Hoofdstuk 1
Dan 1:1 In het derde jaar van het koninkrijk van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem, en belegerde haar.
Dan 1:2 En de HEERE gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis van zijn god; de vaten bracht hij in het schathuis van zijn god.
Dan 1:3 En de koning zei tot Aspenaz, de overste van zijn kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israels, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen;
Dan 1:4 Jongemannen, waaraan geen gebrek was, maar schoon van aangezicht, en geschoold in alle wijsheid, in het bezit van kennis, en met helder verstand, en geschikt om in het paleis van de koning te staan; en om hen te onderwijzen in de boeken en taal der ChaldeŽn.
Dan 1:5 En de koning verordende hun, wat men ze dagelijks geven zou van de stukken van de spijs van de koning, en van de wijn die hij dronk, en dat men hen drie jaren alzo zou opvoeden, en dat zij aan het einde daarvan zouden staan voor het aangezicht van de koning.
Dan 1:6 Onder deze nu waren uit de kinderen van Juda: DaniŽl, Hananja, Misael en Azarja.
Dan 1:7 En de overste van de kamerlingen gaf hun andere namen, en DaniŽl noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.

Dan 1:8 DaniŽl nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou verontreinigen met de stukken van de spijs van de koning, noch met de wijn van zijn drank; daarom verzocht hij de overste der kamerlingen, dat hij zich niet behoefde te verontreinigen.
Dan 1:9 En God gaf DaniŽl genade en barmhartigheid voor het aangezicht van de overste der kamerlingen.
Dan 1:10 Want de overste der kamerlingen zei tot DaniŽl: Ik vrees mijn heer, de koning, die uw spijs, en uw drank verordend heeft; want waarom zou hij uw aangezichten droeviger zien, dan de jongemannen van uw leeftijd? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij de koning schuldig maken.
Dan 1:11 Toen zei DaniŽl tot de hofmeester, die de overste van de kamerlingen gesteld had over DaniŽl, Hananja, Misael en Azarja:
Dan 1:12 Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en laat men ons groente te eten geven, en water te drinken.
Dan 1:13 En bezie onze gestalten, en de gestalte van de jongemannen, die de stukken van de spijs van de koning eten; en doe met uw knechten, naar wat gij zien zult.
Dan 1:14 Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen.
Dan 1:15 Ten einde nu van de tien dagen, zag men, dat hun gestalten schoner waren, en vetter van vlees dan al de jongelingen, die de stukken van de spijze van de koning aten.
Dan 1:16 Toen geschiedde het, dat Melzar de stukken van hun spijs wegnam, evenals de wijn die zij moesten drinken, en hij gaf hun groente.

Dan 1:17 Aan deze vier jongemannen nu gaf God kennis en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar DaniŽl gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.
Dan 1:18 Aan het einde nu van de dagen, waarvan de koning gezegd had, dat men hen zou inbrengen, zo bracht de overste van de kamerlingen hen voor het aangezicht van Nebukadnezar,
Dan 1:19 En de koning sprak met hen; doch er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk DaniŽl, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht van de koning.
Dan 1:20 En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun ondervroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovenaars en sterrenkijkers, die in zijn ganse koninkrijk waren.
Dan 1:21 En DaniŽl bleef tot het eerste jaar van de koning Kores toe.

Hoofdstuk 2
Dan 2:1 In het tweede jaar nu van het koninkrijk van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap week van hem.
Dan 2:2 Toen zei de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrenkijkers, en de waarzeggers, en de ChaldeŽn, om de koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht van de koning.
Dan 2:3 En de koning zei tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om die droom te weten.
Dan 2:4 Toen spraken de ChaldeŽn, tot de koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij de uitleg te kennen geven.
Dan 2:5 De koning antwoordde en zei tot de ChaldeŽn: De zaak is mij ontgaan; indien gij mij de droom en zijn uitleg niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.
Dan 2:6 Maar indien gij de droom en zijn uitleg te kennen geeft, zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij de droom en zijn uitleg te kennen.
Dan 2:7 Zij antwoordden ten tweede male, en zeiden: De koning zegge zijn knechten de droom, dan zullen wij de uitleg te kennen geven.
Dan 2:8 De koning antwoordde en zei: Ik weet zeker, dat gij tijd zoekt te winnen, omdat gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is.
Dan 2:9 Indien gij mij die droom niet te kennen geeft, uw vonnis is enerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verzonnen antwoord afgesproken om mij te zeggen, totdat de tijd weer verandert; daarom zegt mij de droom, dan zal ik weten, dat gij mij de uitleg daarvan zult te kennen geven.
Dan 2:10 De ChaldeŽn antwoordden de koning, en zeiden: Er is geen mens op de aardbodem, die het woord van de koning zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enige tovenaar, of sterrenkijker, of ChaldeŽr.
Dan 2:11 Want de zaak die de koning begeert, is te moeilijk; en er is niemand anders, die het voor de koning te kennen kan geven, dan de goden, waarvan hun woning bij het vlees niet is.
Dan 2:12 Daarom werd de koning toornig en zeer verbolgen, en zei, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.
Dan 2:13 Die wet dan ging uit, dat de wijzen zouden worden gedood; men zocht ook DaniŽl en zijn metgezellen, om gedood te worden.

Dan 2:14 Toen deed DaniŽl een wijs en verstandig voorstel aan Arioch, de overste van de lijfwacht van de koning, die uitgegaan was, om de wijzen van Babel te doden.
Dan 2:15 Hij antwoordde en zei tot Arioch, de bevelhebber van de koning: Waarom zou de wet vanwege de koning zo snel uitgevoerd worden? Toen gaf Arioch aan DaniŽl de zaak te kennen.
Dan 2:16 En DaniŽl ging in, en verzocht de koning, dat hij hem een bepaalde tijd wilde geven, dat hij de koning de uitleg te kennen gaf.
Dan 2:17 Toen ging DaniŽl naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen;
Dan 2:18 Opdat zij van de God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid, zodat DaniŽl en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet zouden omkomen.
Dan 2:19 Toen werd aan DaniŽl in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard; toen loofde DaniŽl de God des hemels.
Dan 2:20 DaniŽl antwoordde en zei: De Naam van God zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want van Hem is de wijsheid en de kracht.
Dan 2:21 Want Hij verandert de tijden en uren; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft de wijzen wijsheid, en kennis aan hen, die verstand hebben;
Dan 2:22 Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, het licht woont bij Hem.
Dan 2:23 Ik dank en ik loof U, o God van mijn vaderen! omdat Gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want Gij hebt ons de zaak van de koning bekend gemaakt.

Dan 2:24 Daarom ging DaniŽl in tot Arioch, die de koning aangesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging heen en zei aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om, maar breng mij in voor de koning, en ik zal de koning de uitleg te kennen geven.
Dan 2:25 Toen bracht Arioch met haast DaniŽl voor de koning, en hij sprak alzo tot hem: Ik heb een man van de ballingen van Juda gevonden, die de koning de uitleg zal bekend maken.
Dan 2:26 De koning antwoordde en zei tot DaniŽl, wiens naam Beltsazar was: Zijt gij machtig mij bekend te maken de droom, die ik gezien heb, en zijn uitleg?
Dan 2:27 DaniŽl antwoordde voor de koning, en zei: De verborgenheid, die de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrenkijkers, de tovenaars, en de waarzeggers de koning niet te kennen geven;
Dan 2:28 Maar er is een God in de hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het laatste der dagen; uw droom, en de gezichten van uw hoofd op uw leger, zijn deze:
Dan 2:29 Gij, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna geschieden zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er geschieden zal.
Dan 2:30 Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar daarom opdat men de koning de uitleg zou bekend maken, en opdat gij de gedachten van uw hart zou kennen.

Dan 2:31 Gij, o koning! zag, en ziet, er was een groot beeld -machtig en met een buitengewone glans-, staande tegenover u; en zijn gedaante was verschrikkelijk.
Dan 2:32 Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;
Dan 2:33 Zijn benen van ijzer; zijn voeten ten dele van ijzer, en ten dele van leem.
Dan 2:34 U zag dit, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.
Dan 2:35 Toen werden tezamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren in de zomer, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats meer voor gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, alzo dat hij de hele aarde vervulde.
Dan 2:36 Dit is de droom; zijn uitleg nu zullen wij voor de koning zeggen.
Dan 2:37 Gij, o koning! zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven;
Dan 2:38 En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de dieren van het veld en de vogelen des hemels in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over die allen; gij zijt dat gouden hoofd.
Dan 2:39 En na u zal een ander koninkrijk opstaan, minder dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, dat heersen zal over de hele aarde.
Dan 2:40 En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; zoals het ijzer alles in stukken slaat en onderwerpt; gelijk nu het ijzer, dat alles verbreekt, alzo zal het vermalen en verbreken.
Dan 2:41 En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, en daar zal van de hardheid van ijzer in zijn, waarom gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem;
Dan 2:42 En de tenen van de voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos.
Dan 2:43 En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan de ander niet hechten, zoals zich ijzer met leem niet vermengt.
Dan 2:44 Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en teniet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.
Dan 2:45 Daarom hebt gij gezien, dat uit de berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft de koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijn uitleg is zeker.

Dan 2:46 Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad DaniŽl; en hij zei, dat men hem met spijsoffer en lieflijk reukwerk een drankoffer doen zou.
Dan 2:47 De koning antwoordde DaniŽl en zei: Het is de waarheid, dat jullie God een God der goden is, en een Heere der koningen, en Die de verborgenheden openbaart, omdat gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren.
Dan 2:48 Toen maakte de koning DaniŽl groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het ganse landschap van Babel, en tot een overste der overheden over al de wijzen van Babel.
Dan 2:49 Toen vroeg DaniŽl de koning en hij stelde Sadrach, Mesach en Abed-nego over de zaken van het landschap van Babel; maar DaniŽl bleef aan de poort van de koning.

Hoofdstuk 3
Dan 3:1 De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, waarvan de hoogte zestig el was, en zijn breedte zes el; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel.
Dan 3:2 En de koning Nebukadnezar zond heen, om te verzamelen, de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heersers der landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, dat de koning Nebukadnezar had opgericht.
Dan 3:3 Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heersers der landschappen, tot inwijding van het beeld, dat de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnezar had opgericht.
Dan 3:4 En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natiŽn, en tongen!
Dan 3:5 Zodra gij horen zult het geluid van de hoorn, van de fluit, van de citer, van de vedel, van de harp, van de doedelzak, en allerlei soorten muziek, zo zult gij neervallen, en aanbidden het gouden beeld, dat de koning Nebukadnezar heeft opgericht;
Dan 3:6 En wie niet neervalt en aanbidt, die zal in datzelfde uur in het midden van de oven met het brandende vuur geworpen worden.
Dan 3:7 Daarom op dat ogenblik, toen al die volken hoorden het geluid van de hoorn, van de fluit, van de citer, van de vedel, van de harp, en allerlei soorten muziek, dat alle volken, natiŽn en tongen, neervallend, het gouden beeld aanbaden, dat de koning Nebukadnezar had opgericht.

Dan 3:8 Tegelijkertijd naderden daarom Chaldeeuwse mannen, die de Joden openlijk beschuldigden;
Dan 3:9 Zij antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: O koning! leef in eeuwigheid!
Dan 3:10 Gij, o koning! hebt een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid van de hoorn, van de fluit, van de citer, van de vedel, van de harp, van de doedelzak, en allerlei soorten muziek, neervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden;
Dan 3:11 En wie niet neerviel, en aanbad, die zou in het midden van de oven met het brandende vuur geworpen worden.
Dan 3:12 Er zijn Joodse mannen, die gij over de zaken van het landschap van Babel gesteld hebt, Sadrach, Mesach en Abed-nego; deze mannen hebben, o koning! geen rekening met u gehouden; uw goden eren zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan, dat gij opgericht hebt.
Dan 3:13 Toen zei Nebukadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abed-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor de koning gebracht.
Dan 3:14 Nebukadnezar antwoordde en zei tot hen: Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, dat gij mijn goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt?
Dan 3:15 Nu dan, zo gijlieden gereed zijt, dat gij op het ogenblik, dat gij horen zult het geluid van de hoorn, van de fluit, van de citer, van de vedel, van de harp, van de doedelzak, en allerlei soorten muziek, neervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wŤl; maar zo gijlieden het niet aanbidt: op datzelfde ogenblik zult gijlieden geworpen worden in het midden van de oven met het brandende vuur; en wie is de God, Die ulieden uit mijn handen verlossen zou?
Dan 3:16 Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden.
Dan 3:17 Zal het zo zijn, onze God, Die wij eren, is machtig ons te verlossen uit de oven met het brandende vuur, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.
Dan 3:18 Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden.

Dan 3:19 Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid, en zijn gelaatstrekken veranderden tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde en zei, dat men de oven zevenmaal heter zou maken dan men die pleegt heet te maken.
Dan 3:20 En tot de sterkste mannen, die in zijn leger waren, zei hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abed-nego binden zouden, om hen in de oven met het brandende vuur te gooien.
Dan 3:21 Toen werden die mannen gebonden in hun mantels, hun broeken, en hun tulbanden, en hun andere klederen, en zij gooiden hen in het midden van de oven met het brandende vuur.
Dan 3:22 Daarom dan, omdat het woord van de koning zo gebiedend en de oven zeer heet was, zo hebben de vonken van het vuur die mannen, die Sadrach, Mesach en Abed-nego opgeheven hadden, gedood.
Dan 3:23 Maar toen die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abed-nego, in het midden van de oven met het brandende vuur, gebonden zijnde, gevallen waren,
Dan 3:24 Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar, en hij stond op in haast, antwoordde en zei tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie mannen in het midden van het vuur, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot de koning: Dat is zeker, o koning!
Dan 3:25 Hij antwoordde en zei: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelend in het midden van het vuur, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante van de vierde is als een zoon der goden.
Dan 3:26 Toen naderde Nebukadnezar tot de deur van de oven met het brandende vuur, antwoordde en sprak: Gij Sadrach, Mesach en Abed-nego, gij knechten van de allerhoogste God! gaat uit en komt hier! Toen gingen Sadrach, Mesach en Abed-nego uit het midden van het vuur.
Dan 3:27 Toen verzamelden de stadhouders, de overheden, en de landvoogden en de raadsheren van de koning zich en zagen aan deze mannen, dat het vuur over hun lichamen niet geheerst had, en dat het haar van hun hoofd niet verbrand was, en hun mantels niet veranderd waren, ja, dat de reuk van het vuur daardoor niet gegaan was.

Dan 3:28 Nebukadnezar antwoordde en zei: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en het woord van de koning getrotseerd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God.
Dan 3:29 Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die laster spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen wordt, en zijn huis tot een drekhoop gesteld wordt; want er is geen ander God, Die alzo verlossen kan.
Dan 3:30 Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-nego voorspoedig in het landschap van Babel.

Hoofdstuk 4
Dan 4:1 De koning Nebukadnezar aan alle volken, natiŽn en tongen, die op de ganse aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd!
Dan 4:2 Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft.
Dan 4:3 Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.
Dan 4:4 Ik, Nebukadnezar, woonde rustig in mijn huis, in voorspoed in mijn paleis,
Dan 4:5 Ik zag een droomgezicht, dat mij deed schrikken, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten van mijn hoofd verontrustten mij.
Dan 4:6 Daarom is er een bevel van mij gegeven, dat men voor mij zou brengen al de wijzen van Babel, opdat zij mij de uitleg van die droom zouden bekend maken.
Dan 4:7 Toen kwamen de tovenaars, de sterrenkijkers, de ChaldeŽn en de waarzeggers; en ik vertelde de droom aan hen; maar zij maakten mij zijn uitleg niet bekend;
Dan 4:8 Totdat tenslotte DaniŽl voor mij kwam, wiens naam Beltsazar is, naar de naam van mijn god, in wie ook de geest der heilige goden is; en ik vertelde de droom aan hem, zeggende:
Dan 4:9 Beltsazar, gij overste der tovenaars! omdat ik weet, dat de geest der heilige goden in u is, en geen verborgenheid u moeite geeft, zo zeg de gezichten van mijn droom, die ik gezien heb, te weten zijn uitleg.
Dan 4:10 De gezichten nu van mijn hoofd op mijn bed waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden van de aarde, en zijn hoogte was groot.
Dan 4:11 De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte tot de hemel, en hij werd gezien tot aan het einde van de ganse aarde;
Dan 4:12 Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijze daaraan voor allen; onder hem vonden de dieren van het veld schaduw, en de vogelen des hemels woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.
Dan 4:13 Ik zag verder in de gezichten van mijn hoofd, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van de hemel,
Dan 4:14 Roepende met kracht, en aldus zeggend: Houwt die boom om, en kapt zijn takken; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogels van zijn takken;
Dan 4:15 Doch laat de stam met zijn wortels in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tere gras van het veld; en laat hem in de dauw van de hemel nat gemaakt worden en zijn deel zijn met het gedierte in het kruid van de aarde.
Dan 4:16 Laat zijn hart veranderd worden, dat het geen mensenhart meer is, en laat hem een beestenhart gegeven worden, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan.
Dan 4:17 Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte is in het woord der heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze aan wie Hij wil, ja, zet daarover de laagste onder de mensen.
Dan 4:18 Deze droom heb ik, koning Nebukadnezar gezien; gij nu, Beltsazar! zeg de uitleg daarvan, omdat de wijzen van mijn koninkrijk mij de uitleg niet bekend hebben kunnen maken; maar gij kunt het wel, omdat de geest der heilige goden in u is.
Dan 4:19 Toen ontzette zich DaniŽl, wiens naam Beltsazar is, bijna een uur lang, en zijn gedachten beroerden hem. De koning antwoordde en zei: Beltsazar! laat u de droom en zijn uitleg niet verontrusten. Beltsazar antwoordde en zei: Mijn heer! Moge de droom uw haters wedervaren, en zijn uitleg uw tegenstanders!
Dan 4:20 De boom, die gij gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan de hemel reikte, en die over het ganse aardrijk gezien werd;
Dan 4:21 En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar spijze aan was voor allen, onder wie de dieren van het veld woonden, en in wiens takken de vogelen des hemels nestelden;
Dan 4:22 Dat zijt gij, o koning! die groot en sterk zijt geworden; want uw grootheid is zo toegenomen, dat zij reikt tot de hemel, en uw heerschappij tot aan het einde van het aardrijk.
Dan 4:23 Dat nu de koning, een wachter, namelijk een heilige gezien heeft, van de hemel afkomend, die zei: Houwt deze boom om, en verderft hem; doch laat de stam met zijn wortels in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tere gras van het veld, en laat hij door de dauw des hemels nat gemaakt worden,en zijn deel zijn met de dieren van het veld, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan;
Dan 4:24 Dit is de betekenis, o koning! en dit is een besluit van de Allerhoogste, dat over mijn heer, de koning, komen zal:
Dan 4:25 Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met de dieren van het veld zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als de ossen, te eten geven; en gij zult door de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze, wie Hij wil.
Dan 4:26 Dat er ook gezegd is, dat men de stam met de wortels van die boom laten zou; uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij zult bekend hebben, dat de Hemel heerst.
Dan 4:27 Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen.
Dan 4:28 Dit alles overkwam de koning Nebukadnezar.
Dan 4:29 Want na twaalf maanden, toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde,
Dan 4:30 Sprak de koning, en zei: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis van het koninkrijk, door de sterkte van mijn macht, en tot eer van mijn heerlijkheid!
Dan 4:31 Dit woord was nog in de mond van de koning, toen er een stem uit de hemel viel: U, o koning Nebukadnezar! wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan.
Dan 4:32 En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten van het veld zijn; men zal u gras te eten geven, als de ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken der mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wie Hij wil.
Dan 4:33 In datzelfde uur werd dat woord volbracht aan Nebukadnezar, want hij werd uit de mensen verstoten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam werd door de dauw van de hemel nat gemaakt, totdat zijn haar groeide als de veren van de arenden, en zijn nagels als de klauwen van de vogels.
Dan 4:34 Aan het einde nu van deze dagen, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde de Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte de Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht;
Dan 4:35 En al de inwoners van de aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het leger des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand kan weerstaan, of tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
Dan 4:36 In diezelfde tijd kwam mijn verstand weer in mij; ook kwam de heerlijkheid van mijn koninkrijk, mijn majesteit en mijn glans weer aan mij; en mijn raadsheren en mijn rijksgroten zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid toegevoegd.
Dan 4:37 Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk de Koning des hemels, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten zijn; en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen.

Hoofdstuk 5
Dan 5:1 De koning Belsazar maakte een grote maaltijd voor zijn duizend rijksgroten, en hij dronk wijn in hun aanwezigheid.
Dan 5:2 Toen Belsazar de wijn geproefd had, zei hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn rijksgroten, zijn vrouwen en zijn bijvrouwen daaruit dronken.
Dan 5:3 Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit de tempel van het huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn rijksgroten, zijn vrouwen, en zijn bijvrouwen dronken daaruit.
Dan 5:4 Zij dronken de wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden.
Dan 5:5 In datzelfde uur werden er vingers van een mensenhand zichtbaar, die schreven tegenover de kandelaar, op de kalk van de muur van het koninklijk paleis, en de koning zag het deel van de hand, die daar schreef.
Dan 5:6 Toen verschoot de kleur van de koning, en zijn gedachten deden hem schrikken; en de banden van zijn lenden werden los, en zijn knieŽn stootten tegen elkaar.
Dan 5:7 Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrenkijkers, de ChaldeŽn en de waarzeggers brengen zou; en de koning antwoordde en zei tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en de uitleg daarvan mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.
Dan 5:8 Toen kwamen al de wijzen van de koning; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch de koning de uitleg daarvan bekend maken.
Dan 5:9 Toen schrok de koning Belsazar zeer, en hij verschoot van kleur, en zijn rijksgroten werden verbaasd.

Dan 5:10 Om deze woorden van de koning en zijn rijksgroten, kwam de koningin in het huis van de maaltijd. De koningin sprak en zei: O koning, leef in eeuwigheid! laat uw gedachten u niet doen schrikken, en laat uw gezicht niet van kleur veranderen.
Dan 5:11 Er is een man in uw koninkrijk, in wie de geest der heilige goden is, want in de dagen van uw vader is bij hem gevonden licht, en verstand, en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is; daarom stelde hem de koning Nebukadnezar, uw vader, tot een overste der tovenaars, der sterrenkijkers, der ChaldeŽn, en der waarzeggers, uw vader, o koning!
Dan 5:12 Omdat een voortreffelijke geest, en kennis, en verstand van iemand, die dromen uitlegt, en raadsels oplost, en die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in DaniŽl, die de koning de naam van Beltsazar gaf; laat nu DaniŽl geroepen worden, die zal de uitleg te kennen geven.
Dan 5:13 Toen werd DaniŽl voor de koning gebracht. De koning antwoordde en zei tot DaniŽl: Zijt gij die DaniŽl, iemand uit de ballingen van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft?
Dan 5:14 Ik toch heb van u gehoord, dat de geest der goden in u is, en dat er licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt.
Dan 5:15 Nu, zo zijn voor mij gebracht de wijzen en de sterrenkijkers, om dit schrift te lezen, en de uitleg daarvan mij bekend te maken; maar zij kunnen de uitleg van deze woorden niet te kennen geven.
Dan 5:16 Doch van u heb ik gehoord, dat gij uitleg kunt geven, en knopen ontbinden; nu, indien gij dit schrift zult kunnen lezen, en de uitleg daarvan mij bekend maken, zult gij met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en gij zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn.
Dan 5:17 Toen antwoordde DaniŽl, en zei voor de koning: Heb uw gaven voor uzelf, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal nochtans het schrift voor de koning lezen, en de uitleg daarvan zal ik hem bekend maken.
Dan 5:18 Wat u aangaat, o koning! de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koninkrijk, en grootheid, en eer, en heerlijkheid gegeven;
Dan 5:19 En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natiŽn en tongen voor hem; die hij wilde, doodde hij, en die hij wilde, behield hij in leven, en die hij wilde, verhoogde hij, en die hij wilde, vernederde hij.
Dan 5:20 Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verhard werd tot hoogmoed, werd hij van de troon van zijn koninkrijk afgestoten, en men nam de eer van hem weg.
Dan 5:21 En hij werd van de kinderen der mensen verstoten, en zijn hart werd de beesten gelijk gemaakt, en zijn woning was bij de woudezels; men gaf hem gras te eten gelijk de ossen; en zijn lichaam werd door de dauw van de hemel nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken der mensen, en daarover stelt, wie Hij wil.
Dan 5:22 En gij, Belsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, hoewel gij dit alles wel geweten hebt.
Dan 5:23 Maar gij hebt u verheven tegen de Heere van de hemel, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw rijksgroten, uw vrouwen, en uw bijvrouwen hebben wijn daaruit gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar die God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wie al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.
Dan 5:24 Toen is dat deel der hand door Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden.
Dan 5:25 Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN.
Dan 5:26 Dit is de uitleg van deze woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het beŽindigd.
Dan 5:27 TEKEL; gij zijt in de weegschaal gewogen; en gij zijt te licht bevonden.
Dan 5:28 PERES; uw koninkrijk is verdeeld, en het is de Meden en de Perzen gegeven.
Dan 5:29 Toen beval Belsazar, en zij bekleedden DaniŽl met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen hem uit tot de derde heerser in dat koninkrijk.

Dan 5:30 In diezelfde nacht, werd Belsazar, de koning der ChaldeŽn, gedood.
Dan 5:31 (6:1) Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde.

Hoofdstuk 6
Dan 6:1 (6:2) En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het ganse koninkrijk zouden zijn;
Dan 6:2 (6:3) En boven hen drie vorsten, waarvan DaniŽl de eerste zou zijn, aan wie die stadhouders zouden rekenschap geven, opdat de koning geen schade leed.
Dan 6:3 (6:4) Toen overtrof deze DaniŽl die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het hele koninkrijk.
Dan 6:4 (6:5) Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid tegen DaniŽl vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, omdat hij getrouw was, en geen vergrijp noch misdaad in hem gevonden werd.
Dan 6:5 (6:6) Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen deze DaniŽl geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet van zijn God.

Dan 6:6 (6:7) Toen liepen deze vorsten en de stadhouders in grote getale tot de koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid!
Dan 6:7 (6:8) Al de vorsten van het rijk, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben beraadslaagd om een koninklijke verordening op te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen aan enig god of mens, behalve aan u, o koning! die zal in de kuil der leeuwen geworpen worden.
Dan 6:8 (6:9) Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag herroepen worden.
Dan 6:9 (6:10) Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.
Dan 6:10 (6:11) Toen nu DaniŽl vernam, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis -hij nu had in zijn opperzaal open vensters naar Jeruzalem-, en hij knielde drie tijden des daags op zijn knieŽn, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, geheel zoals hij voor deze gedaan had.

Dan 6:11 (6:12) Toen kwamen die mannen in grote getale, en zij vonden DaniŽl biddende en smekende voor zijn God.
Dan 6:12 (6:13) Toen kwamen zij nader, en spraken tot de koning aangaande het gebod van de koning: Hebt gij niet een gebod getekend, dat ieder, die in dertig dagen van enig god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in de kuil der leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zei: Dat is juist; naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag herroepen worden.
Dan 6:13 (6:14) Toen antwoordden zij, en zeiden tot de koning: DaniŽl, ťťn van de ballingen uit Juda heeft, o koning! met u geen rekening gehouden, noch met het gebod dat gij getekend hebt; maar hij bidt op drie tijden des daags zijn gebed.
Dan 6:14 (6:15) Toen de koning deze woorden hoorde, werd hij zeer bedroefd bij zichzelf, en hij stelde het hart op DaniŽl om hem te verlossen; ja, tot de ondergang der zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden.
Dan 6:15 (6:16) Toen kwamen die mannen in grote getale tot de koning, en zij zeiden tot de koning: Weet, o koning! dat het de wet der Meden en der Perzen is, dat geen gebod noch verordening, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.
Dan 6:16 (6:17) Toen beval de koning, en zij brachten DaniŽl voor, en wierpen hem in de kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zei tot DaniŽl: Uw God, Die gij gedurig eert, Die verlosse u!
Dan 6:17 (6:18) En er werd een steen gebracht, en op de opening van de kuil gelegd: en de koning verzegelde die met zijn ring, en met de ring van zijn rijksgroten, opdat het besluit aangaande DaniŽl niet zou veranderd worden.

Dan 6:18 (6:19) Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchter, en liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem.
Dan 6:19 (6:20) Toen stond de koning in de vroege morgenstond met het licht op, en hij ging met haast naar de kuil der leeuwen.
Dan 6:20 (6:21) Toen hij nu bij de kuil gekomen was, riep hij tot DaniŽl met een droeve stem; de koning antwoordde en zei tot DaniŽl: O DaniŽl, gij knecht van de levende God! heeft ook uw God, Die gij gedurig eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?
Dan 6:21 (6:22) Toen sprak DaniŽl tot de koning: O koning, leef in eeuwigheid!
Dan 6:22 (6:23) Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft de muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad begaan.
Dan 6:23 (6:24) Toen werd de koning zeer verblijd, en zei, dat men DaniŽl uit de kuil trekken zou. Toen DaniŽl uit de kuil opgetrokken was, zo werd er geen schade aan hem gevonden, omdat hij in zijn God geloofd had.
Dan 6:24 (6:25) Toen beval de koning, en zij brachten die mannen, die DaniŽl overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in de kuil der leeuwen hen, hun kinderen, en hun vrouwen; en zij kwamen nog niet op de bodem van de kuil, of de leeuwen overweldigden hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen.

Dan 6:25 (6:26) Toen schreef de koning Darius aan alle volken, natiŽn en tongen, die op de ganse aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd!
Dan 6:26 (6:27) Door mij is een bevel gegeven, dat men in het hele machtsgebied van mijn koninkrijk beeft en siddert voor het aangezicht van de God van DaniŽl; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe.
Dan 6:27 (6:28) Hij verlost en redt, en Hij doet tekenen en wonderen in de hemel en op de aarde; Die heeft DaniŽl uit de macht der leeuwen verlost.
Dan 6:28 (6:29) Deze DaniŽl nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius, en in het koninkrijk van Kores, de Pers.

Hoofdstuk 7
Dan 7:1 In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, zag DaniŽl een droom, en gezichten van zijn hoofd, op zijn bed; toen schreef hij die droom op, en hij vertelde de voornaamste zaken.
Dan 7:2 DaniŽl antwoordde en zei: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken los op de grote zee.
Dan 7:3 En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verschillend.
Dan 7:4 Het eerste was als een leeuw, en het had vleugels van een arend; ik zag toe, totdat zijn vleugels uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en het werd een mensenhart gegeven.
Dan 7:5 Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en richtte zich aan de ene zijde op, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men sprak tegen het aldus: Sta op, eet veel vlees.
Dan 7:6 Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vogelvleugels op zijn rug; ook had het dier vier hoofden, en het werd de heerschappij gegeven.
Dan 7:7 Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was verschrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verschillend van al de dieren, die daarvoor geweest waren; en het had tien hoornen.
Dan 7:8 Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam daar tussen op, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor die; en ziet, in die hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende.

Dan 7:9 Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen plaats nam, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, de wielen daarvan een brandend vuur.
Dan 7:10 Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.
Dan 7:11 Toen zag ik toe vanwege de stem der grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om door het vuur verbrand te worden.
Dan 7:12 Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, en verlenging van het leven was hun gegeven tot op tijd en uur.
Dan 7:13 Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Iemand als een mensenzoon met de wolken van de hemel, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij deden Hem voor Deze naderen.
Dan 7:14 En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiŽn en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.

Dan 7:15 Mij DaniŽl werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam, en ik schrok van de gezichten van mijn hoofd.
Dan 7:16 Ik naderde tot een van hen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zei ze mij, en gaf mij de uitleg van deze zaken te kennen.
Dan 7:17 Deze grote dieren, vier in aantal, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.
Dan 7:18 Maar de heiligen der hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.
Dan 7:19 Toen wilde ik de waarheid van het vierde dier weten, dat verschillend was van al de andere, zeer gruwelijk, waarvan de tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten.
Dan 7:20 En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en de andere, die opkwam, en waarvoor drie andere afgevallen waren, namelijk die hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen.
Dan 7:21 Ik had gezien, dat die hoorn oorlog voerde tegen de heiligen, en dat hij die overwon,
Dan 7:22 Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen der hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.
Dan 7:23 Hij zei aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verschillend zal zijn van al die rijken, en het zal de ganse aarde opeten, en het zal dat vertreden, en in stukken breken.
Dan 7:24 Aangaande nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verschillend zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen.
Dan 7:25 En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen kwellen, en het zal denken de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in diens hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte van een tijd.
Dan 7:26 Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe.
Dan 7:27 Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid van de koninkrijken onder de ganse hemel, zal gegeven worden aan het volk van de heiligen der hoge plaatsen, en dat zal een eeuwig Rijk zijn; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen.
Dan 7:28 Hier is het einde van deze zaak. Wat mij DaniŽl aangaat, mijn gedachten verontrustten mij zeer, en mijn voorkomen veranderde; doch ik bewaarde die zaak in mijn hart.

Hoofdstuk 8
Dan 8:1 In het derde jaar van het koninkrijk van de koning Belsazar, verscheen mij een gezicht, mij DaniŽl, na hetgeen mij in het eerste verschenen was.
Dan 8:2 En ik zag een gezicht, -het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in de burcht Susan was, welke in het landschap Elam is- ik zag dan in een gezicht, dat ik aan de rivier Ulai was.
Dan 8:3 En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor die rivier, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was hoger dan de andere, en de hoogste kwam het laatste op.
Dan 8:4 Ik zag, dat de ram met de hoornen naar het westen stootte, en naar het noorden, en naar het zuiden, en geen enkel dier kon voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.
Dan 8:5 Toen ik hierover nadacht, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over de hele aardbodem, die de aarde niet aanraakte; en die bok had een aanzienlijke hoorn tussen zijn ogen.
Dan 8:6 En hij kwam tot de ram, die de twee hoornen had, die ik had zien staan voor de rivier; en hij liep op hem aan in de woede van zijn kracht.
Dan 8:7 En ik zag hem, naderend tot de ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stootte de ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in de ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die de ram uit zijn hand verloste.
Dan 8:8 En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen aan zijn plaats vier aanzienlijke op, naar de vier windstreken van de hemel.
Dan 8:9 En uit een van die kwam een kleine hoorn voort, die uitnemend groot werd, naar het zuiden, en naar het oosten, en naar het sierlijke land.
Dan 8:10 En hij werd groot tot aan het leger des hemels; en hij wierp er sommigen van dat leger, namelijk van de sterren, ter aarde neer, en hij vertrad ze.
Dan 8:11 Ja, hij maakte zich groot tot aan de Vorst van dat leger, en van Hem werd weggenomen het gedurig offer, en de woning van Zijn heiligdom werd neergeworpen.
Dan 8:12 En het leger werd samen met het gedurig offer aan de afval overgegeven; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.
Dan 8:13 Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zei tot de onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van de verwoestende afval zijn, dat zo het heiligdom als het leger ter vertreding zal overgegeven worden?
Dan 8:14 En hij zei tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.

Dan 8:15 En het geschiedde, toen ik dat gezicht zag, ik DaniŽl, zo zocht ik de betekenis daarvan, en ziet, er stond voor mij als de gedaante van een man.
Dan 8:16 En ik hoorde tussen de oevers van de Ulai een mensenstem, die riep en zei: GabriŽl! geef deze het gezicht te verstaan.
Dan 8:17 En hij kwam naast waar ik stond; en toen hij kwam, schrok ik, en viel op mijn aangezicht. Toen zei hij tot mij: Versta, gij mensenkind! want dit gezicht zal zijn tot de tijd van het einde.
Dan 8:18 Toen hij nu met mij sprak, viel ik in een diepe slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn voeten.
Dan 8:19 En hij zei: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal aan het einde van deze gramschap; want op de bestemde tijd zal het einde zijn.
Dan 8:20 De ram met de twee hoornen, die gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen.
Dan 8:21 Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, die tussen zijn ogen is, is de eerste koning.
Dan 8:22 Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was: vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijn kracht.
Dan 8:23 Maar op het laatst van hun koninkrijk, als de afvalligen de maat hebben volgemaakt, zo zal er een koning opstaan, hard en listig;
Dan 8:24 En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij zal wonderlijk verderven, en zal voorspoed hebben, en zal het doen; en hij zal de machtigen, mitsgaders het heilige volk verderven;
Dan 8:25 En door zijn bedrieglijkheid zo zal hij het bedrog voorspoedig maken in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in alle rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen de Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden.
Dan 8:26 Het gezicht nu van de avond en de morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want het duurt nog vele dagen tot die tijd.
Dan 8:27 Toen werd ik, DaniŽl, zwak, en was enige dagen ziek; daarna stond ik op, en deed het werk van de koning; en ik was ontzet over dit gezicht; maar niemand merkte het.

Hoofdstuk 9
Dan 9:1 In het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der ChaldeŽn;
Dan 9:2 In het eerste jaar van zijn regering, merkte ik, DaniŽl, in de boeken, dat het getal der jaren, waarvan het woord des HEEREN tot de profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was.
Dan 9:3 En ik stelde mijn aangezicht tot God, de Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak en as.

Dan 9:4 Ik bad dan tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zei: Och Heere! Gij grote en geduchte God, Die het verbond en de weldadigheid houdt aan diegenen, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.
Dan 9:5 Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddeloos gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten.
Dan 9:6 En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk van het land.
Dan 9:7 Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid van aangezicht, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israel, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze heengedreven hebt, om hun overtreding, waarmee zij tegen U overtreden hebben.
Dan 9:8 O Heere! bij ons is de beschaamdheid van aangezicht, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.
Dan 9:9 Bij de Heere, onze God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.
Dan 9:10 En wij hebben de stem van de HEERE, onze God, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten.
Dan 9:11 Maar geheel Israel heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uw stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, de knecht Gods, omdat wij tegen Hem gezondigd hebben.
Dan 9:12 En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze rechters, die ons rechtten, brengende over ons een groot kwaad, dat niet geschied is onder de ganse hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.
Dan 9:13 Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht van de HEERE, onze God, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandig acht gevende op Uw waarheid.
Dan 9:14 Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, omdat wij Zijn stem niet gehoorzaamden.
Dan 9:15 En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, zoals die is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.
Dan 9:16 O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg; want omwille van onze zonden en de ongerechtigheden van onze vaderen, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.
Dan 9:17 En nu, o onze God! hoor naar het gebed van Uw knecht, en naar zijn smekingen; en doe omwille van de Heere Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is.
Dan 9:18 Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen open, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neer op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.
Dan 9:19 O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Omwille van Uzelf, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd.

Dan 9:20 Terwijl ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde van mijn volk Israel, en mijn smeking neerwierp voor het aangezicht van de HEERE, mijn God, omwille van de heilige berg van mijn God;
Dan 9:21 Terwijl ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man GabriŽl, die ik in het begin in een gezicht gezien had, snel aangevlogen, en raakte mij aan omtrent de tijd van het avondoffer.
Dan 9:22 En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zei: DaniŽl! nu ben ik uitgegaan, om u de betekenis te doen verstaan.
Dan 9:23 In het begin van uw smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer geliefd man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.
Dan 9:24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profetie te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.
Dan 9:25 Weet dan, en versta: van de uitgang van het woord om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de muur zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.
Dan 9:26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn; en een volk van vorsten, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er strijd zijn, en vastbesloten verwoestingen.
Dan 9:27 En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en de gruwel der verwoesting zal het heiligdom verwoesten, ook tot de voleinding toe, die vast besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste.

Hoofdstuk 10
Dan 10:1 In het derde jaar van Kores, de koning van PerziŽ, werd aan DaniŽl, wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, aangaande tijden van grote moeite; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezicht.
Dan 10:2 In die dagen was ik, DaniŽl, treurende drie weken der dagen.
Dan 10:3 Begeerlijk brood at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook zalfde ik mij in het geheel niet, totdat die drie weken der dagen vervuld waren.
Dan 10:4 En op de vier en twintigste dag van de eerste maand, zo was ik aan de oever van de grote rivier, de Hiddekel.
Dan 10:5 En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een man met linnen bekleed, en zijn lenden waren omgord met fijn goud van Ufaz.
Dan 10:6 En zijn lichaam was gelijk een turkoois, en zijn aangezicht gelijk de gedaante van de bliksem, en Zijn ogen gelijk vlammen van vuur, en zijn armen en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en het geluid van Zijn woorden was als het geluid van een menigte.
Dan 10:7 En ik, DaniŽl, alleen zag dat gezicht, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat gezicht niet; maar een grote schrik viel op hen, en zij vluchtten, om zich te verbergen.
Dan 10:8 Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht over; en mijn uiterlijk werd aan mij verdorven, zodat ik geen kracht overhield.
Dan 10:9 En ik hoorde de stem van zijn woorden; en toen ik de stem van zijn woorden hoorde, zo viel ik in een diepe slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.

Dan 10:10 En ziet, een hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog op mijn knieŽn, en de palmen van mijn handen.
Dan 10:11 En hij zei tot mij: DaniŽl, gij zeer geliefde man! merk op de woorden, die ik tot u spreken zal, en sta rechtop, want ik ben nu tot u gezonden; en toen hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende.
Dan 10:12 Toen zei hij tot mij: Vrees niet, DaniŽl! want van de eerste dag aan, dat gij uw hart er toe zette, om te verstaan en om uzelf te verootmoedigen, voor het aangezicht van uw God, zijn uw woorden gehoord, en omwille van uw woorden ben Ik gekomen.
Dan 10:13 Maar de vorst van het koninkrijk van PerziŽ stond tegenover mij een en twintig dagen; en ziet, Michael, een van de eerste vorsten, kwam om mij te helpen, en ik liet hem aldaar bij de koningen van PerziŽ.
Dan 10:14 Nu ben ik gekomen, om u te doen verstaan, wat uw volk overkomen zal in het laatst der dagen, want het gezicht is nog voor een verre toekomst.
Dan 10:15 En toen hij deze woorden met mij sprak, keerde ik mijn gezicht naar de grond, en ik werd stom.
Dan 10:16 En ziet, iemand de mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan, toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zei tot hem, die tegenover mij stond: Mijn heer! vanwege het gezicht heeft zwakheid mij overmand, zodat ik geen kracht overhoudt.
Dan 10:17 En hoe kan de knecht van deze mijn heer spreken met deze mijn heer? Want wat mij aangaat, van nu af bestaat geen kracht meer in mij, en geen adem is in mij overgebleven.
Dan 10:18 Toen raakte mij wederom aan ťťn, als in de gedaante van een mens; en hij versterkte mij.
Dan 10:19 En Hij zei: Vrees niet, gij zeer geliefde man! vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl hij met mij sprak, werd ik versterkt, en zei: mijn heer spreke, want gij hebt mij versterkt.
Dan 10:20 Toen zei hij: Weet gij, waarom Ik tot u gekomen ben? Doch nu zal Ik teruggaan om te strijden tegen de vorst der Perzen; en als ik zal uitgegaan zijn, ziet, zo zal de vorst van Griekenland komen.
Dan 10:21 Nochtans zal ik u te kennen geven, hetgeen geschreven is in het boek der waarheid; en er is niet ťťn, die zich met mij versterkt tegen dezen, dan uw vorst Michael.

Hoofdstuk 11
Dan 11:1 Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius, de Meder, om hem te bevestigen en te versterken.
Dan 11:2 En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie koningen in PerziŽ staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen opzetten tegen het koninkrijk van Griekenland.
Dan 11:3 Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.
Dan 11:4 En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier windstreken des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij, waarmee hij heerste; want zijn rijk zal uiteen gerukt worden, en dat voor anderen dan deze.

Dan 11:5 En de koning van het Zuiden, die ťťn van zijn vorsten is, zal sterk worden; doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn.
Dan 11:6 Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij met elkaar vriendschap sluiten, en de dochter van de koning van het Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden, met redelijke voorwaarden; doch zij zal de macht van de arm niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden.
Dan 11:7 Doch vanuit een tak van haar wortels zal er ťťn opstaan in zijn staat, die zal met een leger komen, en hij zal komen tegen die versterkte plaatsen van de koning van het Noorden, en hij zal ze binnendringen, en hij zal ze overweldigen.
Dan 11:8 Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun begeerlijke vaten van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven de koning van het Noorden.
Dan 11:9 Alzo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal weer in zijn land trekken.
Dan 11:10 Doch zijn zonen zullen zich in de strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote legers verzamelen; en ťťn van hen zal snel komen, en als een stroom overstromen en doortrekken; en zij zullen terugkomen, en zich in de strijd mengen, tot aan zijn vesting toe.
Dan 11:11 En de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen de koning van het Noorden, die ook een grote menigte verzamelen zal, doch die menigte zal in zijn hand gegeven worden.
Dan 11:12 Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er enige tienduizenden neervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden.
Dan 11:13 Want de koning van het Noorden zal terugkeren, en hij zal een grotere menigte dan de eerste, verzamelen; en na verloop van enige jaren, zal hij snel komen met een groot leger, en met een grote uitrusting.
Dan 11:14 Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen de koning van het Zuiden; en de gewelddadigen van uw volk zullen verheven worden, om het gezicht te bevestigen, doch zij zullen omkomen.
Dan 11:15 En de koning van het Noorden zal komen, en een wal opwerpen, en versterkte steden innemen; en de legers van het Zuiden zullen niet standhouden, noch zijn uitgelezen volk, ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan.
Dan 11:16 Hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land van het sieraad, en de verderving zal in zijn hand wezen.
Dan 11:17 En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht van zijn ganse rijk te komen, en hij zal redelijke voorwaarden meebrengen, en hij zal het doen; want hij zal hem de dochter der vrouwen geven, om het te verderven, maar zij zal niet staan, en zij zal voor hem niet zijn.
Dan 11:18 Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijn gehoon doen ophouden, ook zal hij zijn smaad op hem doen weerkeren.
Dan 11:19 En hij zal zijn aangezicht keren naar de versterkte plaatsen van zijn land, en hij zal struikelen en vallen, en niet gevonden worden.
Dan 11:20 En in zijn plaats zal er een opstaan, doende een geldeiser doortrekken, in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in enige dagen verbroken worden, nochtans niet door toorn, noch door oorlog.

Dan 11:21 Daarna zal er een verachte in zijn plaats staan, die men de koninklijke waardigheid niet zal geven; maar hij zal tijdens vrede komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.
Dan 11:22 En de legers der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen verbroken worden, ook de vorst van het verbond.
Dan 11:23 En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal optrekken, en hij zal met weinig volk gesterkt worden.
Dan 11:24 In stilte zal hij ook in de vette plaatsen van het land komen, en hij zal doen, wat zijn vaders, of de vaders van zijn vaderen, niet gedaan hebben; roof, en buit, en goederen, zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vestingen zijn plannen beramen, maar tot een zekere tijd.
Dan 11:25 En hij zal zijn macht en zijn moed verzamelen tegen de koning van het Zuiden, met een groot leger; en de koning van het Zuiden zal zich in de strijd mengen met een groot en zeer machtig leger; maar hij zal niet bestaan, want zij zullen listen tegen hem beramen.
Dan 11:26 En die de stukken van zijn spijze eten, zullen hem verbreken, en zijn leger zal weggevaagd worden, en velen zullen vallen, verslagen.
Dan 11:27 En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan ťťn tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het heeft een einde ter bestemder tijd.
Dan 11:28 En hij zal in zijn land weerkeren met veel goederen, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en weerkeren in zijn land.
Dan 11:29 Op de bestemde tijd zal hij weerkeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste keer, noch gelijk de laatste reis.
Dan 11:30 Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal weerkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want weerkerend zal hij zich verstaan met de verlaters van het heilig verbond.
Dan 11:31 En hij zal legers op de been brengen, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de versterking, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestende gruwel stellen.
Dan 11:32 En die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.
Dan 11:33 En de leraars van het volk zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vuur, door gevangenis en door beroving, vele dagen.
Dan 11:34 Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; doch velen zullen zich door verraad tot hen voegen.
Dan 11:35 En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot de tijd van het einde; want het zal nog zijn voor een bestemde tijd.
Dan 11:36 En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelf verheffen, en groot maken boven alle goden, en hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleindigd is, want wat besloten is, zal gebeuren.
Dan 11:37 En op de goden van zijn vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen; hij zal ook op geen god acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken.
Dan 11:38 En hij zal de god der vestingen in plaats daarvan eren; namelijk de god, die zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostbare stenen, en met begeerlijke dingen.
Dan 11:39 En hij zal tegen de versterkte plaatsen optreden met behulp van de vreemde god; degenen, die hij erkennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen als loon.
Dan 11:40 En op de tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagens, en met ruiters, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken.
Dan 11:41 En hij zal komen in het land van het sieraad, en vele landen zullen neergeworpen worden; doch dezen zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen van de kinderen Ammons.
Dan 11:42 En hij zal zijn hand uitstrekken over de landen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen.
Dan 11:43 En hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver, en over al de begeerlijke dingen van Egypte; en van de Libyers, en de EthiopiŽrs in hun vestingen.
Dan 11:44 Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.
Dan 11:45 En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeŽn aan de berg van het heilige sieraad; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben.

Hoofdstuk 12
Dan 12:1 En in die tijd zal Michael opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen van uw volk staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op die tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.
Dan 12:2 En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.
Dan 12:3 En die onderwijzen, zullen blinken als de glans van het uitspansel, en die er velen rechtvaardigen gelijk de sterren, altoos en eeuwig.
Dan 12:4 En gij, DaniŽl! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot de tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de kennis zal vermenigvuldigd worden.

Dan 12:5 En ik, DaniŽl, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van de oever der rivier, en de ander aan gene zijde van de oever der rivier.
Dan 12:6 En een van hen zei tot de man, bekleed met linnen, die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, tot het einde van deze wonderlijke zaken?
Dan 12:7 En ik hoorde die man, bekleed met linnen, die boven op het water van de rivier was, en hij hief zijn rechterhand en zijn linkerhand op naar de hemel, en zwoer bij Die, Die eeuwig leeft, dat na een bestemde tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleindigd hebben te verstrooien de hand van het heilige volk, al deze dingen voleindigd zullen worden.
Dan 12:8 Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zei: Mijn heer! wat zal het einde zijn van deze dingen?
Dan 12:9 En Hij zei: Ga heen, DaniŽl! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde.
Dan 12:10 Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddeloos handelen, en geen van de goddelozen zal het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.
Dan 12:11 En van die tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal opgesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.
Dan 12:12 Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.
Dan 12:13 Maar gij, ga heen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.