Sadhoe Soendar Singh

Voorwoord

De woorden van Christus:
”Gij noemt mij Meester en Heer; en gij zegt wel, want Ik ben het.” (Joh. 13 : 13)
“Neemt mijn juk op u en leert van mij en gij zult rust vinden voor uwe zielen.” (Matth. 11: 29)
Zo volmaakt is er niets ter wereld, of er kan aanmerking op gemaakt worden. Zelfs de zon, die ons licht en warmte geeft, is niet zonder vlekken, maar desondanks volbrengt zij dagelijks haar plicht. Zo past het ons ook zoveel mogelijk onze krachten in te spannen voor hetgeen ons toevertrouwd is en voortdurend te proberen ons leven vruchtbaar te maken. De waarheden, die in dit boek besproken worden en door mijn Meester aan mij geopenbaard zijn, hadden grote invloed op mijn leven en sommige ervan zijn door mij gebruikt in mijn preken en toespraken in Europa, Amerika, Australië en Azië. Op verzoek van vele vrienden heb ik ze nu verzameld in dit boekje en hoewel het mogelijk is, dat ik ze gebrekkig weergeef, ben ik er toch van overtuigd, dat zij die ze biddend en zonder vooroordeel lezen, er evenveel nut van zullen hebben als ik zelf. Het was mij niet mogelijk deze mij geopenbaarde waarheden anders mede te delen dan in figuurlijke taal, maar het gebruik van gelijkenissen heeft mijn taak betrekkelijk gemakkelijk gemaakt. Ik bid, dat God iedere lezer moge zegenen zoals Zijn genadige goedheid mij heeft gezegend door deze waarheden.

Uw onderdanige dienaar, Sundar Singh 30 Juni 1922.


Inleiding.

Eerste gezicht

Eens in een donkere nacht ging ik alleen het bos in om te bidden. Ik ging zitten op een rots, legde voor God mijn diepste behoeften neer en smeekte Hem om bijstand. Na korte tijd zag ik een arme man op mij toekomen. Ik dacht, dat hij mijn hulp kwam inroepen, want hij was koud en had honger. Ik zei tot hem: “Ik ben maar een arm mens en behalve deze deken bezit ik niets. Je kunt beter naar het dorp gaan, dat hier vlak bij is en daar hulp zoeken.” En terwijl ik dat zei, schoot hij weg als het licht en was, druppels van zegen verspreidend, in een ogenblik verdwenen. Helaas! helaas! nu was het mij duidelijk, dat het mijn dierbare Meester was, Die van mij, arm schepsel, niets kwam vragen, maar Die kwam om te zegenen en mij rijk te maken (2 Kor. 8 : 9) en zo bleef ik achter wenend en klagend over mijn dwaasheid en gemis aan inzicht.

Tweede gezicht

Op een andere dag, toen mijn werk af was, ging ik weer het bos in om te bidden. Gezeten op een rots, dacht ik erover na welke zegeningen ik zou afsmeken. Zo in gedachten verzonken, scheen het mij toe, dat er iemand naast mij kwam staan, die, naar zijn houding, kleding en wijze van spreken te oordelen, een eerwaardige, vrome dienaar van God moest zijn, maar uit zijn ogen blonk listige sluwheid en hellelucht scheen hij uit te ademen toen hij sprak. Hij sprak mij aldus aan: “Heilige, eerwaarde heer, vergeef het mij, dat ik u in uw gebed en overpeinzing stoor, maar het is iemands plicht het voordeel van anderen te zoeken en daarom kom ik u iets belangrijks voorstellen. Uw rein, onbaatzuchtig leven heeft niet alleen op mij, maar ook op vele vrome mensen, diepe indruk gemaakt. Maar hoewel u in des Heren Naam ziel en lichaam hebt opgeofferd voor anderen, heeft men u nooit echt gewaardeerd. Naar mijn mening oefent u slechts op een paar duizend Christenen invloed uit en velen van hen vertrouwen u ook nog niet eens. Hoeveel beter zou het niet zijn, als u Hindoe of Mohammedaan werd en daardoor inderdaad een groot leider. Zulk een geestelijk hoofd wordt gezocht. Als u mijn voorstel aanneemt, zullen driehonderd tien miljoen Hindoes en Mohammedanen uw volgelingen worden en u eerbiedig hulde brengen.”
Zodra ik dit hoorde, kwamen de volgende woorden snel over mijn lippen: “U bent Satan, ga heen! Ik merkte dadelijk, dat u een wolf bent in schaapskleren. Uw enige wens is, dat ik het kruis en het smalle pad, dat ten leven leidt, zal verlaten en de brede weg, die ten verderf voert, zal kiezen. Ga dus weg, want ik heb niets met u te maken.”
Toen hij deze woorden hoorde, ging hij morrend en grommend van woede weg.
Ik daarentegen stortte in tranen mijn ziel uit in gebed voor Gods troon en bad: “Here, mijn God, mijn alles, Leven van mijn leven, Geest van mijn geest, zie in genade op mij neer en vervul mij zo met Uw Heilige Geest, dat er geen andere gave is dan Uzelf, die de Gever van het leven en van alle weldaden bent.
Om de wereld met haar schatten vraag ik niet, zelfs om de Hemel bid ik niet, alleen U wens ik te hebben en naar U gaat mijn verlangen, want waar U bent, daar is de Hemel. Alleen U kunt de honger en de dorst van mijn hart, dat door U is geschapen, stillen.
O, mijn Schepper, voor U Zelf alleen hebt U mij een hart gegeven, niet voor anderen, daarom kan dit hart mij geen rust of duur doen vinden dan in U, Die het formeerde en het verlangen er in wrocht. Neem dan alles weg uit mijn hart, wat U tegenstaat en maak er woning en heers er in voor eeuwig. Amen.”
Toen ik van mijn bidden opstond, zag ik een blinkend Wezen, bekleed met licht en schoonheid, voor mij staan. Ofschoon Hij niet één woord sprak en mijn ogen dof waren van de tranen, zodat ik Hem niet duidelijk genoeg aanschouwde, stroomden er uit Hem als lichtstralen van levenwekkende liefde met zoveel kracht, dat zij mijn gehele ziel vervulden. Onmiddellijk herkende ik mijn dierbare Heiland, Die voor mij stond. Dadelijk rees ik op van de rots, waar ik op zat en viel Hem te voet. In Zijn hand hield Hij de sleutels van mijn hart. Met Zijn sleutel der Liefde opende Hij de binnenkamers van mijn hart en vervulde het met Zijn tegenwoordigheid en waar ik ook heen zag, naar binnen of naar buiten, daar aanschouwde ik slechts Hem.
Toen leerde ik, dat juist een mensenhart de troon en sterke woning Gods is, en dat de Hemel begint, waar Hij binnenkomt om woning te maken. In deze weinige ogenblikken vervulde Hij mijn hart zozeer en sprak Hij zulke wondervolle woorden, dat ik ze niet alle zou kunnen mededelen, zelfs al schreef ik vele boeken. Want deze hemelse dingen kunnen alleen in hemeltaal verklaard worden; aardse talen zijn daartoe ontoereikend. Toch zal ik proberen, iets van dit hemelse neer te schrijven, dat als visioen tot mij kwam van mijn Meester. Op de rots, waar ik zojuist zat, ging Hij zitten en terwijl ik aan Zijn voeten zat, begon tussen Meester en discipel het volgende gesprek.

Hoofdstuk 1. De Openbaring van Gods tegenwoordigheid.

Afdeling 1

De discipel: O Meester, Bron des Levens! Waarom verbergt U Uzelf voor Uw aanbidders, en waarom verheugt U niet de ogen van hen, die U verlangen te zien?

De Meester:

1. Mijn dierbaar kind, het waarachtig geluk hangt niet af van het zien met de ogen, maar van het zien met de geest, het hangt af van het hart. In het land Israël hebben duizenden Mij destijds aanschouwd, maar niet daardoor verkreeg iemand het echte geluk. Door het sterfelijk oog kan slechts wat sterfelijk is, gezien worden; want het vleselijk oog kan geen onsterfelijke God of geesten aanschouwen. Zo kunt U bijvoorbeeld uw eigen geest niet zien, hoe zou u dan uw Schepper aanschouwen? Maar wanneer het oog des geestes open is, dan zult U zeker Hem zien, Die een Geest is (Joh. 4:24) en wat U nu van Mij ziet, ziet U niet met het lichamelijk oog, maar met het oog van de geest. Indien, zoals U weet, duizenden Mij in het land Israël zagen, was dan het geestesoog van allen geopend, of maakte Ik Mij Zelf vleselijk? Het antwoord luidt: Ik nam een sterfelijk lichaam aan, zodat Ik daardoor het rantsoen voor de zonden der wereld kon betalen; en toen het werk der redding van zondaren voltooid was (Joh.19:30), toen heeft het onsterfelijke het sterfelijke verheerlijkt.
Daarom konden na de opstanding slechts diegenen Mij zien, die een geestesoog hadden ontvangen (Hand. 10:40,41).

2. Velen zijn er op deze wereld, die wel kennis over Mij hebben, maar Mij niet kennen. Dat wil zeggen: zij staan niet in persoonlijke betrekking tot Mij. Daarom hebben zij geen waar begrip van of geloof in Mij en nemen Mij niet aan als hun Heer en Heiland. Het is als sprak iemand met een blindgeborene over verschillende kleuren, zoals rood, blauw of geel. De blindgeborene kent de schoonheid en bekoorlijkheid niet ervan. Hij kan er ook weinig waarde aan hechten, omdat hij er alleen de verschillende namen van weet. Maar het ware begrip der kleuren heeft hij pas dan als zijn ogen geopend zijn. Evenmin kan iemand, wiens geestesoog gesloten is, Mij kennen of Mijn glorie zien. Hij kan niet begrijpen, dat Ik het vleesgeworden Woord ben.

3. Er zijn vele gelovigen, die zich van Mijn tegenwoordigheid in hun hart bewust zijn, omdat deze tegenwoordigheid hun vrede en geestelijk leven brengt, maar zij zien Mij niet werkelijk. Het is er mee als met het oog, dat vele dingen ziet, maar het medicijn, dat iemand in zijn oog druppelt, ziet het niet, doch het voelt, dat het aanwezig is en het oog schoon maakt en de gezichtssterkte vergroot.

4. De echte vrede, die door Mijn tegenwoordigheid in de harten der ware gelovigen geboren wordt, kan men niet zien, maar wel zijn kracht gevoelen en daardoor gelukkig worden. Evenmin ziet men het geluk van verstand en hart, waarmee de vrede van Mijn tegenwoordigheid genoten wordt. Zoo is het ook met de tong en lekkernijen. Het vermogen van de smaak, dat in de tong zetelt en de zoetheid, die geproefd wordt, zijn beide onzichtbaar. Zo geef ik Mijn kinderen leven en vreugde door het verborgen manna, dat de wereld niet kent of kan verstaan (Openb. 2:7)

5. Gedurende een ziekte gaat het smaakvermogen soms verloren en in die tijd heeft het voedsel, hoe lekker ook, voor de zieke een slechte smaak. Zo doet de zonde het vermogen om geestelijke dingen te smaken op dezelfde wijze te niet. In deze omstandigheden verliezen Mijn Woord en dienst en Mijn tegenwoordigheid hun aantrekkelijkheid voor de zondaar en in plaats van te genieten, begint hij te redeneren en te kritiseren.

6. Dan zijn er ook vele gelovigen die, zoals de blindgeborene toen hij het gezicht terugkreeg, wel Jezus als Profeet en de Zoon des mensen kunnen zien, maar Hem niet beschouwen als de Christus en de Zoon Gods, zolang Ik Mij niet ten tweede male aan hen krachtig openbaar.

7. Een moeder verborg zich eens in een tuin tussen het dichte struikgewas en haar zoontje ging haar overal zoeken, al huilend. Hij liep de hele tuin door zonder haar te vinden. Toen zei een knecht tot hem: “Huil niet, jongetje, kijk eens naar de mango’s aan deze boom en de mooie, lieve bloemen in de tuin. Kom, ik zal er een paar voor je plukken.” Maar het kind riep uit: “Nee, nee, mijn moeder moet ik hebben. Het voedsel, dat zij mij geeft, is lekkerder dan al de mango’s en haar liefde veel heerlijker dan al deze bloemen, en U weet best, dat deze hele tuin van mij is, want alles wat van mijn moeder is, is van mij. Neen, mijn moeder moet ik hebben.” Toen de moeder, die in de struiken verborgen was, dit hoorde, snelde zij te voorschijn, drukte het kind aan haar borst, overlaadde het met kussen en die tuin werd een paradijs voor het kind. Zo kunnen Mijn kinderen in deze grote tuin der wereld, zo vol bekoorlijks en schoons, geen waarachtige blijdschap vinden, voor zij Mij hebben gevonden. Ik ben hun Immanuel, die steeds met hen is en Ik openbaar Mij Zelf aan hen (Joh. 14:21)

8. Een spons in het water, wordt met water gevuld, maar het water is de spons niet en de spons niet het water, doch het blijven twee onderscheiden dingen. Zo zijn Mijn kinderen in Mij en Ik in hen. Dit is geen pantheïsme, maar het Koninkrijk Gods, dat opgericht wordt in de harten van hen, die in deze wereld zijn. Zoals het water in de spons, zo ben Ik in elke plaats en in alles, maar zij en Ik zijn niet dezelfden. (Luc. 17:21)
9. Neem eens een stuk houtskool. Hoe U het ook wast, de zwartheid zal niet verdwijnen, maar laat het vuur er eens bij komen en de donkere kleur verdwijnt. Zo gaat het ook, wanneer de zondaar de Heilige Geest ontvangt (die van de Vader en Mij uitgaat, want Ik en de Vader zijn één), dat is: met vuur gedoopt wordt. Dan wordt de zwartheid der zonde verdreven en hij wordt een licht, schijnende in de wereld (Matth. 3:11, 5:14). Gelijk een vuur in houtskool, zo ben Ik in Mijn kinderen en zij in Mij en Ik openbaar Mij aan de wereld door hen.

Afdeling 2

De discipel: Meester, als U Zich eens op bijzondere wijze aan de wereld zou willen openbaren, zouden de mensen niet langer twijfelen aan het bestaan van God en aan Uw eigen Godheid, maar allen zouden geloven en het pad der gerechtigheid betreden.

De Meester:
1. Mijn zoon, Ik ken de innerlijke toestand van ieder mens goed en aan ieder hart openbaar Ik Mij naar behoefte. En om de mensen het pad der gerechtigheid te doen betreden, is er geen beter middel dan Mij te openbaren. Ik werd een mens voor de mens, opdat hij God zou leren kennen, niet als een vreemd, verschrikkelijk Wezen, maar vol van liefde en de mens gelijkend, want hij is Hem gelijk, geschapen naar Zijn beeld. De mens heeft het natuurlijk verlangen Diegene te zien, in wie hij gelooft en die hij liefheeft. Maar de Vader kan niet aanschouwd worden, want Hij is van nature onbegrijpelijk en wie Hem zou begrijpen,zou dezelfde natuur moeten hebben. Doch de mens is een begrijpelijk schepsel en kan daarom God niet zien. Omdat God evenwel Liefde is en Hij de mens het vermogen gegeven heeft om lief te hebben, daarom heeft Hij om dat verlangen naar liefde te bevredigen, een gestalte aangenomen, die begrepen kon worden. Zo werd Hij mens en Zijn kinderen met al Zijn heilige engelen kunnen Hem zien en in Hem verblijd zijn (Kol. 1:15).
Daarom zei Ik: “Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien.”
(Joh. 14:9-10) En hoewel Ik in de gedaante van een mens de Zoon genoemd word, zo ben Ik toch de eeuwige Vader (Jes.9:5).

2. Ik en de Vader en de Heilige Geest zijn Eén. In de zon is warmte en licht, maar de warmte is niet het licht en het licht is niet de warmte, en toch zijn beiden één ofschoon zij zich in verschillende vormen openbaren. Zo brengen ook Ik en de Heilige Geest, die van de Vader uitgaan, licht en warmte aan de wereld. De Heilige Geest, die met vuur doopt, verbrandt in de harten der gelovigen alle zonde en ongerechtigheid tot as en maakt die harten zuiver en heilig. Ik, die het Ware Licht ben (Joh. 1:9, 8:12) verdrijf alle duisternis en kwade begeerten en leid hen in het spoor der gerechtigheid en breng hen ten laatste naar hun eeuwig huis. Toch zijn wij niet drie, maar Eén, juist zoals de zon slechts één is.

3. Met welke eigenschappen, krachten en vermogens God de mens ook begiftigd heeft, zij moeten gebruikt worden, opdat ze niet langzamerhand minder worden en sterven. Zo zal het geloof, tenzij het waarlijk in de levende God wortelt, door de schok der zonde verpletterd worden en veranderd in twijfel. Vaak hoort men zeggen: “Indien deze of die twijfel weggenomen wordt, ben ik bereid te geloven.” Dit is, alsof iemand met een gebroken been de dokter zou vragen de pijn weg te nemen, voor hij het been zet. Dit is natuurlijk dwaas, want de pijn komt van het gebroken been en als dit gezet is, verdwijnt die pijn vanzelf. Zo verscheurt de mens door zijn zonde de band, die hem met God verbindt en de twijfel, dat is geestelijke pijn, ontstaat. Daarom is het nodig het verbond met God te vernieuwen, dan zullen deze twijfels ten opzichte van Mijn Godheid en het bestaan van God vanzelf verdwijnen. Dan zal er in plaats van pijn die wonderlijke vrede komen, die de wereld niet kan geven noch wegnemen. Daartoe kwam Ik in het vlees, opdat er weer eenheid zou wezen tussen God en de gebroken mens en hij voor eeuwig met Hem in de hemel gelukkig zou zijn.

4. God is liefde, en elk levend schepsel heeft Hij het vermogen om lief te hebben ingeschapen, in het bijzonder de mens. Daarom is het niet anders dan juist, dat de “liefde” die ons leven, verstand en liefde gaf, zelf de hem verschuldigde schatting der liefde ontvangt. Zijn verlangen gaat uit naar allen, die Hij heeft geschapen en indien deze liefde niet op de juiste wijze gebruikt wordt en als wij niet met hart en ziel en zinnen, met alle kracht Hem beminnen, Die ons de liefde heeft gegeven, dan valt die liefde van haar hoge voetstuk en wordt zelfzucht. Dan komen de rampen voor ons zelf en voor andere schepselen Gods. Elk zelfzuchtig mens wordt een zelfmoordenaar, vreemd genoeg. Ik heb dit ook gezegd: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Niet alsof alle mensen in zekere zin elkaars naasten zouden zijn, maar het slaat in het bijzonder op degenen, die gewoonlijk in elkaars nabijheid wonen.
Want het is makkelijk voor enige dagen in vrede te leven met iemand, die vlak bij ons is, zelfs al is hij onvriendelijk, maar als iemand bij u woont en dagelijks een bron van ergernis voor u is, dan is het moeilijk hem te verdragen en te beminnen als u zelf. Maar als U in deze grote strijd hebt overwonnen, dan zal het makkelijker worden, allen lief te hebben als uzelf.
Wanneer men met hart, verstand en ziel God liefheeft, en zijn naaste als zich zelf, dan is er geen plaats voor twijfels, maar dan zal in hem het Koninkrijk Gods opgericht worden, dat nimmer eindigt en hij zal, gesmolten en gevormd in de smeltkroes van het vuur der liefde, een beeld van zijn hemelse Vader worden, Die in de beginne hem naar Zijn beeld maakte, Hem gelijkend.

5. Ook openbaar Ik Mij Zelf door Mijn Woord (de Bijbel) aan hen, die Mij met oprecht hart zoeken. Gelijk Ik voor de zaligheid van het mensdom een menselijk lichaam aannam, zo is ook Mijn Woord, dat Geest en Leven is (Joh. 6:63) geschreven in mensentaal, dat wil zeggen, daar zijn geïnspireerde en menselijke elementen in verenigd. Maar evenals de mens Mij niet begrijpt, zo begrijpt hij ook Mijn Woord niet. Om het te begrijpen is kennis der Griekse en Hebreeuwse taal niet noodzakelijk, maar wat wel nodig is, is de gemeenschap des Heilige Geestes, in Wie blijvende, de apostelen en profeten schreven.
Ongetwijfeld is de taal van dit woord geestelijk en wie uit de Geest geboren is, kan ze ten volle verstaan, of hij bekend is met de kritiek van de wereld of slechts een kind is, want die geestelijke taal wordt door hem verstaan, omdat het zijn moedertaal is. Maar bedenk, dat zij, wier wijsheid slechts van deze wereld is, haar niet verstaan, want zij hebben geen deel aan de Heilige Geest.

6. In het boek der natuur, waarvan Ik ook de Schrijver ben, openbaar Ik Mij algemeen. Maar ook voor dit boek is geestelijk inzicht nodig, wil men Mij vinden, anders bestaat het gevaar van verdwalen in plaats van vinden. Zo gebruikt een blinde de toppen van zijn vingers als ogen, en door het gevoel alleen leest hij een boek, maar aanraken alleen doet hem niet de werkelijke waarde van de waarheid beseffen. De onderzoekingen van de agnostici en sceptici bewijzen dit, want in plaats van volmaking zien zij alleen feilen.
Bedilzieke critici vragen: “Als er een Almachtige Schepper van de wereld is, waarom heeft die wereld dan zulke gebreken, zoals
orkanen, aardbevingen, eclipsen, pijn, smart, dood en dergelijke dingen?” De dwaasheid van deze kritiek is gelijk aan die van een leek, die wat aan te merken heeft op een onvoltooid gebouw of schilderij, dat niet af is. Na enige tijd, als hij ziet, dat alles klaar is, schaamt hij zich over zijn dwaasheid en zingt tenslotte hun lof. Zo gaf God niet in één dag aan deze wereld haar tegenwoordige vorm, en wil ook niet in één dag haar volmaking bereiken. De hele schepping bevindt zich op de weg van de volmaking, en als het voor een mens van deze wereld mogelijk was met Gods ogen van verre de volmaakte wereld te aanschouwen, de wereld zonder gebreken, dan zou hij vol lof voor Hem neervallen en zeggen: “Alles is zeer goed.”

7. De menselijke geest bevindt zich in het lichaam zo ongeveer als het kuiken in het ei. Indien het mogelijk was aan de vogel in de dop te zeggen, dat er buiten de schaal een grote, wijde wereld was, met allerlei vruchten en bloemen, met rivieren en grote bergen, dat zijn moeder daar ook was, en dat hij alles zou zien, wanneer hij maar uit de dop was, hij zou het niet kunnen begrijpen of geloven. Zelfs als iemand hem zou zeggen, dat zijn veren en ogen, die nu voor gebruik gereed zijn, hem in staat zullen stellen te zien en te vliegen, dan zou hij het niet geloven en geen bewijs zou mogelijk zijn voor hij uit de eierschaal was.
Zo zijn er ook velen, die twijfelen aan het toekomstig leven en het bestaan van God, omdat zij niet verder kunnen zien dan de schaal van hun lichaam en omdat hun gedachten, als zwakke vleugels, hen niet dragen kunnen buiten het beperkte gebied van hun verstand. Hun zwakke ogen kunnen deze eeuwige en onvergankelijke schatten, die God bereid heeft voor degenen, die Hem liefhebben, niet ontdekken (Jesaja 64:4, 65:17). De noodzakelijke voorwaarde voor het verkrijgen van dit eeuwig leven is, dat als wij nog in dit lichaam zijn, wij van de Heilige Geest door het geloof die levenwekkende warmte ontvangen moeten, die het kuiken van zijn moeder krijgt, anders bestaat het gevaar van de dood en eeuwig verderf.

8. Weer anderen zeggen, dat iets dat een begin heeft, ook een einde moet hebben, dus ook het leven. Dit is niet waar; want is het niet de Almachtige, die naar Zijn wil uit niets iets kan maken en dus ook door het Woord van Zijn kracht onsterfelijkheid kan schenken aan wat Hij maakte?
Anders zou Hij niet de Almachtige wezen. Het leven op aarde blijkt onderworpen aan vergankelijkheid en vernietiging omdat het in verband staat met dingen, die zelf veranderlijk en vergankelijk zijn. Maar zo dit leven bevrijd was van de invloed van deze veranderlijkheid en vergankelijkheid en onder de hoede kwam van de eeuwige, onveranderlijke God, Die de fontein en de bron van het eeuwige leven is, dan zou het aan de greep van de dood ontsnappen en onsterfelijkheid verkrijgen. Voor dezen, die in Mij geloven, luidt het: “Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal ze uit Mijn hand rukken.”(Joh.10:28)
“Ik ben God de Almachtige, Die is, Die was en Die komen zal.”(Opb. 1:8)

Hoofdstuk 2. Zonde en behoud.

Afdeling 1

De discipel: Meester, het is voor bijna iedereen duidelijk, dat ongehoorzaamheid aan God en het nalaten om Hem te aanbidden zonde is en dat men daarvan de dodelijke gevolgen kan zien in de tegenwoordige situatie van de wereld. Maar wat de zonde in werkelijkheid is, is niet geheel duidelijk. Hoe kwam de zonde er toch, in Gods tegenwoordigheid, tegen Zijn wil en in Zijn eigen wereld?

De Meester: 1. Zonde is: de wil van God opzij zetten om overeenkomstig eigen wil te leven; verlaten wat eerlijk en wettig is om aan eigen wensen te voldoen, in de mening daardoor gelukkig te worden. Maar door zo te handelen, krijgt niemand het ware geluk, geniet niemand ware vreugde. Zonde heeft geen individualiteit. Niemand kan dus zeggen, dat iemand de zonde schiep. Het is eenvoudig de naam van een toestand of staat.

2. Er is maar één Schepper en Hij is goed. Een goede Schepper zou geen slecht ding hebben kunnen scheppen, want dat zou tegen Zijn natuur zelf zijn. En behalve deze ene Schepper is er niemand, die de zonde zou hebben kunnen scheppen. Satan kan slechts bederven, wat reeds geschapen is, maar de macht om iets te scheppen, bezit hij niet.
Daarom is de zonde niet een deel van de schepping, evenmin heeft zij een onafhankelijk bestaan, zodat ze kon geschapen worden. Het is eenvoudig een bedriegelijke en verwoestende staat van zijn. Zo heeft het licht een werkelijk bestaan, maar de duisternis niet; dat is slechts een toestand, waarin licht afwezig is. Evenzo is zonde of kwaad niet een zelfstandig iets, maar eenvoudig de afwezigheid of het niet bestaan van goed. De donkere toestand van het kwaad is heel verschrikkelijk, want daardoor slaan velen uit de goede koers en lijden schipbreuk op de rotsen van Satan, of vallen in de duisternis van de hel en zijn verloren. Daarom heb Ik Mij als het Licht der Wereld geopenbaard in het vlees, zodat degenen, die op Mij vertrouwen, niet zullen omkomen, want Ik zal ze redden uit de macht der duisternis en ze veilig brengen in de gewenste hemelse haven, waar geen enkele vorm van duisternis is. (Openb. 21:23, 22:5)
U vraagt, hoe deze duistere toestand van zonde toch kwam in de tegenwoordigheid van God de Schepper zelf. Dat kwam, omdat Satan en de mens uit eigen beweging op onwettige en verkeerde manier hun eigen wensen zochten te vervullen. En als U vraagt, waarom God de mens niet zo schiep, dat hij niet tot zulk een staat kon vervallen, dan is het antwoord, dat indien hij was gemaakt als een machine of automaat, hij nooit die staat van geluk bereikt zou hebben, die bereikt wordt door alleen uit eigen keus te handelen. Adam en Eva vielen in de strikken van Satan en werden door hem bedrogen, omdat zij in hun zondeloze staat niet wisten, dat er zo iets bestond als leugen en bedrog. Vroeger wist Satan zelf niets van die hoogmoed, waarvoor hij uit de hemel geworpen werd, omdat hoogmoed vóór hem niet bestond. Maar God heeft door Zijn almachtige kracht van deze staat een nieuw middel gemaakt, zodat Hij uit deze toestand toch de edelste vruchten heeft verkregen.

3. Boven alles werd de grenzeloze liefde van God openbaar in de vleeswording en in de verlossing, die onder andere omstandigheden verborgen zouden zijn gebleven, en in de tweede plaats zal de verloste, nadat hij de bitterheid van de zonde heeft gesmaakt, des te meer de zaligheid van de hemel genieten, evenals na het smaken van iets bitters de zoetheid van de honing des te groter genot geeft. Want in de hemel zondigen zij niet meer, maar in de deemoed en gehoorzame liefde dienen zij God de Vader en blijven met Hem voor eeuwig in de blijdschap. De mensen zijn er op uit gebreken te ontdekken in de zon en maan, zoals vlekken en verduisteringen, maar op de vlekken en verduisteringen van de zonde slaan zij geen acht. Hieruit kunt U nagaan, hoe groot de duisternis in de mens is, wanneer het licht zelf, dat zij bezitten, duisternis is (Matth. 6:23). Zoals het lichaam van de melaatse door zijn ziekte verstijfd en ongevoelig wordt, zo wordt ook het hart en de geest van de mensen door de zonde dof en ongevoelig en geen gevoel van afkeer is er noch pijn. Maar de tijd zal komen, dat hij de verschrikkelijke verwoesting zal zien en dan zal er wening zijn en knarsing der tanden.

4. Velen, die diep in de zonde zitten, zijn onbewust van de last van de zonde, zoals iemand, die duikt, tonnen water boven zich hebben kan en toch geheel onbewust zijn van het gewicht daarvan, totdat hij stikt. Maar wie opkomt uit het water en wat van het water meedragen wil, voelt spoedig de zwaarte, hoe weinig hij ook neemt en wie, het gewicht van zijn zonden voelende, berouwvol tot Mij komt, zal zeker de ware rust ontvangen, want Ik ben gekomen om dezulken te zoeken en zalig te maken (Matth. 18:11, Luc. 19:10).

5. Voor het sterven is het niet nodig, dat elk lid van het lichaam afzonderlijk onnuttig en krachteloos moet wezen. Een zwakte van het hart of de hersenen of een slag erop, kunnen voldoende zijn om aan het leven een einde te maken, hoe sterk en gezond ook de andere lichaamsdelen mogen wezen. Evenzo kan een zonde door haar vergiftigende werking op geest en hart, voldoende zijn om het geestelijk leven te vernietigen, niet slechts van één persoon, maar van heel een geslacht of volk, zelfs van een heel mensenras.
Zodanig was Adams zonde. Maar zoals een woord van Mij Lazarus uit het graf deed rijzen, evenzo is een woord genoeg om eeuwig leven aan allen te schenken.

6. Soms gebeurt het, dat een viervoetig dier of een vogel, na lang bij de mensen verkeerd te hebben, weer naar zijn natuurgenoten terugkeert, maar deze vallen hem aan in plaats van hem welkom te heten, omdat door zijn verblijf en verkeer met de mens zijn gewoonten en manieren geheel veranderd zijn. Als dus de dieren tot hun gemeenschap niet toelaten degenen, die onder de invloed van de mens kwamen, hoe zouden dan de heiligen en de engelen in de hemel welkom kunnen heten die zondaars, die in nauwe gemeenschap stonden met de boze mensen? Dit betekent niet, dat heiligen en engelen geen liefde zouden hebben tot zondige mensen, maar de gehele hemelse atmosfeer zou voor zulke zondaars onaangenaam zijn.
Want het is duidelijk, dat, als in deze wereld de zondaren niet houden van het gezelschap der rechtvaardigen, hoe zouden zij dan in hun samenzijn eeuwig gelukkig kunnen wezen. Zulk een hemel zou hun een even grote afkeer inboezemen als de hel zelf. Veronderstel niet, dat God of Zijn volk zondaren uit de hemel zal weren en ze in de hel neerwerpen, want God, Die Liefde is, werpt nooit iemand in de hel en zal het ook nooit doen. Maar het slechte leven van de zondaar brengt hem in de hel. Al lang voor ons levenseind ons in de hemel of in de hel brengt is de hemel of de hel reeds in het hart van een mens, overeenkomstig zijn goede of boze natuur. Wie daarom van de eeuwige pijn wenst verlost te worden, moet oprecht berouw hebben over zijn zonden en Mij zijn hart geven, opdat door Mijn tegenwoordigheid bij hem en door de werking van de Heilige Geest, hij voor immer een kind van het Koninkrijk Gods moge worden.

7. Een opstandeling tegen een koning of tegen een staatsbestuur, kan op deze wereld zich door de vlucht naar een ander land redden, maar waarheen zal hij vluchten, die tegen God opstaat? Waarheen hij ook gaat, in hemel of dodenrijk, overal zal hij God vinden (Ps. 139:7,8). Veiligheid zal hij slechts vinden in berouw en onderwerping aan zijn God.

8. Voor Adam en Eva waren de vijgenbladeren slechts een te schamele bedekking en daarom gaf Hij hun kleren van vellen. De goede daden van een mens zijn even nutteloos als de vijgenbladeren; zij kunnen hem niet tegen de komende toorn Gods beschermen. Alles is onvoldoende, behalve het kleed van Mijn gerechtigheid.

9. Een nachtvlinder denkt niet aan de brandende, vernielende kracht van de vlam, maar, betoverd door haar schittering, vliegt hij er heen en komt om. Zo ook de mens: geen acht slaande op de vernielende en vergiftigende kracht van de zonde en gevoelig voor haar bekoring, snelt hij naar zijn eeuwig verderf. Mijn licht redt de zondaar van de dood en geeft hem leven en duurzaam geluk. De mens werd zo geschapen, dat hij de kostbare gave van Mijn licht zich toeëigenen kan.

10. Zonde is geen illusie of een zaak van verbeelding, maar door de werking van de boze menselijke wil in de staat van geestelijke duisternis schieten er zulke kwade zaden op, dat zij voor altijd zijn geest bederven en tenslotte ten ondergang voeren, zoals de pokken in korte tijd iemands schoonheid voor altijd vernielen en hem tot afkeer toe lelijk maken. Daar God het kwade niet schiep, schiep Hij ook niet ziekte en lichaamspijnen. Die zijn niets anders dan het natuurlijk gevolg van de ongehoorzaamheid van de mensen.
Pijn en ziekte zijn geen zaken van inbeelding, maar de uiterlijke zichtbare ziekte van de zonde, eigen zonde of zonde van het gezin, waarvan hij een lid is. Als al deze leden berouw hebben en met Mij verenigd worden, dan stroomt Mijn gezondheid brengend bloed door allen en heelt de inwendige, onzichtbare ziekten en geeft hun voor eeuwig gezondheid. Voor zulk een staat van gezondheid werd de mens geschapen, opdat hij voor eeuwig mocht wonen in geluk bij zijn Heer en Meester.

Afdeling 2

De discipel: Meester, sommige geleerden van deze dagen en zo ook hun volgelingen beschouwen Uw verzoening en verlossing door Uw bloed als zonder betekenis en waarde. Zij zeggen, dat Christus slechts een groot leraar en voorbeeld voor ons geestelijk leven was en dat behoud en eeuwige gelukzaligheid van onze eigen pogingen en goede daden afhangen.

De Meester: 1. Vergeet nimmer, dat verstandelijke en godsdienstige begrippen minder te maken hebben met het hoofd dan met het hart, dat de tempel Gods is en als het hart vervuld is met Gods Tegenwoordigheid, is het hoofd ook verlicht. Want de geest en de ogen van het verstand zijn even nutteloos zonder het ware geestelijke licht, als de natuurlijke ogen zonder daglicht. In het donker zou men een touw voor een slang kunnen houden, net zoals de wijzen der wereld de geestelijke waarheid verdraaien en de eenvoudigen op een dwaalspoor brengen.
Toen Satan Eva verleidde, maakte hij geen gebruik van het schaap of de duif, maar van de slang, het listigste van alle dieren. Zo gebruikt hij de wijsheid van de wijzen en de kunde van geleerden, en maakt er werktuigen van, die voor zijn doel geschikt zijn. Maar het is niet genoeg geleerd en knap te zijn. Men moet ook de onschuld van een duif bezitten, daarom heb Ik ook gezegd:
“Wees listig als de slangen en oprecht als de duiven.” (Matth. 10:16)

2. Mijn kruis van verzoening doet hetzelfde voor de gelovigen als de koperen slang voor de Israëlieten, want wie daarheen opzag met het oog des geloofs werd behouden (Num. 21:9, Joh.3:14,15). Daar waren er, die in plaats van te geloven, kritiek begonnen uit te oefenen door te zeggen: “Als Mozes een tegengif had gegeven of een krachtig medicijn of bijzonder geneesmiddel tegen deze venijnige slangen, dan zou dat iets zijn om in te geloven, maar welke macht heeft deze stok tegen venijn?” Die allen stierven. Zo zullen ook in onze dagen degenen, die vitten op de methode van zalig worden, door God aangewezen, omkomen in het vergif van hun eigen zonde.

3. Een jongeling viel in een afgrond , bezeerde zich zozeer en verloor zoveel bloed, dat hij op het punt was te sterven. Toen de vader hem naar de dokter bracht, zei deze: “Het leven is het bloed en de voorraad bloed van deze jongen is uitgeput, maar als iemand bereid is zijn eigen leven op te offeren, kan hij herstellen, anders moet hij sterven.” De vader, wiens hart vol liefde was voor zijn zoon, bood zijn eigen bloed aan. Dit werd in de aderen van de jongeling gespoten en zo herstelde hij. De mens is gevallen van de berg der heiligheid en ligt gebroken en verwond door zijn zonden ter neder en door deze wonden ebt zijn geestelijk leven weg en is de dood nabij. Maar voor hen, die in Mij geloven, vergiet Ik Mijn eeuwigdurend, geestelijk bloed, opdat zij gered mogen worden van de dood en het eeuwige leven verkrijgen.
Hiertoe ben Ik gekomen, opdat zij het leven hebben en overvloed (Joh. 10:10) en zo voor altijd leven.

4. In oude tijden was het de mens verboden het bloed van dieren te drinken of zeker voedsel te gebruiken in de mening, dat hij aldus aan bepaalde ziekten niet blootgesteld zou zijn en dat ook zijn dierlijke neigingen, omdat een mens een dierlijk lichaam bezit, niet zouden versterkt worden door het eten van vlees of het drinken van bloed. Maar “Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank”, want daardoor wordt gegeven geestelijk leven en daardoor wordt verkregen volmaakte gezondheid en hemelse zaligheid en vreugde.

5. De vergeving van de zonden betekent niet volle zaligheid, want die kan slechts komen bij volkomen bevrijding van zonde. Want het is mogelijk, dat iemand kan sterven aan de ziekte van zijn zonden, ofschoon die hem vergeven is. Zo was er iemand, wiens hersenen door een langdurige ziekte beschadigd waren en die in die toestand een ander aanviel en hem doodde. Toen het doodvonnis over hem werd uitgesproken, legden zijn bloedverwanten de omstandigheden uit en pleitten genade voor hem. Inderdaad ontving hij vergeving van de zonde van de moord. Maar voor zijn vrienden hem het goede nieuws konden doen toekomen (zij waren reeds op weg), stierf hij aan de ziekte, die hem de moord had doen bedrijven.
Welk voordeel had de gratie voor de moordenaar? Zijn werkelijke redding zou de genezing van zijn ziekte zijn geweest en dan was hij gelukkig geweest met de vergeving. Daarom openbaarde Ik Mij in het vlees, opdat Ik boetvaardige gelovigen zou bevrijden van de kwaal der zonde, van de straf en van de dood. Zowel oorzaak als gevolg wegnemend. Zij zullen niet in hun zonde sterven, want Ik zal ze zalig maken (Matth. 1:21) en zij zullen uit de dood overgaan om het eeuwige leven te beërven.

6. Voor velen is het leven vol gevaar en zij zijn gelijk aan de jager, die een honingraat zag op de tak van een boom, die over het water hing. In de boom klimmend, begon hij van de honing te genieten, onbewust van het feit, dat hij zich in doodsgevaar bevond, want in de stroom onder hem lag een alligator met opengesperde kaken te wachten om hem te verslinden, terwijl aan de voet van de boom een troep wolven zich verzameld hadden en wachtten, dat hij er uit zou klimmen. Nog erger: de boom, waarin hij zat, werd aan de wortels door een worm afgeknaagd en stond op het punt te vallen. Kort daarna viel de boom en de, van het gevaar onbewuste jager werd een prooi van de krokodil.
Zo geniet ook de menselijke geest, verschanst in het lichaam, voor korte tijd de bedrieglijke voorbijgaande genoegens van de zonde, verzameld in de honingraat van de hersenen, zonder te bedenken, dat hij zich bevindt in de gevaarlijke wouden van de wereld.
Daarin zit Satan klaar om te verscheuren en de hel wacht met open mond om hem te verslinden, terwijl het kleine onzichtbare insect van de zonde de wortels zelf van het lichaam en het leven heeft weggevreten. Spoedig zal de ziel vallen en een eeuwige prooi van de hel worden. Maar de zondaar, die tot Mij komt, zal Ik verlossen van de zonde, van Satan en van de hel en Ik zal hem eeuwige blijdschap geven, “die niemand van hem zal wegnemen” (Joh. 16:22)

7. Satan met zijn slimme taal en verleiding trekt de mens tot zich en verzwelgt hem zoals een slang de vogeltjes boeit door de hypnose van haar schitterend oog en hen tot haar prooi maakt.
Maar zij, die in Mij geloven, zal Ik redden van die oude slang en van de verlokkingen van de zielverdervende wereld. Ik zal ze bevrijden, zodat zij gelijk een vogel, die gemakkelijk de zwaartekracht van de aarde overwint en de lucht invliegt, op de vleugelen van het gebed opstijgen en het verblijf van de zaligheid en het geliefd vaderland bereiken, meegetrokken door de zachte koorden van Mijn liefde.

8. Zoals iemand met geelzucht alles geel ziet, zo lijkt voor de zondaar en de filosoof de waarheid zelf de gedaante en de vorm te hebben van zijn zonde of zijn theorie, en het is niet te verwonderen, dat zo iemand nog een stap verder gaat en Mijzelf tot zondaar maakt. Maar Mijn werk, de redding van de zondaren, hangt niet af van de goede mening van de wereld, maar gaat ongestoord voort in het leven van de gelovigen. Zoals Levi, die nog in Abrahams lendenen was, tienden aan Mij betaalde, hoewel hij nog niet geboren was (Hebr. 7: 9-10), zo hebben alle geslachten van de gelovigen in Mij, Die aan het kruis geofferd ben, de verzoening en de losprijs van hun zonden, ofschoon zij toen nog niet geboren waren, want deze verzoening is voor alle geslachten der wereld.

9. Te zeggen, dat de mens door eigen kracht en door goede werken de zaligheid verwerven kan, is dwaas en ongerijmd, zolang die mens niet wederom geboren is. Pas wanneer het nieuwe, goede leven aangevangen is, zullen goede daden het natuurlijke gevolg zijn. Alleen de dwaas zegt, dat een bittere boom wel tenslotte wel zoete vruchten voortbrengt, als er maar voortdurend vruchten voortgebracht worden. Natuurlijk kan een bittere boom zoete vruchten voortbrengen als hij geënt wordt op een zoete boom, zodat het leven en de hoedanigheden eigen aan de zoete boom, overgaan in de bittere en zo de natuurlijke bitterheid verdwijnt. Dat noemt men een nieuwe schepping.
Zo kan de zondaar het verlangen bezitten om goed te doen, en toch is het enige resultaat zonde. Maar als hij berouw heeft en door het geloof in Mij wordt ingeplant, dan sterft de oude mens in hem en hij wordt een nieuw schepsel. Dan komen uit dit nieuwe leven, dat zijn oorsprong heeft in het behoud door Mij, goede daden als even zovele goede vruchten en deze vrucht blijft voor altijd.

10. Velen hebben uit ervaring geleerd, dat de natuurlijke goedheid van de mens geen ware vrede van het hart kan geven, evenmin als zekerheid van zaligheid of eeuwig leven. De jongeman, die bij Mij het eeuwige leven kwam zoeken, is daarvan een voorbeeld.
Zijn eerste gedachte over Mij was verkeerd, zoals nog steeds van sommige wereldwijzen en hun volgelingen. Hij meende, dat Ik één van die leraren was, die gelijk zijn aan witgepleisterde graven en in wier leven niet een greintje waarachtige goedheid is. Daarom zei Ik tot hem: “Wat noemt u Mij goed; niemand is goed dan Eén.”Maar hij zag in Mij niet de enige Gever van het goede en van het leven, en toen Ik trachtte hem tot Mij trekken en een waarlijk goed mens van hem te maken en hem leven te schenken, werd hij droevig en verliet Mij. Zijn leven echter maakt een ding heel duidelijk en dat is, dat het houden van de geboden en zijn goedheid hem niet voldeed of hem de zekerheid van het eeuwige leven gaf. Als zijn goede werken hem vrede gegeven hadden, zou hij niet tot Mij gekomen zijn met zijn vragen, of als hij gelovig gekomen was, zou hij Mij niet bedroefd verlaten hebben, maar gelovend in Mijn woord, zou hij vol blijdschap zijn heengegaan.
Korte tijd daarna kende de jonge Paulus Mij en het verlangen van zijn hart werd volkomen vervuld. In plaats van bedroefd weg te gaan verliet hij alles, wat hij had en volgde Mij (Fil. 3:6-15).
Zo zal ieder, die niet op zijn eigen gerechtigheid vertrouwt en Mij volgt, de ware vrede en het eeuwige leven van Mij ontvangen.

Hoofdstuk 3. Gebed

Afdeling 1

De discipel: Soms hoort men deze vraag: God kent al onze noden en weet ook het beste hoe ze te vervullen, waarom moeten wij Hem dan nog daarover vragen? Of onze behoeften tijdelijk of eeuwig zijn, wij kunnen toch immers Gods wil niet veranderen?

De Meester: 1. Zij, die zo iets vragen, bewijzen duidelijk, dat zij niet weten wat bidden is. Zij hebben geen leven van gebed geleid, anders moesten zij weten dat het gebed tot God niet een soort verzoek is. Het bidden is niet een poging om van God voor dit leven het nodige te verkrijgen. Het gebed is een poging om God vast te grijpen, de Schepper des Levens en als wij Hem, die de Levensbron is, hebben gevonden en in gemeenschap met Hem gekomen zijn, dan hebben wij het volle leven en door Hem alles wat het leven volmaakt doet zijn.
Aan de bozen geeft God, uit liefde tot hen, wat voor het leven op deze wereld nodig is, maar hun geestelijke behoeften laat Hij hun zelfs niet zien, omdat zij geen geestelijk leven bezitten. Als Hij hun zulke zegeningen gaf dan zouden zij die toch niet kunnen waarderen.
Maar de gelovigen ontvangen deze beide gaven, voornamelijk geestelijke zegeningen, zodat zij zich spoedig weinig bekommeren om tijdelijke zegeningen, maar hun liefde naar de onzienlijke, geestelijke weldaden uitgaat. De wil Gods kunnen wij niet wijzigen, maar de man des gebeds kan Zijn wil omtrent zichzelf ontdekken. Want aan dergelijke mensen openbaart God Zich in de verborgen kamer des harten en houdt met hen gemeenschap en wanneer Zijn genadige bedoelingen blijken hun ten goede te komen, dan verdwijnen de twijfel en de moeilijkheden waarover zij klaagden, voor immer.

2. Het gebed is als het ware een inademen van de Heilige Geest en God stort die Geest zozeer uit in het leven der bidders, dat zij levende zielen worden (Gen. 2:7, Joh. 20: 22). Zij zullen nooit sterven want de Heilige Geest giet zich door het gebed in hun longen uit en vervult hun geest met gezondheid, kracht en eeuwig leven.
God, die Liefde is, heeft overvloedig aan alle mensen geschonken wat nodig is voor tijdelijk en geestelijke leven, maar waar Hij zaligheid en de Heilige Geest even overvloedig aanbiedt, wordt dat weinig gewaardeerd.
Maar het gebed leert ons die gaven te schatten, omdat ze even onmisbaar zijn als water en lucht, hitte en koude, zonder welke het onmogelijk is te leven. Wat nodig is voor ons geestelijk leven heeft God overvloedig verschaft, maar de mens denkt er zo luchthartig over, dat hij daar Zijn Schepper niet eens voor dankt. Maar Zijn giften in goud, zilver of kostbare juwelen, die zeldzaam zijn en moeilijk te verkrijgen, acht de mens hoog, ofschoon de honger en de dorst van zijn lichaam daar niet mee gestild kunnen worden en evenmin de begeerten des harten bevredigd. Zo dwaas handelen wereldlingen met ware wijsheid, maar de man des gebeds wordt ware wijsheid en eeuwig leven gegeven.

3. Deze wereld is een grote oceaan, waarin de mensen zinken en verdrinken, maar de zeedieren kunnen in het diepste water leven omdat ze nu en dan naar de oppervlakte komen en wat lucht scheppen om te kunnen leven in de diepte. Zo kunnen ook zij die naar de oppervlakte stijgen van de oceaan des levens door het gebed de levendmakende Geest van God inademen en zelfs in deze wereld leven en veiligheid vinden.

4. Hoewel de vissen hun ganse leven in het zoute water doorbrengen, worden zij toch zelf niet zout, omdat zij het leven in zichzelf hebben. Zo ook de mens die bidt: al moet hij leven in deze zondige wereld, toch blijft hij vrij van de smet der zonde, omdat hij zijn leven door het gebed behoudt.

5. Zoals het zeewater wordt opgetrokken door de hete stralen van de zon en langzamerhand de vorm van wolken aanneemt en dan als regen op aarde nederdaalt (want het zeewater laat, als het opstijgt, zijn zout en bitterheid achter), zo klimmen de gedachten en wensen van de man des gebeds als nevelige dampen der ziel op, de Heilige Geest reinigt ze van de smet der zonde en zijn gebeden worden tot een grote wolk, die uit de hemel als een regen van zegen neerkomt, verfrissing gevend aan velen op aarde.

6. Zoals een watervogel zijn leven zwemmend in het water doorbrengt en toch met droge veren wegvliegt, zo heeft de mens, die bidt, zijn verblijf op deze aarde, maar als de tijd aanbreekt om omhoog te vliegen, gaat hij uit deze door zonde bevlekte wereld en komt zonder vlek of rimpel in zijn eeuwig vaderhuis der rust aan.

7. Een schip behoort zijn plaats in het water te hebben, maar het water moet niet in het schip stromen, want dat is gevaarlijk. Zo is het heel goed dat de mens zijn woning op deze aarde heeft, goed voor hemzelf en anderen, want als hij zich drijvende houdt, kan hij voor anderen tot hulp zijn bij het bereiken van de haven des levens. Maar als de wereld in zijn hart dringt, wacht hem dood en verderf. Daarom bewaart de bidder zijn hart voor Hem, Die van dit hart Zijn tempel maakt en zo vindt hij in deze en in de toekomende wereld vrede en veiligheid.

8. Wij weten allen, dat we zonder water onmogelijk kunnen leven, maar als wij er in wegzinken stikken wij en sterven. Wij moeten wel gebruik maken van het water en het drinken, maar wij moeten er niet in vallen en er in wegzinken. Daarom moeten wij van de wereld en van de dingen der wereld een bescheiden gebruik maken, want het is moeilijk, ja onmogelijk, het zonder die te stellen. God schiep immers juist die wereld opdat de mensen die gebruiken konden, maar zij moeten zich er niet in dompelen, want dan houdt de adem van het gebed op en komen zij om.

9. Als het gebedsleven ophoudt en dus het geestesleven verslapt, dan worden deze aardse dingen, die een nuttige bedoeling hebben, schadelijk en verderfelijk. De zon geeft door haar licht en warmte alle planten leven en bloei, maar doet ze ook verwelken en sterven. Ook de lucht geeft leven en levenskracht aan alle levende wezens, maar is tevens de oorzaak van hun ontbinding. Daarom: “Waakt en bidt”.

10. Wij behoren te leven als in, maar niet van deze wereld en dan zullen de dingen van deze wereld niet schaden, maar nuttig zijn en de groei van het geestelijk leven bevorderen. Wel onder de voorwaarde dat de geest zijn gelaat steeds wendt naar de Zon der Gerechtigheid. Bloemen schieten soms op en bloeien ook op een plek van onreine, vuile grond en de zoete bloemengeur is sterker dan de kwade geur van die plek. De planten, die zich naar de zon toe keren, ontvangen van daar licht en warmte en het vuil maakt de grond voor de planten vruchtbaar en helpt mee om ze te doen groeien en bloeien. Zo keert ook de bidder zijn hart tot Mij en ontvangt licht en warmte en te midden van de kwade reuk van deze boze wereld, verheerlijkt hij Mij met de zoete geur van zijn nieuwe en heilig leven en niet slechts zoete geuren stijgen er op, maar er komt ook blijvende vrucht.

Afdeling 2

1. Bidden houdt nog niet in, dat zonder gebed God ons niets geven zou of dat Hij onbekend zou zijn met onze noden, maar het heeft dit grote voordeel dat in de tijd van het gebed onze ziel het meest geschikt is om de Gever der goede gaven, zowel als de zegeningen die Hij ons schenken wil, te ontvangen. De volheid van de Heilige Geest werd ook niet op de eerste dag op de discipelen uitgestort, maar na tien dagen van voorbereiding.
Als iemand zegen geschonken werd zonder dat hij klaar was die te ontvangen, dan zou hij die of niet waarderen of niet lang behouden. Zo heeft bijvoorbeeld koning Saul de Heilige Geest en het koningschap verkregen zonder er naar te zoeken en daarom verloor hij beiden spoedig, want hij ging niet uit zijn huis om de Heilige Geest te zoeken, maar zijn verloren ezelinnen (1 Sam. 9:3).
Alleen de man van het gebed kan God aanbidden in Geest en in waarheid. Anderen lijken op het kruidje-roer-me-niet plantje. Tijdens de aanbidding, geroerd door het onderwijs en tegenwoordigheid van de Heilige Geest, schrompelen ze als het ware ineen, buigen het hoofd en worden ernstig, maar zodra hebben zij de kerk verlaten of zij leven weer op en gaan op de oude voet voort.

3. Als wij een plant of een struik die goede vruchten of bloemen voortbrengt, niet goed verzorgen, dan ontaardt ze en wordt weer wild. Als de gelovige niet langer in Mij blijft door zijn gebed of geestelijk leven te verwaarlozen, dan komt hij in een hachelijke toestand, waarin geen zegen voor hem is en gaat verloren omdat hij weer in zijn oude zonden valt.

4. Als wij een kraanvogel onbeweeglijk zien staan aan de kant van een regenbak of een meer dan zouden wij uit zijn houding kunnen opmaken, dat hij peinst over de eer van God of over de uitstekende hoedanigheid van het water. Niets is minder waar. Hij staat daar uren onbeweeglijk, maar op het ogenblik dat hij een kikker of visje ziet, schiet hij er op af en verzwelgt het. Juist zo is de houding en de manier van velen bij het bidden en godsdienstige overpeinzingen. Gezeten aan de kusten van de onmetelijke oceaan Gods, gaan hun gedachten niet naar Zijn majesteit en liefde uit, of naar Zijn goddelijke natuur die reinigt van zonde en de hongerige ziel verzadigt, maar zijn zij vervuld met begeerten om het één of ander dat zij gaarne wensen, te verkrijgen, opdat zij zich nog te meer kunnen dompelen in de genietingen van deze voorbijgaand wereld.
Zodoende keren zij zich af van de fontein van de ware vrede en storten zich in het vergankelijke genot van deze wereld, sterven met de wereld en verdwijnen.

5. Water en petroleum komen beide uit de aarde en hoewel zij op elkaar lijken, ja hetzelfde schijnen, zijn zij toch van nature en in doel juist tegenovergesteld aan elkaar, want water dooft het vuur uit en petroleum geeft het voedsel. Zo lijken ook de wereld en haar schatten, het hart en zijn dorst naar God nog zoals God dat alles schiep. Wie probeert het hart te verzadigen met pracht, rijkdom en eer van deze wereld, doet zoals iemand die vuur met petroleum wil doven, want het hart kan slechts vrede en rust vinden in Hem, Die het hart en de daaruit opstijgende verlangens schiep. Wie daarom tot Mij komt, die zal Ik geven het levende water zodat hij nimmermeer dorsten zal, maar het zal in hem worden tot een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven (Joh.4:14).

6. Tevergeefs tracht de mens in de wereld en in de dingen van deze wereld vrede te vinden, want de ervaring leert duidelijk, dat ware vrede en voldoening daarin niet gevonden worden. Het lijkt op een jongen, die een ui vond en die van haar rokken begon te ontdoen, in de hoop er iets in te vinden, zoals iemand wel eens wat in een doos vindt als hij het deksel er af doet. Maar zijn werk was ijdele verwachting, want tenslotte vond hij de laatste rok, omdat een ui uit niets anders dan rokken bestaat.
Ook deze wereld met alles wat bij haar behoort, is gebleken ijdelheid der ijdelheden (Pred. 12: 8) te zijn, totdat de mens de ware springader des levens ontdekt (Jes. 55:1, Jer. 2:13, Opb. 22: 17).

7. De wereld lijkt op een luchtspiegeling voor de zoeker naar waarheid. Hij hoopt iets te vinden dat zijn dorst lest, snelt er heen maar vindt slechts teleurstelling en wanhoop. Het water des levens kan niet gevonden worden in gebroken bakken, die door mensen gehouwen zijn, maar wie tot Mij nadert in het gebed met een zuiver hart, zal in Mij, de bron van het levende water, verzadiging, kracht en eeuwig leven verkrijgen (Jes. 55:1, Jer. 2:13, Openb. 22:17)

8. Een vrouw reisde langs een bergpad. Zij droeg haar kind in haar armen en plotseling sprong het kind, dat een mooie bloem zag, uit de armen van zijn moeder, viel voorover langs de berghelling naar beneden, stootte zijn hoofd tegen een rots en bleef op de plaats dood. Nu is het volkomen duidelijk, dat de veiligheid en het leven van het kind in de armen van de moeder waren en niet bij de bekoorlijke bloemen, die zijn dood veroorzaakten. Zo handelt nu een gelovige, wiens leven niet een gebedsleven is. Als hij de voorbijgaande, betoverende genoegens der wereld in het oog krijgt, vergeet hij Mijn liefde en zorg, die groter zijn dan die van een moeder en dan veronachtzaamt hij de geestelijke melk, die Ik hem geef, springt uit Mijn armen en is verloren.

9. Het voedsel dat de moeder verschaft, is zodanig, dat het niet zonder enige inspanning van de kant van het kind verkregen kan worden. Evenmin kunnen Mijn kinderen die Ik in mijn boezem draag, de geestelijke melk die hun ziel kan behouden, verkrijgen zonder zoeken. Zoals het kind dit niet geleerd behoeft te worden, zo weten ook zij, die uit de Geest geboren zijn uit geestelijk instinct en niet door wereldse wijsheid of wijsbegeerte, hoe zij moeten bidden en hoe zij van Mij, hun geestelijke moeder, de melk van het eeuwige leven moeten verkrijgen.

10. Ik heb aan de mens honger en dorst ingeschapen, opdat hij zich niet uit louter achteloosheid beschouwen zou als een God, maar opdat hij dagelijks herinnerd zou worden aan zijn behoeften en zou weten, dat zijn leven verbonden is met het leven en bestaan van Eén, Die hem schiep. Als hij tot bewustzijn gebracht wordt van zijn gebreken en behoeften, kan hij in Mij wonen en Ik in hem, en dan zal hij voor altijd in Mij zijn geluk en blijdschap vinden.

Afdeling 3

1. Bidden is als het ware met Mij spreken en door deze gemeenschap met Mij en het wonen in Mij aan Mij gelijk worden.
Er bestaat een soort insect, dat tussen het gras en groene bladeren zijn verblijf houdt, er van leeft en de groene kleur houdt. Evenzo heeft de ijsbeer, die in de witte sneeuwvelden leeft, dezelfde witheid als de sneeuw en evenzo draagt de Bengaalse tijger op zijn huid de kenmerken van het rietgras, waartussen hij verblijft.
Zo worden zij, die door het gebed met Mij in gemeenschap zijn, Mijn natuur deelachtig. Evenals de heiligen en engelen, gevormd naar mijn beeld, worden zij dan Mij gelijk.

2. Toen ik voor slechts korte tijd Petrus, Johannes en Jakobus in gemeenschap met Mij meenam op de berg, toonde Ik hun iets van Mijn heerlijkheid en van alle heiligen verschenen er slechts twee aan hen. Zij waren zozeer door dat korte afschijnsel van de hemelse heerlijkheid geboeid, dat zij drie tabernakelen wilden maken om daarin te wonen (Matth. 17: 1-5).
Hoe wonderbaar zal dan de zaligheid zijn dergenen, die in Mij blijven en die met de ontelbare heiligen en engelen de lang verbeide hemel binnengaan en met Mij Mijn volle heerlijkheid zullen delen, Die geen verandering noch schaduw van omkeer kent (Joh.17: 24, Jak.1:17). Een man van gebed zal nooit alleen zijn, maar hij zal met Mij en Mijn heiligen zijn voor eeuwig (Matth. 18:20, Zach. 3:7-8).

3. Het is niet zulk een grote zaak wilde dieren, bliksem, wind, licht en andere krachten der natuur te overheersen en ze te benutten, maar de macht te verkrijgen over de wereld, Satan en zichzelf is voorwaar het belangrijkst en nodig.
Alleen aan hen, die een leven van gebed leiden, schenk ik de macht om de krachten van de vijand te overwinnen (Luk. 10:17, 20), zodat zij zelfs in dit leven met Mij in hemelse oorden zijn (Ef. 2:6) en als Satan beneden is en zij boven, dan kan hij ze nooit bereiken, maar voor eeuwig blijven zij bij Mij in veiligheid en zonder een schaduw van vrees. Al heeft de mens macht gekregen over de krachten der natuur, toch kan hij zich niet begeven buiten het luchtgebied, terwijl de man des gebeds die Satan en zichzelf overmeesterd heeft, naar zijn begeerte verblijven kan in de eeuwige hemelen.

4. Zoals de bij het zoete sap der bloemen verzamelt en tot honing maakt zonder de geur of de kleur te schaden, zo verzamelt de bidder gelukzaligheid en voorrechten uit Gods schepping zonder dat hij die geweld aandoet. Zoals de bijen hun honing verzamelen uit verschillende plaatsen en het opbergen in de raat, zo verzamelt de man Gods heerlijke gedachten en gevoelens uit ieder deel der schepping en in gemeenschap met zijn Schepper brengt hij in zijn hart de honing der waarheid bijeen en in voortdurende vrede met Hem, steeds en overal, smaakt hij in verrukking de zoete honing Gods.

5. Het is nu de tijd om in de vaten van onze harten de olie van de Heilige Geest te verkrijgen en te bewaren, zoals de vijf wijze maagden deden (Matth. 25: 1-3), anders zullen wij gelijk de vijf dwaze maagden niets anders dan verdriet en wanhoop op onze weg vinden.
Nu is het tijd om het manna voor de ware Sabbat te verzamelen, anders zal er niets anders overblijven dan verdriet en smart (Ex. 16:15,17). “Bid daarom, dat uw vlucht niet geschiedt des winters”, dat wil zeggen, in tijden van groot wee of in de laatste dagen “of op de Sabbat” (Matth. 24:20). Op dezelfde wijze als het klimaat de vorm, kleur en habitus der planten wijzigt, zo ondergaan ook zij, die in Mij blijven een geestelijke ontwikkeling in gewoonte, aanzien en gesteldheid en terwijl zij de oude mens afleggen, worden zij veranderd naar Mijn heerlijk en onverderfelijk beeld.

6. Met Mijn vinger schreef Ik in het zand de zondige staat van hen, die hun eigen innerlijke laagheid niet bemerkend, de vrouw tot Mij brachten, die in overspel gegrepen was, om haar te veroordelen, zodat zij haar één voor één beschaamd en vernederd verlieten. Ik leg bij Mijn dienstknechten in stilte de vinger op de wonde der zonde en als zij berouw hebben, genees Ik hen met een aanraking van dezelfde vinger en zoals een kind zich aan de vinger van zijn vader vastklemt en daardoor met hem meeloopt, zo geleid Ik met Mijn vinger Mijn kinderen langs de weg van de wereld naar het huis van rust en eeuwige vrede (Joh. 14: 2-3).

7. Vaak bidden er mensen in Mijn Naam tot de Vader, maar zij zijn niet in Mij, doch nemen Mijn Naam in hun mond en op hun lippen, maar niet in hun hart en hun leven. Daarom krijgen zij niet, waarom zij bidden. Maar als zij in Mij zijn en Ik in hen, dan ontvangen zij van de Vader wat zij ook vragen, omdat zij bidden onder de leiding van de Heilige Geest in dat geval. De Heilige Geest toont hun wat tot verheerlijking van de Vader is en tot hun eigen welzijn en dat van anderen. Anders zullen zij een antwoord krijgen zoals een slecht zoon kreeg van een landvoogd, die door zijn vader met grote moed en eer was gediend. Toen de zoon een verzoek deed in naam van zijn vader en om een betrekking en enig gunstbetoon vroeg, wees de landvoogd hem op zijn slechte leven en gewoonten en zei: “Vraag mij niet iets in de naam van uw vader, maar handel eerst naar zijn voorbeeld. Laat zijn hoge waarde niet alleen op uw lippen zijn, maar draag die ook in uw leven en dan zal uw verzoek ingewilligd worden.”

8. Tussen de gebeden dergenen, die Mij aanbidden en eren met de lippen en dergenen, die het met hun hart doen, is een zeer groot onderscheid. Zo was er bijvoorbeeld een ware aanbidder, die steeds bad voor een ander, dat diens ogen geopend mochten worden en dat hij de waarheid mocht aannemen, terwijl een bidder met de lippen in zijn vijandschap tegen Mijn trouwe aanbidder bad, dat deze met blindheid geslagen mocht worden. De gebeden van de ware aanbidder werden uiteindelijk verhoord door de liefhebbende wil van God en hij, die vroeger een schijnheilige was, ontving nu geesteslicht. Met een hart vol blijdschap werd deze man een waar gelovige en hij bleef een oprechte broeder van mijn trouwe knecht.

9. Het gebed maakt dingen mogelijk voor de mens die hij met andere middelen onmogelijk kan doen en hij ervaart zulke wonderbaarlijke dingen in het leven, dat zij niet slechts in strijd zijn met de regels en mening der wereldse wijsheid, maar als geheel onmogelijk beschouwd worden. De mannen der wetenschap beseffen niet, dat Hij, Die de dingen alle ordelijk schiep en wetten gaf, niet achter de tralies van Zijn eigen wetten gevangen kan worden. De wegen van de grote Wetgever zijn ondoorgrondelijk, omdat Zijn eeuwige doel en wil is: de zegen en het heil van al Zijn schepselen. Maar de natuurlijke mens kan deze dingen niet begrijpen, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.
Het grootste van alle wonderen is de wedergeboorte van de mens en voor de mens bij wie dit wonder gebeurt, worden alle wonderen mogelijk.
In de koude landen is een brug van water een gewoon verschijnsel. Als de oppervlakte van een rivier bevroren is, stroomt het water onder het ijs vrij verder, maar de mensen gaan makkelijk en veilig over de brug van ijs. Maar als iemand zou vertellen over een brug van water, die over een stromende rivier ligt aan mensen, die steeds de tropische hitte inademen, dan zouden dezen dadelijk zeggen dat zoiets onmogelijk is en in strijd met de wetten der natuur. Nu bestaat er hetzelfde verschil tussen degenen, die wedergeboren zijn en hun geestelijk leven staande houden door het gebed en degenen die een werelds leven leiden en alleen stoffelijke zaken waarderen, maar geheel onwetend zijn van het zielenleven.

10. Hij, die van God door het gebed de zegen van een geestelijk leven wil ontvangen, moet geloven en gehoorzamen zonder vragen. De man, die met een verdorde hand tot Mij kwam, gehoorzaamde onmiddellijk, toen Ik hem beval zijn hand uit te strekken en zo werd die hand gezond gelijk de andere (Matth. 12: 10-13). Maar veronderstel, dat hij in plaats van onmiddellijk te gehoorzamen was begonnen met redeneren en te zeggen: “Hoe kan ik mijn hand uitstrekken? Als ik dat had kunnen doen, waarom zou ik dan tot u gekomen zijn? Genees eerst mijn hand en dan zal ik die kunnen uitstrekken.” Dit alles zou als zeer logisch beschouwd zijn en ter zake dienende, maar zijn hand zou niet genezen zijn.
Wie bidt moet geloven en gehoorzamen en zijn zwakke, verdorde handen in het gebed tot Mij uitstrekken en dan zal Ik hem geestesleven geven en wat hij begeren zal, zal hij ontvangen (Matth. 21:22).

Hoofdstuk 4. Dienen

Afdeling 1

De discipel: Meester, wat is de werkelijke betekenis van dienen?
Is het, dat wij de Schepper dienen en ook Zijn schepselen om Zijnentwil? Heeft de hulp van een mens, die alles welbeschouwd maar een worm is, enige waarde voor God bij de zorg voor Zijn grote gezin of heeft God de hulp van de mens nodig om enig schepsel te beschermen of te behouden?

De Meester: 1. Dienen betekent de werkzaamheid van het geestelijk leven en is het natuurlijk offer, voortspruitende uit liefde. God, Die de Liefde is, is steeds bezig voor Zijn schepping te zorgen en Hij wil dat Zijn schepsel en bovenal de mens, die Hij naar Zijn beeld en gelijkenis formeerde nooit ledig zou zijn. Bij Zijn zorg voor het behoeden van Zijn schepselen heeft God niemands hulp nodig want Hij schiep ze zo, dat ze zonder Zijn hulp niet zouden kunnen blijven bestaan en Hij verschaft alles wat nodig is om hun verlangens te bevredigen. In het waarachtige dienen van anderen ligt dit grote gewin, dat het degene helpt die dient, juist zoals het met u ging in Tibet. Toen u in doodsgevaar was door de bittere koude en iemand zag liggen in de sneeuw op het punt om te sterven, ging u naar hem toe en hem op uw schouders tillend, droeg u hem weg en de inspanning maakte uw lichaam warm en deze warmte ging ook over op zijn lichaam, zodat u en hij gered werden en u dus uw leven redde door het zijne te redden. Alleen kan niemand leven, niemand kan bestaan zonder de hulp van anderen. Mocht iemand hulp van anderen verlangen en zelf geen bijstand willen verlenen zoveel als hij kan, dan zou zulk een ondankbaar mens geen aanspraak op enige hulp van anderen mogen maken.

2. Voordat een mens zijn vermogens en zijn krachten, die God hem schonk, in dienst van de Heer en van de mensen stelt, zal hij van Hem niet de hulp ontvangen, die Hij alleen kan verlenen. Zodra een mens doet wat hij kan, voltooit God zijn werk. Zo was bijvoorbeeld het wegnemen van de steen van het graf van Lazarus mensenwerk en het was niet nodig, dat God Zijn kracht betoonde om dat te doen. Maar toen het volk de steen had weggerold, toen deed Ik, dat is God, wat buiten der mensen macht of kunde stond, want Ik gaf het leven aan de dode. Zelfs daarna was er nog arbeid voor de mens, namelijk het ontbinden van Lazarus van zijn grafdoeken, opdat hij volmaakt vrij zou zijn (Joh. 11: 41,44).
Zo gaat het ook met hen die dood zijn in de zonde. Het werk van Mijn discipelen bestaat in het verwijderen van de grafstenen van verhindering en moeilijkheden, maar Mijn werk is het schenken van leven. Vaak blijven sommigen, die geestelijk leven ontvingen, de slaaf van hun oude gewoonten en slechte omgang en het is de plicht van Mijn kinderen hen te leiden tot volmaakte vrijheid en om deze grote dienst te bewijzen, behoren zij steeds in het hart en de ziel waakzaam te zijn.

3. Een zeker koning sprak op zijn sterfbed tot zijn trouwe dienaar als volgt: “Het is mijn gewoonte geweest wanneer ik op reis ging, om u voor mij uit te sturen om mij aan te kondigen en toebereidselen te maken voor mijn ontvangst. Ik ga naar het land der doden. Ga ze daarom mededelen dat ik bij hen kom.” Eerst begreep de oprechte dienstknecht niet wat zijn heer bedoelde, maar zodra hij begreep dat het zijn bedoeling was dat hij zou sterven en hem zo voorgaan naar het land des doods, stak de trouwe dienstknecht zonder een ogenblik te aarzelen een zwaard door zijn hart en ging naar het land der doden om zijn heer af te wachten.
Het is de plicht van hen, die Mij, de God des levens en de Koning der koningen (Hand. 3:15, Openb. 19: 16) dienen om het Evangelie der zaligheid aan hen te brengen die dood in zonden zijn en om hun leven te geven voor Mij, Die voor hun zaligheid op aarde kwam en zal wederkomen.

4. Een weerspannig zoon verliet eens het huis van zijn vader, voegde zich bij een roversbende en werd na verloop van tijd even boos en wreed als de anderen. De vader riep zijn dienaren en beval hun zijn zoon te gaan zeggen, dat als hij met berouw terug zou keren, hem alles vergeven zou worden en hij in hun huis ontvangen zou worden. Maar de dienstknechten, die de woeste landstreek en de wilde rovers vreesden, weigerden te gaan. Toen toog de oudste broer, die evenals zijn vader de jongeling liefhad, heen om de boodschap van vergeving te brengen. Hij was nog maar net in het woud of een roversbende overviel hem en verwondde hem dodelijk. De jongste broer was één van de bendeleden en toen hij zijn oudste broer herkende, werd hij vervuld van wroeging en verdriet. De oudste broer slaagde erin de boodschap van vergeving te brengen en daarna, zeggende dat het doel van zijn leven bereikt was en de plicht der liefde vervuld, gaf hij de geest. De opoffering van de oudste broer maakte zulk een diepe indruk op de weerspannige jongeman, dat hij berouwvol tot zijn vader ging en sinds die dag een nieuw leven leidde.
Moeten daarom niet Mijn zonen toebereid worden om hun leven op te offeren om de boodschap der genade aan hun broeders te brengen die ronddolen en omkomen in de zonde, evenals Ik Mijn leven gaf voor de zaligheid van allen?

5. Mijn kinderen zijn het zout der wereld (Matth. 5:13). Als de zoutkristallen niet opgelost worden, kunnen zij de smaak niet overbrengen. Zo ook Mijn kinderen. Als zij niet gesmolten worden in het vuur der liefde en van de Heilige Geest en gemaakt worden tot een levende offerande, zullen zij aan geen enkele ziel dat geestelijk en hemels leven kunnen brengen, waardoor zij gered worden. Zij zullen niet beter zijn dan de vrouw van Lot, die een zoutpilaar werd (Gen.19:26). Maar zoals Ik om uwentwil wegsmolt in Gethsemané (Luk. 22:44) en aan het kruis Mijn leven gaf om het leven der mensen te redden, want het is leven om leven, zo wordt ook u geroepen uw leven over te geven en de smaak van het geestelijk leven aan anderen te verschaffen en ze te verlossen van de dood.

6. Een zeker moordenaar werd, in plaats van gehangen te worden, in de strijd gezonden en daar streed hij voor zijn koning en zijn land met zulk een onverschrokken moed, dat hij, ofschoon zwaar gewond, als overwinnaar terugkwam. Na de overwinning kwam hij weer voor het gerecht om berecht te worden. De koning, die op zijn lichaam de lidtekenen van de wonden zag, vernietigde het doodvonnis en vergaf hem niet slechts zijn misdaad, maar beloonde hem rijkelijk en stelde hem op een post van eer.
Zo zullen degenen, die aan Mijn zijde stoutmoedig strijden om hun broeders en zusters te redden van Mij niet slechts vergeving der zonden ontvangen, maar in het Koninkrijk Gods zal Ik ze begiftigen met een kroon en met een koninkrijk (Jak. 1: 12, Openb. 3:21).

7. Zoals de buis, die gebruikt wordt om zuiver water doorheen te leiden, rein gehouden wordt door het doorvloeiende water, zo worden zij, die door de Heilige Geest het Water des Levens aan anderen brengen, gezuiverd en erfgenamen van het Koninkrijk Gods.

8. De beste wijze voor de gelovige om bereid te worden tot het ontvangen van de Heilige Geest en tot het dienen is: gehoorzaam te zijn aan de hemelse stem en dadelijk, zoveel men kan, te beginnen met dienen. Het is te vergelijken met iemand die een goed zwemmer wil worden. Hij heeft geen nut heeft van het onderricht tenzij hij te water gaat en zelf zijn armen uitslaat en zich voortdurend oefent, eerst in ondiep en dan in diep water en leert daardoor de zwemkunst verstaan. Zo moet ook hij, die leren wil hoe de zielen van anderen gered moeten worden die wegzinken in de donkere wateren der zonde, de ware praktische theologie beoefenen, namelijk de vereniging met Mijzelf.

9. Sommigen worden van het dienen afgehouden, omdat zij menen daartoe niet bekwaam te zijn, maar zij vergeten dat Mijn kracht in zwakheid wordt volbracht (2 Kor. 12:9). Zij zijn als invaliden die, ofschoon hersteld van hun ziekte en versterkend voedsel gebruikend, toch zwak blijven, omdat zij niet werken en zich niet goed oefenen. Zulke gelovigen moesten hun vertrouwen op Mij stellen en uitgaan om zondaren van het verderf te redden.

Afdeling 2

1. Liefde is de toetssteen waarmee men de realiteit der waarheid kan nagaan en waardoor mensen kunnen weten of zij Mijn discipelen zijn (Joh.13:35). Ik gebruik ook het zwaard der gerechtigheid, zodat sommigen op het eerste gezicht geneigd zijn te denken, dat Ik, zoals Salomo, Mijn werk voleindigen wil zonder genade (1Kon. 3:16-28). Maar het is Mijn doel, evenals het zijne, om de toetssteen der liefde aan te leggen, om de waarheid te doen uitkomen en te tonen, dat u kinderen van die God der liefde bent, die Zijn leven gaf om het uwe te redden. Daarom behoort u in die liefde te blijven en elkander te dienen, zelfs uw leven te geven ten dienste van de ander, gelijk Ik het Mijne gaf voor u. En dan zult u leven gelijk Ik leef (Joh. 14:19).

2. En als u waarlijk Mijn discipelen bent, zal uw dienst der liefde veel vrucht dragen (Joh. 15:8). En indien men kwaad tegen u spreekt en u verwijten maakt, bidt dan voor hen en laat hen in plaats van verwijten de zoete vrucht van uw liefde smaken.
Ondeugende jongens, die zoete vruchten aan een boom zien, gooien er met stenen naar en de boom laat zonder klacht in plaats van stenen, zijn bekoorlijke vrucht op hen vallen. Want de boom heeft geen stenen om er mee te gooien, maar hetgeen God hem gegeven heeft, geeft hij zonder klacht. Wordt niet terneergeslagen door slechte behandeling, want het feit dat de mensen u schelden, bewijst dat uw leven vrucht draagt. Hoewel zij u aldus behandelen uit nijd en naijver, toch wordt de heerlijkheid van uw hemelse Vader daardoor openbaar. Denk niet, dat God roem begeert of dat er iets aan Zijn heerlijkheid ontbreekt, dat de mens kan aanvullen. In geen enkel opzicht. Het doel van Zijn liefde is het gezonken schepsel op te richten uit zijn zondige staat, waarin hij gevallen is en hem op te heffen tot Zijn hemel der heerlijkheid. Zo geeft Hij geen eer aan Zichzelf, maar aan de mens doordat Hij hem reinigt en zuivert en hierin wordt het wonder en de Majesteit van Zijn liefde openbaar.

3. Aan hen, door wier arbeid velen zich hebben afgewend van de zonde en gerechtvaardigd werden in Mij, zal Ik zulk een glans geven, dat zij boven de anderen zullen blinken als de sterren en daarna, als de volmaaktheid zal gekomen zijn, zullen schijnen als de zon in het Koninkrijk van hun Vader. De sterren verbleken en verdwijnen bij de opgang van de Zon der gerechtigheid. Maar het is de wil van Mijn Vader dat Zijn kinderen volmaakt zouden zijn als Hij en zij met Hem blinken in eeuwige glorie, voor immer verblijd in Zijn grenzeloze, oneindige liefde.

4. Er bestaan kleine schepselen, verre beneden de mens, zoals de vuurvlieg met haar schitterend licht en bepaalde plantjes in het plantenrijk van de Himalaya, die met hun zwakke, fosforiserende glans zo ver het donkere bos verlichten als zij kunnen. Ook zwemmen er in de diepe wateren van de oceaan kleine vissen, die een schemerlicht verspreiden dat andere vissen de weg wijst en hen helpt hun vijanden te verschalken. Hoeveel te meer behoren Mijn kinderen lichten in de wereld te wezen (Matth. 5:14) en begerig te zijn om zichzelf op te offeren om met het, hun door God gegeven licht, diegenen op het pad der waarheid te brengen, die wegens de duisternis een geschikte prooi voor de satan zouden worden.

5. Als zij deze door de hemel gezonden krachten niet besteden in de dienst van God en Zijn schepselen, lopen zij gevaar voor eeuwig deze hemelse gaven te verliezen. Dat is wat er gebeurt met bepaalde vissen, die in de diepe wateren van donkere kolken leven en met bepaalde kluizenaars in Tibet, want zij hebben zo lang in de duisternis vertoefd, dat zij hun gezichtsvermogen geheel verloren hebben. Zo heeft ook de struisvogel door zijn vleugels niet te gebruiken, geheel en al het vermogen om te vliegen verloren. Hoed u daarom dat u de gaven en talenten, die u zijn toevertrouwd, niet verwaarloost. Maar gebruik ze, opdat u moogt delen in de zegeningen en de glorie van uw Meester (Matth. 25: 14-30).

6. Soms, als er iets groots in Mijn dienst verricht moet worden, dat zaligheid en zegening brengt, kies Ik voor Mijn doel diegenen, die weinig geacht zijn in de ogen der wereld. Omdat zij niet roemen in eigen kracht of wijsheid, maar al hun vertrouwen op Mij stellen. En omdat zij hun geringe bekwaamheid niet beschouwen als iets van grote waarde wenden zij alles wat zij hebben en zijn, aan voor Mijn werk voor de mens (1 Kor. 1:26-30). Toen Ik, bijvoorbeeld, in de woestijn vijfduizend mensen voedde met vijf broden en twee visjes, geschiedde dat wonder niet, zoals u weet, door de hulp der discipelen, want zij twijfelden sterk en wisten niet wat te doen en wilden de hongerige menigte wegsturen (Joh. 6:9). Mijn dienstknecht was een kleine jongen, die Ik genezen had van verlamming. Vol begeerte om Mijn woorden te horen, besloot hij Mij te volgen. Zijn arme moeder wikkelde in zijn kleren een paar gerstekoeken en gedroogde vis, voldoende voor een twee- of driedaagse tocht en toen er gezocht werd naar voedsel voor de menigte, bracht deze trouwe knaap alles wat hij bezat en legde het aan de voeten van de discipelen. Ofschoon er daar rijken waren, die veel beter voedsel bij zich hadden, zoals tarwekoeken, wilden zij die niet afgeven en zo geschiedde het dat met het gerstebrood, Mijn zinnebeeld, door Mijn zegen de menigte met het heerlijkste voedsel gevoed werd.

7. Er zijn er velen, die zo weinig dankbaarheid betonen, dat zij, welke zegeningen zij ook ontvingen en voor wie zelfs wonderen gebeurden, toch onvoldaan en ondankbaar blijven. Zulke mensen deugen niet voor de dienst en de zegen van anderen, maar zij zijn als de mens die Ik genas van een ziekte waaraan hij acht en dertig jaar ziek gelegen had en die in plaats van dankbaar te wezen en in Mij te geloven, zich zelfs Mijn Naam niet wist te herinneren (Joh.5: 12-13). Van zulke mensen kan de wereld geen zegen verwachten. Die komt slechts van hen die, zoals de arme weduwe, bereid zijn alles te geven wat zij hebben, zelfs haar hele leeftocht (Luk. 21:2-4).

8. Mijn dienstknechten moeten in trouwe plichtsvervulling bereid zijn zelfs hun leven ten offer te brengen, zoals de trouwe soldaat, die op zijn post bleef in de bittere koude en de vallende sneeuw tot hij dood vroor en als een standbeeld op zijn plaats bleef, hoewel de andere wachten weggingen om zich bij het vuur te warmen. Toen de koning kwam en de, tot in de dood getrouwe zag staan, nam hij zijn kroon af, plaatste die enkele ogenblikken op diens hoofd en zei: “Zulk een trouw soldaat en dienaar is de eer en de glorie van mijn diadeem waardig. Had hij nog geleefd, dan zou ik hem aan het hoofd van mijn rijk hebben willen stellen.” Zo moeten mijn trouwe dienaren zijn in de dienst van hetgeen waartoe Ik ze aanwees en hun, die hun werk met gelijke moed en trouw volbrengen, zal Ik geven de smetteloze kroon van eeuwig koningschap (2 Tim. 4: 5-8)

9. Velen zijn er, die de kostelijke tijd, die hun gegeven was in mijn dienst, verkwist hebben, maar nu is er nog gelegenheid om wakker te worden en de resterende tijd zo goed mogelijk te besteden. Zij zijn als een jager, die zwervend door het woud, enkele mooie steentjes aan de oever van een beek opraapte. Onbekend met hun waarde, legde hij ze één voor één in zijn slinger om te mikken op de vogels, die in de bomen bij de rivier zaten en zo vielen ze één voor één in het water en gingen verloren. Met één, die hij nog in zijn hand hield, keerde hij terug naar de stad en toen hij voorbij een bazaar kwam, bemerkte een juwelier de steen en vertelde de dwaas, dat het een kostbare diamant was, waarvoor hij duizenden roepies kon krijgen. Toen hij dit hoorde, begon hij te weeklagen: “Och arme! Ik kende de waarde niet en heb vele diamanten gebruikt om naar de vogels aan de oever der rivier te slingeren en zij zijn in de rivier gevallen en weg, anders was ik miljonair geweest. Maar ik heb deze éne nog over en dat is toch wat.”
Elke dag is een kostbare diamant en hoewel vele kostbare dagen verkwist zijn met het najagen van voorbijgaande genoegens en voor altijd weggezonken zijn in de diepten van het verleden, moet u zich bewust worden van de waarde van hetgeen overblijft en door het zo goed mogelijk te gebruiken uzelf geestelijke rijkdommen vergaderen.
Ik schonk u het leven en al zijn heerlijke zegeningen. Gebruik die tijd in Mijn dienst en gebruik hem om anderen van dood en zonde te verlossen en u zult eeuwige, hemelse beloning ontvangen.

Hoofdstuk 5. Het kruis en het mysterie van het lijden

Afdeling 1

De discipel: Wat is de betekenis en het doel van het kruis en waarom bestaan er moeiten en waarom is er lijden op aarde?

De Meester: 1. Het kruis is de sleutel des hemels. Op het ogenblik dat ik het kruis op Mijn schouders nam voor de zondaren en dat drie-en-dertig jaar droeg en er aan stierf, werd de hemel die wegens de zonde gesloten was voor gelovigen, voor altijd voor hen geopend. Zodra de gelovigen hun kruis opnemen en Mij volgen, treden zij door Mij de hemel binnen (Joh.10:9) en beginnen de oneindige zegen te genieten, die de wereld niet verstaan kan, want de hemel is voor het ongeloof gesloten. De hoop en de ondervinding zullen de ongelovige leren, dat de vreugde op het verdriet volgt, maar dat die vreugde niet duurzaam is. Maar Ik geef aan Mijn kinderen gelatenheid in smart en volmaakte vrede en geluk. Wie met blijdschap Mijn kruis opneemt, wordt door dat kruis gedragen en steeds gesteund door dat kruis, komen zij de hemel binnen.

2. De moeiten spruiten voort uit de verdorven, opstandige aard van de mens, juist zoals de tropische hitte afmattend en pijnlijk is voor de bewoners van koude streken en bittere koude hetzelfde voor de bewoners van de tropen. Hitte en koude hangen af van de betrekking tussen aarde en zon. Zo komt de mens uit eigen vrije wil in een toestand van overeenstemming of strijd met God en omdat Gods wetten de geestelijke gezondheid en het geluk van de mens bedoelen, brengt verzet daartegen geestelijke moeiten en lijden. Nu maakt God in plaats van verzet en opstand tegen zijn wil te veranderen, van die toestand gebruik om de mens duidelijk te maken, dat deze wereld niet geschapen werd om zijn vaderland te zijn, maar een land der vreemdelingschap (2 Kor. 5:1,2 en 6).
Deze wereld dient slechts om hem voor te bereiden op zijn volmaakt en eeuwig huis en de herhaalde slagen van de tegenspoed moeten zijn geest wakker houden, opdat hij niet zorgeloos zou worden en uit de staat der waarheid vallen, en zo deel zou hebben aan de ondergang van deze onstandvastige wereld. De mens moet met Zijn Meester in gemeenschap komen om, na bevrijd te zijn van het lijden en de ellende van het voorbijgaande leven, in Zijn hemel van eeuwig heil en vrede binnen te komen.

3. Pijn en lijden zijn bitter als vergif, maar het is bekend dat soms het tegengif van een vergif zelf een vergif is. Zo gebruik Ik soms pijn en lijden als bittere medicijnen om de geestelijke gezondheid en kracht van Mijn gelovigen te bevorderen. Zodra hun volmaakte gezondheid zeker is, zal er een eind zijn aan alle lijden. Hun smart is geen lust voor Mij, Mijn enig doel is hun eeuwig welzijn (Kgl. 3:31-33).

4. Zoals soms na een aardbeving bronnen met zoet water ontspringen in woeste plaatsen en de onvruchtbare woeste plaatsen bevloeien, waardoor die onvruchtbare plaatsen vruchtbaar worden, zo ontsluit de schok van het lijden soms in een mensenhart verborgen bronnen met levend water en in plaats van geklaag en geween komen stromen van dankbaarheid en blijdschap uit hen (Psalm 119: 67,71).

5. Zodra een kind ter wereld komt, moet het noodzakelijk beginnen te huilen en te schreeuwen, zodat de adem vrij spel krijgt en de longen tot volle werking komen en als het kind geen kreet slaakt, krijgt het klappen tot het begint te huilen. Zo handel Ik ook uit volmaakte liefde. Soms laat Ik Mijn kinderen schreeuwen wegens de slagen en de steken van pijn en smart, opdat de adem van het gebed vrije loop verkrijgt door de longen van hun geest, opdat zij frisse kracht krijgen en het eeuwige leven hebben.

6. Het kruis is gelijk een walnoot, waarvan de uitwendige bolster bitter is, maar de inwendige pit aangenaam en kracht gevend. Zo heeft het kruis geen uitwendige schoonheid, maar aan de kruisdrager is zijn ware aard bekend en hij vindt er de schoonste genietingen des vredes voor zijn geest in.

7. Toen Ik in het vlees kwam, droeg ik het wrede kruis voor de zaligheid des mensen, niet slechts tijdens de zes uren van Mijn kruisiging en ook niet slechts gedurende de drie en een half jaar van Mijn rondwandeling op deze aarde, maar de gehele drie en dertig en een half jaar van Mijn leven, opdat de mens bevrijd mocht worden van de bitterheid van de dood. Even pijnlijk als het is voor een zindelijk mens om, al is het maar een paar minuten in een vuile, onreine plaats te verblijven, zo hebben ook zij die in Mij zijn, een afkeer van het leven onder misdadige mensen. Om die reden hebben sommige mannen des gebeds, die bedroefd werden door de schandelijkheid der zonden, de wereld verlaten en zijn als kluizenaars gaan wonen in woestijnen en holen. Bedenk dit eens: wanneer mensen, die zelf zondaars waren, zo moeilijk de tegenwoordigheid der zonde konden dragen, dat zij het gezelschap van hun medemensen niet kunnen verduren en hen verlaten en nooit wensen terug te keren, hoe pijnlijk en zwaar moet dan Mijn kruis geweest zijn, dat Ik, de bron der heiligheid, meer dan drie en dertig jaar heb moeten dragen onder mensen, door de zonde bedorven. Dit te begrijpen en in woorden naar waarde weer te geven, gaat boven het menselijk begrip; zelfs de engelen zijn begerig om in te zien (1Petr.1:12). Want voor de schepping kenden zij God als de liefde en toch was het wonderlijk en verbazingwekkend in hun ogen, dat Gods liefde zo groot was, dat Hij om Zijn schepselen te redden en ze het eeuwige leven te geven vlees werd en het wrede kruis droeg.

8. Zelfs in dit leven help ik het kruis te dragen van hen, die in Mij zijn en deel Ik hun lijden (Hand. 9:4). Ofschoon zij schepselen zijn en Ik hun Schepper, toch ben Ik het leven en de geest van Mijn kinderen. Zij zijn zij als het ware Mijn lichaam en ledematen, zoals lichaam en ziel op zichzelf bestaan, maar toch zodanig verbonden, dat pijn in het kleinste lichaamsdeel onmiddellijk in de geest bewust wordt. Ik heb deel aan iedere pijn of verdriet van hen, maar op het rechte ogenblik geef ik verlichting.

9. Zoals Ik zelf het kruis droeg, zo kan Ik ook bevrijden en in volmaakte vrijheid stellen alle kruisdragers, zelfs al gaan zij door het vuur der vervolging. Ik was bij de drie jongelingen in de vurige oven van Nebukadnezar, die met al zijn woeden geen macht had om ze te beschadigen (Dan. 3:23-25, 1Petr.4:12-13). Zo zullen zij, die door de doop van de Heilige Geest het nieuwe leven ontvangen hebben, nooit het vuur der vervolging gevoelen noch enig schadelijk iets, want in mij vinden zij eeuwige vrede en zaligheid.

Afdeling 2

1. In de bittere winterkoude zijn de bomen zonder bladeren en het schijnt alsof het leven er voor immer uit is en toch brengen zij in de lentetijd nieuw blad en schone bloemen voort en begint de vrucht zich te vertonen. Zo gebeurde ook met Mij in Mijn kruisiging en opstanding en zo gaat het nog met Mijn ware kruisdragers. Ofschoon zij verpletterd schijnen te worden en te sterven onder het kruis, brengen zij toch schone bloemen en heerlijke vruchten van het eeuwige leven voort.

2. Als een zoete boom geënt wordt op een bittere, voelen beiden het mes en beiden moeten lijden, opdat de bittere boom zoete vrucht zal dragen. Om in de boze natuur van de mens, vergiftigd door de zonde, het geestelijke en heilige leven te brengen, was het nodig dat allereerst Ikzelf en later ook de gelovigen de doodskwellingen van het kruis zouden doormaken, opdat zij in de toekomst steeds goede vruchten zouden voortbrengen en alzo de heerlijke liefde Gods openbaar worden.

3. Indien de mensen in deze wereld u vervolgen en lasteren, wees dan niet bedroefd of verbaasd, want het is hier geen plaats der rust maar een slagveld. Wee u, wanneer de wereldlingen u prijzen (Luk. 6:26), want dit bewijst dat u hun verkeerde handelingen en gewoonten volgt. Het is immers tegen hun aard en natuur Mijn kinderen te prijzen, want licht en duisternis kunnen niet samengaan. Als de bozen schijnbaar tegen hun aard handelen en ophouden met vervolgen, dan ondervindt u daarvan het meeste nadeel, want hun invloed doet zich gelden in uw geestelijk leven en er is geen geestelijke vooruitgang. En voorts, wie zijn vertrouwen stelt op de wereld en haar mensen, bouwt zijn huis op zand, want heden zullen zij u verheffen en morgen u zo verwerpen dat er geen spoor van u overblijft, want in alle dingen zijn zij onbetrouwbaar. Toen Ik met het Paasfeest opging naar Jeruzalem, riepen zij allen eenstemmig: “Hosanna, Hosanna!” (Matth.21: 9) en slechts drie dagen later, toen zij zagen dat Ik mij tegen hun zondenleven en zelfzucht keerde, veranderden zij en begonnen te schreeuwen: “Kruis hem, kruis hem!” (Luk. 23:21).

4. Indien uit misverstand, sommigen, ja zelfs alle gelovigen zich tegen u keren en u pijn doen, moet u dit niet als een onheil beschouwen, want als u in alle oprechtheid en trouw onder de leiding van de Heilige Geest uw plicht blijft doen, bedenk dan dat God Zelf en alle heiren des hemels aan uw zijde staan. U moogt u niet laten ontmoedigen, want de tijd is nabij, dat al uw goede plannen en bedoelingen en al uw onbaatzuchtige liefde aan de hele wereld bekend zullen worden en dan zult u voor uw trouwe zwoegen en uw trouwe dienst eer ontvangen in aller tegenwoordigheid.
Voor de zaligheid des mensen moest Ik alles verlaten en werd door allen verlaten, maar in het einde herwon Ik allen en alles.
Weest daarom ook niet verbaasd als de wereld u verwerpt, want ze heeft God Zelf verworpen, zodat u hierin dus een waar kind van Uw Vader blijkt te zijn.

5. Veronderstel niet, dat degenen die in weelde leven en altijd succes hebben in wereldse zaken, de ware aanbidders van God zijn, want het tegendeel is vaak waar. Het is mogelijk dat de schapen van de kudde en de herder afdwalen en in het woud goede weide vinden, maar alle uren zijn zij in gevaar door het wild gedierte verscheurd te worden en dit zal inderdaad tenslotte hun loon zijn. Maar zij, die in de kudde bij de herder blijven, al mogen zij ziek en zwak schijnen, zijn toch zeker en zonder gevaar en onder de hoede van de herder. Dit is het onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen.

6. In het begin lijkt het leven van de gelovige veel op het leven van de ongelovige. Als het einde komt verschillen zij evenzeer als de slang en de zijderups. De slang blijft een slang, hoe vaak zij ook vervelt, maar de zijderups wordt na het afwerpen van haar onooglijk cocon een nieuw schepsel en als een mooie sierlijke vlinder vliegt zij door de lucht. Zo komt de gelovige, na zijn lichaam afgelegd te hebben, in een staat van geestelijke glorie en zweeft voor altijd in de hemel, terwijl de zondaar na de dood nog een zondaar is.
Ofschoon de zijderups, zolang zij in de cocon geklemd zit, in een staat van druk is en worstelt als aan een kruis, toch geeft juist deze toestand van strijd en moeite aan haar vleugels kracht en maakt haar geschikt voor het toekomstige leven. Zo moeten Mijn kinderen, zolang zij met het lichaam bekleed zijn, strijden, worstelen en zuchten en met verlangen uitzien naar hun verlossing, maar door het dragen van het kruis geef Ik hun kracht en zo worden zij volmaakt bereid en bekwaam voor de staat van het eindeloos leven (Rom.8:23).

7. Temidden van de geestelijke strijd en terwijl zij het kruis dragen, geef Ik hun een wonderlijke vrede des harten, zodat hun de moed niet ontzinkt. Toen bijvoorbeeld één van Mijn getrouwe getuigen van Mij in woord en daad getuigd had, grepen zijn vijanden hem en hingen hem op aan een boom met het hoofd naar beneden. In deze toestand had hij zulk een vrede in zijn hart, dat hij geheel onbewust van de pijn en de verachting waaraan hij onderworpen was, zich tot zijn vervolgers wendde en zei: “De wijze, waarop u mij behandelt, bedroeft mij niet en maakt mij niet verslagen, want ik kan niets anders verwachten in een wereld, waar alles ondersteboven is en waar men niets rechtop kan zien staan. Overeenkomstig uw aard hebt u mij, zoals u denkt ondersteboven gekeerd, maar in feite ben ik rechtop. Juist zoals een plaatje in een toverlantaarn ondersteboven geplaatst wordt en zo het beeld rechtop komt, zo sta ik voor altijd rechtop voor God en de hemelse wereld en ik loof Hem voor dit roemrijke kruis.”

8. Voor gelovigen zou het soms makkelijk zijn een martelaar te worden voor de eer van Mijn Naam, maar Ik heb ook levende getuigen nodig, die zich dagelijks als een levend offer willen opofferen voor de redding van anderen (1Kor. 15:31). Te sterven is makkelijk, maar te leven is moeilijk, want het leven van de gelovige is een dagelijks sterven. Maar zij, die bereid zijn om Mijnentwil hun leven af te leggen, zullen delen in mijn glorie en voor eeuwig met Mij leven in volle blijdschap.

9. Mochten moeiten en lijden, zorg en verdriet, als wolken opkomen en gedurende een tijd de Zon der gerechtigheid overschaduwen en voor het gezicht verbergen, wees dan niet verslagen, want ten laatste zal deze wolk van kommer en kwel in stromen van zegeningen neerdalen op uw hoofd en de Zon der gerechtigheid zal over u opgaan om nimmermeer onder te gaan (Joh. 16: 20-22).

Hoofdstuk 6 Hemel en Hel

Afdeling 1

De discipel: Meester, wat zijn hemel en hel en waar zijn zij?

De Meester: Hemel en hel zijn de twee tegenovergestelde toestanden in de geestelijke wereld. Zij hebben hun oorsprong in het hart van de mens en hun grondslagen worden in deze wereld gelegd. Daar de mens zijn geest niet aanschouwen kan, zo kan hij ook deze twee toestanden der ziel niet zien. Maar hij ervaart dat zij in hem zijn, zoals hij de pijn van een slag voelt of bij het eten proeft dat het zout is. De wond, die door een slag veroorzaakt wordt, kan erger worden, de hevigste pijn veroorzaken en tenslotte dood en ondergang veroorzaken, terwijl het eten van het zoete sterkte schenkt. Zo kunnen de pijn van een zondige daad en het geluk dat een goede daad schenkt tot op zekere hoogte zich onmiddellijk doen blijken, toch zal de volle straf of beloning eerst bemerkt worden bij het ingaan der geestelijke wereld.

2. In deze wereld is de mens nooit lang met een ding tevreden, maar streeft hij steeds naar verandering van omstandigheden of van wat hem omringt. Daaruit blijkt dat de voorbijgaande dingen van deze wereld hem niet verzadigen kunnen, want hij wil iets dat stand houdt en onveranderlijk is en steeds aangenaam voor zijn smaak en verlangen. Vindt hij bij zijn zoeken deze werkelijkheid in Mij, dan houdt het verlangen naar deze verandering op, omdat hij Mijn volmaakte gemeenschap en volle geluk niet moe wordt, want dit is de enige begeerte van lichaam en geest.
Voorwaar, het enige doel van de ziel des mensen is het verkrijgen van een ware vrede. Soms komt er in het hart van de mens, zonder dat hij zelf enige gedachte of wens had een plotseling gevoel van lust of onlust, hetgeen een uitvloeisel is van de geestelijke wereld van hemel of hel. Steeds opnieuw komen deze gevoelens en langzamerhand krijgt het een of het andere de overhand in overeenstemming met zijn geestelijke gewoonten en tenslotte, door zich deze voortdurend eigen te maken, komt hij tot een keuze. Zo wordt de grondslag van hemel of hel in het hart van de mens reeds in deze wereld gelegd en na zijn dood komt hij in die staat, waartoe zijn begeerten en zijn hartstochten hem in dit leven bereid hebben.

3. Enigen zeggen dat de begeerte de wortel is van alle smart en verdriet en dat het daarom niet goed is om geluk te verlangen in de hemel of in gemeenschap met God, want de zaligheid bestaat uit het doden van de begeerte. Dit zeggen is even dwaas als tot een dorstige te zeggen dat hij zijn dorst moet doden, want dorst of begeerte is een deel van het leven zelf. Begeerte of dorst weg te nemen zonder ze te stillen is leven vernietigen en dat is geen zaligheid maar dood.
Zoals bij dorst water hoort en het water dient om de dorst te lessen, zo hoort bij het bestaan van een begeerte in de ziel het bestaan van waar geluk en vrede. Als de ziel Hem vindt, Die dit verlangen wekte, ontvangt het groter voldoening dan de dorstende naar water en dit voldaan zijn van de ziel heet hemel.

4. Er zijn er velen op deze wereld die lijken op de mens, die van dorst stierf hoewel hij zich midden op de onmetelijke zee bevond, want het zeewater kon zijn dorst niet lessen en zijn leven redden.
Zo leven er ook mensen midden in de onmetelijke oceaan der liefde en toch sterven zij van dorst, omdat het frisse water van Gods genade bitterheid voor hen is vanwege hun ongehoorzaamheid en zonde, maar voor hen, die zich berouwvol tot Mij wenden, springen stromen van levend water op uit die liefdezee en in Hem, Die hen liefheeft, vinden zij hun verlangen gestild en voortdurende vrede. Dit noemen wij ook de hemel.

5. Velen hebben zulk een liefde en toewijding voor de wereld, dat zij, hoewel het voorbeeld en het onderricht van Mijn kinderen hun harten vaak hemelwaarts heeft geheven, toch door de wet der zwaartekracht als opgeworpen stenen neergetrokken worden en eindelijk in de hel komen. Maar als de mens zich berouwvol tot Mij wendt, dan reinig Ik de tempel van zijn hart met de zweep der liefde en vorm hem tot een hemels verblijf van de Koning der koningen. Dit aardse leven is zo, dat de glorie en praal der koningen alleen vandaag gezien worden, maar morgen met het stof vermengd zijn. Maar zij, die zonen van Gods koninkrijk worden, hebben roem en eer, tronen en kronen en er is geen einde aan hun koninkrijk, dat is hun hemel.

6. Zondaren stelen de goederen van anderen om hun genoegens te vermeerderen en daarom sluiten de mensen, goede zowel als boze, hun huizen als zij buitenslands gaan. En dit wegsluiten van goederen moet voortduren, zolang de harten van de mensen voor hun Heer en Maker gesloten zijn.
Wanneer evenwel de grendel van het hart is weggeschoven voor Hem, Die aan de deur staat en klopt (Openb. 3:20), zullen de verlangens en begeerten vervuld worden. Dan zal het niet meer nodig zijn de huizen te sluiten, want in plaats van te stelen of anderen kwaad te doen, zullen zij elkander dienen in liefde. Want als de mensen aan God geven, wat zij Hem schuldig zijn, dan zullen zij in Zijn liefde delen en elkander dienend, zullen zij slechts het goede voor elkaar zoeken. Zo komen zij in Zijn wonderbare vreugde en vrede en dit is de hemel.

7. Toen Ik Mijn leven gaf aan het kruis voor de mensenkinderen om zondaren van de hel te redden en ze naar de hemel te leiden, hingen twee moordenaars, één aan Mijn linkerzijde en één aan Mijn rechterzijde, tegelijk te sterven. Ofschoon wij schijnbaar alle drie een zelfde lot ondergingen, was er in geestelijk opzicht een zeer groot verschil. De ene moordenaar sloot zijn hart voor Mij en stierf zonder berouw, maar de ander opende Mij zijn hart vol waar berouw en hij vond in Mijn gemeenschap het leven en diezelfde dag was hij met Mij in het Paradijs (Luk.23: 39-43). Dit paradijs bestaat niet slechts aan de overzijde van het graf, doch begint reeds hier in mensenharten, ofschoon het voor de ogen der wereld verborgen is (Luk. 17:21, St.Vert).
Eén van mijn getrouwe getuigen was op het punt van sterven, nadat hij talloze dodelijke kwellingen had moeten verdragen van de hand van zijn vervolgers en hij was zo vervuld met de vreugde des hemels, dat hij zich tot hen keerde en zei: “O, dat ik mijn hart kon openen en u de wondere vrede tonen, die ik bezit, die de wereld niet geven noch ontnemen kan. Dan zou u overtuigd zijn van de waarachtige vrede, maar het is het ‘verborgen manna’, dat niet gezien wordt noch gezien kan worden.” Na zijn dood scheurden die dwazen zijn hart uit het lichaam in de hoop er iets kostbaars in te vinden, maar zij vonden niets, want de realiteit van die hemel is slechts aan hun bekend, die haar aanvaarden en er hun vreugde in vinden.

8. Maria’s schoot, waar Ik in vleselijke gedaante gedurende enkele maanden verbleef, was niet zulk een gezegende plaats als het hart der gelovige, waarin Ik voor altijd woon en waarvan Ik een hemel maak(Joh. 14: 23-24).

9. Velen zijn er, die naar de hemel verlangen, maar die toch door hun eigen dwaasheid derven. Een arme bedelaar zat tweeëntwintig jaar lang boven een verborgen schatkamer en werd zo verteerd door het verlangen om rijk te zijn, dat hij al het kopergeld dat hij ontving, oppotte. Zo stierf hij in een ellendige, armoedige toestand, volkomen onbewust van de schat, waarboven hij jaren gezeten had. Omdat hij zoveel jaar op dezelfde plaats gezeten had, rees de verdenking, dat hij daar iets kostbaars begraven had. Daarom liet de landvoogd de plaats opgraven en ontdekte een schat van kostbaarheden, die later hun weg vonden naar de koninklijke schatkamer. Mijn woord is nabij u, in uw mond en in uw hart (Deut. 30:14)

10. Zij, die het geestelijk leven niet kennen, verklaren dat het onmogelijk is om waarachtige vrede en hemelse vreugde te ondervinden in deze wereld vol verdriet. Maar zij, die wel kennis hebben van het geestelijk leven weten dat, evenals men in de ijsvelden van de poolstreken soms stromen heet water vindt, men in deze wereld, zo vol smarten, in de harten der gelovigen kalme stromen vindt van hemelse vreugde, omdat het verborgen vuur van de Heilige Geest in hen gloeit.

11. Hoewel God uit één bloed de mensen formeerde en ze schiep naar Zijn beeld en gelijkenis, maakte Hij ze toch verschillend van karakter, temperament en vermogens. Want als alle bloemen der aarde dezelfde kleur en gelijke geur hadden, dan verloor het gelaat van het aardrijk zijn bekoring. De zonnestralen, die door gekleurd glas vallen, veranderen de kleur niet, maar brengen alleen haar onderscheiden schoonheid en bekoorlijkheid aan de dag. Zo openbaart de Zon der gerechtigheid in deze wereld en in de hemel door de van God gegeven deugden der gelovigen en heiligen voortdurend Zijn onbegrensde glorie en liefde. Zo blijf Ik in hen en zij in Mij en eeuwige blijdschap zal op hen zijn.

Afdeling 2
1. De discipel: Meester, sommigen zeggen, dat de troost en de blijdschap, die de gelovigen ervaren eenvoudig produkten van hun eigen gedachten en denkbeelden zijn. Is dat zo?

De Meester: Die troost en blijvende vrede, die de gelovigen in zich hebben, komt van Mijn tegenwoordigheid in hun harten en van de levenwekkende invloed van de volheid van de Heilige Geest. Wat hen aangaat, die zeggen dat geestelijke blijdschap het resultaat is van de gedachten des harten; zij zijn gelijk de dwaas, die blind was van zijn geboorte aan en die des winters buiten in de zonneschijn ging zitten om zich te warmen. Toen men hem vroeg wat hij van de zonnewarmte dacht, ontkende hij stoutweg dat er een zon bestond en zei: “Deze warmte, die ik nu van buiten gevoel, komt uit mijn eigen lichaam en is niets anders dan de machtige uitwerking van mijn eigen gedachten. Het is klinkklare onzin, wat men mij vertelt over een grote bol van vuur, die zich in de lucht bevindt.”
Ziet toe daarom, dat niet iemand u als een roof vervoere door de filosofie en ijdele verleiding naar de overleveringen der mensen en de eerste beginselen der wereld (Kol.2:8).

2. Als het ware geluk afhing van de gedachten van een mens, dan zouden alle filosofen en diepe denkers er vol van wezen, tot overvloeiens toe. Maar behalve diegenen van hen, die in Mij geloven, hebben de wijsgeren van deze wereld geen geluk, behalve een soort voorbijgaand genot, dat zij behalen uit bepaalde eigen regels
Maar Ik heb de mens zo geschapen, dat hij een natuurlijke geschiktheid bezit om de Heilige Geest te ontvangen en daardoor alleen kan hij hemels leven en hemelse vreugde verkrijgen. Zoals houtskool naar zijn aard geschikt is om vuur te ontvangen, maar het vuur er zonder zuurstof niet bij kan, zo zal ook de mens in duisternis blijven en nooit deze waarachtige, duurzame vrede genieten, als de zuurstof des Heiligen Geestes geen ingang in zijn ziel vindt (Joh. 3:8)

. 3. Deze geschiktheid van hart en gedachten van de mens is gelijk aan de eigenschap van de snaren van een gitaar of viool. Als deze gespannen en gestemd zijn, dan brengen zij door de aanraking met het plectrum of de strijkstok de bekoorlijkste muziek voort, maar als zij ongestemd zijn, dan geeft de aanraking met de strijkstok wanklanken. En het voortbrengen der zoete klanken als de snaren samenklinken, hangt weer af van de lucht, door middel waarvan de klank naar het oor gebracht wordt. Zo moeten ook de gedachten en de voorstellingen van de mens gestemd worden door de tegenwoordigheid van de levenwekkende adem van de Heilige Geest. Als Die er is, zullen hemelse melodieën en vrolijke harmonieën opstijgen in het hart van de mens, zowel in dit leven als in de hemel.

De discipel: Meester, soms voel ik dat mijn vrede en geluk weg zijn. Komt dat van één van mijn verborgen zonden of uit één of andere onbekende oorzaak?

De Meester: 1. Ja, dit ligt soms aan de ongehoorzaamheid, maar soms lijkt het of Ik Mijn kinderen voor korte tijd verlaat en dan worden zij eenzaam en rusteloos. Als zij in die staat zijn, kom Ik hen aan henzelf ontdekken en hun grote zwakheid tonen en ze leren, dat zij zonder Mij niets zijn dan dorre doodsbeenderen (Ezech. 37:1-14), zodat ze niet door de voortdurende toestand van vrede en rust hun werkelijke staat vergeten en, zichzelf God achtend door de hoogmoed, tot de straf der hel vervallen ( 1Tim. 3:6, Judas vs.6, Jes. 14:12-17). Zo worden zij geoefend en opgevoed en als zij nederig en ootmoedig blijven in Mij, Die hen schiep, zullen zij eeuwige blijdschap in de hemel hebben.

2. Soms gebeurt het, wanneer Ik bij Mijn kinderen intrek neem en ze vervul met de volheid van de Heilige Geest, dat zij zozeer overvloeien van goddelijk geluk en blijdschap, dat zij hun glorie en zegen niet kunnen verdragen en in een staat van flauwte of zelfs bewusteloosheid vallen. Want vlees en bloed kan het Koninkrijk Gods niet beërven, noch het tijdelijke het eeuwige totdat het schepsel zal vrijgemaakt zijn van de dienstbaarheid der verderfenis en de overwinning behaalt (1Kor.15: 50-53, Rom.8:19-22).
Dan zal Mijn wil geschieden in ieder schepsel op aarde gelijk in de hemel. Dan zullen moeite en smart, zorgen en zuchten, dood en verderf voor eeuwig weggedaan zijn en al Mijn kinderen het koninkrijk van Mijn Vader, dat de blijdschap in de Heilige Geest is, binnengegaan en zij zullen heersen in alle eeuwigheid (Rom. 14:17, Openb. 21:4, 22:5).

Een gebed.

Dierbare Meester, Uw verschillende zegeningen en gaven hebben mijn hart tot overvloeiens met dankbaarheid en lof vervuld. Maar de lof van mijn hart en mijn tong voldoen mij niet, zolang ik met de daad niet bewezen heb, dat mijn leven aan uw dienst is gewijd.
Dank en prijs zij U, dat U mij, onwaardige uit de dood tot het leven hebt gebracht en mij doet genieten van Uw gemeenschap en liefde. Ik kende mijzelf niet, noch mijn diepste nood, gelijk het behoorde, maar U, o Vader kent uw schepselen en hun behoeften volkomen. Ook kan ik U niet liefhebben, gelijk U mij liefhebt.
Waarlijk lief te hebben is met hart en ziel te minnen die oneindige liefde, die mij het aanzijn schonk, en die liefde bent U. U hebt mij daarom slechts één hart gegeven, opdat het op U alleen gevestigd zou zijn, op U, Die het schiep.
Meester, aan Uwe voeten te zitten is verre te verkiezen boven het zitten op de meest verheven troon der aarde, want dat betekent voor eeuwig op de troon gezeten te zijn in Uw eeuwig koninkrijk.
En nu, op het altaar van deze heilige voeten bied ik mij aan als een brandoffer. Neem mij genadig aan en waar U ook bent en wat U ook wilt, gebruik mij tot Uw dienst. Want U bent van mij en ik behoor U toe. U, Die deze handvol stof nam en mij schiep naar Uw beeld en mij het recht toestond Uw zoon te worden.
Alle eer en roem en lof en dank zij U van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.