
1Kron 13:8 En David en heel Israel speelden voor het aangezicht Gods met alle macht, zo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met tamboerijnen, en met cimbalen, en met trompetten.

1Kron 13:9 Toen zij aan de dorsvloer van Chidon gekomen waren, zo strekte Uzza zijn hand uit, om de ark tegen te houden, want de runderen struikelden.
1Kron 13:10 Toen ontstak de toorn des HEEREN over Uzza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf aldaar voor het aangezicht Gods.
1Kron 13:11 En David werd treurig, dat de HEERE uitgebroken was tegen Uzza; daarom noemde hij die plaats Perez-uzza, tot op deze dag.
1Kron 13:12 En David vreesde de HEERE op die dag, zeggende: Hoe zal ik de ark van God tot mij brengen?
1Kron 13:13 Daarom liet David de ark niet tot zich brengen in de stad Davids, maar deed ze afwijken in het huis van Obed-edom van Gath.
1Kron 13:14 Alzo bleef de ark van God bij het huisgezin van Obed-edom, in zijn huis, drie maanden; en de HEERE zegende het huis van Obed-edom, en alles, wat hij had.

Hoofdstuk 14
1Kron 14:1 Toen zond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en cederhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden.
1Kron 14:2 En David merkte, dat hem de HEERE tot koning bevestigd had over Israel; want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven, omwille van Zijn volk Israel.
1Kron 14:3 En David nam meer vrouwen te Jeruzalem, en David gewon meer zonen en dochters.
1Kron 14:4 Dit nu zijn de namen van de zonen, die hij te Jeruzalem had: Sammua, en Sobab, Nathan en Salomo,
1Kron 14:5 En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,
1Kron 14:6 En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
1Kron 14:7 En Elisama, en BeŽljada, en Elifelet.

1Kron 14:8 Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over het hele Israel, zo trokken al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde zo trok hij uit tegen hen.
1Kron 14:9 Toen de Filistijnen kwamen, zo verspreidden zij zich in het dal van RefaÔm.
1Kron 14:10 Toen vroeg David God, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult Gij hen in mijn hand geven? En de HEERE zei tot hem: Trek op, want Ik zal hen in uw hand geven.
1Kron 14:11 Toen zij nu optrokken naar Bašl-perazim, zo versloeg hen David daar; en David zei: God heeft mijn vijanden door mijn hand verbroken, als een doorbraak van wateren; daarom noemden zij de naam van die plaats Bašl-perazim.
1Kron 14:12 En daar lieten zij hun goden; en David gebood, en zij werden met vuur verbrand.
1Kron 14:13 Maar de Filistijnen kwamen weer, en zij verspreidden zich in dat dal.
1Kron 14:14 En David vroeg God andermaal; en God zei tot hem: Gij zult niet optrekken tegen hen; maar omsingel hen van boven, en kom tot hen tegenover de moerbeienbomen.
1Kron 14:15 En het zal geschieden, als gij hoort het geruis van schreden in de toppen van de moerbeienbomen, kom dan uit ten strijde; want God zal voor uw aangezicht uitgegaan zijn, om het leger der Filistijnen te verslaan.
1Kron 14:16 David nu deed, gelijk als hem God geboden had; en zij versloegen het leger der Filistijnen van Gibeon af tot aan Gezer.
1Kron 14:17 Alzo ging Davids naam uit in al die landen; en de HEERE stelde Zijn schrik over al die heidenen.

Hoofdstuk 15
1Kron 15:1 En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde voor de ark van God een plaats, en spande een tent voor haar.
1Kron 15:2 Toen zei David: Niemand mag de ark van God dragen, dan de Levieten; want die heeft de HEERE verkoren, om de ark van God te dragen, en om Hem te dienen tot in eeuwigheid.
1Kron 15:3 Ook vergaderde David heel Israel te Jeruzalem, om de ark des HEEREN op te halen tot haar plaats, die hij haar bereid had.
1Kron 15:4 En David verzamelde de kinderen van Ašron en de Levieten.
1Kron 15:5 Van de kinderen van Kohath was UriŽl overste, en van zijn broeders waren honderd en twintig.
1Kron 15:6 Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broeders waren tweehonderd en twintig.
1Kron 15:7 Van de kinderen van Gersom was JoŽl overste, en van zijn broeders waren honderd en dertig.
1Kron 15:8 Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broeders waren tweehonderd.
1Kron 15:9 Uit de kinderen van Hebron was EliŽl overste, en zijn broeders waren tachtig.
1Kron 15:10 Uit de kinderen van UzziŽl was Amminadab overste, en zijn broeders waren honderd en twaalf.
1Kron 15:11 En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten UriŽl, Asaja en JoŽl, Semaja, en EliŽl, en Amminadab.
1Kron 15:12 En hij zei tot hen: Gijlieden zijt hoofden der vaderen onder de Levieten; heiligt u, gij en uw broeders, dat gij de ark des HEEREN, van de God van Israel, opbrengt, tot de plaats, die ik voor haar bereid heb.
1Kron 15:13 Want omdat gijlieden dit de eerste keer niet hebt gedaan, heeft de HEERE, onze God, onder ons een breuk gemaakt, omdat wij Hem niet gezocht hebben overeenkomstig het recht.
1Kron 15:14 Zo heiligden zich dan de priesters en Levieten, om de ark des HEEREN, van de God van Israel, op te brengen.
1Kron 15:15 En de kinderen der Levieten droegen de ark van God op hun schouders, met de draagbomen, die op hen waren, gelijk als Mozes geboden had naar het woord des HEEREN.
1Kron 15:16 En David zei tot de oversten der Levieten, dat zij hun broeders, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en harpen, en cimbalen, dat zij zich zouden doen horen, verheffende de stem met blijdschap.
1Kron 15:17 Zo stelden dan de Levieten Heman, de zoon van JoŽl, en uit zijn broeders Asaf, de zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broeder, Ethan, de zoon van Kusaja;
1Kron 15:18 En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben en JašziŽl, en Semiramoth, en JehiŽl, en Unni, Eliab, en Benaja, en Mašseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-edom, en JeÔ-el, de poortwachters.
1Kron 15:19 De zangers nu, Heman, Asaf en Ethan, lieten zich horen met koperen cimbalen;
1Kron 15:20 En Zecharja, en AziŽl, en Semiramoth, en JehiŽl, en Unni, en Eliab, en Mašseja, en Benaja, met luiten op Alamoth.  *)
1Kron 15:21 En Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-edom, en JeÔ-el, en Azazja, met harpen op de Scheminith, om de toon te versterken.
1Kron 15:22 En Chenanja, de overste der Levieten, was over het opheffen van lofliederen; hij onderwees hen in het opheffen van lofliederen; want hij was bekwaam.
1Kron 15:23 En Berechja en Elkana waren poortwachters van de ark.
1Kron 15:24 En Sebanja, en Josafat, en NethaneŽl, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en EliŽzer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark van God; en Obed-edom en Jehia waren poortwachters van de ark.

1Kron 15:25 Het geschiedde nu, dat David en de oudsten van Israel, en de oversten van duizend, heengingen, om de ark van het verbond des HEEREN op te halen, uit het huis van Obed-edom, met vreugde;
1Kron 15:26 Zo geschiedde het, doordat God de Levieten versterkte, die de ark van het verbond des HEEREN droegen, dat zij zeven varren en zeven rammen offerden.
1Kron 15:27 David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenanja, de overste van het opheffen der liederen door dezangers; ook had David een lijfrok aan van linnen.
1Kron 15:28 Alzo bracht heel Israel de ark van het verbond des HEEREN op, met gejuich, en met geluid van de bazuin, en met trompetten, en met cimbalen, spelend op luiten en harpen.
1Kron 15:29 Het geschiedde nu, toen de ark van het verbond des HEEREN tot aan de stad Davids gekomen was, dat Michal, de dochter van Saul, door een venster keek, en de koning David zag, dansend en muziek makend; zo verachtte zij hem in haar hart.

Hoofdstuk 16
1Kron 16:1 Toen zij de ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en zij offerden brandoffers en dankoffers voor het aangezicht Gods.
1Kron 16:2 Toen David het brandoffer en de dankoffers geŽindigd had te offeren, zo zegende hij het volk in de Naam des HEEREN.
1Kron 16:3 En hij deelde een ieder in Israel, van de man tot de vrouw, een ieder een bol brood, en een schoon stuk vlees, en een kruik wijn.
1Kron 16:4 En hij stelde voor de ark des HEEREN sommigen uit de Levieten tot dienaars, en dat, om de HEERE, de God van Israel, te vereren, en te loven, en te prijzen.
1Kron 16:5 Asaf was het hoofd, en Zecharja de tweede na hem; JeÔ-el, en Semiramoth, en JehiŽl, en Mattithja, en Eliab, en Benaja, en Obed-edom, en JeÔ-el, met muziekinstrumenten, luiten en harpen; en Asaf liet zich horen met cimbalen;
1Kron 16:6 Maar Benaja en JahaziŽl, de priesters, steeds met trompetten voor de ark van het verbond van God.

1Kron 16:7 Op diezelfde dag gaf David voor de eerste keer deze psalm, om de HEERE te loven, door de dienst van Asaf, en zijn broeders.
1Kron 16:8 Looft de HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
1Kron 16:9 Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtig van al Zijn wonderwerken.
1Kron 16:10 Roemt in de Naam van Zijn heiligheid; dat zich het hart dergenen, die de HEERE zoeken, verblijde.
1Kron 16:11 Vraagt naar de HEERE en Zijn sterkte, zoekt Zijn aangezicht gedurig.
1Kron 16:12 Gedenkt Zijn wonderwerken, die Hij gedaan heeft, Zijn wondertekenen, en de oordelen van Zijn mond;
1Kron 16:13 Gij, zaad van Israel, Zijn dienaar, gij, kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen!
1Kron 16:14 Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
1Kron 16:15 Gedenkt tot in eeuwigheid Zijn verbond: het woord, dat Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht;
1Kron 16:16 Het verbond, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eed aan Izak;
1Kron 16:17 Dat Hij ook aan Jakob heeft gesteld tot een inzetting, aan Israel tot een eeuwig verbond;
1Kron 16:18 zeggende: Ik zal u het land Kanašn geven, een snoer van uw erfdeel;
1Kron 16:19 Toen gij weinige mensen in getal waart; ja, weinigen en vreemdelingen daarin.
1Kron 16:20 En zij wandelden van volk tot volk, en van het ene koninkrijk tot een ander volk.
1Kron 16:21 Hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
1Kron 16:22 Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.
1Kron 16:23 Zingt de HEERE, gij, ganse aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag.
1Kron 16:24 Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.
1Kron 16:25 Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen, en Hij is vreselijk boven alle goden.
1Kron 16:26 Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.
1Kron 16:27 Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en vrolijkheid zijn in Zijn plaats.
1Kron 16:28 Geeft de HEERE, gij, geslachten der volken, geeft de HEERE eer en sterkte.
1Kron 16:29 Geeft de HEERE de eer van Zijn Naam, brengt offer, en komt voor Zijn aangezicht; aanbidt de HEERE in de heerlijkheid van het heiligdom.
1Kron 16:30 Beeft voor Zijn aangezicht, gij, ganse aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde.
1Kron 16:31 Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De HEERE regeert.
1Kron 16:32 Dat de zee bruise met haar volheid, dat het veld huppele van vreugde, met al wat daarin is.
1Kron 16:33 Dan zullen de bomen van het woud juichen voor het aangezicht des HEEREN, omdat Hij komt, om de aarde te richten.
1Kron 16:34 Looft de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
1Kron 16:35 En zegt: Verlos ons, o God van ons heil, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heilige Naam loven, en dat wij in uw lof roemen.
1Kron 16:36 Geloofd zij de HEERE, de God van Israel, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En al het volk zei: Amen! en het loofde de HEERE.

1Kron 16:37 Alzo liet hij daar, voor de ark van het verbond des HEEREN, Asaf en zijn broeders, om gedurig te dienen voor de ark, zoals voor elke dag ingesteld was.
1Kron 16:38 Obed-edom nu, met hun broeders, waren acht en zestig; en hij stelde Obed-edom, de zoon van Jeduthun, en Hosa, tot poortwachters;
1Kron 16:39 En de priester Zadok, en zijn broeders, de priesters, voor de tabernakel des HEEREN op de hoogte, die te Gibeon is;
1Kron 16:40 Om de HEERE de brandoffers gedurig te offeren op het brandofferaltaar, des morgens en des avonds; en zulks naar alles, wat er geschreven staat in de wet des HEEREN, die Hij Israel geboden had.
1Kron 16:41 En met hen Heman en Jeduthun, en de overige uitgelezenen, die met name genoemd zijn om de HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
1Kron 16:42 Met hen dan waren Heman en Jeduthun, met trompetten en cimbalen voor degenen, die zich lieten horen, en met instrumenten voor de liederen van God; maar de zonen van Jeduthun waren aan de poort.
1Kron 16:43 Alzo trok het hele volk heen, een ieder in zijn huis; en David keerde zich, om zijn huis te gaan zegenen.

Hoofdstuk 17
1Kron 17:1 Het geschiedde nu, toen David in zijn huis woonde, dat David tot Nathan, de profeet, zei: Zie, ik woon in een cederen huis, maar de ark van het verbond des HEEREN onder gordijnen.
1Kron 17:2 Toen zei Nathan tot David: Doe alles, wat in uw hart is, want God is met u.
1Kron 17:3 Maar het geschiedde in diezelfde nacht, dat het Woord van God tot Nathan kwam, zeggende:
1Kron 17:4 Ga heen en zeg tot David, Mijn knecht: Alzo zegt de HEERE: Gij zult Mij geen huis bouwen, om in te wonen.
1Kron 17:5 Want Ik heb in geen huis gewoond van de dag af, dat Ik Israel heb geleid tot deze dag toe; maar Ik ben gegaan van tent tot tent, en van tabernakel tot tabernakel.
1Kron 17:6 Overal, waar Ik gewandeld heb met heel Israel, heb Ik ooit een woord gesproken tot één van de richters van Israel, die Ik gebood Mijn volk te weiden, zeggende: Waarom bouwt gij Mij geen cederen huis?
1Kron 17:7 Nu dan, alzo zult gij zeggen tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt de HEERE der legerscharen: Ik heb u van de schaapskooi genomen, van achter de schapen, opdat gij een voorganger over Mijn volk Israel zoudt zijn;
1Kron 17:8 En Ik ben met u geweest overal, waar gij heengegaan zijt, en Ik heb al uw vijanden uitgeroeid van voor uw aangezicht; en Ik heb u een naam gemaakt, gelijk de naam is van de groten, die op de aarde zijn.
1Kron 17:9 En Ik heb voor Mijn volk Israel een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats wone, en niet meer heen en weer gedreven wordt; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer afbreuk doen, gelijk als in het eerst,
1Kron 17:10 van die dagen af, dat Ik richters geboden heb over Mijn volk Israel; en heb al uw vijanden vernederd; ook geef Ik u te kennen, dat de HEERE u een huis bouwen zal.
1Kron 17:11 En het zal geschieden, als uw dagen zullen vervuld zijn, dat gij heengaat tot uw vaderen, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw zonen zijn zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.
1Kron 17:12 Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn stoel bevestigen tot in eeuwigheid.
1Kron 17:13 Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn; en Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, gelijk als Ik die weggenomen heb van hem, die voor u geweest is;
1Kron 17:14 Maar Ik zal hem in Mijn huis bestendig maken, en in Mijn Koninkrijk tot in eeuwigheid; en zijn stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.
1Kron 17:15 Naar al deze woorden, en naar dit ganse gezicht, alzo sprak Nathan tot David.

1Kron 17:16 Toen kwam de koning David in, en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zei: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?
1Kron 17:17 En dit is klein in Uw ogen geweest, o God! daarom hebt Gij van het huis van Uw knecht tot aan verre tijden gesproken, en Gij hebt mij verhoogd tot deze staat, o HEERE God!
1Kron 17:18 Wat zal David meer bij U daartoe voegen, vanwege de eer aan Uw knecht? Doch Gij kent Uw knecht wel.
1Kron 17:19 HEERE, omwille van Uw knecht en naar Uw hart, hebt Gij al deze grote dingen gedaan, om al deze grote dingen bekend te maken.
1Kron 17:20 HEERE, er is niemand gelijk Gij, en er is geen God behalve Gij, naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben.
1Kron 17:21 En wie is als Uw volk Israel, een enig volk op de aarde, waar God naartoe is gegaan om het Zich tot een volk te verlossen, dat Gij U een Naam maakte door grote en verschrikkelijke dingen, met de heidenen uit te stoten van het aangezicht van Uw volk, dat Gij uit Egypte verlost hebt?
1Kron 17:22 En Gij hebt Uw volk Israel U tot een volk gemaakt tot in eeuwigheid; en Gij, HEERE, zijt hun tot een God geworden.
1Kron 17:23 Nu dan, HEERE, het woord, dat Gij over Uw knecht gesproken hebt, en over zijn huis, dat worde waar tot in eeuwigheid; en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.
1Kron 17:24 Ja, het worde waar, en Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De HEERE der legerscharen, de God van Israel, is Israels God; en het huis van David, Uw knecht, zij bestendig voor Uw aangezicht.
1Kron 17:25 Want Gij, mijn God, hebt voor het oor van Uw knecht geopenbaard, dat Gij hem een huis bouwen zoudt; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, om voor Uw aangezicht te bidden.
1Kron 17:26 Nu dan, HEERE, Gij zijt die God; en Gij hebt dit goede over Uw knecht gesproken.
1Kron 17:27 Nu dan, het heeft U behaagd te zegenen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht zij; want Gij, HEERE, hebt het gezegend, en het zal gezegend zijn in eeuwigheid.

Hoofdstuk 18
1Kron 18:1 Het geschiedde nu na deze, dat David de Filistijnen versloeg, en hen ten onder bracht; en hij nam Gath, en zijn bijbehorende plaatsen, uit de hand van de Filistijnen.
1Kron 18:2 Hij sloeg ook de Moabieten, alzo dat de Moabieten Davids knechten werden, schatplichtig.
1Kron 18:3 David versloeg ook Hadar-ezer, de koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentrok, om zijn regering uit te breiden naar de rivier de Eufraath.
1Kron 18:4 En David nam hem duizend wagens af, en zeven duizend ruiters, en twintig duizend man voetvolk; en David ontzenuwde al de wagenpaarden; doch hij behield honderd wagens daarvan over.
1Kron 18:5 En de SyriŽrs van Damaskus kwamen, om Hadar-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de SyriŽrs twee en twintig duizend man.
1Kron 18:6 En David legde bezetting in het SyriŽ van Damaskus, alzo dat de SyriŽrs Davids knechten werden, schatplichtig. En de HEERE behoedde David overal, waar hij heenging.
1Kron 18:7 En David nam de gouden schilden, die bij Hadar-ezers knechten waren, en hij bracht ze te Jeruzalem.
1Kron 18:8 Ook nam David zeer veel koper uit Tibchath, en uit Chun, steden van Hadar-ezer; daarvan heeft Salomo de koperen zee, en de pilaren, en de koperen vaten gemaakt.

1Kron 18:9 Toen Thou, de koning van Hamath, hoorde, dat David het hele leger van Hadar-ezer, de koning van Zoba, verslagen had;
1Kron 18:10 Zo zond hij zijn zoon Hadoram tot de koning David, om hem naar zijn welstand te vragen, en om hem geluk te wensen, omdat hij met Hadar-ezer gestreden, en hem verslagen had -want Hadar-ezer voerde oorlog tegen Thou-.
En alle gouden, en zilveren, en koperen vaten
1Kron 18:11 heiligde de koning David ook de HEERE, met het zilver en het goud, dat hij meegebracht had van al de heidenen: van de Edomieten, en van de Moabieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van de Amalekieten.
1Kron 18:12 Ook sloeg AbisaÔ, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend.
1Kron 18:13 En hij legde bezetting in Edom, zodat al de Edomieten Davids knechten werden; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heenging.
1Kron 18:14 Alzo regeerde David over heel Israel, en hij deed zijn hele volk recht en gerechtigheid.
1Kron 18:15 Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het leger; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier;
1Kron 18:16 En Zadok, de zoon van Ahitub, en Abimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters, en Sausa schrijver;
1Kron 18:17 En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eersten bij de koning.

Hoofdstuk 19
1Kron 19:1 En het geschiedde na deze, dat Nahas, de koning der kinderen Ammons, stierf, en zijn zoon werd koning in zijn plaats.
1Kron 19:2 Toen zei David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, de zoon van Nahas; want zijn vader heeft weldadigheid aan mij gedaan. Daarom zond David boden, om hem te troosten over zijn vader. Toen de knechten van David in het land van de kinderen Ammons tot Hanun kwamen, om hem te troosten,
1Kron 19:3 Zo zeiden de vorsten van de kinderen Ammons tot Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Zijn niet zijn knechten tot u gekomen, om te onderzoeken, om te verderven, en om het land te verspieden?
1Kron 19:4 Daarom nam Hanun de knechten van David, en hij schoor hen, en sneed hun klederen half af tot aan de heupen, en liet hen heengaan.
1Kron 19:5 Zij nu gingen heen, en men zond David bericht aangaande deze mannen; en hij zond hun tegemoet; want die mannen waren zeer beschaamd. De koning dan zei: Blijft te Jericho, totdat uw baard weer gegroeid is; komt dan terug.

1Kron 19:6 Toen de kinderen Ammons merkten, dat zij zich stinkende gemaakt hadden bij David, zo zonden Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilver, om zich wagens en ruiters te huren uit Mesopotamie, en uit SyriŽ-Mašcha, en uit Zoba;
1Kron 19:7 Zodat zij zich huurden twee en dertig duizend wagens; en de koning van Mašcha en zijn volk kwamen en legerden zich voor Medeba; ook vergaderden de kinderen Ammons uit hun steden, en zij kwamen ten strijde.
1Kron 19:8 Toen David dat hoorde, zo zond hij Joab en het ganse leger met de helden.
1Kron 19:9 Toen de kinderen Ammons uitgetrokken waren, zo stelden zij de slagorde voor de poort van de stad; maar de koningen, die gekomen waren, die waren opgesteld apart in het veld.
1Kron 19:10 Toen Joab zag, dat de spits van de slagorde van voren en van achteren tegenover hem was, zo maakte hij een keuze uit alle uitgelezenen in Israel, en hij stelde hen in slagorde tegen de SyriŽrs.
1Kron 19:11 En over het overige van het volk stelde hij zijn broer AbisaÔ, en zij stelden hen in slagorde tegen de kinderen Ammons.
1Kron 19:12 En hij zei: Indien mij de SyriŽrs te sterk worden, zo zult gij mij komen verlossen; en indien de kinderen Ammons u te sterk worden, zo zal ik u verlossen.
1Kron 19:13 Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden van onze God; de HEERE nu doe, wat goed is in Zijn ogen.
1Kron 19:14 Toen naderde Joab en het volk, dat bij hem was, ten strijde voor het aangezicht der SyriŽrs; en die vluchtten voor zijn aangezicht.
1Kron 19:15 Toen de kinderen Ammons zagen, dat de SyriŽrs vluchtten, zo vluchtten zij ook voor het aangezicht van AbisaÔ, zijn broer, en zij kwamen in de stad; en Joab kwam terug te Jeruzalem.
1Kron 19:16 Toen de SyriŽrs zagen, dat zij voor het aangezicht van Israel verslagen waren, zo zonden zij boden, en brachten de SyriŽrs uit, die aan gene zijde van de rivier woonden; en Sofach, de legeroverste van Hadar-ezer, voerde hen aan.
1Kron 19:17 Toen het David werd aangezegd, zo vergaderde hij heel Israel, en hij trok over de Jordaan, en hij kwam tot hen, en hij stelde de slagorde tegen hen. Toen David de slagorde tegen de SyriŽrs opgesteld had, zo streden zij met hem.
1Kron 19:18 Doch de SyriŽrs vluchtten voor het aangezicht van Israel, en David versloeg van de SyriŽrs zeven duizend wagens, en veertig duizend man te voet; daartoe doodde hij Sofach, de legeroverste.
1Kron 19:19 Toen de knechten van Hadar-ezer zagen, dat zij verslagen waren, voor het aangezicht van Israel, zo maakten zij vrede met David, en dienden hem; en de SyriŽrs wilden de kinderen Ammons niet meer verlossen.

Hoofdstuk 20
1Kron 20:1 Het geschiedde nu ten tijde van de wederkomst van het jaar, ten tijde als de koningen uittrokken, zo voerde Joab het leger aan, en hij verdierf het land van de kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab nam Rabba in, en verwoestte ze.
1Kron 20:2 En David nam de kroon van hun koning van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewicht een talent goud, en daar was edelgesteente aan; en zij werd op Davids hoofd gezet, en hij voerde zeer veel buit uit de stad.
1Kron 20:3 Hij voerde ook al het volk uit, dat daarin was, en hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens, en met bijlen; en alzo deed David aan al de steden van de kinderen Ammons. Toen keerde David terug met al het volk naar Jeruzalem.

1Kron 20:4 En het geschiedde daarna, toen er oorlog met de Filistijnen te Gezer uitbrak, toen sloeg Sibbechai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden tenonder gebracht.
1Kron 20:5 Daarna was er nog een oorlog met de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van JaÔr, versloeg Lachmi, de broer van Goliath, de Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.
1Kron 20:6 Daarna was er nog een oorlog te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijn vingers waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren;
1Kron 20:7 En hij hoonde Israel, maar Jonathan, de zoon van Simea, de broer van David, versloeg hem.
1Kron 20:8 Dezen waren van Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand van zijn knechten.

Hoofdstuk 21
1Kron 21:1 Toen stond de satan op tegen Israel, en hij porde David aan, dat hij Israel telde.
1Kron 21:2 En David zei tot Joab en tot de oversten van het volk: Gaat heen, telt Israel van Ber-seba tot Dan toe, en brengt hen tot mij, dat ik hun aantal zal weten.
1Kron 21:3 Toen zei Joab: De HEERE doe tot Zijn volk, gelijk zij nu zijn, honderdmaal meer; zijn zij niet allen, o mijn heer koning, mijn heer tot knechten? Waarom verzoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israel tot schuld worden?
1Kron 21:4 Doch het woord van de koning kreeg de overhand over Joab; daarom trok Joab uit, en hij trok heel Israel door; daarna kwam hij weer te Jeruzalem.
1Kron 21:5 En Joab gaf David het aantal van het getelde volk; en heel Israel telde elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken.
1Kron 21:6 Maar Levi en Benjamin telde hij onder hen niet; want het woord van de koning was Joab een gruwel.

1Kron 21:7 En deze zaak was kwaad in de ogen van God; daarom sloeg Hij Israel.
1Kron 21:8 Toen zei David tot God: Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad van Uw knecht weg, want ik heb zeer zot gehandeld.
1Kron 21:9 De HEERE nu sprak tot Gad, de ziener van David, zeggende:
1Kron 21:10 Ga heen, en spreek tot David, zeggende: Aldus zegt de HEERE: Drie dingen leg Ik u voor; kies u één uit die, dat Ik u doe.
1Kron 21:11 En Gad kwam tot David, en zei tot hem: Zo zegt de HEERE: Neem u uit:
1Kron 21:12 Of drie jaren honger, of drie maanden verslagen te worden voor het aangezicht van uw tegenstander, en dat het zwaard van uw vijanden u achterhaalt; of drie dagen het zwaard des HEEREN, dat is, de pest in het land, en een verdervende engel des HEEREN binnen al de grenzen van Israel. Zo zie nu toe, wat antwoord ik Hem zal wedergeven, Die mij gezonden heeft.
1Kron 21:13 Toen zei David tot Gad: Ik ben heel benauwd; laat mij toch in de hand des HEEREN vallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de hand der mensen niet vallen.
1Kron 21:14 De HEERE dan zond pest in Israel; en er vielen van Israel zeventig duizend man.
1Kron 21:15 En God zond een engel naar Jeruzalem, om het te verderven; en toen hij haar verdierf, zag het de HEERE, en het berouwde Hem over dat kwaad; en Hij zei tot de verdervende engel: Het is genoeg, trek nu uw hand terug. De engel des HEEREN nu stond bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
1Kron 21:16 Toen David zijn ogen ophief, zo zag hij de engel des HEEREN, staande tussen de aarde en de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem; toen vielen David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten.
1Kron 21:17 En David zei tot God: Ben ik het niet, die gezegd heb, dat men het volk tellen zou? Ja, ik zelf ben het, die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O HEERE, mijn God, dat toch Uw hand tegen mij, en tegen het huis van mijn vader zij, maar niet tegen Uw volk om hen te slaan.

1Kron 21:18 Toen zei de engel des HEEREN tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om de HEERE een altaar op te richten op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
1Kron 21:19 Zo ging dan David op naar het woord van Gad, dat hij in de Naam des HEEREN gesproken had.
1Kron 21:20 Toen zich Ornan omkeerde, zo zag hij de engel; en zijn vier zonen, die bij hem waren, verborgen zich; en Ornan was tarwe aan het dorsen.
1Kron 21:21 En David kwam tot Ornan; en Ornan zag toe, en zag David; zo ging hij uit van de dorsvloer, en boog zich neer voor David, met het aangezicht ter aarde.
1Kron 21:22 En David zei tot Ornan: Geef mij de plaats van de dorsvloer, dat ik daarop voor de HEERE een altaar bouw; geef ze mij voor de gehele prijs, opdat deze plaag zal ophouden van over het volk.
1Kron 21:23 Toen zei Ornan tot David: Neem ze maar, en mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen; zie, ik geef deze runderen tot brandoffers, en deze sleden tot hout, en de tarwe tot spijsoffer; ik geef het al.
1Kron 21:24 Maar de koning David zei tot Ornan: Neen, maar ik zal het gewis kopen voor de volle som geld; want ik zal voor de HEERE niet nemen wat van u is, dat ik een brandoffer om niet offer.
1Kron 21:25 En David gaf aan Ornan voor die plaats zeshonderd gouden sikkels in gewicht.
1Kron 21:26 Toen bouwde David aldaar voor de HEERE een altaar, en hij offerde brandoffers en dankoffers. Toen hij de HEERE aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar.
1Kron 21:27 En de HEERE zei tot de engel, dat hij zijn zwaard weer in zijn schede steken zou.
1Kron 21:28 Ter zelfder tijd, toen David zag, dat de HEERE hem geantwoord had op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, zo offerde hij aldaar;
1Kron 21:29 Want de tabernakel van de HEERE, die Mozes in de woestijn gemaakt had, en het altaar van het brandoffer, waren in die tijd op de hoogte te Gibeon.
1Kron 21:30 David nu kon daar niet heengaan, om God te zoeken; want hij was verschrikt voor het zwaard van de engel des HEEREN.

Hoofdstuk 22
1Kron 22:1 En David zei: Hier zal het huis Gods van de HEERE zijn, en hier zal het altaar van het brandoffer voor Israel zijn.
1Kron 22:2 En David zei, dat men vergaderen zou de vreemdelingen, die in het land Israel waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen stenen, welke men behouwen zou, om het huis Gods te bouwen.
1Kron 22:3 En David bereidde ijzer in menigte, tot spijkers aan de deuren van de poorten, en voor de verbindingen; ook koper in menigte, zonder gewicht;
1Kron 22:4 En talloos cederhout; want de SidoniŽrs en de TyriŽrs brachten tot David cederhout in menigte.
1Kron 22:5 Want David zei: Mijn zoon Salomo is nog jong en teder; en het huis, dat men de HEERE bouwen zal, zal men buitengewoon heerlijk maken, tot een Naam en tot heerlijkheid in alle landen; ik zal hem nu voorraad bereiden. Alzo bereidde David voorraad in menigte voor zijn dood.

1Kron 22:6 Toen riep hij zijn zoon Salomo, en gebood hem de HEERE, de God van Israel, een huis te bouwen.
1Kron 22:7 En David zei tot Salomo: Mijn zoon, wat mij aangaat, het was in mijn hart voor de Naam van de HEERE, mijn God, een huis te bouwen;
1Kron 22:8 Maar het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende: Gij hebt bloed in menigte vergoten, want gij hebt grote oorlogen gevoerd; gij zult Mijn Naam geen huis bouwen, omdat gij veel bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.
1Kron 22:9 Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man der rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom; want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israel geven in zijn dagen.
1Kron 22:10 Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal de troon van zijn rijk over Israel bevestigen tot in eeuwigheid.
1Kron 22:11 Nu, mijn zoon, de HEERE zal met u zijn, en gij zult voorspoedig zijn, en zult het huis van de HEERE, uw God, bouwen, gelijk als Hij van u gesproken heeft.
1Kron 22:12 Alleen de HEERE geve u onderscheid en verstand, en geve u de regering over Israel, en dat om te onderhouden de wet van de HEERE, uw God.
1Kron 22:13 Dan zult gij voorspoedig zijn, als gij waarnemen zult te doen de inzettingen en de rechten, die de HEERE aan Mozes geboden heeft over Israel. Wees sterk en heb goede moed, vrees niet, en wees niet mismoedig!
1Kron 22:14 Zie daar, ik heb in mijn verdrukking voor het huis des HEEREN bereid honderdduizend talenten goud, en duizend maal duizend talenten zilver; en talloos veel koper en ijzer, het is er in menigte; ik heb ook hout en stenen bereid; doe gij er nog meer bij.
1Kron 22:15 Ook zijn er bij u in menigte, die het werk kunnen doen, houwers, en bewerkers van steen en hout, en allerlei bekwame mensen in allerlei werk.
1Kron 22:16 Van goud, van zilver, en talloos veel koper en ijzer; maak u op, en doe het, en de HEERE zal met u zijn.

1Kron 22:17 Ook gebood David aan alle vorsten van Israel, dat zij zijn zoon Salomo helpen zouden, zeggende:
1Kron 22:18 Is niet de HEERE, uw God, met ulieden, en heeft u rust gegeven rondom? Want Hij heeft de inwoners van het land in mijn hand gegeven, en dit land is onderworpen geworden voor het aangezicht des HEEREN, en voor het aangezicht van Zijn volk.
1Kron 22:19 Zo richt dan nu uw hart en uw ziel om te zoeken de HEERE, uw God, en maakt u op, en bouwt het heiligdom van God, de HEERE; dat men de ark van het verbond des HEEREN en de heilige vaten Gods in dit huis brenge, dat voor de Naam des HEEREN zal gebouwd worden.

Hoofdstuk 23
1Kron 23:1 Toen nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijn zoon Salomo tot koning over Israel.
1Kron 23:2 En hij vergaderde al de vorsten van Israel, ook de priesters en de Levieten.
1Kron 23:3 En de Levieten werden geteld, van dertig jaar af en daarboven; en hun aantal was, man voor man, acht en dertig duizend.
1Kron 23:4 Uit dezen waren er vier en twintig duizend om het werk van het huis des HEEREN te leiden; en zes duizend opzieners en rechters;
1Kron 23:5 En vier duizend poortwachters, en vier duizend lofzangers des HEEREN, met instrumenten, die ik gemaakt heb, zei David, om de lofzang te begeleiden.
1Kron 23:6 En David verdeelde hen in afdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kohath en Merari.
1Kron 23:7 Uit de Gersonieten waren Ladan en SimeÔ.
1Kron 23:8 De kinderen van Ladan waren dezen: JehiŽl, het hoofd, en Zetham, en Joël; drie.
1Kron 23:9 De kinderen van SimeÔ waren Selomith, en HaziŽl, en Haran, drie; zij waren de hoofden der vaderen van Ladan.
1Kron 23:10 De kinderen van SimeÔ nu waren Jahath, Zina, en JeŁs, en Beria; zij waren de kinderen van SimeÔ; vier.
1Kron 23:11 En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar JeŁs en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij gerekend in één vaderlijk huis in de telling.
1Kron 23:12 De kinderen van Kohath waren Amram, Jizhar, Hebron en UzziŽl; vier.
1Kron 23:13 De kinderen van Amram waren Ašron en Mozes. Ašron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te wieroken voor het aangezicht des HEEREN, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen.
1Kron 23:14 Aangaande nu Mozes, de man Gods, zijn kinderen werden genoemd onder de stam van Levi.
1Kron 23:15 De kinderen van Mozes waren Gersom en EliŽzer.
1Kron 23:16 Van de kinderen van Gersom was Sebuel het hoofd.
1Kron 23:17 De kinderen van EliŽzer nu waren dezen: Rehabja het hoofd; en EliŽzer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehabja waren zeer talrijk.
1Kron 23:18 Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.
1Kron 23:19 Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, JahaziŽl de derde, en Jekameam de vierde.
1Kron 23:20 Aangaande de kinderen van UzziŽl: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede.
1Kron 23:21 De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis.
1Kron 23:22 En Eleazar stierf, en hij had geen zonen, maar dochters; en de kinderen van Kis, haar broeders, namen hen tot vrouw.
1Kron 23:23 De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie.

1Kron 23:24 Dit zijn de kinderen van Levi, naar het huis van hun vaderen, hoofden der vaderen, overeenkomstig het getal der namen naar hun hoofden, doende het werk van de dienst van het huis des HEEREN van twintig jaren oud en daarboven.
1Kron 23:25 Want David had gezegd: De HEERE, de God van Israel, heeft Zijn volk rust gegeven, en Hij zal te Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid.
1Kron 23:26 En ook aangaande de Levieten, dat zij de tabernakel, noch vaten tot haar dienst behorend, niet meer zouden dragen.
1Kron 23:27 Want naar de laatste woorden van David werden de kinderen van Levi geteld, van twintig jaren oud en daarboven;
1Kron 23:28 Omdat hun standplaats was aan de hand der zonen van Ašron in de dienst van het huis des HEEREN, over de voorhoven, en over de kamers, en over de reiniging van alle heilige dingen, en het werk van de dienst van het huis Gods;
1Kron 23:29 Te weten tot het toonbrood, en tot de meelbloem ten spijsoffer, en tot ongezuurde koeken, en tot het op de bakpannen bereide, en het geroosterde, van alle maat en afmeting;
1Kron 23:30 En om elke morgen te staan, om de HEERE te loven en te prijzen; en evenzo des avonds;
1Kron 23:31 En tot al het offeren van de brandoffers des HEEREN, op de sabbatten, op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden, in getal naar gebruikelijk onder hen, gedurig, voor het aangezicht des HEEREN;
1Kron 23:32 En dat zij de wacht van de tent der samenkomst zouden waarnemen, en de wacht van het heiligdom, en de wacht van de zonen van Ašron, hun broeders, in de dienst van het huis des HEEREN.

Hoofdstuk 24
1Kron 24:1 Aangaande nu de zonen van Ašron, dit waren hun verdelingen. De zonen van Ašron waren Nadab, en Abihu, Eleazar en Ithamar.
1Kron 24:2 Maar Nadab stierf, en Abihu, voor het aangezicht van hun vader, en zij hadden geen kinderen. En Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt.
1Kron 24:3 David nu verdeelde hen, Zadok uit de zonen van Eleazar, en Abimelech uit de zonen van Ithamar, naar hun ambt in hun dienst.
1Kron 24:4 En van de zonen van Eleazar werden meer gevonden tot hoofden van de mannen, dan van de zonen van Ithamar, als zij hen indeelden; van de zonen van Eleazar waren zestien hoofden van vaderlijke huizen, maar van de zonen van Ithamar, naar hun vaderlijke huizen, acht.
1Kron 24:5 En zij deelden hen door loten in, dezen en die; want de oversten van het heiligdom en de oversten Gods waren uit de zonen van Eleazar en van de zonen van Ithamar.
1Kron 24:6 En Semaja, de zoon van NethaneŽl, de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, voor het aangezicht van de koning, en van de vorsten, en van de priester Zadok, en van Achimelech, de zoon van Abjathar, en van de hoofden der vaderen onder de priesters en onder de Levieten; een vaderlijk huis werd genomen voor Eleazar, en evenzo voor Ithamar.
1Kron 24:7 Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,
1Kron 24:8 Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim,
1Kron 24:9 Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,
1Kron 24:10 Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,
1Kron 24:11 Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja,
1Kron 24:12 Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,
1Kron 24:13 Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab,
1Kron 24:14 Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer,
1Kron 24:15 Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,
1Kron 24:16 Het negentiende voor Petahja, het twintigste voor Jehezkel,
1Kron 24:17 Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul,
1Kron 24:18 Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Mašzja.
1Kron 24:19 Het ambt van dezen in hun dienst was te gaan in het huis des HEEREN, naar hun ordening door de hand van Ašron, hun vader; gelijk als hem de HEERE, de God van Israel, geboden had.
1Kron 24:20 Van de overige zonen van Levi nu, was van de zonen van Amram Subael, van de zonen van Subael was Jechdeja.
1Kron 24:21 Aangaande Rehabja: van de zonen van Rehabja was Jissia het hoofd.
1Kron 24:22 Van de Jizharieten was Selomoth; van de zonen van Selomoth was Jahath.
1Kron 24:23 En van de zonen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, JahaziŽl de derde, Jekameam de vierde.
1Kron 24:24 Van de zonen van UzziŽl was Micha; van de zonen van Micha was Samir;
1Kron 24:25 De broer van Micha was Jissia; van de zonen van Jissia was Zecharja.
1Kron 24:26 De zonen van Merari waren Maheli en Musi. De zonen van Jašzia: Beno.
1Kron 24:27 De zonen van Merari van Jašzia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.
1Kron 24:28 Van Maheli was Eleazar; en die had geen zonen.
1Kron 24:29 Aangaande Kis: de zonen van Kis waren JerahmeŽl.
1Kron 24:30 En de zonen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth. Dezen zijn de zonen der Levieten, naar hun vaderlijke huizen.
1Kron 24:31 En zij wierpen ook loten, evenals hun broeders, de zonen van Ašron, voor het aangezicht van de koning David, en Zadok, en Achimelech, en van de hoofden der vaderen onder de priesters en onder de Levieten; het hoofd der vaderen tegenover zijn jongste broeder.

Hoofdstuk 25
Kron 25:1 En David, alsook de oversten van het leger, stelde afzonderlijk tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, diegenen die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst.
1Kron 25:2 Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die in aanwezigheid van de koning profeteerden.
1Kron 25:3 Aangaande Jeduthun: de kinderen van Jeduthun waren Gedalja, en Zeri, en Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes; aan de handen van hun vader Jeduthun, op harpen profeterende met de HEERE te danken en te loven.
1Kron 25:4 Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, UzziŽl, Sebuel, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth.
1Kron 25:5 Deze allen waren zonen van Heman, de ziener van de koning, in de woorden Gods, om Zijn macht te verheerlijken; want God had Heman veertien zonen gegeven, en drie dochters.
1Kron 25:6 Dezen waren allen onder leiding van hun vader, tot het gezang van het huis des HEEREN, op cimbalen, luiten, en harpen, tot de dienst van het huis Gods, van Asaf, Jeduthun, en van Heman op aanwijzing van de koning.
1Kron 25:7 En hun getal met hun broeders, die onderwezen waren in het gezang des HEEREN, allen bekwaam, was tweehonderd acht en tachtig.

1Kron 25:8 En zij wierpen de loten over de afdeling; tegenover elkaar, zo de mindere en de meerdere, de meester en de leerling.
1Kron 25:9 Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijn broers, en zijn zonen, waren twaalf.
1Kron 25:10 Het derde voor Zakkur; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:11 Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:12 Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:13 Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:14 Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:15 Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:16 Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:17 Het tiende voor SimeÔ; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:18 Het elfde voor AzareŽl; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:19 Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:20 Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:21 Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:22 Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:23 Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:24 Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:25 Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:26 Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broers; twaalf.
1Kron 25:27 Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broers; twaalf.
1Kron 25:28 Het een en twintigste voor Hothir; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:29 Het twee en twintigste voor Giddalti; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:30 Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
1Kron 25:31 Het vier en twintigste voor Romamthi-ezer; zijn zonen en zijn broers, twaalf.

Hoofdstuk 26
1Kron 26:1 Aangaande de indelingen van de poortwachters: van de Korahieten was Meselemja, de zoon van Kore, van de zonen van Asaf.
1Kron 26:2 Meselemja nu had zonen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, JathniŽl de vierde,
1Kron 26:3 Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljeoenai de zevende.
1Kron 26:4 Obed-edom had ook zonen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en NethaneŽl de vijfde.
1Kron 26:5 AmmiŽl de zesde, Issaschar de zevende, Peullethai de achtste; want God had hem gezegend.
1Kron 26:6 Ook werden zijn zoon Semaja zonen geboren, die gezag hadden in het huis van hun vader; want zij waren kloeke helden.
1Kron 26:7 De zonen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broers, kloeke mannen; Elihu, en Semachja.
1Kron 26:8 Deze allen waren uit de zonen van Obed-edom; zij, en hun zonen, en hun broeders, kloeke mannen bekwaam tot de dienst; daar waren er twee en zestig van Obed-edom.
1Kron 26:9 Meselemja nu had zonen en broeders, kloeke mensen, achttien.
1Kron 26:10 En Hosa, uit de zonen van Merari, had zonen; Simri was het hoofd; -hoewel hij de eerstgeborene niet was, nochtans stelde hem zijn vader tot een hoofd-.
1Kron 26:11 Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de zonen en broeders van Hosa waren dertien.
1Kron 26:12 Uit dezen waren de indelingen van de poortwachters onder de hoofden der mannen, tot de afdelingen tegenover hun broeders, om te dienen in het huis des HEEREN.
1Kron 26:13 En zij wierpen de loten, zo de kleinen als de groten, naar hun vaderlijke huizen, voor elke poort.
1Kron 26:14 Het lot voor de oosterpoort viel op Salemja; maar voor zijn zoon Zecharja, die een verstandig raadsman was, wierp men de loten, en zijn lot is uitgekomen voor de noorderpoort;
1Kron 26:15 Obed-edom voor de zuiderpoort; en voor zijn zonen het huis van de schatkamers.
1Kron 26:16 Suppim en Hosa tegen de westerpoort, met de poort Schallechet, bij de opgaande hoge weg, afdeling tegenover afdeling.
1Kron 26:17 Tegen het oosten waren zes Levieten; tegen het noorden des daags vier; tegen het zuiden des daags vier; maar bij de schatkamers twee en twee.
1Kron 26:18 Aan Parbar tegen het westen waren er vier bij de hoge weg, twee bij Parbar.
1Kron 26:19 Dit zijn de indelingen van de poortwachters van de zonen der Korahieten, en van de zonen van Merari.

1Kron 26:20 Ook was, van de Levieten, Ahia over de schatten van het huis Gods, en over de schatten der geheiligde dingen.
1Kron 26:21 Van de zonen van Ladan, zonen van de Gersoniet Ladan; van Ladan, de Gersoniet, waren hoofden der vaderen JehiŽli.
1Kron 26:22 De zonen van JehiŽli waren Zetham en JoŽl, zijn broer; dezen waren over de schatten van het huis des HEEREN.
1Kron 26:23 Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de UzziŽlieten,
1Kron 26:24 En Sebuel, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was overste over de schatten.
1Kron 26:25 Maar zijn broeders van EliŽzer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.
1Kron 26:26 Deze Selomith en zijn broeders waren over al de schatten der heilige dingen, die de koning David geheiligd had, zo ook de hoofden der vaderen, de oversten van duizend en de oversten van honderd, en de oversten van het leger;
1Kron 26:27 Van de oorlogen en van de buit hadden zij het geheiligd, om het huis des HEEREN te onderhouden.
1Kron 26:28 Ook alles, wat Samuel, de ziener, geheiligd had, en Saul, de zoon van Kis, en Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja; al wat iemand geheiligd had, was onder de hand van Selomith en zijn broeders.

1Kron 26:29 Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israel, tot opzieners en tot rechters.
1Kron 26:30 Van de Hebronieten waren Hasabja, en zijn broeders, kloeke mannen, duizend en zevenhonderd, die het opzicht uitoefenden over Israel aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, over al het werk des HEEREN, en tot de dienst van de koning.
1Kron 26:31 Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten van zijn geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar van de regering van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaezer in Gilead.
1Kron 26:32 En zijn broeders waren kloeke lieden, twee duizend en zevenhonderd hoofden der vaderen; en de koning David stelde hen over de Rubenieten, en Gadieten, en de halve stam der Manassieten, tot alle zaken Gods en de zaken van de koning.

Hoofdstuk 27
1Kron 27:1 Dit nu zijn de kinderen Israels naar hun aantal, de hoofden der vaderen, en de oversten van duizend en van honderd, met hun opzieners, de koning dienend in alle zaken van de lichtingen, die opkwamen en afzwaaiden van maand tot maand, in al de maanden van het jaar; elke lichting telde vier en twintig duizend man.
1Kron 27:2 Over de eerste lichting in de eerste maand was Jasobam, de zoon van ZabdiŽl; en in zijn lichting waren er vier en twintig duizend.
1Kron 27:3 Hij was uit de kinderen van Perez, het hoofd van al de oversten in het leger in de eerste maand.
1Kron 27:4 En over de lichting in de tweede maand was Dodai, de Ahohiet, en over zijn lichting was Mikloth ook voorganger; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.
1Kron 27:5 De derde overste van het leger in de derde maand was Benaja, de zoon van Jojada, een hoofdpriester; die was het hoofd; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.
1Kron 27:6 Deze Benaja was een held van de dertig, en over de dertig; en over zijn lichting was Ammizabad, zijn zoon.
1Kron 27:7 De vierde, in de vierde maand, was Asahel, de broer van Joab, en na hem Zebadja, zijn zoon; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.
1Kron 27:8 De vijfde, in de vijfde maand, was Samhuth, de Jizrahiet, de overste; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.
1Kron 27:9 De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, de ThekoÔet; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.
1Kron 27:10 De zevende, in de zevende maand, was Helez, de Peloniet, uit de kinderen van EfraÔm; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.
1Kron 27:11 De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai, de Husathiet, van de Zerahieten; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.
1Kron 27:12 De negende, in de negende maand, was AbiŽzer, de Anathothiet; van de Benjaminieten; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.
1Kron 27:13 De tiende, in de tiende maand, was Maharai, de Nethofathiet, van de Zerahieten; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.
1Kron 27:14 De elfde, in de elfde maand, was Benaja, de Pirhathoniet, van de kinderen van EfraÔm; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.
1Kron 27:15 De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van OthniŽl; in zijn lichting waren er ook vier en twintig duizend.

1Kron 27:16 Doch over de stammen van Israel waren dezen: over de Rubenieten was EliŽzer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefatja, de zoon van Mašcha;
1Kron 27:17 Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Ašronieten was Zadok;
1Kron 27:18 Over Juda was Elihu, uit de broers van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michael;
1Kron 27:19 Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van AzriŽl;
1Kron 27:20 Over de kinderen van EfraÔm was Hosea, de zoon van Azazja; over de halve stam van Manasse was JoŽl, de zoon van Pedaja;
1Kron 27:21 Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was JašsiŽl, de zoon van Abner;
1Kron 27:22 Over Dan was Azarel, de zoon van Jeroham. Dezen waren de oversten van de stammen van Israel.
1Kron 27:23 Maar David nam het getal van diegenen niet op, die twintig jaar oud en daar beneden waren; omdat de HEERE gezegd had, dat Hij Israel vermenigvuldigen zou als de sterren des hemels.
1Kron 27:24 Joab, de zoon van Zeruja, was begonnen te tellen, maar hij voltooide het niet, omdat er daarom een grote toorn over Israel gekomen was; daarom is het getal niet opgebracht in de rekening der kronieken van de koning David.
1Kron 27:25 En over de schatten van de koning was Azmaveth, de zoon van AdiŽl; en over de schatten op het land, in de steden, en in de dorpen, en in de torens, was Jonathan, de zoon van Uzzia.
1Kron 27:26 En over hen, die op de akkers werkten, in de landbouw, was Ezri, de zoon van Chelub.
1Kron 27:27 En over de wijngaarden was SimeÔ, de Ramathiet; maar over de oogst, die van de wijnstokken kwam tot de schatten van de wijn, was Zabdi, de Sifmiet.
1Kron 27:28 En over de olijfgaarden en de wilde vijgebomen, die in het laagland waren, was Bašl-hanan, de Gederiet; maar Joas was over de schatten van de olie.
1Kron 27:29 En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in het laagland, was Safat, de zoon van Adlai.
1Kron 27:30 En over de kamelen was Obil, de Ismaeliet; en over de ezelinnen was Jechdeja, de Meronothiet.
1Kron 27:31 En over het kleinvee was Jaziz, de Hageriet. Alle dezen waren oversten over de have van de koning David.
1Kron 27:32 En Jonathan, Davids oom, was raadsheer, een verstandig man; hij was ook schrijver; JehiŽl nu, de zoon van Hachmoni, was bij de zonen van de koning.
1Kron 27:33 En Achitofel was raadsheer van de koning; en HusaÔ, de Archiet, was de vriend van de koning.
1Kron 27:34 En na Achitofel was Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; en Joab was de legeroverste van de koning.

Hoofdstuk 28
1Kron 28:1 Toen vergaderde David te Jeruzalem alle oversten van Israel, de oversten van de stammen, en de oversten van de lichtingen, de koning dienend, en de oversten van duizend, en de oversten van honderd, en de oversten van alle have en vee van de koning en zijn zonen, met de kamerlingen, en de helden, ja, elke kloeke held.
1Kron 28:2 En de koning David stond op zijn voeten, en hij zei: Hoort mij, mijn broeders, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis der rust voor de ark van het verbond des HEEREN te bouwen, en voor de voetbank van de voeten van onze God, en ik had de bouw voorbereid,
1Kron 28:3 Maar God heeft tot mij gezegd: Gij zult Mijn Naam geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman, en gij hebt veel bloed vergoten.
1Kron 28:4 Nu heeft mij de HEERE, de God van Israel, verkoren uit het ganse huis van mijn vader, dat ik tot koning over Israel wezen zou in eeuwigheid; want Hij heeft Juda tot een voorganger verkoren, en het huis van mijn vader in het huis van Juda; en onder de zonen van mijn vader heeft Hij een welgevallen aan mij gehad, dat Hij mij tot koning maakte over gans Israel.
1Kron 28:5 En uit al mijn zonen -want de HEERE heeft mij vele zonen gegeven- zo heeft Hij mijn zoon Salomo verkoren, dat hij zitten zou op de stoel van het koninkrijk des HEEREN over Israel.
1Kron 28:6 En Hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon, en Ik zal hem tot een Vader zijn.
1Kron 28:7 En Ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid, indien hij sterk wezen zal, om Mijn geboden en Mijn rechten te doen, zoals aan deze dag.
1Kron 28:8 Nu dan, voor de ogen van het ganse Israel, de gemeente des HEEREN, en voor de oren van onze God, houdt en zoekt al de geboden van de HEERE, uw God; opdat gijlieden dit goede land erfelijk bezit, en uw kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven.
1Kron 28:9 En gij, mijn zoon Salomo, ken de God van uw vader, en dien Hem met een volkomen hart en met een gewillige ziel; want de HEERE doorzoekt alle harten, en Hij verstaat elk spinsel der gedachten; indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar indien gij Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten.
1Kron 28:10 Zie nu toe, want de HEERE heeft u verkoren, dat gij een huis tot heiligdom bouwt; wees sterk, en doe het.

1Kron 28:11 En David gaf zijn zoon Salomo een voorbeeld van het voorhuis, met zijn huizen, en zijn schatkamers, en zijn opperzalen, en zijn binnenkamers, en van het huis van het verzoendeksel;
1Kron 28:12 En een voorbeeld van alles, wat hem door de Geest was bekend geworden, namelijk van de voorhoven van het huis des HEEREN, en van alle kamers rondom; tot de schatten van het huis Gods, en tot de schatten van de heilige dingen;
1Kron 28:13 En van de afdelingen van de priesters en de Levieten, en van al het werk van de dienst van het huis des HEEREN, en van alle vaten van de dienst van het huis des HEEREN.
1Kron 28:14 Het goud gaf hij naar gewicht, tot alle vaten van elke dienst; ook zilver tot alle zilveren vaten bij gewicht, tot al de vaten van elke dienst;
1Kron 28:15 En het gewicht tot de gouden kandelaars, en hun gouden lampen, naar het gewicht van elke kandelaar en zijn lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht van een kandelaar en zijn lampen, naar de dienst van elke kandelaar.
1Kron 28:16 Ook gaf hij het goud naar gewicht tot de tafels der toerichting van de toonbroden, tot elke tafel, en het zilver tot de zilveren tafels;
1Kron 28:17 En louter goud tot de vleeshaken, en tot de sprengbekkens, en tot de schotels, en tot gouden bekers het gewicht tot elke beker, desgelijks tot zilveren bekers, tot elke beker het gewicht;
1Kron 28:18 En tot het reukaltaar gelouterd goud in gewicht; en goud tot het voorbeeld van de wagen, te weten van de cherubim, die de vleugels zouden uitbreiden, en de ark van het verbond des HEEREN overdekken.
1Kron 28:19 Dit alles zei David, geef ik u in geschrift zoals mij te verstaan is gegeven van de hand des HEEREN, te weten al de werken van dit voorbeeld.
1Kron 28:20 En David zei tot zijn zoon Salomo: Wees sterk, en heb goede moed, en doe het, vrees niet, en wees niet mismoedig; want de HEERE God, mijn God, zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, totdat gij al het werk tot de dienst van het huis des HEEREN zult volbracht hebben.
1Kron 28:21 En zie, daar zijn de afdelingen van de priesters en Levieten, tot alle dienst van het huis Gods; en bij u zijn tot alle werk vele gewilligen, met wijsheid tot alle dienst, ook de vorsten, en het ganse volk, geheel tot uw bevel.

Hoofdstuk 29
1Kron 29:1 Verder zei de koning David tot de hele gemeente: Salomo mijn zoon, die God alleen heeft verkoren, is nog jong en teder; dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God, de HEERE.
1Kron 29:2 Ik heb nu met al mijn kracht bereid tot het huis van mijn God, goud tot gouden, en zilver tot zilveren, en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren, en hout tot houten onderdelen; sardonixstenen en vervullende stenen, versierstenen en borduursel, en allerlei kostelijke stenen, en stenen van marmer in menigte.
1Kron 29:3 En daartoe, vanwege mijn gezindheid tot het huis van mijn God, geef ik in het bijzonder goud en zilver, dat ik heb, tot het huis van mijn God daarenboven, behalve al wat ik ten huize van het heiligdom bereid heb;
1Kron 29:4 Drie duizend talenten goud, van het goud van Ofir, en zeven duizend talenten gelouterd zilver, om de wanden van de huizen te overtrekken;
1Kron 29:5 Goud tot de gouden, en zilver tot de zilveren vaten, en tot alle werk, door de hand van de vakkundigen te maken. En wie is er gewillig, heden zijn hand de HEERE te vullen?
1Kron 29:6 Toen gaven vrijwillig de oversten der vaderen, en de oversten der stammen van Israel, en de oversten van duizend en van honderd, en de oversten over het werk van de koning;
1Kron 29:7 En zij gaven, tot de dienst van het huis Gods, vijfduizend talenten goud, en tienduizend dariks, en tienduizend talenten zilver, en achttienduizend talenten koper, en honderdduizend talenten ijzer.
1Kron 29:8 En zij die edelstenen hadden, gaven die in de schat van het huis des HEEREN, onder de hand van JehiŽl, de Gersoniet.
1Kron 29:9 En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven; want zij gaven met een volkomen hart de HEERE vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap.

1Kron 29:10 Daarom loofde David de HEERE voor de ogen van de hele gemeente; en David zei: Geloofd zijt Gij, HEERE, God van onze vader Israel, van eeuwigheid tot in eeuwigheid!
1Kron 29:11 Van U, o HEERE, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in de hemel en op aarde is, is van U: van U, o HEERE, is het Koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles.
1Kron 29:12 En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken.
1Kron 29:13 Nu dan, onze God, wij danken U, en loven de Naam van Uw heerlijkheid.
1Kron 29:14 Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben, om vrijwillig te geven zoals dit? Want het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand.
1Kron 29:15 Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting.
1Kron 29:16 HEERE, onze God, al deze menigte, die wij bereid hebben om U een huis te bouwen, voor de Naam van Uw heiligheid, dat is van Uw hand, en het is alles van U.
1Kron 29:17 En ik weet, mijn God, dat Gij het hart proeft, en dat Gij een welgevallen hebt aan oprechtheden. Ik heb in oprechtheid van mijn hart al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde gezien Uw volk, dat hier gevonden wordt, dat het zich jegens U vrijwillig gedragen heeft.
1Kron 29:18 O HEERE, Gij, God van onze vaderen, Abraham, Izak en Israel, bewaar dit in eeuwigheid in de gezindheid der gedachten van het hart van Uw volk, en richt hun hart tot U.
1Kron 29:19 En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart, om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw inzettingen; en om alles te doen, en om dit huis te bouwen, dat ik bereid heb.
1Kron 29:20 Daarna zei David tot de hele gemeente: Looft nu de HEERE, uw God! Toen loofde de hele gemeente de HEERE, de God van hun vaderen; en zij neigden het hoofd, en zij bogen zich neer voor de HEERE, en voor de koning.
1Kron 29:21 En zij offerden de HEERE slachtoffers; ook offerden zij de HEERE brandoffers, de morgen na die dag, duizend varren, duizend rammen, duizend lammeren, met hun drankoffers; en slachtoffers in menigte, voor heel Israel.
1Kron 29:22 En zij aten en dronken voor het aangezicht des HEEREN op die dag met grote vreugde; en zij maakten Salomo, de zoon van David, ten tweede male koning, en zij zalfden hem de HEERE tot een hoofd, en Zadok tot priester.

1Kron 29:23 Alzo zat Salomo op de troon des HEEREN, als koning in plaats van zijn vader David, en hij was voorspoedig; en heel Israel hoorde naar hem.
1Kron 29:24 En al de vorsten, en helden, ja, ook al de zonen van de koning David, onderwierpen zich aan de koning Salomo.
1Kron 29:25 En de HEERE maakte Salomo uitnemend groot voor de ogen van heel Israel; en Hij gaf aan hem een koninklijke majesteit, zodanige aan geen koning van Israel voor hem geweest is.
1Kron 29:26 Zo heeft dan David, de zoon van IsaÔ, geregeerd over heel Israel.
1Kron 29:27 De dagen nu, die hij geregeerd heeft over Israel, zijn veertig jaren; te Hebron regeerde hij zeven jaren, en te Jeruzalem regeerde hij er drie en dertig.
1Kron 29:28 En hij stierf in goede ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Salomo regeerde in zijn plaats.
1Kron 29:29 De geschiedenissen nu van de koning David, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Samuel, de ziener, en in de geschiedenissen van de profeet Nathan, en in de geschiedenissen van Gad, de ziener;
1Kron 29:30 Met heel zijn koninkrijk, en zijn macht, en de tijden, die over hem verstreken zijn, en over Israel, en over al de koninkrijken der landen.

Aantekeningen
15:20 op Alemoth: met hoge stemmen (?)