Hoofdstuk 1

2Kron 1:1 En Salomo, de zoon van David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want de HEERE, zijn God, was met hem, en maakte hem uitnemend groot.
2Kron 1:2 En Salomo sprak tot het ganse Israel, tot de oversten van duizend en van honderd, en tot de rechters, en tot alle oversten in heel Israel, de hoofden der vaderen;
2Kron 1:3 En zij gingen heen, Salomo en de hele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht des HEEREN, in de woestijn gemaakt had.
2Kron 1:4 -Maar de ark van God had David van Kirjath-jearim opgebracht, naar de plaats, die David voor haar bereid had; want hij had voor haar een tent te Jeruzalem gespannen.-
2Kron 1:5 Ook was het koperen altaar, dat BezaleŽl, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, aldaar voor de tabernakel des HEEREN; en Salomo nu en de gemeente bezochten het.
2Kron 1:6 En Salomo offerde daar, voor het aangezicht des HEEREN, op het koperen altaar, dat aan de tent der samenkomst was; en hij offerde daarop duizend brandoffers.
2Kron 1:7 In diezelfde nacht verscheen God aan Salomo; en Hij zei tot hem: Begeer, wat Ik u geven zal.
2Kron 1:8 En Salomo zei tot God: Gij hebt aan mijn vader David grote weldadigheid gedaan; en Gij hebt mij koning gemaakt in zijn plaats;
2Kron 1:9 Nu, HEERE God, laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David; want Gij hebt mij koning gemaakt over een volk, menigvuldig als het stof der aarde;
2Kron 1:10 Geef mij nu wijsheid en kennis, dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga; want wie zou dit Uw groot volk kunnen richten?
2Kron 1:11 Toen zei God tot Salomo: Daarom, dat dit in uw hart geweest is, en gij niet begeerd hebt rijkdom, goederen, noch eer, noch de ziel van uw haters, noch ook vele dagen begeerd hebt; maar wijsheid en kennis voor u begeerd hebt, opdat gij Mijn volk moogt richten, waarover Ik u koning gemaakt heb;
2Kron 1:12 De wijsheid, en de kennis is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, zoals geen van de koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u niet zullen hebben.

2Kron 1:13 Alzo kwam Salomo te Jeruzalem, van de hoogte, die te Gibeon is, van voor de tent der samenkomst; en hij regeerde over Israel.
2Kron 1:14 En Salomo vergaderde wagens en ruiters, zodat hij duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiters had; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem.
2Kron 1:15 En de koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn als stenen, en de ceders maakte hij te zijn als wilde vijgebomen, die in het laagland zijn, in menigte.
2Kron 1:16 En de paarden van Salomo kwamen uit Egypte en Tekoa; en aangaande het linnen garen, de kooplieden van de koning kochten het linnen garen voor de prijs.
2Kron 1:17 En zij brachten op, en voerden een wagen in van Egypte voor zeshonderd sikkels zilver, en een paard voor eenhonderd en vijftig; en alzo voerden zij die door hun hand uit, voor alle koningen der Hethieten, en voor de koningen van SyriŽ.

Hoofdstuk 2
2Kron 2:1 Salomo nu besloot voor de Naam des HEEREN een huis te bouwen, en een huis voor zijn koninkrijk.
2Kron 2:2 En Salomo telde zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend mannen, die houwen zouden in het gebergte; alsook drieduizend en zeshonderd opzieners over hen.
2Kron 2:3 En Salomo zond tot Huram, de koning van Tyrus, zeggende: Gelijk als gij aan mijn vader David gedaan hebt, en hebt hem ceders gezonden, om voor hem een huis te bouwen, om daarin te wonen, zo doe ook aan mij.
2Kron 2:4 Zie, ik zal een huis voor de Naam van de HEERE, mijn God, bouwen, om Hem te heiligen, om reukwerk van welriekende specerijen voor Zijn aangezicht te branden, en voor de toerichting van het gedurige brood, en voor de brandoffers des morgens en des avonds, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de gezette feestdagen van de HEERE, onze God; dat voor eeuwig is in Israel.
2Kron 2:5 En het huis, dat ik zal bouwen, zal groot zijn; want onze God is groter dan alle goden.
2Kron 2:6 Doch wie zou de kracht hebben, om voor Hem een huis te bouwen, omdat de hemelen, ja, de hemel der hemelen, Hem niet bevatten zouden? En wie ben ik, dat ik voor Hem een huis zou bouwen, anders dan om reukwerk voor Zijn aangezicht te branden?
2Kron 2:7 Zo zend mij nu een wijze man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveersels te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.
2Kron 2:8 Zend mij ook ceders, dennen, en algummimhout uit Libanon; want ik weet, dat uw knechten het hout van Libanon weten te kappen; en zie, mijn knechten zullen met uw knechten zijn.
2Kron 2:9 En dat om mij hout in menigte te bereiden; want het huis, dat ik zal bouwen, zal groot en prachtig zijn.
2Kron 2:10 En zie, ik zal uw knechten, de houthakkers, die het hout kappen, twintig duizend kor uitgeslagen tarwe, en twintig duizend kor gerst geven; daartoe twintig duizend bath wijn, en twintig duizend bath olie.

2Kron 2:11 Huram nu, de koning van Tyrus, antwoordde door schrift, en zond tot Salomo: Daarom dat de HEERE Zijn volk liefheeft, heeft Hij u over hen tot koning gesteld.
2Kron 2:12 Verder zei Huram: Geloofd zij de HEERE, de God van Israel, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij de koning David een wijze zoon, kloek in voorzichtigheid en verstand, gegeven heeft, die een huis voor de HEERE, en een huis voor zijn koninkrijk bouwt!
2Kron 2:13 Zo zend ik nu een wijze man, kloek van verstand, Huram Abi;
2Kron 2:14 De zoon van een vrouw uit de dochters van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud, en in zilver, in koper, in ijzer, in stenen, en in hout, in purper, in hemelsblauw, en in fijn linnen, en in karmozijn, en om alle graveersels te graveren, en om te bedenken alle ontwerpen, voor wat hem ook zal voorgesteld worden, met uw wijzen, en de wijzen van mijn heer, uw vader David.
2Kron 2:15 Zo zende nu mijn heer zijn knechten de tarwe en de gerst, de olie en de wijn, die hij gezegd heeft.
2Kron 2:16 En wij zullen hout kappen uit de Libanon, naar al uw behoefte, en zullen het tot u met vlotten, over de zee, naar Jafo brengen; en gij zult het laten ophalen naar Jeruzalem.
2Kron 2:17 En Salomo telde al de vreemdelingen, die in het land van Israel waren, volgens de telling, waarmee zijn vader David die geteld had; en er werden gevonden honderd drie en vijftig duizend en zeshonderd man.
2Kron 2:18 En hij deelde hen in in zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend houwers in het gebergte; alsook drie duizend en zeshonderd opzieners om het volk te doen arbeiden.

Hoofdstuk 3
2Kron 3:1 En Salomo begon het huis des HEEREN te bouwen te Jeruzalem, op de berg Moria, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op de dorsvloer van Oman, de Jebusiet.
2Kron 3:2 Hij begon nu te bouwen in de tweede maand, op de tweede dag, in het vierde jaar van zijn koninkrijk.
2Kron 3:3 En dit zijn de maten van het huis Gods naar welke Salomo moest bouwen: de lengte in el, naar de oude maat, was zestig el, en de breedte twintig el.
2Kron 3:4 En het voorhuis, dat vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig el, en de hoogte (honderd en) twintig; dat hij van binnen overtrok met louter goud.
2Kron 3:5 Het grote huis nu overdekte hij met dennenhout; daarna overtrok hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en ketenwerk.
2Kron 3:6 Hij overdekte ook het huis met kostelijke stenen tot versiering; het goud nu was goud van ParvaÔm.
2Kron 3:7 Daartoe overdekte hij aan het huis de balken, de posten en de wanden daarvan, en de deuren daarvan met goud; en hij graveerde cherubs aan de wanden.
2Kron 3:8 Verder maakte hij het huis van het heilige der heiligen, welks lengte, naar de breedte van het huis, was twintig el, en de breedte daarvan twintig el; en hij overtrok dat met goed goud, tot zeshonderd talenten.
2Kron 3:9 En het gewicht van de pinnen ter bevestiging was tot vijftig sikkels goud; en hij overtrok de opperzalen met goud.

2Kron 3:10 Ook maakte hij, in het huis van het heilige der heiligen, twee cherubim van samengesteld werk, en hij overtrok die met goud.
2Kron 3:11 Aangaande de vleugels van de cherubim, hun lengte was twintig el; de ene vleugel was van vijf el, rakende aan de wand van het huis, en de andere vleugel van vijf el, rakende aan de vleugel van de andere cherub.
2Kron 3:12 Insgelijks was de vleugel van de andere cherub van vijf el, rakend aan de wand van het huis; en de andere vleugel was van vijf el, klevend aan de vleugel van de andere cherub.
2Kron 3:13 De vleugels van deze cherubim spreidden zich twintig el uit; en zij stonden op hun voeten, en hun aangezichten waren gericht naar het huis.
2Kron 3:14 Hij maakte ook de voorhang van hemelsblauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop.
2Kron 3:15 Nog maakte hij voor het huis twee pilaren, van vijf en dertig el in lengte; en het kapiteel, dat op het hoofd daarvan was, was van vijf el.
2Kron 3:16 Ook maakte hij ketens, als in de aanspraakplaats, en hij zette ze op de hoofden van de pilaren; daartoe maakte hij honderd granaatappels, en plaatste ze tussen de ketens.
2Kron 3:17 En hij richtte de pilaren op voor aan de tempel, een ter rechterhand, en een ter linkerhand; en hij noemde de naam van de rechter Jachin, en de naam van de linker Boaz.

Hoofdstuk 4
2Kron 4:1 Hij maakte ook een koperen altaar, van twintig el in zijn lengte, en twintig el in zijn breedte, en tien el in zijn hoogte.
2Kron 4:2 Daartoe maakte hij de gegoten zee; van tien el was zij, van haar ene rand tot haar andere rand, rondom rond, en van vijf el in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig el omringde ze rondom.
2Kron 4:3 Daaronder nu was de gelijkenis van vruchten, rondom heen, die omringend, tien in een el, omringende de zee rondom; twee rijen van deze vruchten waren in haar gietsel gegoten.
2Kron 4:4 Zij stond op twaalf runderen, drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezen; en al hun achterdelen waren naar binnen gericht.
2Kron 4:5 Haar dikte nu was een handbreed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem, bevattende vele baths; zij hield een inhoud van drie duizend.
2Kron 4:6 En hij maakte tien wasvaten, en stelde vijf ter rechterhand en vijf ter linkerhand, om daarin te wassen; wat tot het brandoffer behoort, staken zij daarin; maar de zee was, opdat de priesters zich daarin zouden wassen.
2Kron 4:7 Hij maakte ook tien gouden kandelaren, naar het voorschrift, en hij stelde ze op in de tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand.
2Kron 4:8 Ook maakte hij tien tafels, en hij zette ze in de tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand; en hij maakte honderd gouden sprengbekkens.
2Kron 4:9 Verder maakte hij het voorhof van de priesters, en de grote voorhof, alsook de deuren van de voorhof, en overtrok hun deuren met koper.
2Kron 4:10 De zee nu zette hij aan de rechterzijde, naar het oosten, tegenover het zuiden.

2Kron 4:11 Daartoe maakte Huram de potten, en de scheppen, en de sprengbekkens; alzo voltooide Huram het werk te maken, dat hij voor de koning Salomo aan het huis Gods maakte.
2Kron 4:12 De twee pilaren, en de bollen, en de twee kapitelen, op het hoofd van de pilaren; en de twee netten, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die op het hoofd van de pilaren waren;
2Kron 4:13 En de vierhonderd granaatappels tot de twee netten: twee rijen van granaatappels tot elk net, om de twee bollen der kapitelen te bedekken, die boven op de pilaren waren.
2Kron 4:14 Hij maakte ook de stellingen; en wasvaten maakte hij op de stellingen;
2Kron 4:15 Een zee, en de twaalf runderen daaronder.
2Kron 4:16 Insgelijks de potten, en de scheppen, en de vleeshaken, en al hun vaten maakte Huram Abi voor de koning Salomo, voor het huis des HEEREN, van gepolijst koper.
2Kron 4:17 In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth en Zeredatha.
2Kron 4:18 En Salomo maakte al deze vaten, in grote menigte; want het gewicht van het koper werd niet vastgesteld.
2Kron 4:19 Ook maakte Salomo alle vaten, die voor het huis Gods waren, en het gouden altaar, en de tafels, waarop de toonbroden zijn;
2Kron 4:20 En de kandelaren met hun lampen, van zuiver goud, om die naar het voorschrift aan te steken, voor de aanspraakplaats;
2Kron 4:21 En de bloemen, en de lampen, en de snuiters, van goud; volmaakt goud;
2Kron 4:22 Mitsgaders de vorken, en de sprengbekkens, en de wierookschalen, en de wierookvaten, van zuiver goud; aangaande de ingang van het huis: zijn binnenste deuren, van het heilige der heiligen, en de deuren van het huis van de tempel waren van goud.

Hoofdstuk 5
2Kron 5:1 Alzo werd al het werk voltooid, dat Salomo aan het huis des HEEREN maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen van zijn vader David; en het zilver, en het goud, en al de vaten legde hij bij de schatten van het huis Gods.
2Kron 5:2 Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israel, en al de hoofden der stammen, de oversten der vaderen onder de kinderen Israels, te Jeruzalem, om de ark van het verbond des HEEREN op te brengen uit de stad Davids, dat is Sion.
2Kron 5:3 En alle mannen van Israel verzamelden zich tot de koning op het feest, dat was in de zevende maand.
2Kron 5:4 En al de oudsten van Israel kwamen, en de Levieten namen de ark op.
2Kron 5:5 En zij brachten de ark, en de tent der samenkomst opwaarts, met al de heilige vaten, die in de tent waren; deze brachten de priesters en Levieten opwaarts.
2Kron 5:6 De koning Salomo nu, en de ganse vergadering van Israel, die bij hem vergaderd waren voor de ark, offerden schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden.
2Kron 5:7 Alzo brachten de priesters de ark van het verbond des HEEREN aan haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder de vleugels van de cherubim.
2Kron 5:8 Want de cherubim spreidden de beide vleugels over de plaats van de ark; en de cherubim overdekten de ark en haar handbomen van boven.
2Kron 5:9 Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden van de handbomen gezien werden uit de ark, voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij was daar tot op deze dag.
2Kron 5:10 Er was niets in de ark, dan alleen de twee tafels, die Mozes bij Horeb daarin gedaan had toen de HEERE een verbond maakte met de kinderen Israels, toen zij uit Egypte uitgetrokken waren.

2Kron 5:11 En het geschiedde, toen de priesters uit het heilige uitgingen; -want al de priesters, die gevonden werden, hadden zich geheiligd, zonder de indelingen in acht te nemen;
2Kron 5:12 En de Levieten, die zangers waren van hen allen, van Asaf, van Heman, van Jeduthun, en van hun zonen, en van hun broeders, in fijn linnen gekleed, met cimbalen, en met luiten, en harpen, stonden tegen het oosten van het altaar, en met hen tot honderd en twintig priesters toe, trompettend met trompetten.-
2Kron 5:13 Het geschiedde dan, als zij eenparig trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende de HEERE; en toen zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en toen zij de HEERE prezen, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis des HEEREN.
2Kron 5:14 En de priesters konden, vanwege die wolk, niet staan, om te dienen; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis Gods vervuld.

Hoofdstuk 6
2Kron 6:1 Toen zei Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen.
2Kron 6:2 En ik heb U een huis tot woonplaats gebouwd, en een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.
2Kron 6:3 Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de hele gemeente van Israel; en de hele gemeente van Israel stond.
2Kron 6:4 En hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van Israel, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn handen vervuld, zeggende:
2Kron 6:5 Van die dag af, dat Ik Mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad verkoren uit alle stammen van Israel, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou zijn; en geen man verkoren om een voorganger te zijn over Mijn volk Israel.
2Kron 6:6 Maar Ik heb Jeruzalem verkoren, dat Mijn Naam daar zou zijn; en Ik heb David verkoren, dat hij over Mijn volk Israel zijn zou.
2Kron 6:7 Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis te bouwen voor de Naam des HEEREN, de God van Israel.
2Kron 6:8 Maar de HEERE zei tot mijn vader David: Daar dat in uw hart geweest is, Mijn Naam een huis te bouwen, gij hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is.
2Kron 6:9 Evenwel, gij zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw lenden voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
2Kron 6:10 Zo heeft de HEERE Zijn woord bevestigd, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op de troon van Israel, gelijk als de HEERE gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd voor de Naam des HEEREN, de God van Israel.
2Kron 6:11 En ik heb daar de ark gesteld, waarin het verbond des HEEREN is, dat Hij maakte met de kinderen Israels.

2Kron 6:12 En hij stond voor het altaar des HEEREN, tegenover de hele gemeente van Israel; en hij breidde zijn handen uit;
2Kron 6:13 -Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden van de voorhof; van vijf el in zijn lengte en vijf el in zijn breedte, en drie el in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieŽn voor de hele gemeente van Israel, en breidde zijn handen uit naar de hemel-.
2Kron 6:14 En hij zei: HEERE, God van Israel, er is geen God gelijk Gij, in de hemel noch op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun gehele hart wandelen;
2Kron 6:15 Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat Gij tot hem gesproken had; want met Uw mond hebt Gij gesproken, en met Uw hand vervuld, gelijk het te dezen dage is.
2Kron 6:16 En nu, HEERE, God van Israel, houd Uw knecht, mijn vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zal zitten op de troon van Israel; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen in Mijn wet, gelijk als gij gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.
2Kron 6:17 Nu dan, o HEERE, God van Israel! Laat Uw woord waar worden, dat Gij gesproken hebt tot Uw knecht, tot David.
2Kron 6:18 Maar waarlijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Ziet de hemelen, ja, de hemel der hemelen, kunnen U niet bevatten, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb?
2Kron 6:19 Wend U niettemin tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o HEERE, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht voor Uw aangezicht bidt.
2Kron 6:20 Dat Uw ogen open zijn, dag en nacht, over dit huis, over de plaats, waarvan Gij gezegd hebt, Uw Naam daar te zullen zetten; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
2Kron 6:21 Hoor dan naar de smekingen van Uw knecht, en van Uw volk Israel, die in deze plaats zullen bidden; en hoor Gij uit de plaats van Uw woning, uit de hemel, ja, hoor, en vergeef.
2Kron 6:22 Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en die van hem een eed zal geëist hebben, om hem te doen zweren, en hij voor Uw altaar in dit huis zal zweren;
2Kron 6:23 Hoor Gij dan uit de hemel, en doe, en richt Uw knechten, vergeldend de goddeloze, zijn weg op zijn hoofd gevend, en de rechtvaardige rechtvaardigend, hem gevend naar zijn gerechtigheid.
2Kron 6:24 Wanneer ook Uw volk Israel voor het aangezicht van de vijand zal verslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich bekeren, en Uw Naam belijden, en voor Uw aangezicht in dit huis bidden en smeken zullen,
2Kron 6:25 Hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef de zonden van Uw volk Israel, en breng hen terug in het land, dat Gij hun en hun vaderen gegeven hebt.
2Kron 6:26 Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als Gij hen bezocht zult hebben;
2Kron 6:27 Hoor Gij dan in de hemel, en vergeef de zonden van Uw knechten en van Uw volk Israel, als Gij hun zult geleerd hebben de goede weg, waarin zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.
2Kron 6:28 Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren of honingdauw, sprinkhanen en kevers wezen zullen, als iemand van zijn vijanden hem belegeren zal in het land van zijn poorten, of enige plaag, of enige ziekte wezen zal;
2Kron 6:29 Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, of van al Uw volk Israel geschieden zal, als zij erkennen, een ieder zijn plaag en zijn smart, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal;
2Kron 6:30 Hoor Gij dan uit de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en geef een ieder naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen.
2Kron 6:31 Opdat zij U vrezen, om te wandelen in Uw wegen, al de dagen, die zij leven zullen op het land, dat Gij onze vaderen gegeven hebt.
2Kron 6:32 Zelfs ook aangaande de vreemde, die van Uw volk Israel niet zijn zal, maar uit een ver land komen zal, omwille van Uw grote Naam, en Uw sterke hand, en Uw uitgestrekte arm; als zij komen, en bidden zullen in dit huis;
2Kron 6:33 Hoor Gij dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, zowel om U te vrezen, gelijk Uw volk Israel, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, dat ik gebouwd heb.
2Kron 6:34 Wanneer Uw volk in de oorlog tegen zijn vijanden uittrekken zal door de weg, die Gij hen heenzenden zult, en zullen tot U bidden in de richting van deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
2Kron 6:35 Hoor dan uit de hemel hun gebed en hun smeking, en doe hen recht.
2Kron 6:36 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U -want er is geen mens, die niet zondigt-, en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen overleveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevangen wegvoeren in een land, dat ver of nabij is;
2Kron 6:37 En zij in het land, waar zij gevangen weggevoerd zijn, weer ter harte zullen nemen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land van hun gevangenis, zeggende: Wij hebben gezondigd, verkeerd gedaan, en goddeloos gehandeld;
2Kron 6:38 En zij zich tot U bekeren, met hun hele hart en met hun hele ziel, in het land van hun gevangenis, waarheen zij hen gevangen weggevoerd hebben, en bidden zullen in de richting van hun land, dat Gij hun vaderen gegeven hebt, en van deze stad, die Gij verkoren hebt, en van dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
2Kron 6:39 Hoor dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, hun gebed en hun smekingen, en doe hen recht, en vergeef Uw volk, wat zij tegen U gezondigd zullen hebben.
2Kron 6:40 Nu, mijn God, laat toch Uw ogen open en Uw oren opmerkend zijn tot het gebed van deze plaats.
2Kron 6:41 En nu, HEERE God, maak U op tot Uw rust, Gij en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, HEERE God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten blij zijn over het goede.
2Kron 6:42 O HEERE God! wend het aangezicht van Uw gezalfde niet af; gedenk de weldadigheden van David, Uw knecht.

Hoofdstuk 7
2Kron 7:1 Toen nu Salomo het gebed geŽindigd had, zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtoffers; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde het huis.
2Kron 7:2 En de priesters konden niet ingaan in het huis des HEEREN; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld.
2Kron 7:3 En toen al de kinderen Israels dat vuur zagen afdalen, en de heerlijkheid des HEEREN over het huis, zo bogen zij met hun aangezichten ter aarde op de grond, en aanbaden en loofden de HEERE, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid.
2Kron 7:4 De koning nu en al het volk offerden slachtoffers voor het aangezicht des HEEREN.
2Kron 7:5 En de koning Salomo offerde slachtoffers van runderen, twee en twintig duizend, en van schapen, honderd en twintig duizend. Alzo hebben de koning en het ganse volk het huis Gods ingewijd.
2Kron 7:6 Ook stonden de priesters naar hun afdelingen, en de Levieten met de muzikale instrumenten des HEEREN, die de koning David gemaakt had, -om de HEERE te loven, dat Zijn weldadigheid is in eeuwigheid-, toen David door hun dienst Hem prees; en de priesters trompetten tegenover hen en gans Israel stond.
2Kron 7:7 En Salomo heiligde het midden van de voorhof, dat voor het huis des HEEREN was, omdat hij daar de brandoffers en het vette van de dankoffers bereid had; want het koperen altaar, dat Salomo gemaakt had, kon het brandoffer, en het spijsoffer, en het vette niet bevatten.
2Kron 7:8 Salomo hield ook in diezelfde tijd het feest zeven dagen, en heel Israel met hem, een zeer grote gemeente, van de ingang af van Hamath, tot de rivier van Egypte.
2Kron 7:9 En op de achtste dag hielden zij een plechtig feestelijke vergadering; want zij hielden de inwijding van het altaar zeven dagen, en het feest zeven dagen.
2Kron 7:10 En op de drie en twintigste dag van de zevende maand liet hij het volk gaan tot hun hutten, verblijd en goedsmoeds over het goede, dat de HEERE aan David en Salomo, en Zijn volk Israel gedaan had.
2Kron 7:11 Alzo volbracht Salomo het huis des HEEREN, en het huis van de koning; en al wat in Salomo's hart gekomen was, om in het huis des HEEREN en in zijn huis te maken, volbracht hij voorspoedig.

2Kron 7:12 En de HEERE verscheen Salomo des nachts, en Hij zei tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en heb Mij deze plaats verkoren tot een offerhuis.
2Kron 7:13 Zo Ik de hemel toesluit, dat er geen regen zij, of zo Ik de sprinkhaan gebied, het land te verteren, of zo Ik pest onder Mijn volk zend;
2Kron 7:14 En Mijn volk, waarover Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit de hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen.
2Kron 7:15 Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkend op het gebed van deze plaats.
2Kron 7:16 Want Ik heb nu dit huis verkoren en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te allen dage zijn.
2Kron 7:17 En u aangaande, zo gij voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, en doen naar alles, wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult;
2Kron 7:18 Zo zal Ik de troon van uw koninkrijk bevestigen, gelijk als Ik een verbond met uw vader David gemaakt heb, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden, die in Israel regeert.
2Kron 7:19 Maar zo gijlieden u afkeren zult, en Mijn inzettingen en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en heengaan, en andere goden dienen, en u voor die zult neerbuigen;
2Kron 7:20 Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken.
2Kron 7:21 En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft de HEERE aan dit land en aan dit huis alzo gedaan?
2Kron 7:22 En men zal zeggen: Omdat zij de HEERE, de God van hun vaderen verlaten hebben, Die hen uit Egypteland uitgeleid had, en hebben zich bij andere goden gehouden, en zich voor die neergebogen, en hen gediend; daarom heeft Hij al dat kwaad over hen gebracht.

Hoofdstuk 8
2Kron 8:1 Het geschiedde nu ten einde van twintig jaren, waarin Salomo het huis des HEEREN en zijn huis gebouwd had,
2Kron 8:2 Dat Salomo de steden, die Huram hem gegeven had, bouwde, en de kinderen Israels aldaar deed wonen.
2Kron 8:3 Daarna trok Salomo naar Hamath-zoba, en hij overmeesterde het.
2Kron 8:4 Hij bouwde ook Thadmor in de woestijn, en al de schatsteden, die hij bouwde in Hamath.
2Kron 8:5 Ook bouwde hij het hoge Beth-horon en het lage Beth-horon, vaste steden met muren, deuren en grendels;
2Kron 8:6 Alsook Bašlath, en al de schatsteden, die Salomo had, en alle wagensteden, en de steden der ruiters, en wat ook de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem, en in de Libanon, en in het ganse land van zijn heerschappij.
2Kron 8:7 Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Hethieten, en de Amorieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, die niet uit Israel waren;
2Kron 8:8 Uit hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen Israels niet verteerd hadden, die bracht Salomo als arbeidslichting op tot op deze dag.
2Kron 8:9 Doch uit de kinderen Israels, die Salomo niet maakte tot knechten in zijn werk; -want zij waren krijgslieden, en oversten van zijn hoofdmannen, en oversten van zijn wagens en zijn ruiters;-
2Kron 8:10 Uit hen waren oversten, die de koning Salomo had, tweehonderd en vijftig, die over het volk zeggenschap hadden.
2Kron 8:11 Salomo nu deed de dochter van Farao opkomen uit de stad Davids, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zei: Mijn vrouw zal in het huis van David, de koning van Israel, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn, tot waar de ark des HEEREN gekomen is.

2Kron 8:12 Toen offerde Salomo de HEERE brandoffers op het altaar des HEEREN, dat hij voor het voorhuis gebouwd had;
2Kron 8:13 Voor elke dag offerend, naar het gebod van Mozes, op de sabbatten, en met de nieuwe maan, en op de gezette feestdagen, driemaal in het jaar; op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten.
2Kron 8:14 Hij stelde ook, zoals zijn vader David, de afdelingen van de priesters over hun dienst, en van de Levieten over hun taken om God te prijzen, en voor de priesters te dienen, naar het dagelijks voorschrift; en de poortwachters in hun afdelingen, aan elke poort; want alzo was het gebod van David, de man Gods.
2Kron 8:15 En men week niet af van het gebod van de koning aan de priesters en de Levieten, aangaande alle zaken, en aangaande de schatten.
2Kron 8:16 Alzo werd al het werk van Salomo bereid vanaf de dag der grondlegging van het huis des HEEREN, totdat het huis des HEEREN voltooid werd.
2Kron 8:17 Toen trok Salomo naar Ezeon-geber, en naar Eloth, aan de oever van de zee, in het land Edom.
2Kron 8:18 En Huram zond hem, door de hand van zijn knechten, schepen, alsook knechten, kenners van de zee; en zij gingen met Salomo's knechten naar Ofir, en zij haalden van daar vierhonderd en vijftig talenten goud, die zij brachten tot de koning Salomo.

Hoofdstuk 9
2Kron 9:1 En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadsels te beproeven, te Jeruzalem, met een heel groot gevolg, en kamelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem over al wat in haar hart was.
2Kron 9:2 En Salomo verklaarde haar al haar woorden; en geen ding was er verborgen voor Salomo, dat hij haar niet verklaarde.
2Kron 9:3 Als nu de koningin van Scheba zag de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had,
2Kron 9:4 En de spijze van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kleding, en zijn schenkers, en hun kleding, en het trapportaal, waardoor hij opging in het huis des HEEREN, zo was zij verbijsterd
2Kron 9:5 En zij zei tot de koning: Het is een waarachtig woord geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.
2Kron 9:6 En ik heb hun woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft van de grootheid van uw wijsheid is mij niet aangezegd; gij hebt overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.
2Kron 9:7 Welgelukzalig zijn uw mannen, en welgelukzalig deze uw knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, en uw wijsheid horen.
2Kron 9:8 Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op Zijn troon, de HEERE, uw God, tot een koning te zetten; omdat uw God Israel bemint, om dat tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
2Kron 9:9 En zij gaf de koning honderd en twintig talenten goud, en specerijen in grote menigte, en kostelijk gesteente; en er was zoals deze specerij, die de koningin van Scheba de koning Salomo gaf, geen geweest.
2Kron 9:10 Verder ook Hurams knechten, en Salomo's knechten, die goud brachten uit Ofir, brachten algummimhout en edelgesteente.
2Kron 9:11 En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis des HEEREN en tot het huis van de koning, alsook harpen en luiten voor de zangers; desgelijks ook was tevoren in het land van Juda niet geweest.
2Kron 9:12 En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba naar haar behagen, al wat zij begeerde, behalve hetgeen zij tot de koning gebracht had; zo keerde zij terug en trok naar haar land, zij en haar knechten.

2Kron 9:13 Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op ťťn jaar inkwam, was zeshonderd zes en zestig talenten goud;
2Kron 9:14 Behalve hetgeen dat de handelaren en de kooplieden inbrachten; ook brachten alle koningen van ArabiŽ, en de vorsten van dat land, goud en zilver aan Salomo.
2Kron 9:15 Daartoe maakte de koning Salomo tweehonderd grote schilden van geslagen goud; zeshonderd sikkels van geslagen goud liet hij opwegen voor elk groot schild.
2Kron 9:16 Insgelijks driehonderd kleine schilden van geslagen goud; driehonderd sikkels goud liet hij opwegen voor elk schild; en de koning plaatste ze in het huis van het woud van de Libanon.
2Kron 9:17 Nog maakte de koning een grote ivoren troon, en hij overtrok die met louter goud.
2Kron 9:18 En de troon had zes trappen en een voetbank van goud, aan de troon vast verbonden, en leuningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen.
2Kron 9:19 En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest.
2Kron 9:20 Ook waren alle drinkbekers van de koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis van het woud van de Libanon waren van zuiver goud; het zilver was in de dagen van Salomo als niets geacht.
2Kron 9:21 Want de schepen van de koning voeren naar Tharsis, met de knechten van Huram; eens in drie jaren kwamen de schepen van Tharsis in, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
2Kron 9:22 Alzo werd de koning Salomo groter dan alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid.
2Kron 9:23 En alle koningen der aarde zochten Salomo's aangezicht, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.
2Kron 9:24 En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen, pantser, en specerijen, paarden, en muilezels, van elk van jaar tot jaar.
2Kron 9:25 Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagens, en twaalf duizend ruiters; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem.
2Kron 9:26 En hij heerste over alle koningen, van de rivier tot aan het land van de Filistijnen, en tot aan de grens van Egypte.
2Kron 9:27 Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de ceders maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in het laagland zijn, in menigte.
2Kron 9:28 En zij brachten voor Salomo paarden uit Egypte, en uit alle landen.
2Kron 9:29 Het overige nu der geschiedenissen van Salomo, van de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Iddo, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?
2Kron 9:30 En Salomo regeerde te Jeruzalem over heel Israel, veertig jaren.
2Kron 9:31 En Salomo ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats.

Hoofdstuk 10
2Kron 10:1 En Rehabeam trok naar Sichem; want heel Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.
2Kron 10:2 Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dat hoorde -deze nu was in Egypte, alwaar hij van het aangezicht van de koning Salomo gevlucht was-, dat Jerobeam uit Egypte terugkeerde;
2Kron 10:3 Want zij zonden heen, en lieten hem roepen; zo kwam Jerobeam met heel Israel, en zij spraken tot Rehabeam, zeggende:
2Kron 10:4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt, nu dan, maak gij de harde dienst van uw vader, en zijn zware juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.
2Kron 10:5 En hij zei tot hen: Komt over drie dagen weer tot mij. En het volk ging heen.
2Kron 10:6 En de koning Rehabeam hield raad met de ouden, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, toen hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?
2Kron 10:7 En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij dit volk goedertieren en jegens hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken, zo zullen zij voor altijd uw knechten zijn.
2Kron 10:8 Maar hij verliet de raad der ouden, die zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongemannen, die met hem opgegroeid waren, die voor zijn aangezicht stonden.
2Kron 10:9 En hij zei tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?
2Kron 10:10 En de jongemannen die met hem opgegroeid waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, dat tot u gesproken heeft, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan de lenden van mijn vader.
2Kron 10:11 Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen leggen, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met gesels gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.

2Kron 10:12 Zo kwam Jerobeam en al het volk tot Rehabeam, op de derde dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weer tot mij op de derde dag.
2Kron 10:13 En de koning antwoordde hun hard; want de koning Rehabeam verliet de raad der ouden.
2Kron 10:14 En hij sprak tot hen naar de raad der jongemannen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal nog daarboven toedoen; mijn vader heeft u met gesels gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
2Kron 10:15 Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omkeer was van God, opdat de HEERE Zijn woord bevestigde, dat Hij door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
2Kron 10:16 Toen het ganse volk Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo antwoordde het volk de koning, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erfenis hebben wij met de zoon van IsaÔ; een ieder naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging het ganse Israel naar zijn tenten.
2Kron 10:17 Maar Rehabeam regeerde over de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden.
2Kron 10:18 Toen zond de koning Rehabeam Hadoram, die over de belastingen was; en de kinderen Israels stenigden hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam haastte zich, om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.
2Kron 10:19 Zo vielen de Israelieten van het huis van David af, tot op deze dag.

Hoofdstuk 11
2Kron 11:1 Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis van Juda en Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen Israel te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam bracht.
2Kron 11:2 Doch het woord des HEEREN geschiedde tot Semaja, de man Gods, zeggende:
2Kron 11:3 Zeg tot Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tot het ganse Israel in Juda en Benjamin, zeggende:
2Kron 11:4 Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broeders; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden des HEEREN, en zij keerden weer van tegen Jerobeam te trekken.
2Kron 11:5 Rehabeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot versterkingen in Juda.
2Kron 11:6 Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekoa,
2Kron 11:7 En Beth-zur, en Socho, en Adullam,
2Kron 11:8 En Gath, en Maresa, en Zif,
2Kron 11:9 En AdoraÔm, en Lachis, en Azeka,
2Kron 11:10 En Zora, en Ajalon, en Hebron; die in Juda en in Benjamin de versterkte steden waren.
2Kron 11:11 En hij versterkte deze plaatsen, en plaatste daar oversten, en voorraden van spijs, en olie, en wijn;
2Kron 11:12 En in elke stad grote schilden en spiesen, en versterkte die uitermate; zo behoorden Juda en Benjamin hem.

2Kron 11:13 Daartoe de priesters en de Levieten, die in het ganse Israel waren, voegden zich bij hem uit al hun gebieden.
2Kron 11:14 Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, om het priesterschap des HEEREN te mogen bedienen.
2Kron 11:15 En hij had zich priesters gesteld voor de hoogten, en voor de demonen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had.
2Kron 11:16 Na die kwamen ook uit alle stammen van Israel te Jeruzalem, die hun hart ertoe hadden gezet, om de HEERE, de God van Israel, te zoeken, dat zij de HEERE, de God van hun vaderen, offerande deden.
2Kron 11:17 Alzo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, de zoon van Salomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in de weg van David, en Salomo.
2Kron 11:18 En Rehabeam nam zich, benevens Mahalath, de dochter van Jerimoth, de zoon van David, tot vrouw AbihaÔl, de dochter van Eliab, de zoon van IsaÔ,
2Kron 11:19 Die hem zonen baarde, JeŁs, en Semaria, en Zaham.
2Kron 11:20 En na haar nam hij Mašcha, de dochter van Absalom; deze baarde hem Abia, en Attai, en Ziza, en Selomith.
2Kron 11:21 En Rehabeam had Mašcha, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijvrouwen; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijvrouwen; en hij gewon acht en twintig zonen en zestig dochters.
2Kron 11:22 En Rehabeam stelde Abia, de zoon van Mašcha, tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijn broers; met het doel om hem koning te maken.
2Kron 11:23 En hij handelde verstandig, dat hij (van al) zijn zonen, door alle landen van Juda en Benjamin, in alle vaste steden verspreidde, die hij spijze gaf in overvloed; en hij begeerde vele vrouwen.

Hoofdstuk 12
2Kron 12:1 Het geschiedde nu, toen Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en heel Israel met hem.
2Kron 12:2 Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optrok want zij hadden overtreden tegen de HEERE,
2Kron 12:3 Met duizend en tweehonderd wagens, en met zestig duizend ruiters; en het volk, dat met hem kwam uit Egypte, Libyers, Suchieten en Moren, was ontelbaar;
2Kron 12:4 En hij nam de versterkte steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe.
2Kron 12:5 Toen kwam Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, vanwege Sisak, en hij zei tot hen: Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak.
2Kron 12:6 Toen verootmoedigden zich de oversten van Israel en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig.
2Kron 12:7 Als nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun ternauwernood ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden.
2Kron 12:8 Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en de dienst van de koninkrijken der landen.
2Kron 12:9 Zo trok Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis des HEEREN en de schatten van het huis des konings weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had.
2Kron 12:10 En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten van de lijfwacht, die de deur van het huis des konings bewaakten.
2Kron 12:11 En het geschiedde, zo wanneer de koning in het huis des HEEREN ging, dat de lijfwacht kwam, en die droegen, en die terug brachten in de wachtkamer van de lijfwacht.
2Kron 12:12 En toen hij zich verootmoedigde, keerde de toorn des HEEREN van hem af, zodat Hij hem niet ten uiterste toe verdierf; ook waren in Juda nog goede dingen.

2Kron 12:13 Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was een en veertig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die de HEERE uit alle stammen van Israel verkoren had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Našma, een Ammonietische.
2Kron 12:14 En hij deed dat kwaad was, omdat hij zijn hart niet richtte, om de HEERE te zoeken.
2Kron 12:15 De geschiedenissen nu van Rehabeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semaja, de profeet, en Iddo, de ziener, verhalende de geslachtsregisters; daartoe de oorlogen van Rehabeam en Jerobeam in al hun dagen?
2Kron 12:16 En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids; en zijn zoon Abia werd koning in zijn plaats.

Hoofdstuk 13
2Kron 13:1 In het achttiende jaar van de koning Jerobeam, werd Abia koning over Juda.
2Kron 13:2 Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van UriŽl, van Gibea; en er was oorlog tussen Abia en Jerobeam.
2Kron 13:3 En Abia bond de strijd aan met een leger van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jerobeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, kloeke helden.
2Kron 13:4 En Abia maakte zich op van boven de berg ZemaraÔm, dat is in het gebergte van EfraÔm; en hij zei: Hoort mij toe, Jerobeam, en gans Israel!
2Kron 13:5 Is het u niet gegeven te weten, dat de HEERE, de God van Israel, het koninkrijk over Israel aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond?
2Kron 13:6 Evenwel is Jerobeam, de zoon van Nebat, de knecht van Salomo, de zoon van David, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijn heer.
2Kron 13:7 Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, toen Rehabeam jong was en teder van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken.
2Kron 13:8 En nu, gij denkt u te versterken tegen het koninkrijk des HEEREN, dat in de hand is van de zonen van David; gij zijt wel een grote menigte, maar gij hebt gouden kalveren bij u, die u Jerobeam tot goden gemaakt heeft.
2Kron 13:9 Hebt gij niet de priesters des HEEREN, de zonen van Ašron, en de Levieten uitgedreven, en hebt u priesters gemaakt, zoals de volken der landen? Een ieder, die komt met een jong rund en zeven rammen om zich te wijden, die wordt priester van hen, die geen goden zijn.
2Kron 13:10 Maar ons aangaande, de HEERE is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten; en de priesters, die de HEERE dienen, zijn de zonen van Ašron, en de Levieten in het werk.
2Kron 13:11 En zij steken voor de HEERE brandoffers aan, elke morgen en elke avond, ook reukwerk van welriekende specerijen, benevens het schikken van het brood op de reine tafel, en de gouden kandelaar en zijn lampen, om die elke avond te doen branden; want wij nemen de wacht waar van de HEERE, onze God; maar gij hebt Hem verlaten.
2Kron 13:12 Daarom ziet, God is met ons aan de spits, en Zijn priesters met de alarmtrompetten, om tegen u alarm te blazen; o kinderen Israels, strijdt niet tegen de HEERE, de God van uw vaderen, want gij zult geen voorspoed hebben.
2Kron 13:13 Maar Jerobeam liet een hinderlaag opstellen, om achter hen te komen; zo waren zij voor het aangezicht van Juda, en de hinderlaag achter hen.

2Kron 13:14 Toen nu Juda omzag, ziet, zo hadden zij de strijd voor en achter; en zij riepen tot de HEERE, en de priesters trompetten met de trompetten.
2Kron 13:15 En de mannen van Juda hieven een alarmschreeuw aan; en het geschiedde, als de mannen van Juda een alarmschreeuw aanhieven, dat God Jerobeam en het hele Israel sloeg voor Abia en Juda.
2Kron 13:16 En de kinderen Israels vluchtten voor het aangezicht van Juda; en God gaf hen in hun hand.
2Kron 13:17 Abia dan, en zijn volk, sloeg hen met een grote slag; want uit Israel vielen verslagen vijfhonderd duizend uitgelezen mannen.
2Kron 13:18 Alzo werden de kinderen Israels vernederd in die tijd; maar de kinderen van Juda werden machtig, omdat zij op de HEERE, de God van hun vaderen, gesteund hadden.
2Kron 13:19 En Abia joeg Jerobeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-el met zijn bijbehorende plaatsen, en Jesana met zijn bijbehorende plaatsen, en Efron met zijn bijbehorende plaatsen.
2Kron 13:20 En Jerobeam behield geen kracht meer in de dagen van Abia; maar de HEERE sloeg hem, dat hij stierf.
2Kron 13:21 Zo versterkte zich Abia; en hij nam zich veertien vrouwen, en gewon twee en twintig zonen en zestien dochters.
2Kron 13:22 Het overige nu der geschiedenissen van Abia, zo zijn wegen als zijn woorden, zijn beschreven in de kroniek van de profeet Iddo.

Hoofdstuk 14
2Kron 14:1 Zo ontsliep Abia met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil.
2Kron 14:2 En Asa deed dat goed en dat recht was in de ogen van de HEERE, zijn God.
2Kron 14:3 Want hij nam de altaren der vreemde goden, en de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden af, en hakte de bossen om.
2Kron 14:4 En hij zei tot Juda, dat zij de HEERE, de God van hun vaderen, zoeken, en dat zij de wet en het gebod doen zouden.
2Kron 14:5 Hij nam ook uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden weg; en het koninkrijk was stil voor hem.
2Kron 14:6 Daartoe bouwde hij versterkte steden in Juda; want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, omdat de HEERE hem rust gaf.
2Kron 14:7 Want hij zei tot Juda: Laat ons deze steden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendels, terwijl het land nog voor ons aangezicht is; want wij hebben de HEERE, onze God, gezocht, wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom heen rust gegeven. Zo bouwden zij en hadden voorspoed.
2Kron 14:8 Asa nu had een leger van driehonderd duizend man uit Juda, groot schild en spies dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en de boog spannend; al dezen waren kloeke helden.

2Kron 14:9 En Zerah, de Cushiet, kwam tegen hen uit, met een leger van duizend maal duizend, en driehonderd wagens; en hij kwam tot Maresa toe.
2Kron 14:10 Toen trok Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefatha bij Maresa.
2Kron 14:11 En Asa riep tot de HEERE, zijn God, en zei: HEERE, niemand dan U kunt de krachteloze helpen tegen de machtige; help ons, o HEERE, onze God! Want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o HEERE! Gij zijt onze God; laat de sterfelijke mens tegen U niets vermogen.
2Kron 14:12 En de HEERE sloeg de Cushieten voor Asa en voor Juda; en de Cushieten vluchtten.
2Kron 14:13 Asa nu en het volk, dat met hem was, joegen hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Cushieten, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor de HEERE en voor Zijn leger; en die droegen zeer veel buit weg.
2Kron 14:14 En zij versloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking des HEEREN was over hen; en zij namen een grote buit mee uit deze steden.
2Kron 14:15 En zij sloegen ook de onderkomens van het vee, en voerden schapen in menigte weg, en kamelen; en kwamen terug te Jeruzalem.

Hoofdstuk 15
2Kron 15:1 Toen kwam de Geest Gods op Azaria, de zoon van Oded.
2Kron 15:2 En hij ging uit, Asa tegemoet, en hij zei tot hem: Hoort mij, Asa, en gans Juda, en Benjamin! De HEERE is met u, terwijl gij met Hem zijt; en zo gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo gij Hem verlaat, Hij zal u verlaten.
2Kron 15:3 Israel nu is vele dagen geweest zonder de ware God, en zonder een lerende priester, en zonder de wet.
2Kron 15:4 Maar toen zij zich in hun nood bekeerden tot de HEERE, de God van Israel, en Hem zochten, zo werd Hij van hen gevonden.
2Kron 15:5 En in die tijden was er geen vrede voor degene, die uitging, en degene, die inkwam; maar vele beroerten waren over al de inwoners van die landen;
2Kron 15:6 Dat volk tegen volk, en stad tegen stad in stukken gestoten werd; want God had hen met allerlei tegenspoed verschrikt.
2Kron 15:7 Daarom weest gij sterk, en laat uw handen niet verslappen; want er is loon naar uw werk.

2Kron 15:8 Toen nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het ganse land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van EfraÔm genomen had, en vernieuwde het altaar des HEEREN, dat voor het voorhuis des HEEREN was.
2Kron 15:9 En hij vergaderde heel Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit EfraÔm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israel kwamen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat de HEERE, zijn God, met hem was.
2Kron 15:10 En zij vergaderden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa.
2Kron 15:11 En zij offerden de HEERE in die dag van de roof, die zij gebracht hadden, zevenhonderd runderen en zeven duizend schapen.
2Kron 15:12 En zij traden in een verbond, dat zij de HEERE, de God van hun vaderen, zoeken zouden met geheel hun hart en met geheel hun ziel.
2Kron 15:13 En al wie de HEERE, de God van Israel, niet zou zoeken, zou gedood worden, van de kleine tot de grote, en van de man tot de vrouw toe.
2Kron 15:14 En zij zwoeren de HEERE met luide stem en met gejuich, en met trompetten en met bazuinen.
2Kron 15:15 En heel Juda was verblijd over deze eed; want zij hadden met heel hun hart gezworen, en met al hun wil Hem gezocht; en Hij werd van hen gevonden, en de HEERE gaf hun rust rondom heen.
2Kron 15:16 Aangaande ook Mašcha, de moeder van de koning Asa, hij zette haar af, dat zij geen koningin was, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook hakte Asa haar afgrijselijke afgod om, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron.
2Kron 15:17 De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israel, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen.
2Kron 15:18 En hij bracht in het huis Gods de geheiligde dingen van zijn vader, en zijn geheiligde dingen, zilver en goud, en vaten.
2Kron 15:19 En er was geen oorlog tot in het vijfendertigste jaar van het koninkrijk van Asa.

Hoofdstuk 16
2Kron 16:1 In het zes en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa, trok BaŽsa, de koning van Israel, op tegen Juda, en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda.
2Kron 16:2 Toen bracht Asa het zilver en het goud voort, uit de schatten van het huis des HEEREN en van het huis van de koning, en zond het tot Benhadad, de koning van SyriŽ, die te Damaskus woonde, zeggende:
2Kron 16:3 Er is een verbond tussen mij en u, en tussen mijn vader en uw vader; zie, ik zend u zilver en goud, ga heen, maak uw verbond teniet met BaŽsa, de koning van Israel, dat hij van tegen mij weg trekt.
2Kron 16:4 En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de legers, die hij had, tegen de steden van Israel, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-maÔm, en alle voorraadsteden van Nafthali.
2Kron 16:5 En het geschiedde, toen BaŽsa dat hoorde, dat hij ophield van Rama te bouwen, en zijn werk staakte.
2Kron 16:6 Toen riep de koning Asa heel Juda op, en zij droegen weg de stenen van Rama, en het hout daarvan, waarmee BaŽsa gebouwd had; en hij bouwde daarmee Geba en Mizpa.

2Kron 16:7 En in diezelfde tijd kwam de ziener Hanani tot Asa, de koning van Juda, en hij zei tot hem: Omdat gij gesteund hebt op de koning van SyriŽ, en niet gesteund hebt op de HEERE, uw God, daarom is het leger van de koning van SyriŽ uit uw hand ontkomen.
2Kron 16:8 Waren niet de Moren en de Libyers een groot leger met zeer veel wagens en ruiters? Toen gij nochtans op de HEERE steunde, heeft Hij hen in uw hand gegeven.
2Kron 16:9 Want de HEERE aangaande, Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, om Zich sterk te bewijzen aan hen, van wie het hart volkomen is tot Hem; gij hebt hierin zot gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn.
2Kron 16:10 Doch Asa werd toornig op de ziener, en zette hem in de gevangenis; want hij was in woede tegen hem ontstoken; daartoe onderdrukte Asa sommigen uit het volk in diezelfde tijd.
2Kron 16:11 En ziet, de geschiedenissen van Asa, de eerste met de laatste, ziet, zij zijn beschreven in het boek der koningen van Juda en Israel.
2Kron 16:12 Asa nu werd, in het negen en dertigste jaar van zijn koninkrijk, ziek aan zijn voeten; zeer ernstig werd zijn ziekte; toch zocht hij de HEERE niet in zijn ziekte, maar de medicijnmeesters.
2Kron 16:13 Alzo ontsliep Asa met zijn vaderen; en hij stierf in het een en veertigste jaar van zijn regering.
2Kron 16:14 En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad Davids, en legden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst was toebereid; en zij brandden over hem een zeer grote branding.

Hoofdstuk 17
2Kron 17:1 En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen Israel.
2Kron 17:2 En hij legerde troepen in alle versterkte steden van Juda, en legerde bezettingen in het land van Juda, en in de steden van EfraÔm, die zijn vader Asa ingenomen had.
2Kron 17:3 En de HEERE was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen van zijn vader David, en zocht de Bašls niet.
2Kron 17:4 Maar hij zocht de God van zijn vaders, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van Israel.
2Kron 17:5 En de HEERE bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en heel Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in overvloed.
2Kron 17:6 En zijn hart verhief zich in de wegen des HEEREN; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit Juda weg.
2Kron 17:7 In het derde jaar nu van zijn regering zond hij tot zijn vorsten, tot Ben-chail, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot NathaneŽl, en tot Michaja, opdat men zou leren in de steden van Juda.
2Kron 17:8 En met hen de Levieten, Semaja en Nethanja, en Zebadja, en Asael, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Tob-adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisama en Joram.
2Kron 17:9 En zij leerden in Juda, en het wetboek des HEEREN was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk.

2Kron 17:10 En een verschrikking des HEEREN werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij geen oorlog voerden tegen Josafat.
2Kron 17:11 En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het geld van de opgelegde schatplicht; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken.
2Kron 17:12 Alzo nam Josafat toe, en werd uitermate groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en voorraadsteden.
2Kron 17:13 En hij had veel werk in de steden van Juda, en krijgers, kloeke helden in Jeruzalem.
2Kron 17:14 Dit nu is hun telling, naar de huizen van hun vaderen. In Juda waren oversten van duizend; Adna de legeroverste en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden.
2Kron 17:15 En na hem was de overste Johanan; en met hem waren tweehonderd en tachtig duizend;
2Kron 17:16 En na hem was Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig de HEERE overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend kloeke helden.
2Kron 17:17 En uit Benjamin was Eljada, een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren.
2Kron 17:18 En na hem was Jozabad; en met hem waren honderd en tachtig duizend, ten strijde toegerust.
2Kron 17:19 Dezen waren in de dienst van de koning; behalve degenen, die de koning in de versterkte steden door heel Juda gelegerd had.

Hoofdstuk 18
2Kron 18:1 Josafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab.
2Kron 18:2 En na enige jaren trok hij af tot Achab naar Samaria; en Achab slachtte schapen en runderen voor hem in menigte, en voor het volk, dat met hem was; en hij drong bij hem aan, om op te trekken naar Ramoth in Gilead.
2Kron 18:3 Want Achab, de koning van Israel, zei tot Josafat, de koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zei tot hem: Ik zal zijn, gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in deze strijd.

2Kron 18:4 Verder zei Josafat tot de koning van Israel: Vraag toch heden naar het woord des HEEREN.
2Kron 18:5 Toen vergaderde de koning van Israel de profeten, vierhonderd mannen, en hij zei tot hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want God zal hen in de hand des konings geven.
2Kron 18:6 Maar Josafat zei: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij door hem vragen mochten?
2Kron 18:7 Toen zei de koning van Israel tot Josafat: Er is nog een man, om door hem de HEERE te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: de koning zegge niet alzo.
2Kron 18:8 Toen riep de koning van Israel een hoveling, en hij zei: Haal haastig Micha, de zoon van Jimla.
2Kron 18:9 De koning van Israel nu en Josafat, de koning van Juda, zaten ieder op zijn troon, bekleed met hun klederen, en zij zaten op het plein, aan de deur van de poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.
2Kron 18:10 En Zedekia, de zoon van Kenašna, had zich ijzeren hoornen gemaakt, en hij zei: Zo zegt de HEERE: Met deze zult gij de SyriŽrs stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.
2Kron 18:11 En al de profeten profeteerden alzo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn, want de HEERE zal hen in de hand des konings geven.
2Kron 18:12 De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden van de profeten zijn, uit één mond, goed tot de koning; dat nu toch uw woord zij, gelijk als van een uit hen, en spreek het goede.
2Kron 18:13 Doch Micha zei: Zo waarachtig als de HEERE leeft, hetgeen mijn God zeggen zal, dat zal ik spreken!
2Kron 18:14 Toen hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En hij zei: Trekt op, en gijlieden zult voorspoedig zijn, want zij zullen in uw hand gegeven worden.
2Kron 18:15 En de koning zei tot hem: Hoe vaak moet ik u nog bezweren, dat gij tot mij niet spreekt, dan de waarheid, in de Naam des HEEREN?
2Kron 18:16 En hij zei: Ik zag het ganse Israel verstrooid op de bergen, gelijk schapen, die geen herder hebben; en de HEERE zei: Dezen hebben geen heer; een ieder kere weer naar zijn huis in vrede.
2Kron 18:17 Toen zei de koning van Israel tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren?
2Kron 18:18 Verder zei hij: Daarom hoort het woord des HEEREN: Ik zag de HEERE, zittend op Zijn troon, en al de hemelse heerscharen, staande aan Zijn rechterhand en Zijn linkerhand.
2Kron 18:19 En de HEERE zei: Wie zal Achab, de koning van Israel, overreden, dat hij optrekke, en valle te Ramoth in Gilead? Daarna zei Hij: Deze zegt aldus, en die zegt alzo.
2Kron 18:20 Toen kwam een geest naar voren en stond voor het aangezicht des HEEREN, en zei: Ik zal hem overreden. En de HEERE zei tot hem: Waarmee?
2Kron 18:21 En hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: Gij zult overreden, en zult ook vermogen; ga uit, en doe alzo.
2Kron 18:22 Nu dan, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van deze uw profeten gegeven, en de HEERE heeft kwaad over u gesproken.
2Kron 18:23 Toen trad Zedekia, de zoon van Kenašna, toe, en sloeg Micha op de kaak en hij zei: Langs welke weg is de Geest des HEEREN aan mij voorbijgegaan, om u aan te spreken?
2Kron 18:24 En Micha zei: Zie, gij zult het zien op dezelfde dag, als gij zult gaan van kamer in kamer, om u te verbergen.
2Kron 18:25 De koning van Israel nu zei: Neemt Micha, en brengt hem terug tot Amon, de overste van de stad, en tot Joas, de zoon van de koning;
2Kron 18:26 En gijlieden zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze in het gevangenhuis, en spijzigt hem met brood der bedruktheid, en met water der bedruktheid, totdat ik met vrede weerkom.
2Kron 18:27 En Micha zei: Indien gij enigszins met vrede weerkomt, zo heeft de HEERE door mij niet gesproken. Verder zei hij: Hoort, al gij volken!

2Kron 18:28 Alzo trokken de koning van Israel, en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.
2Kron 18:29 En de koning van Israel zei tot Josafat: Als ik mij vermomd heb, zal ik in de strijd komen; maar trekt gij uw klederen aan. Alzo vermomde zich de koning van Israel, en zij kwamen in de strijd.
2Kron 18:30 De koning nu van SyriŽ had geboden aan de oversten der wagens, die hij had, zeggende: Gijlieden zult niet strijden tegen kleinen noch groten, maar tegen de koning van Israel alleen.
2Kron 18:31 Het geschiedde dan, als de oversten der wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israel; en zij reden op hem toe, om te strijden; maar Josafat riep, en de HEERE hielp hem, en God wendde hen van hem af.
2Kron 18:32 Want het geschiedde, als de oversten der wagens zagen, dat het de koning van Israel niet was, dat zij zich van hem afkeerden.
2Kron 18:33 Toen spande een man de boog in zijn eenvoud, en schoot de koning van Israel tussen de gespen en het pantser. Toen zei hij tot de voerman: Keer uw hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond.
2Kron 18:34 Maar de strijd nam op die dag toe, en de koning van Israel hield zich met de wagen staande tegenover de SyriŽrs, tot de avond toe; en hij stierf ten tijde van zonsondergang.

Hoofdstuk 19
2Kron 19:1 En Josafat, de koning van Juda, keerde met vrede weer naar zijn huis te Jeruzalem.
2Kron 19:2 En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegemoet, en zei tot de koning Josafat: Zoudt gij de goddeloze helpen, en die de HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toorn.
2Kron 19:3 Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want gij hebt de bossen uit het land weggedaan, en uw hart gericht om God te zoeken.
2Kron 19:4 Josafat nu woonde in Jeruzalem; en hij trok wederom uit door het volk, van Ber-seba af tot het gebergte van EfraÔm toe, en deed hen weerkeren tot de HEERE, de God van hun vaderen.

2Kron 19:5 En hij stelde rechters in het land, in alle versterkte steden van Juda, van stad tot stad.
2Kron 19:6 En hij zei tot de rechters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet de mens, maar de HEERE; en Hij is bij u in de zaak van het gericht.
2Kron 19:7 Nu dan, de verschrikking des HEEREN zij op ulieden; neemt waar, en doet het; want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht, noch aanzien des persoons, noch ontvangst van geschenken.
2Kron 19:8 Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesters, en van de hoofden der vaderen van Israel, over het gericht des HEEREN, en over rechtsgeschillen, toen zij weer te Jeruzalem gekomen waren.
2Kron 19:9 En hij gebood hun, zeggende: Doet alzo in de vreze des HEEREN, met trouw en een volkomen hart.
2Kron 19:10 En in alle geschil, dat van uw broeders, die in hun steden wonen, tot u zal komen, tussen bloed en bloed, tussen wet en gebod, en inzettingen en rechten, zo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan de HEERE, en een grote toorn over u en over uw broeders zij; doet alzo, en gij zult niet schuldig worden.
2Kron 19:11 En ziet, Amarja, de hoofdpriester, is over u in alle zaken van de HEERE en Zebadja, de zoon van Ismael, de vorst van het huis van Juda, in alle zaken van de koning; ook zijn gezagdragers uit de Levieten voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en de HEERE zal met de goede zijn.

Hoofdstuk 20
2Kron 20:1 Het geschiedde nu daarna, dat de kinderen van Moab en Ammon, en met hen anderen benevens de Ammonieten, tegen Josafat ten strijde trokken.
2Kron 20:2 Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde van de zee, uit SyriŽ; en zie, zij zijn te Hazezon-thamar, dat is Engedi.
2Kron 20:3 Josafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om de HEERE te zoeken; en hij riep een vasten uit in heel Juda.
2Kron 20:4 En Juda werd vergaderd, om van de HEERE hulp te zoeken; ook kwamen zij uit alle steden van Juda, om de HEERE te zoeken.
2Kron 20:5 En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis des HEEREN, voor de nieuwe voorhof.
2Kron 20:6 En hij zei: O, HEERE, God van onze vaderen, zijt Gij niet de God in de hemel? Ja, Gij zijt de Heerser over alle koninkrijken van de heidenen; en in Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan.
2Kron 20:7 Hebt Gij niet, onze God, de inwoners van dit land van voor het aangezicht van Uw volk Israel verdreven, en dat aan het zaad van Abraham, Uw vriend, tot in eeuwigheid gegeven?
2Kron 20:8 Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben U daarin een heiligdom gebouwd voor Uw Naam, zeggende:
2Kron 20:9 Indien over ons enig kwaad komt, het zwaard des oordeels, of pest, of honger, wij zullen voor dit huis, en voor Uw aangezicht staan, omdat Uw Naam in dit huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en Gij zult verhoren en verlossen.
2Kron 20:10 En nu, zie de kinderen van Ammon en Moab, en die van het gebergte SeÔr, door wie Gij Israel niet toeliet te trekken, toen zij uit Egypte trokken, maar zij weken van hen, en verdelgden hen niet;
2Kron 20:11 Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erfdeel, die Gij ons tot erfdeel gegeven hebt, te verdrijven.
2Kron 20:12 O, onze God, zult Gij geen recht over hen uitoefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.
2Kron 20:13 En gans Juda stond voor het aangezicht des HEEREN, ook hun kinderen, hun vrouwen en hun zonen.

2Kron 20:14 Toen kwam de Geest des HEEREN in het midden der gemeente, op JahaziŽl, de zoon van Zecharja, de zoon van Benaja, de zoon van JehiŽl, de zoon van Matthanja, de Leviet, uit de zonen van Asaf;
2Kron 20:15 En hij zei: Merkt op, geheel Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem, en gij, koning Josafat! Alzo zegt de HEERE tot ulieden: Vreest gijlieden niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd behoort niet u, maar God.
2Kron 20:16 Trekt morgen tot hen af; ziet, zij komen op bij de opgang van Ziz; en gij zult hen vinden aan het einde van het dal, voor aan de woestijn van Jeruel.
2Kron 20:17 Gij zult in deze strijd niet te strijden hebben; stelt uzelf, staat en ziet het heil des HEEREN met u, o Juda en Jeruzalem! Vreest niet, en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegemoet, want de HEERE zal met u wezen.
2Kron 20:18 Toen neigde zich Josafat met het aangezicht ter aarde; en gans Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neer voor het aangezicht des HEEREN, aanbiddende de HEERE.
2Kron 20:19 En de Levieten uit de kinderen der Kohathieten, en uit de kinderen der Korachieten, stonden op, om de HEERE, de God van Israel, met luide stem te prijzen.

2Kron 20:20 En zij maakten zich des morgens vroeg op, en trokken uit naar de woestijn van Thekoa; en toen zij uittrokken, stond Josafat en zei: Hoort mij, o Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem! Gelooft in de HEERE, uw God, zo zult gij bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten, en gij zult voorspoedig zijn.
2Kron 20:21 Hij nu beraadslaagde met het volk, en hij stelde de HEERE zangers, die de heilige Majesteit prijzen zouden, voor de toegerusten uitgaand en zeggende: Looft de HEERE, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid!
2Kron 20:22 Ten tijde nu, als zij aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde de HEERE hinderlagen tegen de kinderen van Ammon, Moab, en die van het gebergte SeÔr, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden verslagen.
2Kron 20:23 Want de kinderen van Ammon en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte SeÔr, om te verbannen en te verdelgen; en toen zij met de inwoners van SeÔr een einde gemaakt hadden, hielpen zij de een de ander ten verderve.
2Kron 20:24 Als nu Juda tot de wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en ziet, het waren dode lichamen, liggende op de aarde, en niemand was ontkomen.
2Kron 20:25 Josafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel goederen en dode lichamen, als kostbare zaken, en namen voor zich weg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden de buit drie dagen, want daarvan was veel.
2Kron 20:26 En op de vierde dag vergaderden zij zich in het dal van Beracha, want daar loofden zij de HEERE; daarom noemden zij de naam van die plaats het dal van Beracha, tot op deze dag.
2Kron 20:27 Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weer, en Josafat hen vooraan, om weer met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want de HEERE had hen verblijd over hun vijanden.
2Kron 20:28 En zij kwamen te Jeruzalem, met luiten, en met harpen, en met trompetten, tot het huis des HEEREN.
2Kron 20:29 En er werd een verschrikking Gods over alle koninkrijken van die landen, als zij hoorden, dat de HEERE tegen de vijanden van Israel gestreden had.
2Kron 20:30 Alzo was het koninkrijk van Josafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom.

2Kron 20:31 Zo regeerde Josafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azuba, een dochter van Silhi.
2Kron 20:32 En hij wandelde in de weg van zijn vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.
2Kron 20:33 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot de God van zijn vaderen.
2Kron 20:34 Het overige nu van de geschiedenissen van Josafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, de zoon van Hanani, die men hem optekenen deed in het boek der koningen van Israel.
2Kron 20:35 Doch na deze verbond zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, de koning van Israel; die goddeloos handelde in zijn doen.
2Kron 20:36 En hij verbond zich met hem, om schepen te maken, om naar Tharsis te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeon-geber.
2Kron 20:37 Maar EliŽzer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia verbonden hebt, heeft de HEERE uw werken verscheurd. Alzo leden de schepen schipbreuk, dat zij niet naar Tharsis konden gaan.

Hoofdstuk 21
2Kron 21:1 Daarna ontsliep Josafat met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.
2Kron 21:2 En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en JehiŽl, en Zecharja, en Azarjahu, en Michael, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israel.
2Kron 21:3 En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostbaarheden, met versterkte steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was.
2Kron 21:4 Toen Joram het koninkrijk van zijn vader in bezit had genomen, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broers met het zwaard, alsook enige van de vorsten van Israel.
2Kron 21:5 Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar te Jeruzalem.
2Kron 21:6 En hij wandelde in de weg van de koningen van Israel, gelijk als het huis van Achab deed; want hij had de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.
2Kron 21:7 Doch de HEERE wilde het huis Davids niet verderven, omwille van het verbond, dat Hij met David gemaakt had; en zoals Hij gezegd had, hem en zijn zonen te allen dage een lamp te zullen geven.
2Kron 21:8 In zijn dagen vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning.
2Kron 21:9 Daarom trok Joram voort met zijn oversten, en al de wagens met hem; en hij maakte zich des nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem en de oversten der wagens waren.
2Kron 21:10 Evenwel vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, tot op deze dag; toen in diezelfde tijd viel Libna af, van onder zijn gebied, want hij had de HEERE, de God van zijn vaderen, verlaten.
2Kron 21:11 Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoereren, ja, hij dreef Juda daartoe.

2Kron 21:12 Zo kwam een schrift tot hem van de profeet Elia, zeggende: Alzo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat gij in de wegen van uw vader Josafat, en in de wegen van Asa, de koning van Juda, niet gewandeld hebt;
2Kron 21:13 Maar hebt gewandeld in de weg van de koningen van Israel, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen hoereren, zoals het hoereren van het huis van Achab; en ook uw broers, van het huis van uw vader gedood hebt, die beter waren dan gij;
2Kron 21:14 Zie, de HEERE zal u plagen met een grote plaag aan uw volk, en aan uw kinderen, en aan uw vrouwen, en aan al uw goederen.
2Kron 21:15 Gij zult ook in grote ziekten zijn, door de ziekte van uw ingewanden, totdat uw ingewanden uitgaan door die ziekte, jaar na jaar.
2Kron 21:16 Zo verwekte de HEERE tegen Joram de geest der Filistijnen en der Arabieren, die aan de zijde van de Cuschieten zijn.
2Kron 21:17 Die trokken op in Juda, en braken daarin door, en voerden alle goederen weg, die in het huis des konings gevonden werden, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de jongste van zijn zonen.
2Kron 21:18 En na dit alles plaagde hem de HEERE in zijn ingewand met een ziekte, waar geen genezen aan was.
2Kron 21:19 Dit geschiedde jaar na jaar, zodat, na twee jaren, zijn ingewanden door de ziekte uitgingen, en hij stierf in hevige pijnen; en zijn volk maakte hem geen branding, als de branding van zijn vaderen.
2Kron 21:20 Hij was twee en dertig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem; en hij ging heen zonder begeerd te zijn; en zij begroeven hem in de stad Davids, maar niet in de graven der koningen.

Hoofdstuk 22
2Kron 22:1 En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn jongste zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eersten gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde.
2Kron 22:2 Twee en twintig jaar was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, een dochter van Omri.  *)
2Kron 22:3 Hij wandelde ook in de wegen van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn raadgeefster, om goddeloos te handelen.
2Kron 22:4 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want zij waren zijn raadgevers, na de dood van zijn vader, hem ten verderf.
2Kron 22:5 Hij wandelde ook in hun raad, en trok heen met Joram, de zoon van Achab, de koning van Israel, tot de strijd tegen Hazael, de koning van SyriŽ, bij Ramoth in Gilead; en de SyriŽrs versloegen Joram.
2Kron 22:6 En hij keerde weer om zich te laten genezen te JizreŽl; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, toen hij streed tegen Hazael, de koning van SyriŽ; en Azarja, de zoon van Joram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te JizreŽl te bezoeken, want hij was ziek.
2Kron 22:7 Deze ondergang nu van Ahazia was van God, dat hij tot Joram kwam; want toen hij gekomen was, trok hij met Joram uit tot Jehu, de zoon van Nimsi, die de HEERE gezalfd had, om het huis van Achab uit te roeien.
2Kron 22:8 Zo geschiedde het, toen Jehu het oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen der broers van Ahazia, die Ahazia dienden, vond, en die doodde.
2Kron 22:9 Daarna zocht hij Ahazia, en zij kregen hem (want hij was verborgen in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Josafat, die de HEERE met zijn hele hart gezocht heeft. Zo had het huis van Ahazia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk.
2Kron 22:10 Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om.
2Kron 22:11 Maar Jozabath, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Ahazia, en ontvoerde hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, en bracht hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Jozabath, de dochter van de koning Joram, de huisvrouw van de priester Jojada -want zij was de zuster van Ahazia-, voor Athalia, dat zij hem niet doodde.
2Kron 22:12 En hij was bij hen verborgen in het huis Gods zes jaren; en Athalia regeerde over het land.

Hoofdstuk 23
2Kron 23:1 Doch in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en sloot een verbond met de oversten van honderd, Azarja, de zoon van Jeroham en Ismael, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed, en Mašseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri.
2Kron 23:2 Die trokken door in Juda, en vergaderden de Levieten uit alle steden van Juda, en de hoofden der vaderen van Israel, en zij kwamen naar Jeruzalem.
2Kron 23:3 En die ganse gemeente maakte een verbond in het huis Gods, met de koning; en hij zei tot hen: Ziet, de zoon des konings zal koning zijn, gelijk als de HEERE van de zonen van David gesproken heeft.
2Kron 23:4 Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat dienst gaan doen, van de priesters en van de Levieten, zullen tot wachters bij de poorten zijn;
2Kron 23:5 En een derde deel zal zijn bij het huis van de koning; en een derde deel bij de Fundamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis des HEEREN.
2Kron 23:6 Maar dat niemand kome in het huis des HEEREN, dan de priesters en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht des HEEREN waarnemen.
2Kron 23:7 De Levieten nu zullen zich rondom de koning opstellen, een ieder met zijn wapens in zijn hand; en die tot het huis inkomt, zal gedood worden; doch blijft gijlieden bij de koning, als hij inkomt en uitgaat.
2Kron 23:8 En de Levieten en gans Juda deden naar alles, wat de priester Jojada geboden had; en zij namen een ieder zijn mannen, die op de sabbat hun dienst begonnen, met degenen, die hun dienst beëindigden; want de priester Jojada had aan de ordeningen geen verlof gegeven.
2Kron 23:9 Verder gaf de priester Jojada aan de oversten van honderd de speren, en de grote en de kleine schilden, die van de koning David geweest waren, die in het huis Gods waren.
2Kron 23:10 En hij stelde al het volk op, een ieder met zijn wapens in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, rond het altaar en naar het huis, bij de koning.
2Kron 23:11 Toen brachten zij de zoon van de koning naar buiten, en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jojada en zijn zonen zalfden hem, en zeiden: De koning leve!

2Kron 23:12 Toen nu Athalia hoorde de stem van het volk, dat toeliep en de koning prees, kwam zij tot het volk in het huis des HEEREN.
2Kron 23:13 En zij zag toe; en ziet, de koning stond bij zijn pilaar, aan de ingang; en de oversten en de trompetten waren bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met de trompetten; en de zangers waren er met muzikale instrumenten, en gingen voor in het zingen van lofliederen; toen verscheurde Athalia haar klederen, en zij riep: Verraad, verraad!
2Kron 23:14 Maar de priester Jojada riep de oversten van honderd, die over het leger gesteld waren, en zei tot hen: Brengt haar buiten de rijen, en die haar volgt, zal met het zwaard gedood worden; want de priester had gezegd: Gij zult ze in het huis des HEEREN niet doden.
2Kron 23:15 En zij namen haar mee naar de ingang van de Paardenpoort van het huis van de koning; en daar doodden zij haar.
2Kron 23:16 En Jojada maakte een verbond tussen hem en al het volk, en met de koning, dat zij de HEERE tot een volk zouden zijn.
2Kron 23:17 Daarna ging al het volk in het huis van Bašl, en braken dat af; en zijn altaren en zijn beelden verbraken zij, en Matthan, de priester van Bašl, sloegen zij dood voor de altaren.
2Kron 23:18 Jojada nu stelde de dagordenigen in het huis des HEEREN weer in, onder de hand van de Levietische priesters, die David in het huis des HEEREN vastgesteld had, om de brandoffers des HEEREN te offeren, gelijk in de wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, naar de instelling van David.
2Kron 23:19 En hij stelde de poortwachters aan bij de poorten van het huis des HEEREN, opdat niemand, in enig ding onrein zijnde, zou binnenkomen.
2Kron 23:20 En hij nam de oversten van honderd, en de machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk des lands, en bracht de koning uit het huis des HEEREN, en zij kwamen door het midden van de hoge poort in het huis van de koning; en zij zetten de koning op de troon van het koninkrijk.
2Kron 23:21 En al het volk van het land was verblijd, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden.

Hoofdstuk 24
2Kron 24:1 Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zibja, van Ber-seba.
2Kron 24:2 En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al de dagen van de priester Jojada.
2Kron 24:3 En Jojada nam voor hem twee vrouwen; en hij gewon zonen en dochters.
2Kron 24:4 Het geschiedde nu hierna, dat het in het hart van Joas was, het huis des HEEREN te vernieuwen.
2Kron 24:5 Zo vergaderde hij de priesters en de Levieten, en zei tot hen: Trekt uit naar de steden van Juda, en vergadert geld van jaar tot jaar van heel Israel, om het huis van uw God te herstellen; en gijlieden, haast u tot deze zaak; maar de Levieten haastten zich niet.
2Kron 24:6 En de koning riep Jojada, het hoofd, en zei tot hem: Waarom hebt gij geen onderzoek gedaan bij de Levieten, dat zij uit Juda en uit Jeruzalem inbrengen zouden de schatting van Mozes, de knecht des HEEREN, en van de gemeente van Israel voor de tent der getuigenis?
2Kron 24:7 Want als Athalia goddeloos handelde, hadden haar zonen het huis Gods opengebroken, ja, zelfs alle geheiligde dingen van het huis des HEEREN besteed aan de Bašls.
2Kron 24:8 En de koning gebood, en zij maakten een kist, en stelden die buiten aan de poort van het huis des HEEREN.
2Kron 24:9 En men deed uitroepen in Juda en in Jeruzalem, dat men de HEERE inbrengen zou de schatting van Mozes, de knecht Gods, over Israel in de woestijn.
2Kron 24:10 Toen verblijdden zich alle oversten en al het volk, en zij brachten in en wierpen in de kist, totdat men voleind had.
2Kron 24:11 Het geschiedde nu wanneer hij de kist, naar het bevel van de koning, door de hand der Levieten inbracht, en als zij zagen, dat er veel geld was, dat de schrijver van de koning kwam en de afgevaardigde van de hoofdpriester, dat zij de kist leeg maakten en die opnamen, en terugbrachten aan haar plaats; alzo deden zij van dag tot dag, en verzamelden geld in menigte;
2Kron 24:12 En de koning en Jojada gaven het degenen, die het werk van de dienst van het huis des HEEREN verzorgden; en zij huurden houwers en timmerlieden, om het huis des HEEREN te vernieuwen, mitsgaders ook werkmeesters in ijzer en koper, om het huis des HEEREN te herstellen.
2Kron 24:13 Zo deden de verzorgers van het werk, zodat het herstelwerk door hun hand vorderde; en zij herstelden het huis Gods in zijn staat, en maakten het sterk en duurzaam.
2Kron 24:14 Toen zij het nu voltooid hadden, brachten zij voor de koning en Jojada het overige van het geld, waarvan hij vaten maakte voor het huis des HEEREN, vaten om te dienen en te offeren, en reukwerkschalen, en gouden en zilveren vaten; en zij offerden gedurig brandoffers in het huis des HEEREN al de dagen van Jojada.

2Kron 24:15 En Jojada werd oud en zat van dagen, en stierf; hij was honderd en dertig jaren oud, toen hij stierf.
2Kron 24:16 En zij begroeven hem in de stad Davids, bij de koningen; want hij had goed gedaan in Israel, aan God en Zijn huis.
2Kron 24:17 Maar na de dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, en bogen zich neer voor de koning; toen hoorde de koning naar hen.
2Kron 24:18 Zo verlieten zij het huis des HEEREN, van de God van hun vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen kwam een grote toorn over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld.
2Kron 24:19 Doch Hij zond profeten onder hen, om hen tot de HEERE te doen weerkeren; die betuigden tegen hen, maar zij neigden de oren niet.
2Kron 24:20 En de Geest Gods dreef Zacharia aan, de zoon van Jojada, de priester, die boven het volk stond, en hij zei tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des HEEREN? Daarom zult gij niet voorspoedig zijn; omdat gij de HEERE verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten.
2Kron 24:21 En zij maakten een samenzwering tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod van de koning, in de voorhof van het huis des HEEREN.
2Kron 24:22 Zo gedacht de koning Joas niet de weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; die, toen hij stierf, zei: De HEERE zal het zien en zoeken!
2Kron 24:23 Daarom geschiedde het toen het jaar voorbij was, dat het leger van SyriŽ tegen hem optrok, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en brachten uit het volk al de vorsten van het volk om; en zij zonden al hun buit tot de koning van Damaskus.
2Kron 24:24 Hoewel het leger van SyriŽ met weinig mannen kwam, toch gaf de HEERE in hun hand een leger van grote menigte, omdat zij de HEERE, de God van hun vaderen, verlaten hadden; alzo voerden zij de oordelen uit tegen Joas.
2Kron 24:25 En toen zij van hem weggetrokken waren -want zij lieten hem ernstig gewond achter-, maakten zijn knechten, om het bloed der zonen van de priester Jojada, een samenzwering tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, zodat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad Davids, maar zij begroeven hem niet in de graven der koningen.
2Kron 24:26 Dezen nu zijn, die een samenzwering tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonietische, en Jozabad, de zoon van Simrith, de Moabietische.
2Kron 24:27 Aangaande nu zijn zonen, en de grootte van de last, hem opgelegd, en het gebouw van het huis Gods, ziet, zij zijn geschreven in de geschiedenis van het boek der koningen; en zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats.

Hoofdstuk 25
2Kron 25:1 Amazia, vijf en twintig jaren oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Joaddan, van Jeruzalem.
2Kron 25:2 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, doch niet met een volkomen hart.
2Kron 25:3 Het geschiedde nu, als het koninkrijk aan hem bevestigd was, dat hij zijn knechten, die de koning, zijn vader, omgebracht hadden, doodde.
2Kron 25:4 Doch hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.
2Kron 25:5 En Amazia vergaderde Juda, en stelde hen, naar de huizen der vaderen, tot oversten van duizend en tot oversten van honderd, door heel Juda en Benjamin; en hij monsterde hen, van twintig jaren oud en daarboven, en vond hen driehonderd duizend uitgelezenen, gereed tot de strijd, gewapend met spies en schild.
2Kron 25:6 Daartoe huurde hij uit Israel honderd duizend kloeke helden, voor honderd talenten zilver.
2Kron 25:7 Maar er kwam een man Gods tot hem, zeggende: O, koning! laat het leger van Israel met u niet gaan; want de HEERE is niet met Israel, met alle kinderen van EfraÔm.
2Kron 25:8 En zo gij met hen gaat, doe het, wees sterk ten strijde; maar God zal u doen vallen voor de vijand; want in God is kracht, om te helpen en om te doen vallen.
2Kron 25:9 En Amazia zei tot de man Gods: Maar wat zal men doen met de honderd talenten, die ik aan de benden van Israel gegeven heb? En de man Gods zei: De HEERE heeft meer dan dit, om u te geven.
2Kron 25:10 Toen ontsloeg Amazia die troepen, die uit EfraÔm tot hem gekomen waren, dat zij naar hun plaats teruggingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen Juda, en zij keerden weer tot hun plaats in brandende toorn.
2Kron 25:11 Amazia nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en trok naar het Zoutdal, en versloeg van de kinderen van SeÔr tienduizend.
2Kron 25:12 Daartoe vingen de kinderen van Juda tienduizend levend, en brachten ze op de hoogte van de rots, en stootten hen van de spits van de rots af, zodat zij allen verpletterden.
2Kron 25:13 Maar de mannen van de troepen, die Amazia had doen terugkeren, dat zij met hem in de strijd niet zouden trekken, die deden een inval in de steden van Juda, van Samaria af tot Beth-horon toe, en sloegen van hen drieduizend, en roofden veel buit.

2Kron 25:14 Het geschiedde nu, nadat Amazia van het verslaan van de Edomieten teruggekomen was, en dat hij de goden der kinderen van SeÔr meegebracht had, dat hij die zich tot goden stelde, en zich voor die neerboog en die wierookte.
2Kron 25:15 Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Amazia; en Hij zond tot hem een profeet, die zei tot hem: Waarom hebt gij de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uw hand?
2Kron 25:16 En het geschiedde, toen hij tot hem sprak, dat hij hem zei: Heeft men u tot raadgever van de koning aangesteld? Houd gij op; waarom zou men u neerslaan? Toen hield de profeet op, en zei: Ik merk, dat God besloten heeft u te verderven, omdat gij dit gedaan, en naar mijn raad niet gehoord hebt.

2Kron 25:17 En Amazia, de koning van Juda liet zich raden, dat hij zond tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israel, om te zeggen: Kom, laat ons elkaars aangezicht in de strijd zien.
2Kron 25:18 Maar Joas, de koning van Israel, zond tot Amazia, de koning van Juda, om te zeggen: De distel, die op de Libanon is, zond tot de ceder, die op de Libanon is, om te zeggen: Geef uw dochter mijn zoon tot vrouw; maar de dieren van het veld, dat op de Libanon is, gingen voorbij, en vertrapten de distel.
2Kron 25:19 Gij hebt gezegd: Zie, ik heb de Edomieten verslagen; daarom heeft uw hart u verheven, om te roemen; nu, blijf in uw huis; waarom zoudt gij u in het kwaad begeven, dat gij vallen zoudt; gij en Juda met u?
2Kron 25:20 Doch Amazia hoorde niet, want het was van God, opdat Hij hen in hun hand zou geven, omdat zij de goden der Edomieten gezocht hadden.
2Kron 25:21 Zo trok Joas, de koning van Israel, op, en hij en Amazia, de koning van Juda, zagen elkaars aangezichten te Beth-semes, dat in Juda is.
2Kron 25:22 En Juda werd verslagen voor het aangezicht van Israel; en zij vluchtten een ieder naar zijn tenten.
2Kron 25:23 En Joas, de koning van Israel, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Joahaz, te Beth-semes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak de muur van Jeruzalem, van de poort van EfraÔm tot aan de Hoekpoort, af; vierhonderd el.
2Kron 25:24 Daartoe nam hij al het goud, en het zilver, en al de vaten, die in het huis Gods gevonden werden, bij Obed-edom, en de schatten van het huis des konings, met gijzelaars, en hij keerde terug naar Samaria.
2Kron 25:25 Amazia nu, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na de dood van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israel, vijftien jaren.
2Kron 25:26 Het overige nu van de geschiedenissen van Amazia, de eerste en de laatste, ziet, zijn die niet geschreven in het boek der koningen van Juda en Israel?
2Kron 25:27 Van de tijd nu af, dat Amazia afgeweken was van achter de HEERE, zo maakten zij in Jeruzalem een samenzwering tegen hem; doch hij vluchtte naar Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar.
2Kron 25:28 En zij brachten hem op paarden, en begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van Juda.

Hoofdstuk 26
2Kron 26:1 Toen nam het hele volk van Juda Uzzia, die zestien jaren oud was, en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia.
2Kron 26:2 Die bouwde Elath, en bracht ze weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.
2Kron 26:3 Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jecholia, van Jeruzalem.
2Kron 26:4 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had.
2Kron 26:5 Want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharia, die verstandig was in de gezichten Gods; in de dagen nu, dat hij de HEERE zocht, maakte hem God voorspoedig.
2Kron 26:6 Want hij trok uit, en streed tegen de Filistijnen, en brak de muur van Gath af, en de muur van Jabne, en de muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in het gebied van Asdod, en onder de Filistijnen.
2Kron 26:7 En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te Gur-Bašl woonden, en tegen de Meunieten.
2Kron 26:8 En de Ammonieten werden Uzzia schatplichtig; en zijn naam ging tot de ingang van Egypte, want hij versterkte zich uitermate.
2Kron 26:9 Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort, en aan de hoeken; en hij versterkte die.
2Kron 26:10 Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hakte vele putten uit, omdat hij veel vee had, beide in het laagland en in de vlakke velden; akkerbouwers en wijngaardeniers op de bergen en op de vruchtbare velden; want hij was een liefhebber van de landbouw.
2Kron 26:11 Voorts had Uzzia een leger van geoefenden ten oorlog, uittrekkende ten oorlog in afdelingen, naar het getal van hun monstering, door de hand van JeÔ-el, de schrijver, en Mahaseja, de hoofdopziener; onder de hand van Hananja, een van de vorsten van de koning.
2Kron 26:12 Het hele aantal van de hoofden der vaderen, van de strijdbare helden, was tweeduizend zeshonderd.
2Kron 26:13 En onder hun leiding was een leger van driehonderd zeven duizend vijfhonderd, die uitstekend werden geoefend, om de koning tegen de vijand te helpen.
2Kron 26:14 En Uzzia bereidde voor hen, voor het hele leger, schilden en speren, en helmen, en pantsers, en bogen, zelfs tot de slingerstenen toe.
2Kron 26:15 Hij maakte ook te Jeruzalem vernuftige werken, bedacht door kundige werkmeesters, die op de torens en op de hoeken zijn zouden, om met pijlen en met grote stenen te schieten; zo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was.

2Kron 26:16 Maar toen hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen de HEERE, zijn God; want hij ging in de tempel des HEEREN, om wierook te branden op het reukofferaltaar.
2Kron 26:17 Doch Azaria, de priester, ging hem achterna, en met hem priesters des HEEREN, tachtig kloeke mannen.
2Kron 26:18 En zij weerstonden de koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, de HEERE te wieroken, maar de priesters, Ašrons zonen, die geheiligd zijn, om te wieroken; ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eer gerekend worden door de HEERE God.
2Kron 26:19 Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te wieroken; toen hij nu toornig werd tegen de priesters, brak de melaatsheid uit op zijn voorhoofd, voor het aangezicht der priesters in het huis des HEEREN, van boven het reukofferaltaar.
2Kron 26:20 Toen zag de hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesters en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij duwden hem daar haastig weg, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat de HEERE hem ziek had laten worden.
2Kron 26:21 Alzo was de koning Uzzia melaats tot aan de dag van zijn dood; en melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis des HEEREN afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis van de koning, richtende het volk van het land.
2Kron 26:22 Het overige nu van de geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amos, beschreven.
2Kron 26:23 En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.

Hoofdstuk 27
2Kron 27:1 Jotham was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jerusa, een dochter van Zadok.
2Kron 27:2 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in de tempel des HEEREN niet ging; en het volk ontaardde nog voort.
2Kron 27:3 Deze bouwde de hoge poorten aan het huis des HEEREN; hij bouwde ook veel aan de muur van Ofel.
2Kron 27:4 Daartoe bouwde hij steden op het gebergte van Juda; en in de wouden bouwde hij burchten en torens.
2Kron 27:5 Hij streed ook tegen de koning van de kinderen Ammons, en had de overhand over hen, zodat de kinderen Ammons in datzelfde jaar hem gaven honderd talenten zilver, en tien duizend kor tarwe, en tien duizend gerst; dit brachten hem de kinderen Ammons wederom, ook in het tweede en in het derde jaar.
2Kron 27:6 Alzo versterkte zich Jotham; want hij richtte zijn wegen voor het aangezicht van de HEERE, zijn God.
2Kron 27:7 Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al zijn oorlogen, en zijn wegen, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en Juda.
2Kron 27:8 Hij was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd; en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem.
2Kron 27:9 En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

Hoofdstuk 28
2Kron 28:1 Achaz was twintig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN, zoals zijn vader David;
2Kron 28:2 Maar hij wandelde in de wegen van de koningen van Israel; daartoe maakte hij ook gegoten beelden voor de Bašls.
2Kron 28:3 Die wierookte hij ook in het dal van de zoon van Hinnom; en hij verbrandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen van de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.
2Kron 28:4 Ook offerde hij en wierookte op de hoogten en op de heuvels, alsook onder alle groen geboomte.
2Kron 28:5 Daarom gaf hem de HEERE, zijn God, in de hand van de koning van SyriŽ, dat zij hem versloegen, en van hem wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij te Damaskus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand van de koning van Israel, die hem versloeg met een grote slag.

2Kron 28:6 Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op één dag, allen strijdbare mannen, omdat zij de HEERE, de God van hun vaderen, verlaten hadden.
2Kron 28:7 En Zichri, een geweldig man van EfraÔm, sloeg Mašseja, de zoon van de koning, dood, en Azrikam, de huisoverste, alsook Elkana, de tweede na de koning.
2Kron 28:8 En de kinderen Israels voerden van hun broeders gevangen weg tweehonderd duizend vrouwen, zonen en dochters, en plunderden ook veel roof van hen; en zij brachten de buit te Samaria.
2Kron 28:9 Aldaar nu was een profeet des HEEREN, wiens naam was Oded; die ging uit, het leger tegemoet, dat naar Samaria kwam, en zei tot hen: Ziet, door de grimmigheid des HEEREN, de God van uw vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en gij hebt hen doodgeslagen in grote woede, die tot aan de hemel raakt.
2Kron 28:10 Daartoe denkt gij nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen. Bij ulieden zijn schulden tegen de HEERE, uw God.
2Kron 28:11 Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen terug, die gij van uw broeders weggevoerd hebt; want de hitte van des HEEREN toorn is over u.
2Kron 28:12 Toen maakten zich mannen op van de hoofden der kinderen van EfraÔm, Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth en Jehizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die met het leger terugkwamen.
2Kron 28:13 En zij zeiden tot hen: Gij zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen de HEERE; denkt gijlieden toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de brandende toorn over Israel is?
2Kron 28:14 Toen lieten de gewapende mannen de gevangenen en de buit voor het aangezicht der oversten en der ganse gemeente achter.
2Kron 28:15 De mannen nu, die met namen genoemd zijn, maakten zich op, en namen de gevangenen, en kleedden van de buit al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijzigden hen, en gaven hen te drinken, en zalfden hen, en vervoerden ze op ezels, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hun broeders; daarna keerden zij weer naar Samaria.

2Kron 28:16 In die tijd zond de koning Achaz tot de koningen van AssyriŽ, dat zij hem helpen zouden.
2Kron 28:17 Bovendien waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda verslagen en gevangenen weggevoerd.
2Kron 28:18 Ook waren de Filistijnen in de steden van het laagland en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en zijn bijbehorende plaatsen, en Timna en zijn bijbehorende plaatsen, en Gimzo en zijn bijbehorende plaatsen; en zij woonden aldaar.
2Kron 28:19 Want de HEERE vernederde Juda, vanwege Achaz, de koning van Israel; want hij had Juda afgetrokken, dat het uitermate overtrad tegen de HEERE.
2Kron 28:20 En Tiglath-pilneser, de koning van AssyriŽ, kwam tot hem; doch hij benauwde hem, en sterkte hem niet.
2Kron 28:21 Want Achaz nam een deel van het huis des HEEREN, en van het huis van de koning en van de vorsten, dat hij de koning van AssyriŽ gaf; maar hij hielp hem niet.
2Kron 28:22 Ja, in de tijd dat men hem benauwde, zo maakte hij het overtreden tegen de HEERE nog meer; dit was de koning Achaz.
2Kron 28:23 Want hij offerde de goden van Damaskus, die hem geslagen hadden, en zei: Omdat de goden van de koningen van SyriŽ hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij ook helpen; maar zij waren hem tot zijn val, mitsgaders heel Israel.
2Kron 28:24 En Achaz verzamelde de vaten van het huis Gods, en sloeg die vaten van het huis Gods in stukken, en sloot de deuren van het huis des HEEREN toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem.
2Kron 28:25 Ook maakte hij in elke stad van Juda hoogten, om andere goden te wieroken; alzo verwekte hij de HEERE, de God van zijn vaderen, tot toorn.
2Kron 28:26 Het overige nu der geschiedenissen, en al zijn wegen, de eerste en de laatste, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Juda en Israel.
2Kron 28:27 En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der koningen van Israel; en zijn zoon Jehizkia werd koning in zijn plaats.

Hoofdstuk 29
2Kron 29:1 Jehizkia werd koning, vijf en twintig jaren oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Abia, een dochter van Zacharia.
2Kron 29:2 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader David gedaan had.
2Kron 29:3 Deze deed in het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, de deuren van het huis des HEEREN open, en herstelde ze.
2Kron 29:4 En hij bracht de priesters en de Levieten bijeen, en hij vergaderde hen in de Ooststraat.
2Kron 29:5 En hij zei tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelf, en heiligt het huis van de HEERE, de God van uw vaderen, en brengt de onreinheid uit van het heiligdom.
2Kron 29:6 Want onze vaders hebben overtreden, en gedaan dat kwaad was in de ogen van de HEERE, onze God, en hebben Hem verlaten, en zij hebben hun aangezichten van de tabernakel des HEEREN afgewend, en hebben de nek toegekeerd.
2Kron 29:7 Ook hebben zij de deuren van het voorhuis gesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gebrand; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God van Israel niet geofferd.
2Kron 29:8 Daarom is een grote toorn des HEEREN over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij heeft hen overgegeven tot beroering, tot verwoesting en tot een aanfluiting, gelijk als gij ziet met uw ogen.
2Kron 29:9 Want ziet, onze vaders zijn door het zwaard gevallen; daartoe onze zonen, en onze dochters, en onze vrouwen zijn daarom gevangen geweest.
2Kron 29:10 Nu is het in mijn hart een verbond te maken met de HEERE, de God van Israel, opdat de hitte van Zijn toorn van ons afkeert.
2Kron 29:11 Mijn zonen, weest nu niet traag; want de HEERE heeft u verkoren, dat gij voor Zijn aangezicht zoudt staan, om Hem te dienen; en opdat gij Hem zoudt dienen en wierook branden.

2Kron 29:12 Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en JoŽl, de zoon van Azarja, van de kinderen der Kohathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van JehaleŽl; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;
2Kron 29:13 En van de kinderen van Elizafan, Simri en JeÔ-el; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;
2Kron 29:14 En van de kinderen van Heman, JehiŽl en SimeÔ; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en UzziŽl.
2Kron 29:15 En zij vergaderden hun broeders, en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod van de koning, door de woorden des HEEREN, om het huis des HEEREN te reinigen.
2Kron 29:16 Maar de priesters gingen binnen in het huis des HEEREN, om dat te reinigen, en zij brachten uit in de voorhof van het huis des HEEREN al de onreinheid, die zij in de tempel des HEEREN vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron.
2Kron 29:17 Zij begonnen nu te heiligen op de eerste van de eerste maand, en op de achtste dag van de maand kwamen zij in het voorhuis des HEEREN, en heiligden het huis des HEEREN in acht dagen; en op de zestiende dag van de eerste maand maakten zij een einde.
2Kron 29:18 Daarna kwamen zij binnen tot de koning Hizkia, en zeiden: Wij hebben het hele huis des HEEREN gereinigd, alsook het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en de tafel der toonbroden met al haar gereedschap.
2Kron 29:19 Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koninkrijk, door zijn overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar des HEEREN.

2Kron 29:20 Toen maakte zich de koning Jehizkia vroeg op, en vergaderde de oversten van de stad, en hij ging op in het huis des HEEREN.
2Kron 29:21 En zij brachten zeven varren, en zeven rammen, en zeven lammeren, en zeven geitenbokken tot zondoffer voor het koninkrijk, en voor het heiligdom, en voor Juda; en hij zei tot de zonen van Ašron, de priesters, dat zij die op het altaar des HEEREN zouden offeren.
2Kron 29:22 Zo slachtten zij de runderen, en de priesters namen het bloed, en sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; insgelijks slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar.
2Kron 29:23 Daarna brachten zij de bokken bij, tot zondoffer, voor het aangezicht van de koning en de gemeente, en zij legden hun handen op de bokken.
2Kron 29:24 En de priesters slachtten ze, en offerden met hun bloed een zondoffer op het altaar, om verzoening te doen voor het ganse Israel; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor gans Israel bevolen.
2Kron 29:25 En hij stelde de Levieten in het huis des HEEREN, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand des HEEREN, door de hand van Zijn profeten.
2Kron 29:26 De Levieten nu stonden met de instrumenten van David, en de priesters met de trompetten.
2Kron 29:27 En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; toen dat brandoffer begon, begon ook de zang des HEEREN met de trompetten en met de instrumenten van David, de koning van Israel.
2Kron 29:28 De hele gemeente nu boog zich neer, toen men het gezang zong, en met trompetten trompette; dit alles totdat het brandoffer beŽindigd was.
2Kron 29:29 Als men nu geŽindigd had te offeren, bukten de koning en allen, die bij hem gevonden waren, en bogen zich neer.
2Kron 29:30 Daarna zei de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij de HEERE loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, de ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neer.
2Kron 29:31 En Jehizkia antwoordde en zei: Nu gij u de HEERE hebt gewijd, treedt toe, en brengt slachtoffers en lofoffers tot het huis des HEEREN; en de gemeente bracht slachtoffers en lofoffers en alle vrijwilligen van hart brandoffers.
2Kron 29:32 En het aantal brandoffers, dat de gemeente bracht, was zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd lammeren; deze alle de HEERE ten brandoffer.
2Kron 29:33 Er waren van de geheiligde dieren zeshonderd runderen en drie duizend schapen.
2Kron 29:34 Doch van de priesters waren er te weinig, en zij konden al de brandoffers de huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hun broeders, de Levieten, totdat het werk geŽindigd was, en totdat de andere priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren oprechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesters.
2Kron 29:35 En ook waren de brandoffers in menigte, met het vet van de dankoffers, en met de drankoffers bij de brandoffers; alzo werd de dienst van het huis des HEEREN weer ingesteld.
2Kron 29:36 Jehizkia nu en al het volk verblijdden zich over hetgeen God het volk bereid had; want deze zaak geschiedde met spoed.

Hoofdstuk 30
2Kron 30:1 Daarna zond Jehizkia tot het ganse Israel en Juda, en schreef ook brieven aan EfraÔm en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis des HEEREN te Jeruzalem, om de HEERE, de God van Israel, pascha te houden.
2Kron 30:2 Want de koning had raad gehouden met zijn oversten en de hele gemeente te Jeruzalem, om het pascha te houden, in de tweede maand.
2Kron 30:3 Want zij hadden het niet kunnen houden te juister tijd, omdat de priesters zich niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zich niet verzameld had te Jeruzalem.
2Kron 30:4 En deze zaak was recht in de ogen van de koning, en in de ogen van de ganse gemeente.
2Kron 30:5 Zo bepaalden zij, dat men een aankondiging door heel Israel, van Ber-seba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het pascha de HEERE, de God van Israel, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lange tijd niet gehouden, gelijk het voorgeschreven was.
2Kron 30:6 De koeriers dan gingen heen met de brieven van de koning en van zijn vorsten, door heel Israel en Juda, en naar het gebod van de koning, zeggende: Gij, kinderen van Israel, bekeert u tot de HEERE, de God van Abraham, Izak en Israel, zo zal Hij Zich keren tot de ontkomenen, die ulieden overgebleven zijn uit de hand der koningen van AssyriŽ.
2Kron 30:7 En zijt niet als uw vaders en als uw broeders, die tegen de HEERE, de God van hun vaderen, overtreden hebben; waarom Hij hen tot verwoesting overgegeven heeft, gelijk als gij ziet.
2Kron 30:8 Verhardt nu uw nek niet, gelijk uw vaderen; geeft de HEERE de hand, en komt tot Zijn heiligdom, dat Hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient de HEERE, uw God; zo zal de hitte van Zijn toorn van u afkeren.
2Kron 30:9 Want als gij u bekeert tot de HEERE, zullen uw broeders en uw kinderen barmhartigheid vinden voor het aangezicht van hen, die hen gevangen hebben, zodat zij in dit land zullen wederkomen; want de HEERE, uw God, is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden, zo gij u tot Hem bekeert.
2Kron 30:10 Zo gingen de koeriers door, van stad tot stad, door het land van EfraÔm en Manasse, tot Zebulon toe; doch zij lachten hen uit, en bespotten hen.
2Kron 30:11 Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem.
2Kron 30:12 Ook was de hand Gods in Juda, hun eenheid van hart gevend, dat zij het gebod van de koning en van de vorsten deden, naar het woord des HEEREN.

2Kron 30:13 En te Jeruzalem verzamelde zich veel volk, om het feest der ongezuurde broden te houden, in de tweede maand, een zeer grote gemeente.
2Kron 30:14 En zij maakten zich op, en namen de altaren weg, die te Jeruzalem waren, ook namen zij alle wierookaltaren weg; en wierpen ze in de beek Kidron.
2Kron 30:15 Toen slachtten zij het pascha, op de veertiende van de tweede maand; en de priesters en de Levieten waren beschaamd geworden, en hadden zich geheiligd, en hadden brandoffers gebracht in het huis des HEEREN.
2Kron 30:16 En zij deden hun dienst overeenkomstig het voorschrift, naar de wet van Mozes, de man Gods; de priesters sprengden het bloed, dat nemende uit de hand der Levieten.
2Kron 30:17 Want een menigte was in die gemeente, die zich niet geheiligd hadden; daarom waren de Levieten over de slachting van de paaslammeren, voor iedereen, die niet rein was, om die de HEERE te heiligen.
2Kron 30:18 Want zeer velen van EfraÔm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet zoals het voorgeschreven is. Doch Jehizkia bad voor hen, zeggende: De HEERE, die goed is, make verzoening voor ieder,
2Kron 30:19 Die zijn ganse hart gericht heeft, om God de HEERE, de God van zijn vaderen, te zoeken, hoewel niet naar de reinheid van het heiligdom.
2Kron 30:20 En de HEERE verhoorde Jehizkia, en heelde het volk.

2Kron 30:21 Zo hielden de kinderen Israels, die te Jeruzalem gevonden werden, het feest der ongezuurde broden, zeven dagen, met grote blijdschap. De Levieten nu en de priesters prezen de HEERE, dag na dag, met luid klinkende instrumenten des HEEREN.
2Kron 30:22 En Jehizkia sprak naar het hart van alle Levieten, die verstand hadden in de goede kennis des HEEREN; en zij aten de offers van het betreffende feest zeven dagen, offerende dankoffers, en lovende de HEERE, de God van hun vaderen.
2Kron 30:23 Als nu de hele gemeente overleg gehouden had, om het feest nog zeven dagen te houden, hielden zij die nog zeven dagen met blijdschap.
2Kron 30:24 Want Jehizkia, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend varren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend varren en tien duizend schapen; de priesters nu hadden zich in menigte geheiligd.
2Kron 30:25 En de hele gemeente van Juda verblijdde zich, alsook de priesters en de Levieten, en de hele gemeente dergenen, die uit Israel gekomen waren; ook de vreemdelingen, die uit het land van Israel gekomen waren, en die in Juda woonden.
2Kron 30:26 Zo was er grote blijdschap te Jeruzalem; want van de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, was iets vergelijkbaars in Jeruzalem niet geweest.
2Kron 30:27 Toen stonden de Levietische priesters op, en zegenden het volk; en hun stem werd gehoord; want hun gebed kwam tot Zijn heilige woning in de hemel.

Hoofdstuk 31
2Kron 31:1 Toen zij nu dit alles voleindigd hadden, trokken alle Israelieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden af, en hakten de bossen om, en wierpen de hoogten en de altaren omver, uit heel Juda en Benjamin, ook in EfraÔm en Manasse, totdat zij alles teniet gemaakt hadden; daarna keerden al de kinderen Israels weer, een ieder tot zijn bezitting in hun steden.
2Kron 31:2 En Hizkia stelde de dagorden der priesters en der Levieten vast, naar hun ordeningen, elk naar zijn dienst, de priesters en de Levieten tot het brandoffer en tot de dankoffers, om te dienen, en om te loven, en om te prijzen in de poorten van de legerplaats des HEEREN;
2Kron 31:3 Ook het deel van de koning van zijn goed tot de brandoffers, tot de brandoffers des morgens en des avonds, en de brandoffers van de sabbatten, en van de nieuwe maanden, en van de vastgestelde hoogtijdagen; gelijk geschreven is in de wet des HEEREN.
2Kron 31:4 En hij zei tot het volk, tot de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel van de priesters en Levieten hun geven zouden, opdat zij versterkt mochten worden in de wet des HEEREN.
2Kron 31:5 Toen nu dat woord uitging, brachten de kinderen Israels vele eerstelingen van koren, most en olie en honing, en van al de inkomsten van het veld; ook brachten zij de tienden van alles in met menigte.
2Kron 31:6 En de kinderen van Israel en Juda, die in de steden van Juda woonden, brachten ook tienden van de runderen en van de schapen, en tienden van de heilige dingen, die de HEERE, hun God, geheiligd waren, en brachten ze in stapels bijeen.
2Kron 31:7 In de derde maand begonnen zij het fundament van die stapels te leggen, en in de zevende maand voleindigden zij dat.
2Kron 31:8 Toen nu Jehizkia en de vorsten kwamen en die stapels zagen, loofden zij de HEERE en Zijn volk Israel.
2Kron 31:9 En Jehizkia ondervroeg de priesters en de Levieten aangaande die stapels.
2Kron 31:10 En Azaria, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zei: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het huis des HEEREN te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja, over te houden tot overvloed toe; want de HEERE heeft Zijn volk gezegend, zodat deze veelheid overgebleven is.

2Kron 31:11 Toen zei Jehizkia, dat men kamers aan het huis des HEEREN bereiden zou; en zij maakten die.
2Kron 31:12 Daarin brachten zij die heffing, en de tienden, en de geheiligde dingen, in getrouwheid; en daarover was Chonanja, de Leviet, overste, en SimeÔ, zijn broeder, de tweede.
2Kron 31:13 Maar JehiŽl, en Azazja, en Nahath, en Asahel, en Jerimoth, en Jozabad, en EliŽl, en Jismachja, en Mahath, en Benaja, waren opzieners, onder de hand van Chonanja en SimeÔ, zijn broeder; door het bevel van de koning Jehizkia en van Azaria, de overste van het huis Gods.
2Kron 31:14 En Kore, de zoon van Jimna, de Leviet, de poortwachter tegen het oosten, was over de vrijwillige gaven Gods, om het hefoffer des HEEREN en het allerheiligste uit te delen.
2Kron 31:15 En aan zijn hand waren Eden, en Minjamin, en Jesua, en Semaja, Amarja en Sechanja, in de steden der priesters, met getrouwheid, om aan hun broeders in de dagorden, zowel aan de kleinen als de groten, uit te delen:
2Kron 31:16 -Benevens die gesteld waren in het geslachtsregister der mannen van drie jaren oud en daarboven- allen, die in het huis des HEEREN gingen, tot het dagelijkse werk op elke dag, voor hun dienst, in hun wachten, naar hun ordeningen.
2Kron 31:17 En met hen, die gesteld waren in het geslachtsregister der priesters naar het huis van hun vaderen, ook de Levieten van twintig jaren oud en daarboven, in hun wacht, naar hun ordeningen;
2Kron 31:18 Ook tot de geslachtsrekening met al hun kinderen, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochters, door de ganse gemeente; want zij hadden zich in hun bediening in heiligheid geheiligd.
2Kron 31:19 Ook waren onder de kinderen van Ašron, de priester, op de velden der bijbehorende plaatsen van hun steden, in elke stad, mannen, die met namen genoemd waren, om aan alle mannen onder de priesters en aan allen, die in het geslachtsregister onder de Levieten gesteld waren, delen te geven.
2Kron 31:20 En alzo deed Jehizkia in geheel Juda; en hij deed wat goed, en recht, en waarachtig was, voor het aangezicht van de HEERE, zijn God.
2Kron 31:21 En alle werk, dat hij begon in de dienst van het huis Gods, en in de wet en in het gebod, om zijn God te zoeken, deed hij met zijn ganse hart, en had voorspoed.

Hoofdstuk 32
2Kron 32:1 Na deze gebeurtenissen en hun bevestiging, kwam Sanherib, de koning van AssyriŽ, en trok Juda binnen, en legerde zich tegen de versterkte steden, en dacht ze in te nemen.
2Kron 32:2 Jehizkia nu ziende, dat Sanherib kwam, en voornemens was te strijden tegen Jeruzalem;
2Kron 32:3 Hield raad met zijn vorsten en zijn helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem.
2Kron 32:4 En veel volk werd vergaderd, dat al de fonteinen stopte, alsook de beek, die door het midden van het land heen vloeide, zeggende: Waarom zouden de koningen van AssyriŽ komen, en veel water vinden?
2Kron 32:5 Zo versterkte hij zich, en bouwde de hele muur op, die afgebroken was, die hij optrok tot aan de torens, met een andere muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad Davids; en hij maakte spiesen en schilden in menigte.
2Kron 32:6 En hij stelde legeroversten over het volk, en hij vergaderde hen tot zich in de straat van de stadspoort, en sprak naar hun hart, zeggende:
2Kron 32:7 Zijt sterk, en hebt goede moed, vreest niet, en ontzet u niet, voor het aangezicht van de koning van AssyriŽ, noch voor het aangezicht van de hele menigte, die met hem is; want er zijn meer met ons dan met hem.
2Kron 32:8 Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is de HEERE, onze God, om ons te helpen, en om onze oorlogen te strijden. En het volk steunde op de woorden van Jehizkia, de koning van Juda.

2Kron 32:9 Na deze zond Sanherib, de koning van AssyriŽ, zijn knechten naar Jeruzalem, -doch hij zelf lag voor Lachis, met zijn legermacht- tot Jehizkia, de koning van Juda, en tot het ganse Juda, dat te Jeruzalem was, zeggende:
2Kron 32:10 Zo zegt Sanherib, de koning van AssyriŽ: Waarom vertrouwt gij, dat gij te Jeruzalem blijft in de vesting?
2Kron 32:11 Jehizkia ruit u op, dat hij u door honger en door dorst laat sterven, zeggende: De HEERE, onze God, zal ons uit de hand van de koning van AssyriŽ redden.
2Kron 32:12 Heeft niet deze Jehizkia Zijn hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken, zeggende: Slechts voor één altaar zult gij u neerbuigen, en daarop wieroken?
2Kron 32:13 Weet gij niet, wat ik gedaan heb, en mijn vaderen aan alle volken der landen? Hebben de goden van de natiën van die landen hun land ook maar enigszins kunnen redden uit mijn hand?
2Kron 32:14 Wie is er onder alle goden van die natiën, die mijn vaders verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijn hand, dat uw God u uit mijn hand zou kunnen redden?
2Kron 32:15 Nu dan, laat Jehizkia ulieden niet bedriegen, en u niet door hem opruien en gelooft hem niet; want geen god van enige natie en koninkrijk heeft zijn volk uit mijn hand en de hand van mijn vaderen kunnen redden; hoeveel te min zal uw God u uit mijn hand kunnen redden!
2Kron 32:16 Daartoe spraken zijn knechten nog meer tegen God, de HEERE, en tegen Zijn knecht Jehizkia.
2Kron 32:17 Ook schreef hij brieven, om de HEERE de God van Israel, te honen en om tegen Hem te spreken, zeggende: Gelijk de goden van de natiën der landen, die hun volk uit mijn hand niet gered hebben, alzo zal de God van Jehizkia Zijn volk uit mijn hand niet redden.
2Kron 32:18 En zij riepen met luider stem, in het Joods, tegen het volk van Jeruzalem, dat op de muur was, om die bevreesd te maken en die te verschrikken, opdat zij de stad mochten innemen.
2Kron 32:19 En zij spraken van de God van Jeruzalem, als van de goden van de volkeren der aarde, een werk van mensenhanden.
2Kron 32:20 Maar de koning Jehizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden daarover, en zij riepen naar de hemel.
2Kron 32:21 En de HEERE zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger van de koning van AssyriŽ verdelgde. Zo is hij met beschaamd aangezicht in zijn land teruggekeerd; en toen hij in het huis van zijn god ingegaan was, velden hem daar met het zwaard, diegenen die uit zijn lichaam voortgekomen waren.
2Kron 32:22 Alzo verloste de HEERE Jehizkia en de inwoners van Jeruzalem, uit de hand van Sanherib, de koning van AssyriŽ, en uit de hand van allen; en Hij beschermde hen tegen allen, die hen omringden.
2Kron 32:23 En velen brachten geschenken tot de HEERE te Jeruzalem, en kostbaarheden tot Jehizkia, de koning van Juda, zodat hij daarna voor de ogen van alle heidenen verheven werd.

2Kron 32:24 In die dagen werd Jehizkia ziek tot stervens toe, en hij bad tot de HEERE, Die sprak tot hem, en Hij gaf hem een wonderteken.
2Kron 32:25 Maar Jehizkia handelde niet in overeenstemming met de weldaad aan hem geschied, omdat zijn hart verheven werd; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, een grote toorn.
2Kron 32:26 Doch Jehizkia verootmoedigde zich om de verheffing van zijn hart, hij en de inwoners van Jeruzalem, zodat de grote toorn des HEEREN over hen niet kwam in de dagen van Jehizkia.
2Kron 32:27 Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkamers voor zilver en voor goud, en voor kostbaar gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor allerlei begeerlijke voorwerpen;
2Kron 32:28 Ook schathuizen voor de inkomsten van koren, en most, en olie; en stallen voor allerlei dieren, en kooien voor de kudden.
2Kron 32:29 Daartoe had hij zich steden gemaakt, alsook bezit van schapen en runderen in menigte; want God gaf hem zeer veel goederen.
2Kron 32:30 Jehizkia stopte ook de bovenuitgang van de wateren van Gihon, en leidde ze recht af naar beneden, naar het westen van de stad Davids; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk.
2Kron 32:31 Doch toen de gezanten der vorsten van Babel, die tot hem gezonden waren, om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land geschied was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.
2Kron 32:32 Het overige nu van de geschiedenissen van Jehizkia, en zijn goede daden, ziet, die zijn geschreven in het gezicht van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, en in het boek der koningen van Juda en Israel.
2Kron 32:33 En Jehizkia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven der zonen van David; daartoe deden gans Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.

Hoofdstuk 33
2Kron 33:1 Manasse was twaalf jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem.
2Kron 33:2 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.
2Kron 33:3 Want hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte de altaren voor Bašl op, en maakte bossen, en boog zich neer voor al de hemelse scharen, en diende ze;
2Kron 33:4 En bouwde altaren in het huis des HEEREN, waarvan de HEERE gezegd had: Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid.
2Kron 33:5 Daartoe bouwde hij altaren voor al de hemelse scharen, in de beide voorhoven van het huis des HEEREN.
2Kron 33:6 En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde waarzeggerij, en gaf op vogelgeroep acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en tovenaars aan; en hij deed zeer veel kwaad in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.
2Kron 33:7 Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, dat hij gemaakt had, in het huis Gods, waarvan God gezegd had tot David en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israel verkoren heb, zal Ik Mijn Naam zetten tot in eeuwigheid.
2Kron 33:8 En Ik zal de voet van Israel niet meer doen wijken van het land, dat Ik uw vaderen besteld heb; alleen, indien zij waarnemen te doen, al hetgeen Ik hun geboden heb, naar de hele wet, en inzettingen, en rechten, door de hand van Mozes.
2Kron 33:9 Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels verdelgd had.
2Kron 33:10 De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op.

2Kron 33:11 Daarom bracht de HEERE over hen de legeroversten, die de koning van AssyriŽ had, die Manasse gevangen namen van onder de doornstruiken; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
2Kron 33:12 En toen hij hem benauwde, bad hij het aangezicht van de HEERE, zijn God, ernstig aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God van zijn vaderen,
2Kron 33:13 En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weer te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is.
2Kron 33:14 En na deze bouwde hij de buitenmuur aan de stad Davids, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot de ingang van de Vispoort, en vervolgens rond Ofel, en maakte die zeer hoog; hij stelde ook legeroversten aan in alle vaste steden in Juda.
2Kron 33:15 En hij nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het huis des HEEREN weg, alsook al de altaren, die hij gebouwd had op de berg van het huis des HEEREN, en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad.
2Kron 33:16 En hij herstelde het altaar des HEEREN, en offerde daarop dankoffers en lofoffers, en zei tot Juda, dat zij de HEERE, de God van Israel, dienen zouden.
2Kron 33:17 Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel aan de HEERE, hun God.
2Kron 33:18 Het overige nu van de geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden van de zieners, die tot hem gesproken hebben in de Naam van de HEERE, de God van Israel, ziet, die zijn in de geschiedenissen der koningen van Israel;
2Kron 33:19 En zijn gebed, en hoe God Zich van hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonde, en zijn overtreding, en de plaatsen, waarop hij hoogten gebouwd, en bossen en gesneden beelden gesteld heeft, eer hij vernederd werd, ziet, dat is beschreven in de woorden van de zieners.
2Kron 33:20 En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.

2Kron 33:21 Amon was twee en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem.
2Kron 33:22 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al de gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.
2Kron 33:23 Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, zoals Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.
2Kron 33:24 En zijn knechten maakten een samenzwering tegen hem, en doodden hem in zijn huis.
2Kron 33:25 Maar het volk van het land sloeg hen allen, die de samenzwering tegen de koning Amon gemaakt hadden; en het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.

Hoofdstuk 34
2Kron 34:1 Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.
2Kron 34:2 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand.
2Kron 34:3 Want in het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog jong was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.
2Kron 34:4 En men brak voor zijn aangezicht af de altaren van de Bašl; en de zonnebeelden, die daarboven waren, hieuw hij af; ook de bossen, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde hij, en strooide ze op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.
2Kron 34:5 En de beenderen van de priesters verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.
2Kron 34:6 Daartoe in de steden en hun omgeving van Manasse, en EfraÔm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe,
2Kron 34:7 Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden vernietigde hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden brak hij af in het hele land van Israel; daarna keerde hij weer naar Jeruzalem.

2Kron 34:8 In het achttiende jaar nu van zijn regering, toen hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, de zoon van Azalia, en Mašseja, de overste van de stad, en Joha, de zoon van Joahaz, de kanselier, om het huis van de HEERE, zijn God, te herstellen.
2Kron 34:9 En zij kwamen tot Hilkia, de hogepriester, en zij gaven het geld, dat in het huis Gods gebracht was, dat de Levieten, die de dorpel bewaakten, verzameld hadden uit de hand van Manasse en EfraÔm, en uit het ganse overblijfsel van Israel, en uit gans Juda en Benjamin, en van de inwoners van Jeruzalem;
2Kron 34:10 Zij nu gaven het in de hand der opzichters van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN, en deze gaven dat aan hen, die het werk deden, die werkten aan het huis des HEEREN, om het huis te vermaken en te herstellen.
2Kron 34:11 Want zij gaven het de werkmeesters en de bouwlieden, om gehouwen stenen te kopen, en hout tot de verbindingen, en balken voor de huizen, die de koningen van Juda vernield hadden.
2Kron 34:12 En die mannen handelden getrouw in dit werk; en de opzieners daarover waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merari, alsook Zacharia en Mesullam, van de kinderen der Kohathieten, om het werk voort te zetten; en die Levieten waren allen vertrouwd met muziekinstrumenten.
2Kron 34:13 Zij waren ook over de lastdragers, en de voormannen van allen, die in enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en ambtlieden, en poortwachters.

2Kron 34:14 En als zij het geld opnamen, dat in het huis des HEEREN gebracht was, vond de priester Hilkia het wetboek des HEEREN, gegeven door de hand van Mozes.
2Kron 34:15 En Hilkia antwoordde en zei tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEEREN. En Hilkia gaf Safan dat boek.
2Kron 34:16 En Safan droeg dat boek tot de koning; ook deed hij nog de koning verslag, zeggende: Al wat in de hand van uw knechten is gegeven, dat doen zij;
2Kron 34:17 En zij hebben het geld genomen, dat in het huis des HEEREN gevonden is, en hebben het gegeven in de hand van de opzichters, en in de hand van degenen, die het werk maakten.
2Kron 34:18 Voorts gaf Safan, de schrijver, de koning te kennen, zeggende: Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht van de koning.
2Kron 34:19 Het geschiedde nu, als de koning de woorden van de wet hoorde, dat hij zijn klederen scheurde.
2Kron 34:20 En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, de zoon van Safan, en Abdon, de zoon van Micha, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende:
2Kron 34:21 Gaat heen, vraagt de HEERE voor mij, en voor degenen, die zijn overgebleven in Israel en in Juda, over de woorden van dit boek, dat gevonden is; want de toorn des HEEREN is groot, die over ons uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord des HEEREN, om te doen naar al hetgeen in dat boek geschreven is.
2Kron 34:22 Toen ging Hilkia heen met de afgevaardigden van de koning, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tokhath, de zoon van Hasra, de kledingbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het tweede deel; en zij spraken alzo tot haar.
2Kron 34:23 En zij zei tot hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israel: Zegt de man, die ulieden tot mij gezonden heeft:
2Kron 34:24 Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats en over haar inwoners brengen; al de vloeken, die geschreven zijn in het boek, dat men voor het aangezicht van de koning van Juda gelezen heeft.
2Kron 34:25 Daarom dat zij Mij verlaten, en andere goden gewierookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle werken van hun handen; zo zal Mijn toorn uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.
2Kron 34:26 Maar tot de koning van Juda, die ulieden gezonden heeft, om de HEERE te vragen, tot hem zult gij alzo zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van Israel: Aangaande de woorden, die gij hebt gehoord;
2Kron 34:27 Omdat uw hart geraakt is, en gij u voor het aangezicht Gods vernederd hebt, toen gij Zijn woorden hoorde tegen deze plaats en tegen zijn inwoners, en hebt u vernederd voor Mijn aangezicht, en uw klederen gescheurd, en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.
2Kron 34:28 Zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al dat kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats en over zijn inwoners brengen zal. En zij brachten de koning dit antwoord weer.

2Kron 34:29 Toen zond de koning heen, en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem.
2Kron 34:30 En de koning ging op in het huis des HEEREN, en al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, evenals de priesters en de Levieten, en al het volk, van de grote tot de kleine toe; en men las voor hun oren al de woorden van het boek van het verbond, dat in het huis des HEEREN gevonden was.
2Kron 34:31 En de koning stond op zijn standplaats, en maakte een verbond voor het aangezicht des HEEREN, om de HEERE na te wandelen, en om Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, met zijn hele hart en met zijn hele ziel, te onderhouden, doende de woorden van het verbond, die in dat boek geschreven zijn.
2Kron 34:32 En hij deed allen, die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, staan; en de inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond van God, de God van hun vaderen.
2Kron 34:33 Josia dan deed alle gruwelen weg uit alle gebieden, die van de kinderen Israels waren, en maakte allen, die in Israel gevonden werden, te dienen, te dienen de HEERE, hun God; al zijn dagen weken zij niet af van de HEERE, de God van hun vaderen, na te volgen.

Hoofdstuk 35
2Kron 35:1 Daarna hield Josia het pascha de HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op de veertiende van de eerste maand.
2Kron 35:2 En hij stelde de priesters op naar hun diensten; en hij sterkte hen tot de dienst van het huis des HEEREN.
2Kron 35:3 En hij zei tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die de HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij behoeft niet meer een last op de schouders te dragen; dient nu de HEERE, uw God, en Zijn volk Israel;
2Kron 35:4 En bereidt u voor, naar de huizen van uw vaderen, naar uw afdelingen, naar het voorschrift van David, de koning van Israel, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;
2Kron 35:5 En staat in het heiligdom, naar de afdelingen van de vaderlijke huizen, voor uw broeders, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten;
2Kron 35:6 En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broeders, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes.
2Kron 35:7 En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasoffers, voor alle aanwezigen, ten getale van dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van de veestapel van de koning.
2Kron 35:8 Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesters, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en JehiŽl, de oversten van het huis Gods, gaven de priesters tot paasoffers, tweeduizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.
2Kron 35:9 Daartoe Chonanja, en Semaja, en NethaneŽl, zijn broeders, alsook Hasabja, en JeÔ-el, en Jozabad, de oversten der Levieten, gaven de Levieten tot paasoffers, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.
2Kron 35:10 Alzo werd de dienst toebereid; en de priesters stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun afdelingen, naar het gebod van de koning.
2Kron 35:11 Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.
2Kron 35:12 En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de afdelingen der vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om de HEERE te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en alzo met de runderen.
2Kron 35:13 En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het voorschrift; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het gezwind onder al het volk.
2Kron 35:14 Daarna bereidden zij ook voor zichzelf en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Ašron, waren tot aan de nacht bezig met het offeren van de brandoffers en het vet; daarom bereidden de Levieten voor zichzelf, en voor de priesters, de zonen van Ašron.
2Kron 35:15 En de zangers, de zonen van Asaf, stonden in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, de ziener van de koning, zo ook de poortwachters aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, omdat hun broeders, de Levieten, voor hen bereidden.
2Kron 35:16 Alzo werd de hele dienst des HEEREN op die dag beschikt, om pascha te houden, en brandoffers op het altaar des HEEREN te offeren, naar het gebod van de koning Josia.
2Kron 35:17 En de kinderen Israels, die er gevonden werden, hielden het pascha op die tijd, en het feest der ongezuurde broden, zeven dagen.
2Kron 35:18 Daar was ook geen pascha als dat in Israel gehouden, van de dagen van Samuel, de profeet, af; en geen koningen van Israel hadden zulk een pascha gehouden, gelijk als Josia hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israel, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.
2Kron 35:19 In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, werd dit pascha gehouden.

2Kron 35:20 Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, trok Necho, de koning van Egypte, op, om te strijden tegen Karchemis, aan de Eufraath; en Josia trok uit hem tegemoet.
2Kron 35:21 Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.
2Kron 35:22 Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij vermomde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit de mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.
2Kron 35:23 En de schutters troffen de koning Josia. Toen zei de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.
2Kron 35:24 En zijn knechten namen hem weg van zijn wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven van zijn vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.
2Kron 35:25 En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; evenzo alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op deze dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.
2Kron 35:26 Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN;
2Kron 35:27 Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en van Juda.

Hoofdstuk 36
2Kron 36:1 Toen nam het volk van het land Joahaz, de zoon van Josia, en zij maakten hem koning, in plaats van zijn vader, te Jeruzalem.
2Kron 36:2 Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem.
2Kron 36:3 Want de koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud.
2Kron 36:4 En de koning van Egypte maakte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar zijn broer Joahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte.
2Kron 36:5 Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de ogen van de HEERE, zijn God.
2Kron 36:6 Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren.
2Kron 36:7 Nebukadnezar bracht ook van de vaten van het huis des HEEREN naar Babel, en plaatste ze in zijn tempel te Babel.
2Kron 36:8 Het overige nu van de geschiedenissen van Jojakim, en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israel en Juda; en Jojachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
2Kron 36:9 Acht jaren was Jojachin oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.
2Kron 36:10 En met het aanbreken van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis des HEEREN; en hij maakte zijn broeder Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.

2Kron 36:11 Een en twintig jaren was Zedekia oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem.
2Kron 36:12 En hij deed dat kwaad was in de ogen van de HEERE, zijn God; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van de profeet Jeremia, sprekende uit de mond des HEEREN.
2Kron 36:13 Daarbij werd hij ook afvallig tegen de koning Nebukadnezar, die hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot de HEERE, de God van Israel.
2Kron 36:14 Ook maakten alle oversten der priesters, en het volk, de overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen van de heidenen; en zij verontreinigden het huis des HEEREN, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem.
2Kron 36:15 En de HEERE, de God van hun vaderen, zond tot hen, door de hand van Zijn boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.
2Kron 36:16 Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelf tegen Zijn profeten; totdat de toorn des HEEREN tegen Zijn volk ontstak, dat er geen helen aan was.
2Kron 36:17 Want Hij deed tegen hen opkomen de koning der ChaldeŽn, die hun jongemannen met het zwaard in het huis van hun heiligdom doodde, en hij verschoonde de jongemannen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.
2Kron 36:18 En alle vaten van het huis Gods, de grote en de kleine, en de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van de koning en van zijn vorsten, dit alles voerde hij naar Babel.
2Kron 36:19 En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten daarvan.
2Kron 36:20 En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot de regering van het koninkrijk van PerziŽ;
2Kron 36:21 Opdat het woord des HEEREN vervuld werd, door de mond van Jeremia, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.

2Kron 36:22 Maar in het eerste jaar van Kores, koning van PerziŽ, opdat volbracht werd het woord des HEEREN, door de mond van Jeremia, wekte de HEERE de geest op van Kores, koning van PerziŽ, dat hij een boodschap liet doorgaan door zijn hele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
2Kron 36:23 Zo zegt Kores, koning van PerziŽ: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is; wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.

Aantekeningen

22:2 zie 2Kon 8:26