Hoofdstuk 1
Deu 1:1 Dit zijn de woorden, die Mozes tot gans Israel gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de wildernis, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab.
Deu 1:2 Elf dagreizen zijn het van Horeb, door de weg van het gebergte Ser, tot aan Kades-barnea.
Deu 1:3 En het is geschied in het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste van de maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israels, naar alles wat hem de HEERE aan hen bevolen had;
Deu 1:4 Nadat hij verslagen had Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, de koning van Basan, die woonde in Astharoth, te Edrei.
Deu 1:5 Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende:
Deu 1:6 De HEERE, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: Gij zijt lang genoeg bij deze berg gebleven.
Deu 1:7 Keert u, en vertrekt, en gaat in het gebergte der Amorieten, en tot al hun buren, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens van de zee; het land der Kananieten, en de Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Eufraat.
Deu 1:8 Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat de HEERE aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.


Deu 1:9 En ik sprak te zelfder tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen.
Deu 1:10 De HEERE, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en ziet, gij zijt heden als de sterren van de hemel in menigte.
Deu 1:11 De HEERE, de God van uw vaderen, doe tot u, zo als gij nu zijt, duizendmaal meer, en Hij zegene u, gelijk als Hij tot u gesproken heeft!
Deu 1:12 Hoe zou ik alleen uw moeite, en uw last, en uw twistzaken dragen?
Deu 1:13 Neemt u wijze, en verstandige, en ervaren mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stel.
Deu 1:14 Toen antwoordde gij mij, en zei: Dit woord is goed, dat gij gesproken hebt, om te doen.
Deu 1:15 Zo nam ik de hoofden van uw stammen, wijze en ervaren mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizend, en oversten van honderd, en oversten van vijftig, en oversten van tien, en ambtlieden voor uw stammen.
Deu 1:16 En ik gebood uw rechters in die tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broeders, en richt recht tussen de man en zijn broeder, en de vreemdeling die bij hem is.
Deu 1:17 Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult de onaanzienlijke, zowel als de aanzienlijke, horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
Deu 1:18 Alzo gebood ik u in die tijd alle zaken, die gij zoudt doen.

Deu 1:19 Toen vertrokken wij van Horeb, en wandelden door die zo grote en vreselijke wildernis, die gij gezien hebt, naar de weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de HEERE, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea.
Deu 1:20 Toen zei ik tot ulieden: Gij zijt gekomen tot het gebergte van de Amorieten, dat de HEERE, onze God, ons geven zal.
Deu 1:21 Ziet, de HEERE, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet.
Deu 1:22 Toen kwam u allen naar mij toe, en zei: Laat ons mannen voor ons aangezicht uitzenden, die ons het land onderzoeken, en ons bescheid wederbrengen, langs welke weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat voor steden wij komen zullen.
Deu 1:23 Deze zaak nu was goed in mijn ogen; zo nam ik uit u twaalf mannen, van elke stam een man.
Deu 1:24 Die keerden zich, en trokken op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol, dat zij verspiedden.
Deu 1:25 En zij namen van de vrucht van het land in hun hand, en brachten ze tot ons, en brachten ons verslag, en zeiden: Het land, dat de HEERE, onze God, ons geven zal, is goed.
Deu 1:26 Doch gij wilde niet optrekken; maar gij waart de mond van de HEERE uw God, weerspannig.
Deu 1:27 En gij murmureerde in uw tenten, en zei: Omdat de HEERE ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons zal overleveren in de hand der Amorieten, om ons te verdelgen.
Deu 1:28 Waarheen zouden wij optrekken? Onze broeders hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en versterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen der Enakieten gezien.
Deu 1:29 Toen zei ik tot u: Verschrikt niet, en vreest niet voor hen.
Deu 1:30 De HEERE, uw God, Die voor uw aangezicht wandelt, Die zal voor u strijden, naar alles, wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte.
Deu 1:31 En in de wildernis, waar gij gezien hebt, dat de HEERE uw God, u gedragen heeft, zoals een man zijn zoon draagt, op al de weg, die gij gewandeld hebt, totdat gij aan deze plaats kwam.
Deu 1:32 Maar door dit woord geloofde gij niet aan de HEERE, uw God.
Deu 1:33 Die voor uw aangezicht op de weg wandelde, om voor u naar de plaats uit te zien, waar gij zoudt legeren; des nachts in het vuur, opdat Hij u de weg wees, waarin gij zoudt gaan, en des daags in de wolk.
Deu 1:34 Toen nu de HEERE de stem van uw woorden hoorde, zo werd Hij zeer toornig, en zwoer, zeggende:
Deu 1:35 Niet n van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!
Deu 1:36 Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft de HEERE te volgen.
Deu 1:37 Ook vertoornde zich de HEERE op mij om uwentwil, zeggende: Gij zult daar ook niet inkomen.
Deu 1:38 Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het Israel doen erven.
Deu 1:39 En uw kinderen, waarvan gij zei: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die heden noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en die zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten.
Deu 1:40 Gij daarentegen, keert u, en reist naar de wildernis, de weg van de Schelfzee.
Deu 1:41 En gij antwoordde en zei tot mij: Wij hebben tegen de HEERE gezondigd; wij zullen optrekken, en strijden, naar alles, wat de HEERE, onze God, ons geboden heeft. Toen gij nu een ieder zijn wapen aangordde, en gereed waart om naar het gebergte op te trekken,
Deu 1:42 Zo zei de HEERE tot mij: Zeg hun: Trekt niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat gij niet voor het aangezicht van uw vijanden verslagen wordt.
Deu 1:43 Maar toen ik alzo tot u sprak, zo luisterde gij niet, maar waart de mond des HEEREN weerspannig, en handelde vermetel, en trok op naar het gebergte.
Deu 1:44 Toen trokken de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, zoals de bijen doen; en zij verpletterden u in Ser tot Horma toe.
Deu 1:45 Toen gij nu terug kwam en weende voor het aangezicht des HEEREN, zo verhoorde de HEERE uw stem niet, en neigde Zijn oren niet tot u.

Deu 1:46 Alzo bleef gij in Kades vele dagen, naar de dagen, dat gij er bleef.

Hoofdstuk 2
Deu 2:1 Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn, de weg van de Schelfzee, zoals de HEERE tot mij gesproken had, en wij trokken om het gebergte Ser, vele dagen.
Deu 2:2 Toen sprak de HEERE tot mij, zeggende:
Deu 2:3 Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetrokken; keert u naar het noorden;
Deu 2:4 En gebied het volk, zeggende: Gij zult doortrekken over de grens van uw broeders, de kinderen van Ezau, die in Ser wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar gij zult u zeer in acht nemen.
Deu 2:5 Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet om met een voetzool te betreden; want Ik heb Ezau het gebergte Ser ter erfenis gegeven.
Deu 2:6 Spijze zult gij voor geld van hen kopen, om te eten; en ook zult gij water voor geld van hen kopen, om te drinken.
Deu 2:7 Want de HEERE, uw God, heeft u gezegend in al het werk van uw hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestenij; deze veertig jaren is de HEERE, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken.

Deu 2:8 Toen wij nu weggetrokken waren van onze broeders, de kinderen van Ezau, die in Ser woonden, van de weg van het vlakke veld, van Elath en van Ezeon-geber, zo keerden wij ons, en trokken door de weg van de woestijn van Moab.
Deu 2:9 Toen sprak de HEERE tot mij: Beangstig Moab niet, en meng u met hen niet in de strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, omdat Ik Ar aan de kinderen van Lot ter erfenis gegeven heb.
Deu 2:10 (De Emieten woonden daar voorheen, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten.
Deu 2:11 Dezen werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.
Deu 2:12 Ook woonden de Horieten tevoren in Ser; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hun plaats gewoond; gelijk als Israel gedaan heeft aan het land van zijn erfenis, dat de HEERE hun gegeven heeft.)
Deu 2:13 Nu, maakt u op, en trekt over de beek Zered. Alzo trokken wij over de beek Zered.
Deu 2:14 De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getrokken zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het ganse geslacht van de krijgslieden uit het midden van het kamp was gestorven, gelijk de HEERE hun gezworen had.
Deu 2:15 Zo was ook de hand des HEEREN tegen hen, om hen uit het midden van het leger te laten omkomen, totdat zij verteerd waren.
Deu 2:16 En het geschiedde, toen al de krijgslieden omgekomen waren, uit het midden van het leger uitstervende,
Deu 2:17 Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:
Deu 2:18 Gij zult heden de grens van Moab, dat is Ar, overtrekken;
Deu 2:19 En gij zult naderen tot de kinderen Ammons; beangstig die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land der kinderen Ammons geen erfenis geven, omdat Ik het aan de kinderen van Lot ter erfenis gegeven heb.
Deu 2:20 (Dit werd ook voor een land van reuzen gehouden; de reuzen woonden tevoren daarin, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten;
Deu 2:21 Een groot, en menigvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en de HEERE verdelgde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en in hun plaats woonden;
Deu 2:22 Zoals Hij aan de kinderen van Ezau, die in Ser wonen, gedaan heeft, voor hun aangezicht verdelgde Hij de Horieten; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben in hun plaats gewoond tot op deze dag.
Deu 2:23 Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittrokken, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en in hun plaats gewoond.)

Deu 2:24 Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, de koning van Hesbon, de Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en gaat de strijd met hen aan.
Deu 2:25 Aan deze dag zal Ik beginnen uw schrik en uw vrees te geven over het aangezicht der volken, onder de ganse hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn voor u.
Deu 2:26 Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemot tot Sihon, de koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:
Deu 2: 27 Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleen langs de weg voorttrekken; ik zal noch ter rechterhand noch ter linkerhand uitwijken.
Deu 2:28 Verkoop mij spijze voor geld, dat ik eet, en geef mij water voor geld, dat ik drink; laat mij alleen, op mijn voeten, doortrekken;
Deu 2:29 Gelijk de kinderen van Ezau, die in Ser wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kom in het land, dat de HEERE, onze God, ons geven zal.
Deu 2:30 Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons niet laten doortrekken; want de HEERE, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand zou geven, gelijk het is aan deze dag.
Deu 2:31 En de HEERE zei tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten.
Deu 2:32 En Sihon trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, naar Jahaz.
Deu 2:33 En de HEERE, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij versloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk.
Deu 2:34 En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
Deu 2:35 Het vee alleen roofden wij voor ons, en de buit van de steden, die wij innamen.
Deu 2:36 Van Aror af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; de HEERE, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.
Deu 2:37 Maar tot het land van de kinderen Ammons zijt gij niet genaderd, ook niet tot de ganse streek van de beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat de HEERE, onze God, ons verboden had.

Hoofdstuk 3
Deu 3:1 Daarna keerden wij ons en trokken op, de weg van Basan; en Og, de koning van Basan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edrei.
Deu 3:2 Toen zei de HEERE tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en al zijn volk, en zijn land, in uw hand gegeven; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.
Deu 3:3 En de HEERE, onze God, gaf ook Og, de koning van Basan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem versloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven.
Deu 3:4 En wij namen in die tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de ganse landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Basan.
Deu 3:5 Al die steden waren met hoge muren, poorten en grendels versterkt, behalve zeer vele onbemuurde steden.
Deu 3:6 En wij verbanden die, gelijk wij Sihon, de koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderen.
Deu 3:7 Doch al het vee en de buit van die steden roofden wij voor ons.
Deu 3:8 Zo namen wij in die tijd het land uit de hand van de twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot de berg Hermon toe;
Deu 3:9 (De Sidonirs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)
Deu 3:10 Al de steden van het platteland, en het ganse Gilead, en het ganse Basan, tot Salcha en Edrei toe; steden van het koninkrijk van Og in Basan.
Deu 3:11 Want Og, de koning van Basan, was alleen van de overigen der reuzen overgebleven; ziet, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba van de kinderen Ammons? Negen el is haar lengte, en vier el haar breedte, naar de elleboog van een man.

Deu 3:12 Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aror af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden daarvan, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten.
Deu 3:13 En het overige van Gilead, mitsgaders het ganse Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de ganse landstreek van Argob, door het ganse Basan; dat werd genoemd het land der reuzen.
Deu 3:14 Jar, de zoon van Manasse, kreeg de ganse landstreek van Argob, tot aan de grens der Gesurieten en Machathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Basan Havvoth-Jar, tot op deze dag.
Deu 3:15 En aan Machir gaf ik Gilead.
Deu 3:16 Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, met het midden van de vallei als grens; en tot aan de beek Jabbok, de grens van de kinderen Ammons;
Deu 3:17 Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, met het gebied daarvan; van Cinnereth af tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, onder Asdoth-pisga tegen het oosten.
Deu 3:18 Voorts gebood ik ulieden in die tijd, zeggende: De HEERE, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broeders, de kinderen Israels.
Deu 3:19 Behalve uw vrouwen, en uw kinderen, en uw vee (ik weet, dat gij veel vee hebt), zij zullen blijven in uw steden, die ik u gegeven heb;
Deu 3:20 Totdat de HEERE uw broeders rust geeft, gelijk ulieden, dat zij ook erven het land, dat de HEERE, uw God, hun geven zal aan gene zijde van de Jordaan; dan zult gij terugkeren, elk tot zijn erfenis, die ik u gegeven heb.

Deu 3:21 Ook gebood ik Jozua in diezelfde tijd, zeggende: Uw ogen zien alles, wat de HEERE, ulieder God, aan deze twee koningen gedaan heeft; alzo zal de HEERE aan alle koninkrijken doen, naar welke gij heen doortrekt.
Deu 3:22 Vreest ze niet; want de HEERE, uw God, strijdt voor ulieden.
Deu 3:23 Ook bad ik de HEERE om genade, zeggende in die zelfde tijd:
Deu 3:24 Heere HEERE! Gij hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden!
Deu 3:25 Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dat goede gebergte, en de Libanon!
Deu 3:26 Doch de HEERE verstoorde zich zeer om uwentwil over mij, en hoorde niet naar mij; maar de HEERE zei tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak.
Deu 3:27 Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie toe met uw ogen; want gij zult over deze Jordaan niet gaan.
Deu 3:28 Gebied dan Jozua, en bemoedig en versterk hem; want hij zal voor het aangezicht van dit volk heen overgaan, en zal hun dat land, dat gij zien zult, doen erven.
Deu 3:29 Alzo bleven wij in dit dal tegenover Beth-peor.

Hoofdstuk 4
Deu 4:1 Nu dan, Israel! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden leer te doen; opdat gij leeft, en ginds inkomt, en erft het land, dat de HEERE, de God van uw vaderen, u geeft.
Deu 4:2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebied, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van de HEERE, uw God, die ik u gebied.
Deu 4:3 Uw ogen hebben gezien, wat God om Bal-peor gedaan heeft; want alle man, die Bal-peor navolgde, die heeft de HEERE, uw God, uit het midden van u verdaan.
Deu 4:4 Maar gij, die de HEERE, uw God, aanhing, gij zijt heden allen levend.
Deu 4:5 Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de HEERE, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden van het land, waar gij naar toe gaat, om het te erven.
Deu 4:6 Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk!
Deu 4:7 Want welk groot volk is er, aan wie de goden zo nabij zijn als de HEERE, onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen?
Deu 4:8 En welk groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze hele wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?
Deu 4:9 Alleen wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen van uw leven; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kleinkinderen bekend maken.
Deu 4:10 Ten dage, als gij voor het aangezicht van de HEERE, uw God, aan Horeb stond, toen de HEERE tot mij zei: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op de aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;
Deu 4:11 En gijlieden naderde en stond beneden aan die berg; -die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid-.
Deu 4:12 Zo sprak de HEERE tot u uit het midden van het vuur; u hoorde de stem van de woorden; maar u zag geen gelijkenis, behalve de stem.
Deu 4:13 Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafels.
Deu 4:14 Ook gebood mij de HEERE in diezelfde tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat gij die zou doen in dat land, waarnaar gij doortrekt, om dat te erven.
Deu 4:15 Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage toen de HEERE op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak;
Deu 4:16 Opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, de gedaante van man of vrouw,
Deu 4:17 de gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enige gevleugelde vogel, die door de hemel vliegt;
Deu 4:18 de gedaante van iets, dat op de aardbodem kruipt; de gedaante van enige vis, die in het water is onder de aarde;
Deu 4:19 Dat gij ook uw ogen niet opheft naar de hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, alle de hemellichamen; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; die de HEERE, uw God, aan alle volken onder de ganse hemel heeft uitgedeeld.
Deu 4:20 Maar de HEERE heeft ulieden aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn, zoals het heden is.
Deu 4:21 Ook vertoornde Zich de HEERE over mij, om uw woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat de HEERE, uw God, u ter erfenis geven zal.
Deu 4:22 Want ik zal in dit land sterven; ik zal over de Jordaan niet gaan; maar gij zult er overgaan, en dat goede land erven.
Deu 4:23 Wacht u, dat gij het verbond van de HEERE, uw God, dat Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat gij u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat de HEERE, uw God, u verboden heeft.
Deu 4:24 Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
Deu 4:25 Wanneer gij nu kinderen en kleinkinderen gewonnen zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zult verderven, dat gij gesneden beelden maakt, de gelijkenis van enig ding, en doet, wat kwaad is in de ogen van de HEERE, uw God, om Hem tot toorn te verwekken;
Deu 4:26 Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen ulieden, dat gij voorzeker ras zult omkomen door dat land, waar gij over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; gij zult uw dagen daarin niet verlengen, maar algeheel verdelgd worden.
Deu 4:27 En de HEERE zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volkje in getal overblijven onder de heidenen, waarheen de HEERE u leiden zal.
Deu 4:28 En aldaar zult gij goden dienen, die het handwerk van mensen zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch ruiken.
Deu 4:29 Dan zult gij van daar de HEERE, uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met geheel uw hart en met uw ganse ziel.
Deu 4:30 Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.
Deu 4:31 Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond van uw vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten.
Deu 4:32 Want, vraag toch naar de vorige dagen, die voor u geweest zijn, van die dag af, dat God de mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde van de hemel tot aan het andere einde van de hemel, of zulk een groot ding gebeurd of gehoord is, als dit:
Deu 4:33 Of een volk gehoord heeft de stem van God, sprekende uit het midden van het vuur, zoals gij gehoord hebt, en levend zijt gebleven?
Deu 4:34 Of: of God beproefd heeft, om Zich een volk uit het midden van een volk aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en met grote verschrikkingen; naar al hetgeen de HEERE, uw God, ulieden voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?
Deu 4:35 U is het getoond, opdat gij zoudt weten, dat de HEERE die God is; er is niemand meer dan Hij alleen!
Deu 4:36 Van de hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en gij hebt Zijn woorden uit het midden van het vuur gehoord.
Deu 4:37 En omdat Hij uw vaderen liefhad, en hun zaad na hen verkoren had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd;
Deu 4:38 Om volken, die groter en machtiger waren dan gij, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hun land ter erfenis zou geven, zoals het heden is.
Deu 4:39 Zo zult gij heden weten, en in uw hart overdenken, dat de HEERE die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer!
Deu 4:40 En gij zult houden Zijn inzettingen en Zijn geboden, die ik u heden gebied, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE, uw God, u geeft, voor altijd.

Deu 4:41 Toen wees Mozes drie steden aan, aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon;
Deu 4:42 Opdat daarheen zou vluchten de doodslager, die zijn naaste onwetend dood slaat, die hij van gisteren en eergisteren niet haatte; opdat hij in n van deze steden zou vluchten en in leven bleef;
Deu 4:43 Bezer in de woestijn, in het vlakke land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Basan, voor de Manassieten.
Deu 4:44 Dit is nu de wet, die Mozes de kinderen Israels voorstelde:
Deu 4:45 Dit zijn de getuigenissen, en de inzettingen, en de rechten, die Mozes sprak tot de kinderen Israels, toen zij uit Egypte waren uitgetrokken;
Deu 4:46 Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-peor, in het land van Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; welke Mozes versloeg, en de kinderen Israels, nadat zij uit Egypte waren uitgetrokken,
Deu 4:47 En zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van Og, koning van Basan; twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, tegen de opgang van de zon;
Deu 4:48 Van Aror af, dat aan de oever van de beek Arnon is, tot aan de berg Sion, welke is Hermon;
Deu 4:49 En al het vlakke veld, aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten, tot aan de zee van het vlakke veld, onder Asdoth-pisga.

Hoofdstuk 5
Deu 5:1 En Mozes riep het ganse Israel, en zei tot hen: Hoor, Israel! de inzettingen en rechten, die ik heden voor uw oren spreek, dat gij ze leert en waarneemt, om die te doen.
Deu 5:2 De HEERE, onze God, heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb.
Deu 5:3 Met onze vaderen heeft de HEERE dit verbond niet gemaakt, maar met ons, wij die hier heden allen levend zijn.
Deu 5:4 Van aangezicht tot aangezicht heeft de HEERE met u op de berg gesproken uit het midden van het vuur,
Deu 5:5 -Ik stond in die tijd tussen de HEERE en u, om u het woord des HEEREN aan te zeggen; want gij vreesde voor het vuur en klom niet op de berg- zeggende:

Deu 5:6 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.
Deu 5:7 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Deu 5:8 Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis, van iets dat boven in de hemel, of onder op de aarde is; of in het water onder de aarde is;
Deu 5:9 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE, uw God, ben een naijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde geslacht van hen, die Mij haten;
Deu 5:10 En doe barmhartigheid aan duizenden van hen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
Deu 5:11 Gij zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden degene, die Zijn Naam ijdel gebruikt.
Deu 5:12 Onderhoudt de sabbatdag, dat gij die heiligt; gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft.
Deu 5:13 Zes dagen zult gij arbeiden, en al uw werk doen;
Deu 5:14 Maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch al uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienstknecht, en uw dienstmaagd mogen rusten, gelijk als gij.
Deu 5:15 Want gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat de HEERE, uw God, u van daar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekte arm; daarom heeft u de HEERE, uw God, geboden, dat gij de sabbatdag houden zult.
Deu 5:16 Eert uw vader, en uw moeder, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u wel zal gaan in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
Deu 5:17 Gij zult niet doodslaan.
Deu 5:18 Gij zult geen overspel doen.
Deu 5:19 Gij zult niet stelen.
Deu 5:20 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Deu 5:21 Gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste; gij zult niet begeren het huis van uw naaste, noch zijn akker, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naaste is.
Deu 5:22 Deze woorden sprak de HEERE tot uw ganse gemeente, op de berg, uit het midden van het vuur, de wolk en de donkerheid, met een grote stem, en voegde daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafels, en gaf ze mij.

Deu 5:23 En het geschiedde, toen gij die stem uit het midden van de duisternis hoorde en de berg van vuur brandde, dat gij naderde tot mij, alle hoofden van uw stammen, en uw oudsten,
Deu 5:24 En zei: Zie, de HEERE, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid getoond, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden van het vuur; deze dag hebben wij gezien, dat God met de mens spreekt, en dat hij levend blijft.
Deu 5:25 Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; indien wij nog langer de stem van de HEERE, onze God, zouden horen, zo zouden wij sterven.
Deu 5:26 Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God, sprekende uit het midden van het vuur, gehoord heeft zoals wij, en is levend gebleven?
Deu 5:27 Nader gij, en hoor alles, wat de HEERE, onze God, zeggen zal; en spreek gij tot ons al wat de HEERE, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen.
Deu 5:28 Toen nu de HEERE de stem van uw woorden hoorde, toen gij tot mij sprak, zo zei de HEERE tot mij: Ik heb gehoord de stem van de woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben; het is alles goed, wat zij gesproken hebben.
Deu 5:29 Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te allen dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen wel zou gaan in eeuwigheid!
Deu 5:30 Ga, zeg hun: Keert terug naar uw tenten.
Deu 5:31 Maar gij, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreek al de geboden, en inzettingen, en rechten, die gij hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven.
Deu 5:32 Neemt dan waar, dat gij doet, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand noch ter linkerhand.
Deu 5:33 In al de weg, die de HEERE, uw God, u gebiedt, zult gij gaan; opdat gij leeft, en dat het u wel ga, en gij de dagen verlengt in het land, dat gij erven zult.

Hoofdstuk 6
Deu 6:1 Dit zijn dan de geboden, de inzettingen en de rechten, die de HEERE, uw God, geboden heeft om u te leren; opdat gij ze doet in het land, waarheen gij gaat, om dat erfelijk te bezitten;
Deu 6:2 Opdat gij de HEERE, uw God, vreest, om te houden al Zijn inzettingen, en Zijn geboden, die ik u gebied; gij, en uw kind, en kleinkind, al de dagen van uw leven; en opdat uw dagen verlengd worden.
Deu 6:3 Hoor dan, Israel! en neem waar, dat gij ze doet, opdat het u wel zal gaan, en opdat gij zeer vermenigvuldigt -gelijk als u de HEERE, de God van uw vaderen, gesproken heeft- in het land, dat van melk en honing is vloeiende.

Deu 6:4 Hoor, Israel! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!
Deu 6:5 Zo zult gij de HEERE, uw God, liefhebben, met heel uw hart, en met heel uw ziel, en met al uw vermogen.
Deu 6:6 En deze woorden, die ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn.
Deu 6:7 En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.
Deu 6:8 Ook zult gij ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdband zijn tussen uw ogen.
Deu 6:9 En gij zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven.
Deu 6:10 Als het dan zal geschied zijn, dat de HEERE, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt,
Deu 6:11 En huizen, vol van alle goed, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen regenbakken, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt;
Deu 6:12 Zo wacht u, dat gij de HEERE niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgeleid.
Deu 6:13 Gij zult de HEERE, uw God, vrezen, en Hem dienen; en gij zult bij Zijn Naam zweren.
Deu 6:14 Gij zult andere goden niet navolgen, uit de goden van de volken, die rondom u zijn.
Deu 6:15 Want de HEERE, uw God is een naijverig God in het midden van u; opdat de toorn van de HEERE, uw God, tegen u niet ontsteke, en Hij u van de aardbodem verdelgt.
Deu 6:16 Gij zult de HEERE, uw God, niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te Massa.

Deu 6:17 Gij zult de geboden van de HEERE, uw God, ijverig houden, alsook Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.
Deu 6:18 En gij zult doen, wat recht en goed is in de ogen des HEEREN; opdat het u wel zal gaan, en dat gij inkomt, en erft het goede land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft;
Deu 6:19 Om al uw vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, gelijk als de HEERE gesproken heeft.
Deu 6:20 Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die de HEERE, onze God, ulieden geboden heeft?
Deu 6:21 Zo zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Farao in Egypte; maar de HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgeleid.
Deu 6:22 En de HEERE gaf tekenen, en grote en onheilbrengende wonderen, in Egypte, aan Farao en aan zijn ganse huis, voor onze ogen;
Deu 6:23 En hij voerde ons van daar uit, opdat Hij ons inbracht, om ons het land te geven, dat Hij onze vaderen gezworen had.
Deu 6:24 En de HEERE gebood ons te doen al deze inzettingen, om te vrezen de HEERE, onze God, ons voor altijd ten goede, om ons in het leven te behouden, zoals het heden is.
Deu 6:25 En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, gelijk Hij ons geboden heeft.

Hoofdstuk 7
Deu 7:1 Wanneer u de HEERE, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kananieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan gij;
Deu 7:2 En de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat gij ze verslaat; zo zult gij hen geheel en al verbannen; gij zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
Deu 7:3 Gij zult u ook met hen niet verzwageren; gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
Deu 7:4 Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn des HEEREN zou tegen ulieden ontsteken, en u weldra verdelgen.
Deu 7:5 Maar alzo zult gij hun doen: hun altaren zult gij omverwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult gij omhakken, en hun gesneden beelden met vuur verbranden.
Deu 7:6 Want gij zijt een heilig volk de HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem een volk ten eigendom zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn.
Deu 7:7 De HEERE heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het geringste van alle volken.
Deu 7:8 Maar omdat de HEERE ulieden liefhad, en opdat Hij hield de eed, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.
Deu 7:9 Gij zult dan weten, dat de HEERE, uw God, die God is, die getrouwe God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten.
Deu 7:10 En Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten, in zijn aangezicht, om hem te verderven; Hij zal het Zijn hater niet uitstellen, in zijn aangezicht zal Hij het hem vergelden.
Deu 7:11 Houdt dan de geboden, en de inzettingen, en de rechten, die ik u heden gebied, om die te doen.

Deu 7:12 Zo zal het geschieden, omdat gij deze rechten zult horen, en houden, en die doen, dat de HEERE, uw God, u het verbond en de weldadigheid zal houden, die Hij uw vaderen gezworen heeft;
Deu 7:13 En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, uw koren, en uw most, en uw olie, de vermeerdering van uw koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft u te geven.
Deu 7:14 Gezegend zult gij zijn boven alle volken; er zal onder u noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uw beesten;
Deu 7:15 En de HEERE zal alle ziekte van u afweren, en Hij zal u geen van de kwade ziekten van de Egyptenaren, die gij kent, opleggen, maar zal ze leggen op allen, die u haten.
Deu 7:16 Gij zult dan al die volken verteren, die de HEERE, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en gij zult hun goden niet dienen; want dat zou u een valstrik zijn.
Deu 7:17 Zo gij in uw hart zou zeggen: Deze volken zijn meerder dan ik; hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven?
Deu 7:18 Vreest niet voor hen; gedenkt steeds, wat de HEERE, uw God, aan Farao en aan alle Egyptenaren gedaan heeft;
Deu 7:19 De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, en de tekenen, en de wonderen, en de sterke hand, en de uitgestrekte arm, door welke u de HEERE, uw God, heeft uitgevoerd; alzo zal de HEERE, uw God, doen aan alle volken, voor welker aangezicht gij vreest.
Deu 7:20 Daartoe zal de HEERE, uw God, ook horzels onder hen zenden; totdat ook zij omkomen, die overgebleven, en voor uw aangezicht verborgen zijn.
Deu 7:21 Ontzet u niet voor hun aangezicht; want de HEERE, uw God, is in het midden van u, een groot en machtig God.
Deu 7:22 En de HEERE, uw God, zal deze volken voor uw aangezicht allengs uitwerpen; haastig zult gij hen niet mogen teniet doen, opdat het wild van het veld niet tegen u vermenigvuldigt.
Deu 7:23 En de HEERE zal hen geven voor uw aangezicht, en Hij zal hen verschrikken met grote verschrikking, totdat zij verdelgd worden.
Deu 7:24 Ook zal Hij hun koningen in uw hand geven, dat gij hun naam van onder de hemel teniet doet; geen man zal voor uw aangezicht bestaan, totdat gij hen zult hebben verdelgd.
Deu 7:25 De gesneden beelden van hun goden zult gij met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult gij niet begeren, noch voor u nemen, opdat gij daardoor niet verstrikt wordt; want dat is de HEERE, uw God, een gruwel.
Deu 7:26 Gij zult dan de gruwel in uw huis niet brengen, dat gij een ban zoudt worden, zoals dat is; gij zult het geheel en al verfoeien, en ten enenmale een afschuw daarvan hebben, want het is een ban.

Hoofdstuk 8
Deu 8:1 Alle geboden, die ik u heden gebied, zult gij waarnemen om te doen, opdat gij leeft, en vermenigvuldigt, en ingaat en het land erft, dat de HEERE aan uw vaderen gezworen heeft.
Deu 8:2 En gij zult gedenken aan al de weg, die u de HEERE, uw God, deze veertig jaren in de wildernis geleid heeft; om u te verootmoedigen, om u te beproeven, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet.
Deu 8:3 En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijzigde u met het Manna, dat gij niet kende, noch uw vaderen gekend hebben; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond des HEEREN gaat.
Deu 8:4 Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren.
Deu 8:5 Bekent dan in uw hart, dat de HEERE, uw God, u kastijdt, gelijk als een man zijn zoon kastijdt.
Deu 8:6 En houdt de geboden van de HEERE, uw God, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen.
Deu 8:7 Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en bergen uitstromen;
Deu 8:8 Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappels; een land van olierijke olijfbomen, en van honing;
Deu 8:9 Een land, waarin gij brood zonder schaarste eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks stenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper delven zult.

Deu 8:10 Als gij dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult gij de HEERE, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven.
Deu 8:11 Wacht u, dat gij de HEERE, uw God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied;
Deu 8:12 Opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen,
Deu 8:13 En uw runderen en uw schapen zullen vermeerderd zijn, ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja, al wat gij hebt vermeerderd zal zijn;
Deu 8:14 Uw hart zich alsdan verheft, dat gij vergeet de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heeft;
Deu 8:15 Die u geleid heeft in die grote en vreselijke wildernis, waar vurige slangen, en schorpioenen waren, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht;
Deu 8:16 Die u in de woestijn spijzigde met Manna, dat uw vaderen niet kenden; om u te verootmoedigen, en om u te beproeven, opdat Hij u tenslotte wel deed;
Deu 8:17 En gij in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte van mijn hand heeft mij dit vermogen verkregen.
Deu 8:18 Maar gij zult gedenken de HEERE, uw God, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestigt, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft, gelijk het heden is.
Deu 8:19 Maar indien het geschiedt, dat gij de HEERE, uw God, ten enenmale vergeet, en andere goden navolgt, en hen dient, en u voor die buigt, zo betuig ik heden tegen u, dat gij voorzeker zult vergaan.
Deu 8:20 Gelijk de heidenen, die de HEERE voor uw aangezicht verdaan heeft, alzo zult gij vergaan, omdat gij de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam zult geweest zijn.

Hoofdstuk 9
Deu 9:1 Hoor, Israel! gij zult heden over de Jordaan gaan, opdat gij ingaat, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan gij; steden, die groot en tot in de hemel versterkt zijn;
Deu 9:2 Een groot en lang volk, kinderen der Enakieten; die gij kent, en van welke gij gehoord hebt: Wie zou bestaan voor het aangezicht van de kinderen van Enak?
Deu 9:3 Zo zult gij heden weten, dat de HEERE, uw God, Degene is, die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: Die zal hen verdelgen, en Die zal hen voor uw aangezicht onderwerpen; en gij zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastig teniet doen, gelijk als de HEERE tot u gesproken heeft.
Deu 9:4 Wanneer hen nu de HEERE, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: De HEERE heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen de HEERE voor uw aangezicht uit de bezitting.
Deu 9:5 Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid van uw hart, komt gij er in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat de HEERE, uw God, aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.
Deu 9:6 Weet dan, dat u de HEERE, uw God, niet om uw gerechtigheid, dit goede land geeft, om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk.

Deu 9:7 Gedenk, vergeet niet, dat gij de HEERE, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van die dag af, dat gij uit Egypte uitgegaan zijt, totdat gij kwam aan deze plaats, zijt gij weerspannig geweest tegen de HEERE.
Deu 9:8 Want aan Horeb vertoornde gij de HEERE zeer, zodat Hij tegen u toornig werd, om u te verdelgen.
Deu 9:9 Toen ik op de berg geklommen was, om te ontvangen de stenen tafels, de tafels van het verbond, dat de HEERE met ulieden gemaakt had, toen bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg, at geen brood, en dronk geen water.
Deu 9:10 En de HEERE gaf mij de twee stenen tafels, met Gods vinger beschreven; en daarop al de woorden, die de HEERE op de berg, uit het midden van het vuur, op de dag van de vergadering, met ulieden gesproken heeft.
Deu 9:11 Zo geschiedde het, na veertig dagen en veertig nachten, toen de HEERE mij de twee stenen tafels, de tafels van het verbond, gaf,
Deu 9:12 Dat de HEERE tot mij zei: Sta op, ga haastig af van hier; want uw volk, dat gij uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft het verdorven; zij zijn haastig afgeweken van de weg, die Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.
Deu 9:13 Voorts sprak de HEERE tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangezien, en zie, het is een hardnekkig volk.
Deu 9:14 Laat van Mij af, dat Ik hen verdelg, en hun naam van onder de hemel weg doe; en Ik zal u tot een machtiger en groter volk maken, dan dit is.
Deu 9:15 Toen keerde ik mij, en ging van de berg af; de berg nu brandde van vuur, en de twee tafels van het verbond waren op mijn beide handen.
Deu 9:16 En ik zag toe, en ziet, gij had tegen de HEERE, uw God, gezondigd; gij had u een gegoten kalf gemaakt; gij waart haastig afgeweken van de weg, die u de HEERE geboden had.
Deu 9:17 Toen vatte ik de twee tafels, en wierp ze heen uit beide mijn handen, en brak ze voor uw ogen.
Deu 9:18 En ik wierp mij neer voor het aangezicht des HEEREN, zoals in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die gij had gezondigd, doende dat kwaad is in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.
Deu 9:19 Want ik vreesde vanwege de toorn en de grimmigheid waarmee de HEERE zeer op ulieden vertoornd was, om u te verdelgen; doch de HEERE verhoorde mij ook datmaal.
Deu 9:20 Ook vertoornde Zich de HEERE zeer tegen Aron, om hem te verdelgen; doch ik bad ook in dezelfde tijd voor Aron.
Deu 9:21 Maar uw zonde, het kalf, dat gij had gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, het vermalende totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van de berg afstroomt.
Deu 9:22 Ook vertoornde gij de HEERE zeer te Thabera en te Massa, en te Kibroth-thava.
Deu 9:23 Voorts toen de HEERE ulieden zond uit Kades-barnea, zeggende: Gaat op en erft dat land, dat Ik u gegeven heb; zo waart gij de mond van de HEERE, uw God, weerspannig, en geloofde Hem niet, en waart Zijn stem niet gehoorzaam.
Deu 9:24 weerspannig zijt gij geweest tegen de HEERE, van de dag af, dat ik u gekend heb.
Deu 9:25 En ik wierp mij neder voor des HEEREN aangezicht, die veertig dagen en veertig nachten, in welke ik mij nederwierp, omdat de HEERE gezegd had, dat Hij u verdelgen zou.
Deu 9:26 En ik bad tot de HEERE, en zei: Heere, HEERE, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat Gij door Uw grootheid verlost hebt; dat Gij uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd.
Deu 9:27 Gedenk aan Uw knechten, Abraham, Izak en Jakob; zie niet op de hardheid van dit volk, noch op zijn goddeloosheid, noch op zijn zonde;
Deu 9:28 Opdat het land, vanwaar Gij ons hebt uitgevoerd, niet zal zeggen: Omdat de HEERE ze niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze uitgeleid, om hen te doden in de woestijn.
Deu 9:29 Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat Gij door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekte arm hebt uitgeleid!

Hoofdstuk 10
Deu 10:1 Ook in die tijd zei de HEERE tot mij: Houw u twee stenen tafels, als de eerste, en klim tot Mij op deze berg; daarna zult gij u een kist van hout maken.
Deu 10:2 En Ik zal op die tafels schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafels, die gij gebroken hebt; en gij zult ze leggen in die kist.
Deu 10:3 Alzo maakte ik een kist van sittimhout, en hieuw twee stenen tafels als de eerste; en ik klom op de berg, en de twee tafels waren in mijn hand.
Deu 10:4 Toen schreef Hij op de tafels, naar het eerste schrift, de tien woorden, die de HEERE, ten dage van de vergadering, op de berg, uit het midden van het vuur, tot ulieden gesproken heeft; en de HEERE gaf ze mij.
Deu 10:5 En ik keerde mij, en ging af van de berg, en legde de tafels in de kist, die ik gemaakt had; en aldaar zijn zij, gelijk als de HEERE mij geboden heeft.
Deu 10:6 (En de kinderen Israels reisden van Beroth-bene-jakan en Mosera. Aldaar stierf Aron, en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats.
Deu 10:7 Van daar reisden zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.
Deu 10:8 In diezelfde tijd zonderde de HEERE de stam Levi af, om de ark van het verbond des HEEREN te dragen, om voor het aangezicht des HEEREN te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
Deu 10:9 Daarom heeft Levi geen deel noch erfenis met zijn broeders; de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft.)
Deu 10:10 En ik stond op de berg, als de vorige dagen, veertig dagen en veertig nachten; en de HEERE verhoorde mij ook datmaal; de HEERE heeft u niet willen verderven.
Deu 10:11 Maar de HEERE zei tot mij: Sta op, ga op reis, voor het aangezicht van het volk, dat zij inkomen, en erven het land, dat Ik hun vaderen gezworen heb, hun te geven.

Deu 10:12 Nu dan, Israel! wat eist de HEERE, uw God van u dan de HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en de HEERE, uw God, te dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel;
Deu 10:13 Om te houden de geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied, u ten goede.
Deu 10:14 Ziet, van de HEERE, uw God, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is.
Deu 10:15 Maar de HEERE heeft lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, zoals het heden is.
Deu 10:16 Besnijdt dan de voorhuid van uw hart, en verhardt uw nek niet meer.
Deu 10:17 Want de HEERE, uw God, is een God der goden, en een Heere der heren; die grote, die machtige, en die ontzaglijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;
Deu 10:18 Die het recht van de wees en van de weduwe doet; en de vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geeft.
Deu 10:19 Daarom zult gijlieden de vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypte.
Deu 10:20 De HEERE, uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.
Deu 10:21 Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben.
Deu 10:22 Uw vaderen trokken af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u de HEERE, uw God, gesteld als de sterren des hemels in menigte.

Hoofdstuk 11
Deu 11:1 Daarom zult gij de HEERE, uw God, liefhebben, en gij zult te allen dage onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden.
Deu 11:2 En gijlieden zult heden weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing van de HEERE, uw God, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekte arm;
Deu 11:3 Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Farao, de koning van Egypte, en aan zijn ganse land;
Deu 11:4 En wat Hij gedaan heeft aan het leger van de Egyptenaren, aan zijn paarden en aan zijn wagens; dat Hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overstromen, toen zij ulieden achtervolgden; en de HEERE verdelgde hen, tot op deze dag.
Deu 11:5 En wat Hij ulieden gedaan heeft in de wildernis, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats.
Deu 11:6 Daarenboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abiram, zonen van Eliab, de zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van heel Israel.
Deu 11:7 Maar het zijn uw ogen, die gezien hebben al dit grote werk des HEEREN, dat Hij gedaan heeft.

Deu 11:8 Houdt dan alle geboden, die ik u heden gebied; opdat gij gesterkt wordt en ingaat, en erft het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven;
Deu 11:9 En opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft, aan hen en aan hun zaad te geven; een land, vloeiende van melk en honing.
Deu 11:10 Want het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypte, vanwaar gij uitgegaan zijt, dat gij bezaaide met uw zaad, en bewaterde het stap voor stap, als een kruidenhof.
Deu 11:11 Maar het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water door de regen van de hemel;
Deu 11:12 Een land, waar de HEERE, uw God, voor zorgt; de ogen van de HEERE, uw God, zijn gedurig daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar.
Deu 11:13 En het zal geschieden, zo gij naarstig zult horen naar Mijn geboden, die Ik u heden gebied, om de HEERE, uw God, lief te hebben, en Hem te dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel;
Deu 11:14 Zo zal Ik de regen van uw land geven te zijner tijd, vroege regen en late regen, opdat gij uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.
Deu 11:15 En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw vee; en gij zult eten en verzadigd worden.
Deu 11:16 Wacht u, dat uw hart niet verleid wordt, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt;
Deu 11:17 Zodat de toorn des HEEREN tegen u ontsteekt, en Hij de hemel toesluit, dat er geen regen is, en het aardrijk zijn gewas niet geeft; en gij haastig omkomt in het goede land, dat u de HEERE geeft.

Deu 11:18 Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot een voorhoofdband zijn tussen uw ogen;
Deu 11:19 En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als gij in uw huis zit, en als gij op weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat;
Deu 11:20 En schrijft ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten;
Deu 11:21 Opdat uw dagen, en de dagen van uw kinderen, in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft hun te geven, vermenigvuldigen, als de dagen der hemelen boven de aarde.
Deu 11:22 Want zo gij naarstig houdt al deze geboden, die ik u gebied om die te doen, de HEERE, uw God, liefhebbend, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangend;
Deu 11:23 Zo zal de HEERE al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan gij zijt.
Deu 11:24 Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de wildernis en tot de Libanon, van de rivier, de rivier Eufraath, tot aan de achterste zee, zal uw grens zijn.  *)
Deu 11:25 Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; de HEERE, uw God, zal uw schrik en uw vrees geven over al het land, waarop gij treden zult, gelijk als Hij tot u gesproken heeft.

Deu 11:26 Ziet, ik stel ulieden heden voor, zegen en vloek:
Deu 11:27 De zegen, wanneer gij horen zult naar de geboden van de HEERE, uw God, die ik u heden gebied;
Deu 11:28 Maar de vloek, zo gij niet horen zult naar de geboden van de HEERE, uw God, en afwijkt van de weg, die ik u heden gebied, om andere goden na te wandelen, die gij niet gekend hebt.
Deu 11:29 En het zal geschieden, als u de HEERE, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; dan zult gij de zegen uitspreken op de berg Gerizim, en de vloek op de berg Ebal.
Deu 11:30 Zijn zij niet aan gene zijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang van de zon, in het land der Kananieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More?
Deu 11:31 Want gijlieden zult over de Jordaan gaan, dat gij ingaat om te erven dat land, dat de HEERE, uw God, u geven zal; en gij zult het erfelijk bezitten, en daarin wonen.
Deu 11:32 Neemt dan waar te doen al de inzettingen en de rechten, die ik u heden voor ogen stel.

Hoofdstuk 12
Deu 12:1 Dit zijn de inzettingen en de rechten, die gijlieden zult waarnemen om te doen, in dat land, dat u de HEERE, de God van uw vaderen, gegeven heeft, om het te erven; al de dagen, die gijlieden op de aardbodem leeft.
Deu 12:2 Gij zult geheel en al vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die gij zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvels, en onder elke groene boom.
Deu 12:3 En gij zult hun altaren omverwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden van hun goden neerhouwen; en gij zult hun naam teniet doen uit die plaatsen.
Deu 12:4 Gij zult de HEERE, uw God, alzo niet doen!

Deu 12:5 Maar naar de plaats, die de HEERE, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te zetten, naar Zijn woning zult gij vragen, en daarheen zult gij komen;
Deu 12:6 En daarheen zult gij brengen uw brandoffers, en uw slachtoffers, en uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en uw geloften, en uw vrijwillige offers, en de eerstgeborenen van uw runderen en uw schapen.
Deu 12:7 En aldaar zult gijlieden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, eten en vrolijk zijn, gijlieden en uw huizen, over al het werk waaraan uw hand is begonnen, waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft.
Deu 12:8 Gij zult niet doen naar alles, wat wij hier heden doen, een ieder doende al wat in zijn ogen recht is.
Deu 12:9 Want gij zijt tot nu toe niet gekomen in de rust en in de erfenis, die de HEERE, uw God, u geven zal.
Deu 12:10 Maar gij zult over de Jordaan gaan, en wonen in het land, dat u de HEERE, uw God, zal doen erven; en Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom, en gij zult zeker wonen.
Deu 12:11 Dan zal er een plaats zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen; daarheen zult gij brengen alles, wat ik u gebied: uw brandoffers, en uw slachtoffers, uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en al uw uitgelezen geloften, die gij de HEERE beloven zult.
Deu 12:12 En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de HEERE, uw God, gijlieden, en uw zonen, en uw dochters, en uw dienstknechten, en uw dienstmaagden, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erfenis met ulieden.
Deu 12:13 Wacht u, dat gij uw brandoffers niet offert in elke plaats, die gij zien zult.
Deu 12:14 Maar in de plaats, die de HEERE in n van uw stammen zal verkiezen, daar zult gij uw brandoffers offeren, en daar zult gij doen al wat ik u gebied.
Deu 12:15 Doch naar hartelust zult gij in al uw poorten slachten en vlees eten, naar de zegen van de HEERE, uw God, die Hij u geeft; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een ree, en als van een hert.
Deu 12:16 Alleen het bloed zult gijlieden niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.
Deu 12:17 Gij zult in uw poorten niet mogen eten de tienden van uw koren, en van uw most, en van uw olie, noch de eerstgeborenen van uw runderen en van uw schapen, noch enige van uw geloften, die gij zult hebben beloofd, noch uw vrijwillige offers, noch het hefoffer van uw hand.
Deu 12:18 Maar gij zult dat eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, in de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is; en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de HEERE, uw God, over al het werk waaraan gij uw handen geslagen hebt.
Deu 12:19 Wacht u, dat gij de Leviet niet verlaat, al uw dagen in uw land.
Deu 12:20 Wanneer de HEERE, uw God, uw grens verruimd zal hebben, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en gij zeggen zult: Ik zal vlees eten; omdat uw ziel lust heeft vlees te eten, zo zult gij vlees eten, naar hartelust.
Deu 12:21 Zo de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te zetten, veraf van u zal zijn, zo zult gij slachten van uw runderen en van uw schapen, die de HEERE u gegeven heeft, gelijk als ik u geboden heb; en gij zult eten in uw poorten, naar hartelust.
Deu 12:22 Gelijk de ree en het hert gegeten wordt, alzo zult gij dat eten; de onreine en de reine zullen het te zamen eten.
Deu 12:23 Alleen houdt vast, dat gij het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult gij de ziel met het vlees niet eten;
Deu 12:24 Gij zult dat niet eten; op de aarde zult gij het uitgieten als water;
Deu 12:25 Gij zult dat niet eten; opdat het u, en uw kinderen na u, welga, als gij zult gedaan hebben, wat recht is in de ogen des HEEREN.
Deu 12:26 Doch uw heilige dingen, die gij hebben zult, en uw geloften zult gij opnemen, en komen tot de plaats, die de HEERE verkiezen zal;
Deu 12:27 En gij zult uw brandoffers, het vlees en het bloed, bereiden op het altaar van de HEERE, uw God; en het bloed van uw slachtoffers zal op het altaar van de HEERE, uw God, worden uitgegoten; maar het vlees zult gij eten.
Deu 12:28 Neemt waar, en hoort al deze woorden, die ik u gebied, opdat het u, en uw kinderen na u, welga tot in eeuwigheid, als gij zult gedaan hebben wat goed en recht is in de ogen van de HEERE, uw God.
Deu 12:29 Wanneer de HEERE, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgeroeid de volken, die gij zult verdrijven, om die erfelijk te bezitten; en gij die erfelijk zult bezitten, en in hun land wonen;
Deu 12:30 Wacht u, dat gij niet verstrikt wordt door hen na te volgen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn; en dat gij niet vraagt naar hun goden, zeggende: Gelijk als deze volken hun goden gediend hebben, alzo zal ik ook doen.
Deu 12:31 Gij zult alzo niet doen de HEERE, uw God; want al wat de HEERE een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij voor hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochters met vuur verbrand voor hun goden.
Deu 12:32 Al dit woord, dat ik ulieden gebied, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.

Hoofdstuk 13
Deu 13:1 Wanneer een profeet, of dromendromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder;
Deu 13:2 En dat teken of dat wonder komt, dat hij tot u gesproken had, zeggende: Laat ons andere goden, die gij niet gekend hebt, navolgen en hen dienen;
Deu 13:3 Gij zult naar de woorden van die profeet, of naar die dromendromer niet horen; want de HEERE, uw God, verzoekt ulieden, om te weten, of gij de HEERE, uw God, liefhebt met heel uw hart en met heel uw ziel.
Deu 13:4 De HEERE, uw God, zult gij navolgen, en Hem vrezen, en Zijn geboden zult gij houden, en Zijn stem gehoorzaam zijn, en Hem dienen, en Hem aanhangen.
Deu 13:5 En die profeet, of dromendromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen de HEERE, uw God, Die ulieden uit Egypteland heeft uitgeleid, en u uit het diensthuis verlost; om u af te dringen van de weg, die u de HEERE, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.

Deu 13:6 Wanneer uw broer, de zoon van uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u heimelijk zal zoeken te verleiden, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt, gij noch uw vaderen;
Deu 13:7 Van de goden der volken, die rondom u zijn, nabij u, of verre van u, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde;
Deu 13:8 Zo zult gij hem niet ter wille zijn, en naar hem niet horen; ook zal uw oog hem niet sparen, en gij zult u niet ontfermen, noch hem verbergen;
Deu 13:9 Maar gij zult hem zeker doden; uw hand zal het eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van het hele volk.
Deu 13:10 En gij zult hem met stenen stenigen, dat hij sterft; want hij heeft u gezocht weg te dringen van de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heeft.
Deu 13:11 Opdat heel Israel het hore en vreze, en niet verder gaat met te doen naar dit boze stuk in het midden van u.

Deu 13:12 Wanneer gij van n van uw steden, die de HEERE, uw God, u geeft, om aldaar te wonen, zult horen zeggen:
Deu 13:13 Er zijn mannen, Belialskinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad gedrongen, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt;
Deu 13:14 Zo zult gij onderzoeken, en naspeuren, en wel navragen; en ziet, als het waar is, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in het midden van u gedaan;
Deu 13:15 Zo zult gij de inwoners van die stad geheel en al slaan met de scherpte van het zwaard, haar verbannend, en alles, wat daarin is, ook het vee, met de scherpte van het zwaard.
Deu 13:16 En al haar buit zult gij verzamelen op het grote plein, en die stad en al haar buit geheel met vuur verbranden voor de HEERE, uw God; en zij zal een puinhoop zijn voor eeuwig, zij zal niet weer gebouwd worden.
Deu 13:17 Ook zal er niets van het verbannene aan uw hand kleven, opdat de HEERE Zich afkeert van de hitte van Zijn toorn, en u geve barmhartigheid, en Zich over u erbarme, en u vermenigvuldige, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft;
Deu 13:18 Wanneer gij de stem van de HEERE, uw God, zult gehoorzaam zijn, om te houden al Zijn geboden, die ik u heden gebied, om te doen wat recht is in de ogen van de HEERE, uw God.

Hoofdstuk 14
Deu 14:1 Gijlieden zijt kinderen van de HEERE, uw God; gij zult uzelf niet insnijden noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
Deu 14:2 Want gij zijt een heilig volk de HEERE, uw God; en u heeft de HEERE verkoren om Hem tot een volk ten eigendom te zijn, uit al de volken, die op de aardbodem zijn.
Deu 14:3 Gij zult geen gruwel eten.
Deu 14:4 Dit zijn de dieren, die gij eten zult; de os, het schaap en de geit.
Deu 14:5 Het hert, de ree, de buffel, en de steenbok, de das, en de wilde os, en de gems.
Deu 14:6 Alle dieren, die de klauwen verdelen, en de kloof geheel in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de dieren, die zult gij eten.
Deu 14:7 Maar deze zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die de gekloofde klauw alleen verdelen: de kameel, en de haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen de klauw niet; onrein zullen zij u zijn.
Deu 14:8 Ook het varken; want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij niet aanroeren.
Deu 14:9 Dit zult gij eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult gij eten.
Deu 14:10 Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult gij niet eten; het zal ulieden onrein zijn.
Deu 14:11 Elke reine vogel zult gij eten.
Deu 14:12 Maar deze zijn het, waarvan gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;
Deu 14:13 En de wouw, en de kraai, en de gier naar zijn aard;
Deu 14:14 En alle raaf naar zijn aard;
Deu 14:15 En de struisvogel, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
Deu 14:16 En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,
Deu 14:17 En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;
Deu 14:18 En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vleermuis;
Deu 14:19 Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.
Deu 14:20 Al het rein gevogelte zult gij eten.
Deu 14:21 Gij zult geen dood aas eten; de vreemdeling, die in uw poorten is, zult gij het geven, dat hij het eet, of verkoopt het de vreemde; want gij zijt een heilig volk de HEERE, uw God. Gij zult het bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

Deu 14:22 Gij zult getrouw vertienen al de opbrengst van uw zaad, dat elk jaar van het veld voortkomt.
Deu 14:23 En voor het aangezicht van de HEERE, uw God, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zult gij eten de tienden van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en uw schapen; opdat gij de HEERE, uw God, leert vrezen alle dagen.
Deu 14:24 Maar als de reis voor u te lang zou zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen heen dragen, omdat de plaats te ver van u zal zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te stellen; wanneer de HEERE, uw God, u zal gezegend hebben;
Deu 14:25 Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;
Deu 14:26 En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel begeert, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterke drank, en voor alles, wat uw ziel zal wensen, en eet aldaar voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en weest vrolijk, gij en uw huis.
Deu 14:27 Maar de Leviet, die in uw poorten is, zult gij niet verzaken; want hij heeft geen deel noch erfenis met u.
Deu 14:28 Aan het einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen van dat derde jaar, en gij zult ze wegleggen in uw poorten;
Deu 14:29 Zo zal komen de Leviet, omdat hij geen deel noch erfenis met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de HEERE, uw God, zegene in al het werk van uw hand, dat gij doen zult.

Hoofdstuk 15
Deu 15:1 Na elk zevende jaar zult gij een kwijtschelding doen.
Deu 15:2 Dit nu is de zaak van de kwijtschelding, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, kwijtscheldt; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, omdat men tot eer van de HEERE een kwijtschelding heeft uitgeroepen.
Deu 15:3 De vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand kwijtschelden;
Deu 15:4 Alleen, opdat er geen arme onder u zal zijn; want de HEERE zal u overvloedig zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, als erfenis zal geven, om dat erfelijk te bezitten;
Deu 15:5 Indien gij slechts de stem van de HEERE, uw God, vlijtig zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebied.
Deu 15:6 Want de HEERE, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen; maar gij zult van hen niet lenen; en gij zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen.
Deu 15:7 Wanneer er onder u een arme zal zijn, n uit uw broeders, in n van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verharden, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;
Deu 15:8 Maar gij zult hem uw hand wijd opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor hetgeen hem ontbreekt.
Deu 15:9 Wacht u, dat in uw hart geen Belialswoord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der kwijtschelding, nadert al; dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, en dat gij hem niet geeft; en hij over u roept tot de HEERE, en zonde in u zij.
Deu 15:10 Gij zult hem milddadig geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want omwille van deze zaak zal u de HEERE, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan gij uw hand slaat.
Deu 15:11 Want de arme zal niet ontbreken in het land; daarom gebied ik u, zeggende: Gij zult uw hand wijd opendoen aan uw broeder, aan uw behoeftigen en aan uw armen in uw land.

Deu 15:12 Wanneer uw broeder, een Hebreer of een Hebreeuwse, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan.
Deu 15:13 En als gij hem vrij van u gaan laat, zo zult gij hem niet met lege handen laten gaan:
Deu 15:14 Gij zult hem rijkelijk voorzien van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven.
Deu 15:15 En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypte geweest zijt, en dat u de HEERE, uw God, verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak.
Deu 15:16 Maar het zal geschieden, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, omdat het hem wel bij u is;
Deu 15:17 Zo zult gij een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwig uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook evenzo doen.
Deu 15:18 Het zal niet hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u gaan laat; want als een dubbelloons dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u de HEERE, uw God, zegenen in alles, wat gij doen zult.

Deu 15:19 Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, van het mannelijk geslacht, zult gij de HEERE, uw God, heiligen; gij zult niet arbeiden met de eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene van uw schapen scheren.
Deu 15:20 Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats, die de HEERE zal verkiezen, gij en uw huis.
Deu 15:21 Doch als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult gij het de HEERE, uw God, niet offeren;
Deu 15:22 In uw poorten zult gij het eten; de onreine en de reine tezamen, zowel de ree, als het hert,
Deu 15:23 Zijn bloed alleen zult gij niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.

Hoofdstuk 16
Deu 16:1 Neemt waar de maand Abib, dat gij de HEERE, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u de HEERE, uw God, uit Egypte uitgevoerd, bij nacht.
Deu 16:2 Dan zult gij de HEERE, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die de HEERE verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen.
Deu 16:3 Gij zult dan niets gedesemds eten; zeven dagen zult gij dan ongezuurde broden eten, een brood der ellende, -want in haast zijt gij uit Egypte weggetrokken-; opdat gij gedenkt aan de dag van uw uittocht uit Egypte, al de dagen van uw leven.
Deu 16:4 Er zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden binnen al uw grenzen; ook zal van het vlees, dat gij aan de avond van de eerste dag geslacht zult hebben, niets tot de morgen overnachten.
Deu 16:5 Gij zult het pascha niet mogen slachten in n van uw poorten, die de HEERE, uw God, u geeft.
Deu 16:6 Maar aan de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, aldaar zult gij het pascha slachten aan de avond, als de zon ondergaat, op de tijd van uw uittocht uit Egypte.
Deu 16:7 Dan zult gij het koken en eten in de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal; daarna zult gij des morgens terugkeren, en heengaan naar uw tenten.
Deu 16:8 Zes dagen zult gij ongezuurde broden eten, en aan de zevende dag is er een plechtige vergadering voor de HEERE, uw God; dan zult gij geen werk doen.
Deu 16:9 Zeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij de zeven weken beginnen te tellen.
Deu 16:10 Daarna zult gij de HEERE, uw God, het feest der weken houden; het zal een vrijwillig offer van uw hand zijn, dat gij geven zult, naardat u de HEERE, uw God, zal gezegend hebben.
Deu 16:11 En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de HEERE, uw God, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die bij u is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die de HEERE, uw God, zal verkiezen, om Zijn Naam aldaar te doen wonen.
Deu 16:12 En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht geweest zijt in Egypte; en gij zult deze inzettingen houden en doen.
Deu 16:13 Het feest der loofhutten zult gij u zeven dagen houden, als gij zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers.
Deu 16:14 En gij zult vrolijk zijn op uw feest, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn.
Deu 16:15 Zeven dagen zult gij de HEERE, uw God, feest houden, in de plaats, die de HEERE verkiezen zal; want de HEERE, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk van uw handen; daarom zult gij immers vrolijk zijn.
Deu 16:16 Driemaal in het jaar zullen alle mannen onder u, voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde broden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten; maar men zal niet met lege handen voor het aangezicht des HEEREN verschijnen:
Deu 16:17 Een ieder, naar de gave van zijn hand, naar de zegen van de HEERE, uw God, die Hij u gegeven heeft.
Deu 16:18 Rechters en oversten zult gij u stellen in al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid.
Deu 16:19 Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk aannemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verdraait de woorden der rechtvaardigen.
Deu 16:20 Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
Deu 16:21 Gij zult u geen bos planten van enig geboomte, bij het altaar van de HEERE, uw God, dat gij u maken zult.
Deu 16:22 Ook zult gij u geen opgericht beeld plaatsen, dat de HEERE, uw God, immers haat.

Hoofdstuk 17
Deu 17:1 Gij zult de HEERE, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek is of enig kwaad; want dat is de HEERE, uw God, een gruwel.
Deu 17:2 Wanneer in het midden van u, in n van uw poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in de ogen van de HEERE, uw God, overtredende Zijn verbond;
Deu 17:3 Dat hij heengaat, en andere goden dient, en zich voor die buigt, of voor de zon, of voor de maan, of voor de hele legerschare van de hemel, wat ik niet geboden heb;
Deu 17:4 En het wordt u aangezegd, en gij hoort het; zo zult gij het wel onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israel gedaan;
Deu 17:5 Zo zult gij die man of die vrouw, die dit boze stuk gedaan hebben, tot uw poorten uitbrengen, die man zeg ik, of die vrouw; en gij zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven.
Deu 17:6 Naar de mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; naar de mond van een enige getuige zal hij niet gedood worden.
Deu 17:7 De hand van de getuigen zal het eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van het hele volk; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.

Deu 17:8 Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, tussen schuldige of onschuldige doodslag, tussen eiser en gedaagde, tussen wond en wond, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult gij u opmaken en opgaan naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;
Deu 17:9 En gij zult komen tot de Levietische priesters, en tot de rechter, die in die dagen zijn zal; en gij zult navragen, en zij zullen u de beslissing van het recht aanzeggen.
Deu 17:10 En gij zult doen naar het bevel van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, van die plaats, die de HEERE verkiezen zal, en gij zult waarnemen te doen naar alles, wat zij u zullen leren.
Deu 17:11 Naar het bevel van de wet, die zij u zullen leren, en naar het oordeel, dat zij u zullen zeggen, zult gij doen; gij zult niet afwijken ter rechterhand of ter linkerhand van het woord, dat zij u zullen aanzeggen.
Deu 17:12 De man nu, die hoogmoedig handelen zal, dat hij niet hoort naar de priester, die staat, om aldaar de HEERE, uw God, te dienen, of naar de rechter, deze man zal sterven; en gij zult het boze uit Israel wegdoen.
Deu 17:13 Dat het al dat volk hoort en vreest, en niet meer hoogmoedig handelt.
Deu 17:14 Wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en gij dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en gij zeggen zult: Ik zal een koning over mij stellen, als al de volken, die rondom mij zijn;
Deu 17:15 Zo zult gij in elk geval tot koning over u stellen, diegene die de HEERE, uw God, verkiezen zal; uit het midden van uw broeders zult gij een koning over u stellen; gij zult niet vermogen over u te zetten een vreemde man, die uw broeder niet is.
Deu 17:16 Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen terugkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; terwijl de HEERE ulieden gezegd heeft: Gij zult voortaan niet terugkeren door deze weg.
Deu 17:17 Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen.
Deu 17:18 Voorts zal het geschieden, als hij op de troon van zijn koninkrijk zal zitten, zo zal hij zich een afschrift van deze wet schrijven in een boek, uit hetgeen voor het aangezicht van de Levietische priesters is;
Deu 17:19 En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen van zijn leven; opdat hij de HEERE, zijn God, leert eerbiedigen, om te bewaren al de woorden van deze wet en deze inzettingen, om die te doen;
Deu 17:20 Dat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en dat hij niet afwijkt ter rechterhand of ter linkerhand van het gebod; opdat hij de dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, in het midden van Israel.

Hoofdstuk 18
Deu 18:1 De Levietische priesters, de ganse stam van Levi, zullen geen deel noch erfenis hebben met Israel; van de vuuroffers des HEEREN en Zijn erfdeel zullen zij eten.
Deu 18:2 Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden van zijn broeders; de HEERE is zijn erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft.
Deu 18:3 Dit nu zal het recht der priesters zijn van het volk, van hen, die een offerande offeren, hetzij een os, of klein vee: dat hij de priester zal geven de schouder, beide kaken, en de pens.
Deu 18:4 De eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering van uw schapen zult gij hem geven;
Deu 18:5 Want de HEERE, uw God, heeft hem uit al uw stammen verkoren, dat hij staat, om te dienen in de Naam des HEEREN, hij en zijn zonen, te allen dage.
Deu 18:6 Voorts wanneer een Leviet zal komen uit n van uw poorten, uit heel Israel, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte van zijn ziel, tot de plaats, die de HEERE zal hebben verkoren;
Deu 18:7 En hij dienen zal in de Naam van de HEERE, zijn God, zoals al zijn broeders, de Levieten, die aldaar voor het aangezicht des HEEREN staan;
Deu 18:8 Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkoop van het vaderlijk erfdeel.

Deu 18:9 Wanneer gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van die volken.
Deu 18:10 Onder u zal niet gevonden worden, iemand die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerij omgaat, of de sterren raadpleegt, of die op voortekens acht geeft, of tovenarij.
Deu 18:11 Of een bezweerder, of die een waarzeggende geest vraagt, of iemand die tekenen uitlegt, of die de doden vraagt.
Deu 18:12 Want al wie zulks doet, is de HEERE een gruwel; en omwille van deze gruwelen verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting.
Deu 18:13 Geheel toegewijd zult gij zijn aan de HEERE, uw God.
Deu 18:14 Want deze volken, die gij zult erven, horen naar hen, die de sterren waarnemen en naar waarzeggers; maar u aangaande, de HEERE, uw God, heeft u dat niet toegelaten.

Deu 18:15 Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broeders, zoals ik, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen;
Deu 18:16 Naar alles, wat gij van de HEERE, uw God, aan Horeb, ten dage van de vergadering, gevraagd hebt, zeggende: Ik zal niet verder horen de stem van de HEERE, mijn God, en dit grote vuur niet langer zien, opdat ik niet sterf.
Deu 18:17 Toen zei de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.
Deu 18:18 Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broeders, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.
Deu 18:19 En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van die zal Ik het zoeken.
Deu 18:20 Maar de profeet, die zo driest is een woord te spreken in Mijn Naam, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in de naam van andere goden, die profeet zal sterven.
Deu 18:21 Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de HEERE niet gesproken heeft?
Deu 18:22 Wanneer die profeet in de Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; door vermetelheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen.

Hoofdstuk 19
Deu 19:1 Wanneer de HEERE, uw God, de volken zal hebben uitgeroeid, waarvan de HEERE, uw God, het land u geven zal, en gij die erfelijk zult bezitten, en in hun steden en in hun huizen wonen;
Deu 19:2 Zo zult gij u drie steden afzonderen, in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten.
Deu 19:3 Gij zult u een weg bereiden, en het gebied van uw land, dat u de HEERE, uw God, zal doen erven, in drien delen; dit nu zal zijn, opdat iedere doodslager daarheen vlucht.
Deu 19:4 En dit is de zaak van de doodslager, die daarheen vluchten zal, opdat hij leeft; die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, die hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte;
Deu 19:5 Zoals, wanneer zo iemand met zijn naaste in het bos zal zijn gegaan, om hout te houwen, en zijn hand met de bijl wordt aangedreven, om hout af te houwen, en het ijzer schiet af van de steel, en treft zijn naaste, zodat hij sterft; die zal in n van deze steden vluchten en leven;
Deu 19:6 Opdat de bloedwreker de doodslager niet najaagt in de woede van zijn hart, en hem achterhaalt, omdat de weg te ver zou zijn, en hem dodelijk verwondt; terwijl toch geen oordeel des doods aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren.
Deu 19:7 Daarom gebied ik u, zeggende: Gij zult u drie steden afzonderen.
Deu 19:8 En indien de HEERE, uw God, uw grens zal uitbreiden, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven zal, dat Hij uw vaderen gesproken heeft te geven;
Deu 19:9 Wanneer gij al deze geboden zult waarnemen, om dat te doen, hetgeen ik u heden gebied, om de HEERE, uw God, lief te hebben, en alle dagen in Zijn wegen te wandelen, zo zult gij u nog drie steden afzonderen tot deze drie;
Deu 19:10 Opdat het bloed van de onschuldige niet vergoten worde in het midden van uw land, dat u de HEERE, uw God, als erfenis geeft, en bloedschulden op u zouden zijn.
Deu 19:11 Maar wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem hinderlagen legt, en tegen hem op staat, en hem dodelijk verwondt, dat hij sterft; en vlucht tot n van die steden;
Deu 19:12 Zo zullen de oudsten van zijn stad zenden, en hem van daar nemen, en zij zullen hem in de hand van de bloedwreker geven, dat hij sterve.
Deu 19:13 Uw oog zal hem niet verschonen; maar gij zult het bloed van de onschuldige uit Israel wegdoen, opdat het u welga.

Deu 19:14 Gij zult de grens met uw naaste niet verwijderen, die de voorvaderen vastgesteld hebben, in uw erfdeel, dat gij erven zult, in het land, dat u de HEERE, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten.
Deu 19:15 En enige getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; naar de mond van twee getuigen, of naar de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.
Deu 19:16 Als een valse getuige tegen iemand zal opstaan, om hem van iets verkeerds te betuigen;
Deu 19:17 Zo zullen die twee mannen, die de twist hebben, staan voor het aangezicht des HEEREN, voor het aangezicht der priesters en der rechters, die in die dagen zullen zijn.
Deu 19:18 En de rechters zullen wel onderzoeken; en ziet, de getuige is een valse getuige, hij heeft valsheid betuigd tegen zijn broeder;
Deu 19:19 Zo zult gijlieden hem doen, gelijk als hij zijn broeder dacht te doen; alzo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen;
Deu 19:20 Dat de overgeblevenen het horen en vrezen, en niet verder doen naar dit boze stuk, in het midden van u.
Deu 19:21 En uw oog zal niet verschonen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.

Hoofdstuk 20
Deu 20:1 Wanneer gij zult uittrekken tot de strijd tegen uw vijanden, en zult zien paarden en wagens, een volk, groter dan gij, zo zult gij voor hen niet vrezen; want de HEERE, uw God, is met u, Die u uit Egypteland heeft opgevoerd.
Deu 20:2 En het zal geschieden, als gijlieden tot de strijd nadert, zo zal de priester toetreden, en tot het volk spreken.
Deu 20:3 En tot hen zeggen: Hoort, Israel! gijlieden zijt heden na aan de strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht.
Deu 20:4 Want het is de HEERE, uw God, Die met u gaat, om voor u te strijden tegen uw vijanden, om u te verlossen.
Deu 20:5 Dan zullen de oversten tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterft in de strijd, en iemand anders dat inwijdt.
Deu 20:6 En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en de vrucht daarvan niet heeft genoten? Die ga heen en kere weer naar zijn huis, opdat hij niet misschien in de strijd sterft en iemand anders die geniet.
Deu 20:7 En wie is de man, die een vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien in de strijd sterft, en een andere man haar neemt.
Deu 20:8 Daarna zullen de oversten verder spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart van zijn broeders niet smelt, gelijk zijn hart.
Deu 20:9 En het zal geschieden, als die oversten geindigd zullen hebben te spreken tot het volk, zo zullen zij legeroversten aan het hoofd van het volk aanstellen.

Deu 20:10 Wanneer gij nadert tot een stad om tegen haar te strijden, zo zult gij haar de vrede toeroepen.
Deu 20:11 En het zal geschieden, indien zij u een woord van vrede zal antwoorden, en u opendoen, zo zal al het volk, dat daarin gevonden wordt, u schatplichtig zijn, en u dienen.
Deu 20:12 Doch zo zij geen vrede met u zal maken, maar oorlog tegen u voeren, zo zult gij haar belegeren.
Deu 20:13 En de HEERE, uw God, zal haar in uw hand geven; en gij zult alles, wat mannelijk daarin is, slaan met de scherpte van het zwaard;
Deu 20:14 Behalve de vrouwen, en de kinderen, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haar buit zult gij voor u roven; en gij zult eten de buit van uw vijanden, die u de HEERE, uw God, gegeven heeft.
Deu 20:15 Alzo zult gij aan alle steden doen, die zeer ver van u gelegen zijn, die niet zijn van de steden van deze volken.
Deu 20:16 Maar van de steden van deze volken, die u de HEERE, uw God, als erfenis geeft, zult gij niets laten leven, dat adem heeft.
Deu 20:17 Maar gij zult ze ten enenmale verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kananieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, zoals u de HEERE, uw God, geboden heeft;
Deu 20:18 Opdat zij ulieden niet leren te doen naar al hun gruwelen, die zij voor hun goden gedaan hebben, en gij zondigt tegen de HEERE, uw God.
Deu 20:19 Wanneer gij een stad vele dagen zult belegeren, tegen haar strijdend, om die in te nemen, zo zult gij haar geboomte niet verderven, door de bijl daaraan te slaan; want gij zult daarvan eten; daarom zult gij dat niet afhouwen -want de boom van het veld duurt een mensenleven-, om het te gebruiken voor de belegering.
Deu 20:20 Maar het geboomte, dat gij kennen zult, dat niet een geboomte tot spijze is, dat zult gij verderven en afhouwen; en gij zult een bolwerk bouwen tegen deze stad, die tegen u strijdt, totdat zij te gronde gaat.

Hoofdstuk 21
Deu 21:1 Wanneer in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, om dat te erven, iemand zal gevonden worden, dood liggende in het veld, en het onbekend is, wie hem gedood heeft;
Deu 21:2 Zo zullen uw oudsten en uw rechters uitgaan, en zij zullen meten naar de steden, die rondom de verslagene zijn.
Deu 21:3 De stad nu, die het dichtste bij de verslagene zal zijn, daar zullen de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, waarmee niet gearbeid is, die aan het juk niet getrokken heeft.
Deu 21:4 En de oudsten van die stad zullen de jonge koe brengen in een niet ontgonnen dal met stromend water, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koe aldaar in het dal de nek klieven.
Deu 21:5 Dan zullen de priesters, de kinderen van Levi, toetreden; want de HEERE, uw God, heeft hen verkoren, om Hem te dienen, en om in de Naam des HEEREN te zegenen, en naar hun mond zal alle twist en alle schade afgedaan worden.
Deu 21:6 En alle oudsten van die stad, die het dichtst bij de dode ligt, zullen hun handen wassen boven deze jonge koe, die in dat dal de nek gekliefd is;
Deu 21:7 En zij zullen betuigen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen hebben het niet gezien;
Deu 21:8 Wees genadig aan Uw volk Israel, dat Gij, o HEERE! verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed in het midden van Uw volk Israel! En dat bloed zal voor hen verzoend zijn.
Deu 21:9 Alzo zult gij het onschuldig bloed uit het midden van u wegdoen; want gij zult doen, wat recht is in de ogen des HEEREN.

Deu 21:10 Wanneer gij zult uitgetrokken zijn tot de strijd tegen uw vijanden; en de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat gij hen gevangen hebt genomen
Deu 21:11 En gij onder de gevangenen zult zien een vrouw, schoon van gedaante, en gij begeerte tot haar gekregen zult hebben, om haar tot vrouw te nemen;
Deu 21:12 Zo zult gij haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagels knippen.
Deu 21:13 En zij zal het kleed afleggen dat zij droeg toen zij gevangen werd genomen, en in uw huis zitten, en haar vader en haar moeder een maand lang bewenen; en daarna zult gij tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u tot vrouw zijn.
Deu 21:14 En het zal geschieden, indien gij geen behagen in haar hebt, dat gij haar zult laten gaan naar haar begeerte; doch gij zult haar geenszins voor geld verkopen, gij zult met haar geen gewin drijven, daarom dat gij haar vernederd hebt.

Deu 21:15 Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een niet-beminde; en de beminde en de niet-beminde hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de niet-beminde zal zijn;
Deu 21:16 Zo zal het geschieden, ten dage als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet de zoon van de beminde als eerstgeborene zal rekenen, voor het aangezicht van de zoon van de niet-beminde, die de eerstgeborene is.
Deu 21:17 Maar de eerstgeborene, de zoon van de niet-beminde, zal hij erkennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het beginsel van zijn kracht, het recht van de eerstgeboorte op het dubbele deel is het zijne.

Deu 21:18 Wanneer iemand een moedwillige en weerspannige zoon heeft, die de stem van zijn vader en de stem van zijn moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gekastijd zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal,
Deu 21:19 Zo zullen zijn vader en zijn moeder hem nemen, en zij zullen hem brengen tot de oudsten van zijn stad, en tot de poort van zijn plaats.
Deu 21:20 En zij zullen zeggen tot de oudsten van zijn stad: Deze onze zoon is afwijkend en weerspannig, hij is onze stem niet gehoorzaam; hij is een gulzigaard en een zuiper.
Deu 21:21 Dan zullen alle mensen van zijn stad hem met stenen stenigen, dat hij sterft; en gij zult het boze uit het midden van u wegdoen; dat heel Israel het hore, en vreze.
Deu 21:22 Voorts, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben;
Deu 21:23 Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar gij zult het nog diezelfde dag begraven; want een opgehangene is God een vloek. Alzo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de HEERE, uw God, als erfenis geeft.

Hoofdstuk 22
Deu 22:1 Gij zult, als gij de os of het kleinvee van uw broeder verdwaald zult zien, u daarvoor niet verbergen; gij zult ze uw broeder ten enenmale weer terugbrengen.
Deu 22:2 En indien uw broeder niet nabij u is, of gij hem niet kent, zo zult gij ze binnen in uw huis bijeenbrengen, dat zij bij u zijn, totdat uw broeder die zoekt, en gij ze hem teruggeeft.
Deu 22:3 Alzo zult gij ook doen aan zijn ezel, en alzo zult gij doen aan zijn kleding, ja, alzo zult gij doen aan al het verlorene van uw broeder, dat door hem verloren zal zijn, en dat gij zult hebben gevonden; gij zult u niet mogen onttrekken.
Deu 22:4 Gij zult de ezel of de os van uw broeder niet zien vallen op de weg, en u daarvoor verbergen; gij zult ze zeker met hem weer oprichten.

Deu 22:5 Het kleed van een man zal niet aan een vrouw zijn, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zoiets doet, is de HEERE, uw God, een gruwel.
Deu 22:6 Wanneer u op de weg een vogelnest tegenkomt, in enige boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult gij de moeder met de jongen niet nemen.
Deu 22:7 Gij zult de moeder ten enenmale vrijlaten; maar de jongen zult gij voor u nemen; opdat het u welga, en gij de dagen verlengt.
Deu 22:8 Wanneer gij een nieuw huis zult bouwen, zo zult gij op uw dak een balustrade maken; opdat gij geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afvalt.
Deu 22:9 Gij zult uw wijngaard niet met tweerlei bezaaien; opdat de volheid van het zaad, dat gij zult gezaaid hebben, en de opbrengst van de wijngaard niet verontreinigd worde.
Deu 22:10 Gij zult niet ploegen met een os en een ezel tegelijk.
Deu 22:11 Gij zult geen kleed van gemengde stof aantrekken, wollen en linnen tegelijk.
Deu 22:12 Snoeren zult gij u maken aan de vier hoeken van uw bovenkleed, waarmee gij u bedekt.

Deu 22:13 Wanneer een man een vrouw zal genomen hebben, gemeenschap met haar gehad zal hebben, en alsdan haar zal haten,
Deu 22:14 En haar een oorzaak van laster wordt, en haar een kwade naam aanbrengt, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen, en ben tot haar genaderd, maar heb de maagdelijkheid aan haar niet gevonden;
Deu 22:15 Dan zullen de vader van deze jongedochter en haar moeder nemen, en tot de oudsten der stad aan de poort brengen, het bewijs van de maagdelijkheid van deze jonge vrouw.
Deu 22:16 En de vader van de jongedochter zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijn dochter aan deze man gegeven tot een vrouw; maar hij heeft haar gehaat;
Deu 22:17 En ziet, hij heeft oorzaak van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb geen maagdelijkheid aan uw dochter gevonden; dit nu is het bewijs van de maagdelijkheid van mijn dochter. En zij zullen het kleed voor het aangezicht van de oudsten van de stad uitbreiden.
Deu 22:18 Dan zullen de oudsten van die stad die man nemen, en hem kastijden;
Deu 22:19 En zij zullen hem een boete opleggen van honderd zilverlingen, en ze geven aan de vader van de jongedochter, omdat hij een kwade naam heeft gebracht over een jongedochter van Israel; voorts zal zij hem tot vrouw zijn, hij zal haar niet mogen laten gaan al zijn dagen.
Deu 22:20 Maar indien dit woord waarachtig is, dat de maagdelijkheid aan de jongedochter niet gevonden is;
Deu 22:21 Zo zullen zij deze jongedochter uitbrengen tot de deur van het huis van haar vader, en haar stadgenoten zullen haar met stenen stenigen, dat zij sterft, omdat zij een dwaasheid in Israel gedaan heeft, hoererend in het huis van haar vader; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.
Deu 22:22 Wanneer een man gevonden zal worden, liggende bij de getrouwde vrouw van een man, zo zullen zij ook beiden sterven, de man, die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw; zo zult gij het boze uit Israel wegdoen.
Deu 22:23 Wanneer er een jongedochter zal zijn, die een maagd is, ondertrouwd aan een man, en een man haar in de stad zal gevonden, en bij haar gelegen hebben;
Deu 22:24 Zo zult gij ze beiden uitbrengen tot de poort van die stad, en gij zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven; de jongedochter, omdat zij niet geroepen heeft in de stad, en de man, omdat hij de vrouw van zijn naaste vernederd heeft; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.
Deu 22:25 En indien een man een ondertrouwde jongedochter in het veld gevonden, en de man haar verkracht en bij haar gelegen zal hebben, zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, alleen sterven;
Deu 22:26 Maar de jongedochter zult gij niets doen; de jongedochter heeft geen zonde des doods; want zoals een man tegen zijn naaste opstond, en sloeg hem dood, alzo is deze zaak.
Deu 22:27 Want hij heeft haar in het veld gevonden; de ondertrouwde jongedochter riep, en er was niemand, die haar verloste.
Deu 22:28 Wanneer een man een jongedochter zal gevonden hebben, die een maagd is, die niet ondertrouwd is, en haar zal gegrepen en bij haar gelegen hebben, en zij gevonden zullen zijn;
Deu 22:29 Zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, de vader van de jongedochter vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem tot vrouw zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan al zijn dagen.
Deu 22:30 Een man zal de vrouw van zijn vader niet nemen, en hij zal de slip van zijn vader niet ontdekken.

Hoofdstuk 23
Deu 23:1 Die door verbrijzeling verwond of gesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering des HEEREN niet komen.
Deu 23:2 Geen bastaard zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen.
Deu 23:3 Geen Ammoniet, noch Moabiet zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen tot in eeuwigheid.
Deu 23:4 Omdat zij ulieden op de weg niet tegemoet gekomen zijn met brood en met water, toen u uit Egypte uittrok; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamie, om u te vloeken.
Deu 23:5 Doch de HEERE, uw God, heeft naar Bileam niet willen horen; maar de HEERE, uw God, heeft u de vloek in een zegen veranderd, omdat de HEERE, uw God, u liefhad.
Deu 23:6 Gij zult hun vrede en hun bestwil niet zoeken, al uw dagen tot in eeuwigheid.
Deu 23:7 De Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, want hij is uw broeder; de Egyptenaar zult gij voor geen gruwel houden want gij zijt een vreemdeling geweest in zijn land.
Deu 23:8 Aangaande de kinderen, die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van die zal in de vergadering des HEEREN komen.

Deu 23:9 Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, zo zult gij u wachten voor elke kwade zaak.
Deu 23:10 Wanneer iemand onder u is, die niet rein is, door enig voorval in de nacht, die zal tot buiten het leger uitgaan; hij zal tot binnen het leger niet komen.
Deu 23:11 Maar het zal geschieden, dat hij zich tegen het naderen van de avond met water zal baden; en als de zon ondergegaan is, zal hij tot binnen het leger komen.
Deu 23:12 Gij zult ook een plaats hebben buiten het leger, en daarheen zult gij uitgaan naar buiten.
Deu 23:13 En gij zult in uw uitrusting een schepje hebben, en het zal geschieden, als gij buiten gezeten hebt, dan zult gij daarmee graven, en u omkeren, en bedekken wat van u uitgegaan is.
Deu 23:14 Want de HEERE, uw God, wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen, en om uw vijanden voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat Hij niets schandelijks onder u zie, en achterwaarts van u afkere.

Deu 23:15 Gij zult een knecht aan zijn heer niet overleveren, die van zijn heer tot u ontkomen zal zijn.
Deu 23:16 Hij zal bij u blijven in het midden van u, in de plaats, die hij zal verkiezen, in n van uw poorten, waar het goed voor hem is; gij zult hem niet verdrukken.
Deu 23:17 Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israel; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israel.
Deu 23:18 Gij zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis van de HEERE, uw God, brengen, tot enige gelofte; want ook die beiden zijn de HEERE, uw God, een gruwel.
Deu 23:19 Gij zult aan uw broeder niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van enig ding, waarmee men woekert.
Deu 23:20 Aan de vreemde zult gij woekeren; maar aan uw broeder zult gij niet woekeren; opdat u de HEERE, uw God, zegene, in alles, waaraan gij uw hand legt, in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.
Deu 23:21 Wanneer gij de HEERE, uw God, een gelofte zult beloofd hebben, gij zult niet uitstellen die te betalen; want de HEERE, uw God, zal ze zeker van u eisen, en zonde zou in u zijn.
Deu 23:22 Maar als gij nalaat te beloven, zo zal het geen zonde in u zijn.
Deu 23:23 Wat uit uw lippen gaat, zult gij houden en doen; gelijk als gij de HEERE, uw God, een vrijwillig offer beloofd hebt, dat gij met uw mond gesproken hebt.
Deu 23:24 Wanneer gij gaan zult in de wijngaard van uw naaste, zo zult gij druiven eten naar uw begeerte, tot uw verzadiging; maar in uw vat zult gij niets doen.
Deu 23:25 Wanneer gij zult gaan in het staande koren van uw naaste, zo zult gij de aren met uw hand plukken; maar de sikkel zult gij aan het staande koren van uw naaste niet bewegen.

Hoofdstuk 24
Deu 24:1 Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het geschieden, indien zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en haar uit zijn huis laten gaan.
Deu 24:2 Zo zij dan, uit zijn huis uitgegaan zijnde, zal heengaan en een andere man tot vrouw worden,
Deu 24:3 En deze laatste man haar gehaat, en haar een scheidbrief geschreven, en in haar hand gegeven, en haar uit zijn huis zal hebben laten gaan; of als deze laatste man, die haar voor zich tot een vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn;
Deu 24:4 Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet opnieuw mogen nemen, dat zij hem tot vrouw zij, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht des HEEREN; alzo zult gij het land niet doen zondigen, dat u de HEERE, uw God, als erfenis geeft.

Deu 24:5 Wanneer een man een nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal met het leger niet uittrekken, en men zal hem geen last opleggen; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijn vrouw, die hij genomen heeft, verheugen.
Deu 24:6 Men zal de bovenste of de onderste molensteen niet als pand nemen; want men neemt de ziel te pand.
Deu 24:7 Wanneer iemand gevonden zal worden, die n van zijn broeders, uit de kinderen Israels, ontvoert en hem als een slaaf benut, of hem verkoopt, zo zal deze dief sterven, en gij zult het boze uit het midden van u wegdoen.
Deu 24:8 Wacht u aangaande de plaag der melaatsheid, dat gij naarstig waarneemt en doet naar alles, wat de Levietische priesters ulieden zullen leren; gelijk als ik hun geboden heb, zult gij waarnemen te doen.
Deu 24:9 Gedenkt, wat de HEERE, uw God, gedaan heeft aan Mirjam, op de weg, toen u uit Egypte was uitgetrokken.
Deu 24:10 Wanneer gij aan uw naaste iets zult geleend hebben, zo zult gij tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand als borg te nemen;
Deu 24:11 Buiten zult gij staan, en de man, die gij geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen.
Deu 24:12 Doch indien hij een arm man is, zo zult gij met zijn pand niet nederliggen.
Deu 24:13 Gij zult hem dat pand zeker teruggeven, als de zon ondergaat, zodat hij in zijn kleed nederligt, en u zegent; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht van de HEERE, uw God.

Deu 24:14 Gij zult de arme en nooddruftige dagloner niet verdrukken, die uit uw broeders is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn.
Deu 24:15 Op dezelfde dag zult gij zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm, en zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot de HEERE, en zonde in u zij.
Deu 24:16 De vaders zullen niet gedood worden om de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden om de vaders; een ieder zal om zijn eigen zonde gedood worden.
Deu 24:17 Gij zult het recht van de vreemdeling en van de wees niet buigen, en gij zult het kleed van de weduwe niet als pand nemen.
Deu 24:18 Maar gij zult gedenken, dat gij een knecht in Egypte geweest zijt, en de HEERE, uw God, heeft u van daar verlost; daarom gebied ik u deze zaak te doen.
Deu 24:19 Wanneer gij uw oogst op uw akker geoogst, en een garf op de akker vergeten zult hebben, zo zult gij niet terugkeren, om die op te nemen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat de HEERE, uw God, u zegent, in al het werk van uw handen.
Deu 24:20 Wanneer gij uw olijfboom zult geschud hebben, zo zult gij de takken achter u niet nauw doorzoeken; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn.
Deu 24:21 Wanneer gij uw wijngaard zult afgelezen hebben, zo zult gij de druiven achter u niet nalezen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn.
Deu 24:22 En gij zult gedenken, dat gij een knecht in Egypteland geweest zijt; daarom gebied ik u deze zaak te doen.

Hoofdstuk 25
Deu 25:1 Wanneer er tussen mannen twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige veroordelen.
Deu 25:2 En het zal geschieden, indien de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen liggen, en hem doen slaan in zijn tegenwoordigheid, met een aantal slagen naar de mate van zijn schuld.
Deu 25:3 Met veertig slagen zal hij hem doen slaan, hij zal er niet toedoen; opdat niet misschien als hij hem met meer slagen doet slaan, uw broeder dan voor uw ogen verachtelijk gehouden zal worden.
Deu 25:4 Een os zult gij niet muilbanden, als hij dorst.  *)

Deu 25:5 Wanneer broers samenwonen, en n van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de gestorvene niet huwen met een vreemde man daarbuiten; de broer van haar man zal tot haar ingaan, en haar zich tot vrouw nemen, en doen haar de plicht van de broer van een man.
Deu 25:6 En het zal geschieden, dat de eerstgeborene, die zij zal baren, zal genoemd worden met de naam van zijn broer, van de gestorvene; opdat zijn naam niet uitgedelgd wordt uit Israel.
Deu 25:7 Maar indien het deze man niet bevallen zal de vrouw van zijn broer te nemen, zo zal de vrouw van zijn broer opgaan naar de poort tot de oudsten, en zeggen: De broer van mijn man weigert zijn broer een naam te verwekken in Israel; hij wil mij de plicht van de broer van een man niet doen.
Deu 25:8 Dan zullen hem de oudsten van zijn stad roepen, en tot hem spreken; blijft hij dan daarbij, en zegt: Het bevalt mij niet haar te nemen;
Deu 25:9 Zo zal de vrouw van zijn broer voor de ogen van de oudsten tot hem toetreden, en zijn schoen van zijn voet uittrekken, en in zijn aangezicht spuwen, en zal betuigen en zeggen: Alzo zal die man gedaan worden, die het huis van zijn broer niet wil bouwen.
Deu 25:10 En zijn naam zal in Israel genoemd worden: Het huis van hem, die de schoen is uitgetrokken.
Deu 25:11 Wanneer mannen, de een met de ander, twisten, en de vrouw van de ene toetreedt, om haar man uit de hand van degene, die hem slaat, te redden, en haar hand uitstrekt, en zijn schaamdeel grijpt;
Deu 25:12 Zo zult gij haar hand afhouwen, uw oog zal niet verschonen.

Deu 25:13 Gij zult niet tweerlei weegstenen in uw zak hebben; een grote en een kleine.
Deu 25:14 Gij zult in uw huis geen tweerlei efa hebben, een grote en een kleine.
Deu 25:15 Gij zult een juiste weegsteen hebben zonder gebrek; gij zult een juiste efa hebben zonder gebrek; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
Deu 25:16 Want al wie zoiets doet, is de HEERE, uw God, een gruwel; ja, al wie onrecht doet.
Deu 25:17 Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, toen gij uit Egypte uittrok;
Deu 25:18 Hoe hij u onderweg ontmoette, en sloeg onder u in de achterhoede al de zwakken achter u, toen gij moede en mat waart; en hij vreesde God niet.
Deu 25:19 Het zal dan geschieden, als u de HEERE, uw God, rust zal gegeven hebben, van al uw vijanden rondom, in het land, dat u de HEERE, uw God, als erfenis geven zal, om dat erfelijk te bezitten, dat gij de gedachtenis van Amalek van onder de hemel zult uitdelgen; vergeet het niet!

Hoofdstuk 26
Deu 26:1 Voorts zal het geschieden, wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, als erfenis geven zal, en gij dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen;
Deu 26:2 Zo zult gij nemen van de eerstelingen van alle vrucht van het land, die gij opbrengen zult van uw land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en gij zult heengaan tot de plaats, die de HEERE, uw God, verkoren zal hebben, om Zijn Naam aldaar te doen wonen;
Deu 26:3 En gij zult komen tot de priester, die in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar heden voor de HEERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land, dat de HEERE onze vaderen gezworen heeft ons te zullen geven.
Deu 26:4 En de priester zal de korf van uw hand nemen, en hij zal die voor het altaar van de HEERE, uw God, neerzetten.
Deu 26:5 Dan zult gij voor het aangezicht van de HEERE, uw God, betuigen en zeggen: Mijn vader was een zwervende Aramer, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde aldaar als vreemdeling met weinig volk; maar hij werd aldaar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.
Deu 26:6 Doch de Egyptenaren deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harde dienst op.
Deu 26:7 Toen riepen wij tot de HEERE, de God van onze vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en zag onze ellende aan, en onze arbeid, en onze onderdrukking.
Deu 26:8 En de HEERE voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en door grote verschrikking, en door tekenen, en door wonderen.
Deu 26:9 En Hij heeft ons gebracht tot deze plaats; en Hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honing.
Deu 26:10 En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht van dit land, dat Gij, HEERE, mij gegeven hebt! Dan zult gij ze neerzetten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en zult u buigen voor het aangezicht van de HEERE, uw God;
Deu 26:11 En gij zult vrolijk zijn over al het goede, dat de HEERE, uw God, aan u en uw huis gegeven heeft; gij, en de Leviet, en de vreemdeling, die in het midden van u is.

Deu 26:12 Wanneer gij zult geindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar der tienden; dan zult gij aan de Leviet, aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden.
Deu 26:13 En gij zult voor het aangezicht van de HEERE, uw God, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis genomen, en heb het verzamelde aan de Leviet en aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe gegeven, naar al Uw geboden, die Gij mij geboden hebt; ik heb niets van Uw geboden overtreden, en niets vergeten.
Deu 26:14 Ik heb daarvan niets gegeten in mijn rouw, en heb daarvan niets genomen voor iets onreins, noch daarvan gegeven aan een dode; ik ben de stem van de HEERE, mijn God, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat Gij mij geboden hebt.
Deu 26:15 Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van de hemel, en zegen Uw volk Israel, en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk als Gij onze vaderen gezworen hebt, een land van melk en honing vloeiende.

Deu 26:16 Op deze dag gebiedt u de HEERE, uw God, deze inzettingen en rechten te doen; houdt en doet ze dan, met heel uw hart en met heel uw ziel.
Deu 26:17 Heden heeft de HEERE, uw God u doen zeggen, dat Hij u tot een God zal zijn, en dat gij zult wandelen in Zijn wegen, en houden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en dat gij Zijn stem zult gehoorzaam zijn.
Deu 26:18 En de HEERE heeft u heden doen zeggen, dat gij Hem tot een volk ten eigendom zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat gij al Zijn geboden zult houden;
Deu 26:19 Opdat Hij u alzo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat gij een heilig volk zijt de HEERE, uw God, gelijk als Hij gesproken heeft.

Hoofdstuk 27
Deu 27:1 En Mozes, tezamen met de oudsten van Israel, gebood het volk, zeggende: Behoudt al deze geboden, die ik u heden gebied.
Deu 27:2 Het zal dan geschieden, ten dage als gij over de Jordaan zult gegaan zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal, zo zult gij u grote stenen oprichten, en ze met kalk bestrijken;
Deu 27:3 En gij zult daarop schrijven alle woorden van deze wet, als gij overgegaan zult zijn; opdat gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, een land vloeiende van melk en honing, gelijk als de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft.
Deu 27:4 Het zal dan geschieden, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn, dat gij deze stenen, waarvan ik u heden gebied, zult oprichten op de berg Ebal, en gij zult ze met kalk bestrijken;
Deu 27:5 En gij zult aldaar de HEERE, uw God, een altaar bouwen, een altaar van stenen; gij zult geen gereedschap van ijzer daarover bewegen.
Deu 27:6 Van gehele stenen zult gij het altaar van de HEERE, uw God, bouwen, en gij zult de HEERE, uw God, brandoffers daarop offeren.
Deu 27:7 Ook zult gij dankoffers offeren, en zult aldaar eten, en vrolijk zijn voor het aangezicht van de HEERE, uw God.
Deu 27:8 En gij zult op deze stenen alle woorden van deze wet duidelijk schrijven.
Deu 27:9 Voorts sprak Mozes, tezamen met de Levietische priesters, tot heel Israel, zeggende: Luistert toe en hoort o Israel! Op deze dag zijt gij de HEERE, uw God, tot een volk geworden.
Deu 27:10 Daarom zult gij de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaam zijn, en gij zult doen Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied.

Deu 27:11 En Mozes gebood het volk op die dag, zeggende:
Deu 27:12 Dezen zullen staan, om het volk te zegenen op de berg Gerizim, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin.
Deu 27:13 En dezen zullen staan over de vloek op de berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.
Deu 27:14 En de Levieten zullen betuigen en roepen tot elke Israeliet, met luide stem:
Deu 27:15 Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel voor de HEERE, een werk der handen van de werkmeester, zal maken, en het op een verborgen plaats zetten! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.
Deu 27:16 Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen.
Deu 27:17 Vervloekt zij, die de grens met zijn naaste verlegt! En al het volk zal zeggen: Amen.
Deu 27:18 Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dwalen! En al het volk zal zeggen: Amen.
Deu 27:19 Vervloekt zij, die het recht buigt van de vreemdeling, van de wees en van de weduwe! En al het volk zal zeggen: Amen.
Deu 27:20 Vervloekt zij, die bij de vrouw van zijn vader ligt, omdat hij de slip van zijn vader ontdekt heeft! En al het volk zal zeggen: Amen.
Deu 27:21 Vervloekt zij, die bij enig beest ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.
Deu 27:22 Vervloekt zij, die bij zijn zuster ligt, de dochter van zijn vader of de dochter van zijn moeder! En al het volk zal zeggen: Amen.
Deu 27:23 Vervloekt zij, die bij zijn schoonmoeder ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.
Deu 27:24 Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgene verslaat! En al het volk zal zeggen: Amen.
Deu 27:25 Vervloekt zij, die geschenk aanneemt, om iemand, onschuldig bloed, te verslaan! En al het volk zal zeggen: Amen.
Deu 27:26 Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, en ze niet doet! En al het volk zal zeggen: Amen.

Hoofdstuk 28
Deu 28:1 En het zal geschieden, indien gij de stem van de HEERE, uw God, vlijtig zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebied, zo zal de HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde.
Deu 28:2 En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer gij de stem van de HEERE uw God, zult gehoorzaam zijn.
Deu 28:3 Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld.
Deu 28:4 Gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot, en de vrucht van uw land, en de vrucht van uw vee, de vermeerdering van uw koeien, en de kudden van uw klein vee.
Deu 28:5 Gezegend zal zijn uw korf, en uw kneedbak.
Deu 28:6 Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.
Deu 28:7 De HEERE zal uw vijanden die tegen u opstaan, verslagen geven voor uw aangezicht; door n weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vluchten.
Deu 28:8 De HEERE zal de zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand legt; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
Deu 28:9 De HEERE zal u Zichzelf tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden van de HEERE, uw God, zult houden, en in Zijn wegen wandelen.
Deu 28:10 En alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam des HEEREN over u uitgeroepen is, en zij zullen voor u vrezen.
Deu 28:11 En de HEERE zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht van uw schoot, en in de vrucht van uw vee, en in de vrucht van uw land; op het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft u te zullen geven.
Deu 28:12 De HEERE zal u opendoen Zijn goede schat, de hemel, om aan uw land regen te geven op zijn tijd, en om te zegenen al het werk van uw hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult van hen niet lenen.
Deu 28:13 En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleen boven en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden van de HEERE, uw God, die ik u heden gebied te houden en te doen;
Deu 28:14 En gij niet afwijken zult, ter rechterhand noch ter linkerhand, van al de woorden, die ik ulieden heden gebied, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen.

Deu 28:15 Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem van de HEERE, uw God, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat gij doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen.
Deu 28:16 Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld.
Deu 28:17 Vervloekt zal zijn uw korf, en uw kneedbak.
Deu 28:18 Vervloekt zal zijn de vrucht van uw schoot, en de vrucht van uw land, de vermeerdering van uw koeien, en de kudden van uw klein vee.
Deu 28:19 Vervloekt zult gij zijn in uw ingaan, en vervloekt zult gij zijn in uw uitgaan.
Deu 28:20 De HEERE zal onder u zenden de vloek, de verstoring en het verderf, in alles, waaraan gij uw hand legt, dat gij doen zult; totdat gij verdelgd wordt, en totdat gij haastig omkomt, vanwege de boosheid van uw werken, waarmee gij Mij verlaten hebt.
Deu 28:21 De HEERE zal u de pestilentie doen aankleven, totdat Hij u verdelgt van het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.
Deu 28:22 De HEERE zal u slaan met tering, en met koorts, en ontsteking, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honingdauw, die u vervolgen zullen, totdat gij omkomt.
Deu 28:23 En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn.
Deu 28:24 De HEERE, uw God, zal poeder en stof tot regen voor uw land geven; van de hemel zal het op u neerdalen, totdat gij verdelgd wordt.
Deu 28:25 De HEERE zal u verslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door n weg zult gij tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult gij voor zijn aangezicht vluchten; en gij zult door alle koninkrijken der aarde beroerd worden.
Deu 28:26 En uw dood lichaam zal aan alle vogels van de hemel, en aan de dieren van de aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.
Deu 28:27 De HEERE zal u slaan met zweren van Egypte, en gezwellen, en met droge schurft, en uitslag, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden.
Deu 28:28 De HEERE zal u slaan met waanzin, en met blindheid, en met ontsteltenis van hart;
Deu 28:29 Dat gij op de middag zult rondtasten, gelijk als een blinde rondtast in het donker, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar gij zult slechts verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn.
Deu 28:30 Gij zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult gij planten, maar van zijn vrucht niet genieten.
Deu 28:31 Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet terugkeren; uw kleinvee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn.
Deu 28:32 Uw zonen en uw dochters zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en naar hen smachten de ganse dag; maar uw hand zal krachteloos zijn.
Deu 28:33 De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat gij niet gekend hebt; en gij zult alle dagen slechts verdrukt en verpletterd zijn.
Deu 28:34 En gij zult waanzinnig zijn, vanwege het gezicht van uw ogen, van hetgeen gij zien zult.
Deu 28:35 De HEERE zal u slaan met boze zweren, aan de knien en aan de benen, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot aan uw schedel.
Deu 28:36 De HEERE zal u, alsook uw koning, die gij over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat gij niet gekend hebt, noch uw vaderen; en aldaar zult gij dienen andere goden, hout en steen.
Deu 28:37 En gij zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u de HEERE leiden zal.
Deu 28:38 Gij zult veel zaad op de akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren.
Deu 28:39 Wijngaarden zult gij planten, en bouwen, maar gij zult geen wijn drinken, noch iets vergaderen; want de worm zal het afeten.
Deu 28:40 Olijfbomen zult gij hebben binnen al uw grenzen, maar gij zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen.
Deu 28:41 Zonen en dochters zult gij krijgen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenschap gaan.
Deu 28:42 Al uw geboomte, en de vrucht van uw land zal het boos gewormte erfelijk bezitten.
Deu 28:43 De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en gij zult laag, laag neerdalen.
Deu 28:44 Hij zal u lenen, maar gij zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart zijn.

Deu 28:45 En al deze vloeken zullen over u komen, en u vervolgen, en u treffen, totdat gij verdelgd wordt; omdat gij de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam zult geweest zijn, om te houden Zijn geboden en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.
Deu 28:46 En zij zullen onder u tot een teken, en tot een wonder zijn, ja, onder uw zaad tot in eeuwigheid.
Deu 28:47 Omdat gij de HEERE, uw God, niet gediend zult hebben met vreugde en een blij hart, vanwege de overvloed van alle zegeningen;
Deu 28:48 Zo zult gij uw vijanden, die de HEERE onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek aan alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelgt.
Deu 28:49 De HEERE zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk, waarvan gij de taal niet zult verstaan;
Deu 28:50 Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht van de ouden niet zal aannemen, noch de jonge mensen genadig zijn.
Deu 28:51 En het zal de vrucht van uw beesten, en de vrucht van uw land opeten, totdat gij verdelgd zult zijn; het zal u geen koren, most noch olie, vermeerdering van uw koeien noch kudden van uw kleinvee overlaten, totdat hij u verdelgt.
Deu 28:52 En het zal u beangstigen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren neervallen, waarop gij vertrouwde in uw ganse land; ja, het zal u beangstigen in al uw poorten, in uw ganse land, dat u de HEERE, uw God, gegeven heeft.
Deu 28:53 En gij zult eten de vrucht van uw schoot, het vlees van uw zonen en uw dochters, die u de HEERE, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwdheid, waarmee uw vijanden u zullen benauwen
Deu 28:54 Aangaande de man, die teder is onder u, en fijngevoelig, zijn oog zal kwaad zijn tegen zijn broeder, en tegen de huisvrouw van zijn schoot, en tegen zijn overige zonen, die hij overgehouden zal hebben;
Deu 28:55 Dat hij niet aan n van die zal geven van het vlees van zijn zonen, die hij eten zal, omdat hij voor zich niets heeft overgehouden; in de belegering en in de benauwdheid, waarmee uw vijand u in al uw poorten zal benauwen.
Deu 28:56 Aangaande de tedere en fijngevoelige vrouw onder u, die niet beproefd heeft haar voetzool op de aarde te zetten, vanwege haar fijngevoeligheid en tederheid; haar oog zal kwaad zijn tegen de man van haar schoot, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter;
Deu 28:57 En dat om haar nageboorte, die van tussen haar voeten uitgegaan zal zijn, en om haar zonen, die zij gebaard zal hebben; want zij zal hen eten in het verborgene, vanwege het gebrek aan alles; in de belegering en in de benauwdheid, waarmee uw vijand u zal benauwen in uw poorten.
Deu 28:58 Indien gij niet zult waarnemen te doen al de woorden van deze wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen deze heerlijke en vreselijke Naam, de HEERE, uw God;
Deu 28:59 Zo zal de HEERE uw plagen wonderlijk maken, mitsgaders de plagen van uw zaad; het zullen grote en gewisse plagen, en boze en gewisse ziekten zijn.
Deu 28:60 En Hij zal op u doen keren alle kwalen van Egypte, waarvoor gij gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen.
Deu 28:61 Ook elke ziekte, en elke plaag, die in het boek van deze wet niet beschreven is, zal de HEERE over u doen komen, totdat gij verdelgd wordt.
Deu 28:62 En gij zult met weinige mensen overgelaten worden, in plaats dat gij geweest zijt als de sterren van de hemel in menigte; omdat gij de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam geweest zijt.
Deu 28:63 En het zal geschieden, zoals de HEERE Zich over ulieden verblijdde, u goed doende en u vermeerderend, alzo zal Zich de HEERE over u verblijden, u verdoende en u verdelgende; en gij zult uitgerukt worden uit het land, waar gij naar toegaat, om dat te erven.
Deu 28:64 En de HEERE zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uw vaderen, hout en steen.
Deu 28:65 Daartoe zult gij onder deze volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want de HEERE zal u aldaar een bevend hart geven, en smachtende ogen, en matheid der ziel.
Deu 28:66 En uw leven zal voor u in onzekerheid zijn; en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult van uw leven niet zeker zijn.
Deu 28:67 Des morgens zult gij zeggen: Ach, dat het avond was; en des avonds zult gij zeggen: Ach, dat het morgen was; vanwege de schrik van uw hart, waarmee gij zult verschrikt zijn, en vanwege het gezicht van uw ogen, dat gij zien zult.
Deu 28:68 En de HEERE zal u naar Egypte doen wederkeren in schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: Gij zult die niet meer zien; en aldaar zult gij u aan uw vijanden willen verkopen tot dienstknechten en tot dienstmaagden; maar er zal geen koper zijn.

Hoofdstuk 29
Deu 29:1 Dit zijn de woorden van het verbond, dat de HEERE Mozes geboden heeft te maken met de kinderen Israels, in het land van Moab, boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan Horeb.
Deu 29:2 En Mozes riep heel Israel, en zei tot hen: Gij hebt gezien al wat de HEERE in Egypteland voor uw ogen gedaan heeft, aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan zijn land;
Deu 29:3 De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, die tekenen en grote wonderen.
Deu 29:4 Maar de HEERE heeft u niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op deze dag.
Deu 29:5 En Ik heb ulieden veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw klederen zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet.
Deu 29:6 Brood hebt gij niet gegeten, en wijn en sterke drank hebt gij niet gedronken; opdat gij zoudt weten, dat Ik de HEERE, uw God, ben.
Deu 29:7 Toen gij nu aan deze plaats kwam, trok Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Basan, ons tegemoet, ten strijde; en wij versloegen hen.
Deu 29:8 En wij hebben hun land ingenomen, en dat als erfenis gegeven aan de Rubenieten en Gadieten, alsook aan de halve stam der Manassieten.
Deu 29:9 Houdt dan de woorden van dit verbond, en doet ze; opdat gij verstandig handelt in alles, wat gij doen zult.

Deu 29:10 Gij staat heden allen voor het aangezicht van de HEERE, uw God: uw hoofden van uw stammen, uw oudsten, en uw oversten, alle man van Israel;
Deu 29:11 Uw kinderen, uw vrouwen, en uw vreemdeling, die in het midden van uw legerplaats is, van uw houthakker tot uw waterputter toe;
Deu 29:12 Om over te gaan in het verbond van de HEERE, uw God, door Zijn eedzwering, die de HEERE, uw God, heden met u maakt;
Deu 29:13 Opdat Hij u heden Zichzelf tot een volk bevestigt, en Hij u tot een God zij, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en gelijk als Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.
Deu 29:14 En niet met ulieden alleen maak ik dit verbond en deze vloek;
Deu 29:15 Maar met degene, die heden hier bij ons voor het aangezicht van de HEERE, onze God, staat; én met degene, die hier heden bij ons niet is.
Deu 29:16 Want gij weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetrokken zijn door het midden van de volken, die gij doorgetrokken zijt.
Deu 29:17 En gij hebt gezien hun verfoeisels, en hun drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren.
Deu 29:18 Dat onder ulieden niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden afwendt van de HEERE, onze God, om te gaan dienen de goden van deze volken; dat onder ulieden niet zij een wortel, die gal en alsem draagt;
Deu 29:19 En het zal geschieden, als hij de woorden van deze eed hoort, dat hij zich zegent in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, want ik zal wandelen in de dwaling van mijn hart, en zo mijn dorstige ziel laven.
Deu 29:20 De HEERE zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal de toorn en ijver van de HEERE ontbranden over die man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en de HEERE zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen.
Deu 29:21 En de HEERE zal hem ten kwade afzonderen van al de stammen Israels, naar alle vloeken van het verbond, die in het boek van deze wet geschreven is.
Deu 29:22 Het navolgend geslacht, uw kinderen, die na ulieden opstaan zullen, en de vreemde, die uit een ver land komen zal, zullen zeggen, als zij zien de plagen en de krankheden van dit land, waarmee de HEERE het gekrenkt heeft,
Deu 29:23 En dat het hele land daarvan zwavel is en zout en verbranding; dat niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zebom, die de HEERE heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid;
Deu 29:24 ook alle volken zullen zeggen: Waarom heeft de HEERE aan dit land alzo gedaan? Waarom is de ontbranding van deze grote toorn?
Deu 29:25 Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond van de HEERE, de God van hun vaderen, hebben verlaten, dat Hij met hen gemaakt had, toen Hij hen uit Egypteland uitleidde;
Deu 29:26 En zij heengegaan zijn, en andere goden gediend en zich voor die gebogen hebben; goden, die hen niet gekend hadden, en geen daarvan hun iets medegedeeld had;
Deu 29:27 Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen dit land, om daarover te brengen al deze vloek, die in dit boek geschreven is.
Deu 29:28 En de HEERE heeft hen uit hun land uitgetrokken, in toorn, en in grimmigheid, en in grote verbolgenheid; en Hij heeft hen verworpen naar een ander land, gelijk het is te dezen dage.
Deu 29:29 De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden van deze wet.

Hoofdstuk 30
Deu 30:1 Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb; zo zult gij het weer ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u de HEERE, uw God, gedreven heeft;
Deu 30:2 En gij zult u bekeren tot de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met heel uw hart en met heel uw ziel.
Deu 30:3 En de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich over u ontfermen; en Hij zal u weer vergaderen uit al de volken, waarheen u de HEERE, uw God, verstrooid had.
Deu 30:4 Al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, van daar zal u de HEERE, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen.
Deu 30:5 En de HEERE, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen meer dan uw vaderen.
Deu 30:6 En de HEERE, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om de HEERE, uw God, lief te hebben met uw hele hart en met uw hele ziel, opdat gij leeft.
Deu 30:7 En de HEERE, uw God, zal al die vloeken leggen op uw vijanden en op uw haters, die u vervolgd hebben.
Deu 30:8 Gij dan zult u bekeren, en de stem van de HEERE gehoorzaam zijn, en gij zult doen al Zijn geboden, die ik u heden gebied.
Deu 30:9 En de HEERE, uw God, zal u overvloedig maken in al het werk van uw hand, in de vrucht van uw schoot, en in de vrucht van uw vee, en in de vrucht van uw land, ten goede; want de HEERE zal wederkeren, om Zich over u te verblijden ten goede, gelijk als Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft;
Deu 30:10 Wanneer gij de stem van de HEERE, uw God, zult gehoorzaam zijn, houdende Zijn geboden en Zijn inzettingen, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zult bekeren tot de HEERE, uw God, met heel uw hart en met heel uw ziel.

Deu 30:11 Want dit gebod, dat ik u heden gebied, dat is voor u niet verborgen, en het is niet ver weg.
Deu 30:12 Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons haalt, en ons het laat horen, dat wij het doen?
Deu 30:13 Het is ook niet aan gene zijde van de zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren naar gene zijde van de zee, dat hij het voor ons haalt, en ons het laat horen, dat wij het doen?
Deu 30:14 Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen.

Deu 30:15 Ziet, ik heb u heden voorgesteld het leven en het goede, en de dood en het kwade.
Deu 30:16 Want ik gebied u heden, de HEERE, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen, en te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, opdat gij leeft en vermenigvuldigt, en de HEERE, uw God, u zegent in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.
Deu 30:17 Maar indien uw hart zich zal afwenden, en gij niet horen zult, en gij getrokken zult worden, dat gij u voor andere goden buigt, en die dient;
Deu 30:18 Zo verkondig ik u heden, dat gij zeker zult omkomen; gij zult de dagen niet verlengen op het land over de Jordaan, waarheen gij onderweg zijt, om daarin te komen, dat gij het erfelijk bezit.
Deu 30:19 Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik u voorgesteld, de zegen en de vloek! Kiest dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad;
Deu 30:20 Liefhebbende de HEERE, uw God, Zijn stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende; want Hij is uw leven en de lengte van uw dagen; opdat gij blijft in het land, dat de HEERE uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven.

Hoofdstuk 31
Deu 31:1 Daarna eindigde Mozes met deze woorden te spreken tot gans Israel,
Deu 31:2 En zei tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaar oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft de HEERE tot mij gezegd: Gij zult over deze Jordaan niet gaan.
Deu 31:3 De HEERE, uw God, Die zal voor uw aangezicht overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezicht verdelgen, dat gij hen erfelijk bezit. Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, gelijk als de HEERE gesproken heeft.
Deu 31:4 En de HEERE zal hun doen, zoals Hij aan Sihon en Og, koningen der Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft, die Hij verdelgd heeft.
Deu 31:5 Wanneer hen nu de HEERE voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dan zult gij hun doen naar alle gebod, dat ik ulieden geboden heb.
Deu 31:6 Weest sterk en hebt goede moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is de HEERE, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten.
Deu 31:7 En Mozes riep Jozua, en zei tot hem voor de ogen van gans Israel: Wees sterk en heb goede moed, want gij zult met dit volk ingaan in het land dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft, hun te zullen geven; en gij zult het hun doen erven.
Deu 31:8 De HEERE nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet.
Deu 31:9 En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond des HEEREN droegen, en aan alle oudsten van Israel.
Deu 31:10 En Mozes gebood hun, zeggende: Aan het einde van elk zevende jaar, op de vastgestelde tijd van het jaar der vrijlating, op het feest der loofhutten.
Deu 31:11 Als gans Israel zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, in de plaats, die Hij zal verkoren hebben, zult gij deze wet voor gans Israel luid voorlezen, voor hun oren;
Deu 31:12 Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen de HEERE, uw God, en waarnemen te doen alle woorden van deze wet.
Deu 31:13 En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen de HEERE, uw God, al de dagen, die gij leeft op het land, waarheen gij over de Jordaan onderweg zijt, om dat te erven.
Deu 31:14 En de HEERE zei tot Mozes: Zie, uw dagen zijn genaderd, om te sterven; roep Jozua, en stelt ulieden in de tent der samenkomst, dat Ik hem het bevel overgeef. Zo gingen Mozes, en Jozua, en zij stelden zich in de tent der samenkomst.
Deu 31:15 Toen verscheen de HEERE in de tent, in de wolkkolom; en de wolkkolom stond boven de ingang van de tent.
Deu 31:16 En de HEERE zei tot Mozes: Zie, gij zult nederliggen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de vreemde goden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden daarvan; en het zal Mij verlaten en teniet doen Mijn verbond, dat Ik met hen gemaakt heb.
Deu 31:17 Zo zal Mijn toorn te dien dage tegen hen ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot spijze zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het te dien dage zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
Deu 31:18 Ik dan zal Mijn aangezicht te dien dage ten enenmale verbergen, om al het kwaad, dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden.
Deu 31:19 En nu, schrijft dit lied op, en leert het de kinderen Israels; legt het in hun mond; opdat dit lied Mij tot getuige zij tegen de kinderen Israels.
Deu 31:20 Want Ik zal dit volk inbrengen in het land, dat Ik zijn vaderen gezworen heb, vloeiende van melk en honing, en het zal eten, en verzadigd, en vet worden; dan zal het zich wenden tot andere goden, en hen dienen, en zij zullen Mij tergen, en Mijn verbond teniet doen.
Deu 31:21 En het zal geschieden, wanneer vele kwaden en benauwdheden hen zullen treffen, dan zal dit lied voor hun aangezicht antwoorden tot getuige; want het zal uit de mond van zijn zaad niet vergeten worden; omdat Ik hun gedachten in het heden weet, aleer Ik het inbreng in het land, dat Ik gezworen heb.
Deu 31:22 Zo schreef Mozes dit lied op te dien dage, en hij leerde het de kinderen Israels.
Deu 31:23 En Hij gebood Jozua, de zoon van Nun, en zei: Zijt sterk en heb goede moed, want gij zult de kinderen Israels inbrengen in het land, dat Ik hun gezworen heb; en Ik zal met u zijn.
Deu 31:24 En het geschiedde, toen Mozes geindigd had de woorden van deze wet volledig te schrijven in een boek;
Deu 31:25 Zo gebood Mozes de Levieten, die de ark van het verbond des HEEREN droegen, zeggende:
Deu 31:26 Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark van het verbond van de HEERE, uw God, dat het aldaar zij tot getuige tegen u.
Deu 31:27 Want ik ken uw wederspannigheid, en uw harde nek. Ziet, terwijl ik nog heden met ulieden leef, zijt gij weerspannig geweest tegen de HEERE; hoe veel te meer na mijn dood!
Deu 31:28 Vergadert tot mij al de oudsten van uw stammen, en uw oversten; dat ik voor hun oren deze woorden spreek, en tegen hen de hemel en de aarde tot getuigen neem.
Deu 31:29 Want ik weet, dat gij het na mijn dood zeker zult verderven, en afwijken van de weg, die ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in de laatste dagen ontmoeten, wanneer gij zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen des HEEREN, om Hem door het werk van uw handen tot toorn te verwekken.
Deu 31:30 Toen sprak Mozes, voor de oren van de ganse gemeente van Israel, de woorden van dit lied in zijn geheel.

Hoofdstuk 32
Deu 32:1 Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen van mijn mond.
Deu 32:2 Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppels op het kruid.
Deu 32:3 Want ik zal de Naam van de HEERE uitroepen; geeft onze God grootheid!
Deu 32:4 Hij is de Rots, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerechtigheid. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
Deu 32:5 Zij hebben het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.
Deu 32:6 Vergeldt gij dit de HEERE zo, gij, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft?

Deu 32:7 Gedenk aan de dagen vanouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.
Deu 32:8 Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het getal van de kinderen Israels.
Deu 32:9 Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erfenis.
Deu 32:10 Hij vond hem in een land van de woestijn, en in een woeste, huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.
Deu 32:11 Zoals een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vleugels;
Deu 32:12 Zo leidde hem de HEERE alleen, en een vreemde god was er met hem niet.
Deu 32:13 Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honing zuigen uit de rots, en olie uit de keisteen;
Deu 32:14 Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen, die in Basan weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en het druivenbloed, reine wijn, hebt gij gedronken.

Deu 32:15 Toen nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit -gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met vet overdekt geworden!-; en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rots van zijn heil.
Deu 32:16 Zij hebben Hem tot naijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.
Deu 32:17 Zij hebben aan de demonen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor welke uw vaders niet hebben gevreesd.
Deu 32:18 De Rots, Die u voortgebracht heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetelheid gebracht de God, Die u gebaard heeft.

Deu 32:19 Als het de HEERE zag, zo versmaadde Hij hen, uit toorn tegen zijn zonen en zijn dochters.
Deu 32:20 En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, hoe hun einde zal wezen; want zij zijn een heel verkeerd geslacht, kinderen, waarin geen trouw is.
Deu 32:21 Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot naijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
Deu 32:22 Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal branden tot in de onderste delen van het dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten.
Deu 32:23 Ik zal onheilen op hen stapelen; Mijn pijlen zal Ik op hen afschieten.
Deu 32:24 Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten door brandende hitte en bitter verderf; en Ik zal de tanden van de beesten onder hen zenden, met vurig venijn van slangen uit het stof.
Deu 32:25 Van buiten zal het zwaard beroven, en de verschrikking uit de binnenkamers; ook de jongeling, ook de jongedochter, het zuigende kind met de grijze man.

Deu 32:26 Ik zei: In alle hoeken zou Ik hen verstrooien; Ik zou hun gedachtenis van onder de mensen doen ophouden;
Deu 32:27 Ware het niet, dat Ik voor de toorn van de vijand beducht was; dat niet hun tegenpartijen zich zouden misdragen door te zeggen: Onze hand is hoog geweest; de HEERE heeft dit alles niet gewerkt.
Deu 32:28 Want zij zijn een volk, dat door overleggingen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
Deu 32:29 O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.
Deu 32:30 Hoe zou een enkeling duizend jagen, en twee tienduizend doen vluchten, ware het niet, dat hun Rots hen verkocht, en de HEERE hen overgeleverd had?
Deu 32:31 Want hun rots is niet gelijk onze Rots, zelfs niet nu onze vijanden onze rechters zijn.
Deu 32:32 Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn giftige wijndruiven; zij hebben bittere trossen.
Deu 32:33 Hun wijn is vurig slangenvenijn, en een wreed addervergif.
Deu 32:34 Is dat niet bij Mij bewaard, verzegeld in Mijn schatten?
Deu 32:35 Mijn is de wraak en de vergelding, ten tijde dat hun voet zal wankelen; want de dag van hun ondergang is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten.
Deu 32:36 Want de HEERE zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de kracht is verloren, en dat niemand overgebleven is.
Deu 32:37 Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden; de rots, waarop zij vertrouwden?
Deu 32:38 Waarvan zij het vet van de slachtoffers aten, waarvan zij de wijn van de drankoffers dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er een schuilplaats voor u zij.

Deu 32:39 Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt!
Deu 32:40 Want Ik zal Mijn hand naar de hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid!
Deu 32:41 Indien Ik Mijn glinsterend zwaard wet, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenpartijen doen weerkeren, en Mijn haters vergelden.
Deu 32:42 Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed van de verslagene en de gevangene, van het hoofd af zal er wraak van de vijand zijn.
Deu 32:43 Juicht, gij heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed van Zijn knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen weerkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk.

Deu 32:44 En Mozes kwam, en sprak al de woorden van dit lied voor de oren van het volk, hij en Hosea, de zoon van Nun.
Deu 32:45 Toen nu Mozes geindigd had al die woorden tot heel Israel te spreken;
Deu 32:46 Zo zei hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik heden onder ulieden betuig, dat gij ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden van deze wet.
Deu 32:47 Want dat is geen vergeefs woord voor ulieden; maar het is uw leven; en door ditzelfde woord zult gij de dagen verlengen op het land, waar gij over de Jordaan naartoe gaat, om dat te erven.
Deu 32:48 Daarna sprak de HEERE tot Mozes, op diezelfde dag, zeggende:
Deu 32:49 Klim op de berg Abarim -deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is-, en zie het land Kanan, dat Ik de kinderen Israels tot een bezitting geven zal;
Deu 32:50 En sterf op die berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broer Aron stierf op de berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.
Deu 32:51 Omdat gijlieden u tegen Mij misdragen hebt, in het midden der kinderen Israels, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat gij Mij niet geheiligd hebt in het midden van de kinderen Israels.
Deu 32:52 Want gij zult dat land voor u zien, maar daar niet inkomen, in het land, dat Ik de kinderen Israels geven zal.

Hoofdstuk 33
Deu 33:1 Dit nu is de zegen, waarmee Mozes, de man Gods, de kinderen Israels gezegend heeft, voor zijn dood.
Deu 33:2 Hij dan zei: De HEERE is van Sina gekomen, en is hun opgegaan van Ser; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is gekomen met tienduizenden der heiligen; aan Zijn rechterhand was een vurige wet tot hen.
Deu 33:3 Immers bemint Hij de volken! Al zijn heiligen zijn in Uw hand; zij zitten aan Uw voeten; een ieder zal ontvangen van Uw woorden.
Deu 33:4 Mozes heeft ons de wet geboden, een erfenis van Jakobs gemeente;
Deu 33:5 En Hij was koning in Jeschurun, toen de hoofden van het volk zich vergaderden, samen met de stammen Israels.

Deu 33:6 Moge Ruben leven, en niet sterven, omdat zijn mannen weinig zijn!
Deu 33:7 En dit is van Juda, dat hij zei: Hoor, HEERE! de stem van Juda! en breng hem weer tot zijn volk; zijn handen moeten hem voldoende zijn, en zijt Gij hem een Hulp tegen zijn vijanden!

Deu 33:8 En van Levi zei hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn aan de man, Uw gunstgenoot; die Gij beproefd hebt in Massa, met wie Gij getwist hebt aan de wateren van Meriba.
Deu 33:9 Die tot zijn vader en tot zijn moeder zei: Ik zie hem niet; en die zijn broeders niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.
Deu 33:10 Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israel Uw wet; zij zullen reukwerk voor U leggen, en het brandoffer dat geheel verteerd zal worden op Uw altaar.
Deu 33:11 Zegen, HEERE! zijn vermogen, en laat U het werk van zijn handen welgevallen; versla de lendenen dergenen, die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weer opstaan!

Deu 33:12 En van Benjamin zei hij: De beminde des HEEREN, hij zal zeker bij Hem wonen. Hij zal hem de hele dag beschermen, en tussen Zijn schouders zal hij wonen!
Deu 33:13 En van Jozef zei hij: Zijn land zij gezegend van de HEERE, van het uitnemendste van de hemel, van de dauw, en van de diepte, die beneden ligt;
Deu 33:14 En van de uitnemendste vruchten, voortgebracht door de zon, en van de uitnemendste voortbrengselen van de maan;
Deu 33:15 En van het voornaamste der oude bergen, en van het uitnemendste der eeuwige heuvels;
Deu 33:16 En van het uitnemendste van de aarde en haar volheid, en van het welbehagen van Hem, Die in het doornbos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op de schedel van de afgezonderde van zijn broers!
Deu 33:17 Zijn eer is als de eerstgeborene van zijn os, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; daarmee zal hij al de volken stoten tot aan de einden van de aarde. Dezen nu zijn de tienduizenden van Efram, en dezen zijn de duizenden van Manasse!

Deu 33:18 En van Zebulon zei hij: Verheug u, Zebulon! over uw uittocht, en Issaschar! over uw tenten.
Deu 33:19 Zij zullen de volken tot de berg roepen; daar zullen zij offeranden der gerechtigheid offeren; want zij zullen van de overvloed der zeen zuigen, en van de schatten, verborgen in het zand.

Deu 33:20 En van Gad zei hij: Gezegend zij, die aan Gad ruimte maakt om te wonen! hij woont als een leeuwin, en verscheurt de arm, ja ook de kroon van het hoofd.
Deu 33:21 En hij heeft de eerstelingen van het land verkozen, omdat hij aldaar in het hem toegewezen deel van de wetgever woonde; daarom kwam hij met de hoofden van het volk; hij verrichtte de gerechtigheid des HEEREN, en zijn gerichten met Israel.

Deu 33:22 En van Dan zei hij: Dan is een jonge leeuw; hij zal als uit Basan springen.

Deu 33:23 En van Nafthali zei hij: O Nafthali! wees verzadigd van goedgunstigheid, en vol van de zegen des HEEREN; bezit erfelijk het westen en het zuiden.

Deu 33:24 En van Aser zei hij: Aser zij gezegend met zonen; moge hij zijn broeders aangenaam zijn, en zijn voet in olie dopen.
Deu 33:25 Ijzer en koper zal onder uw schoen zijn; en uw sterkte gelijk uw dagen!

Deu 33:26 Niemand is er gelijk God, o Jeschurun! Die door de hemel gaat tot uw hulp, en met Zijn hoogheid, op de bovenste wolken.
Deu 33:27 De eeuwige God is u een woning, en onder u zijn eeuwige armen; en Hij zal de vijand voor uw aangezicht verdrijven, en zeggen: Verdelg hen.
Deu 33:28 Israel dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.
Deu 33:29 Welgelukzalig zijt gij, o Israel! wie is u gelijk? gij zijt een volk, verlost door de HEERE, het Schild van uw hulp, en Die een Zwaard is van uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinsd aan u onderwerpen, en gij zult op hun hoogten treden!

Hoofdstuk 34
Deu 34:1 Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, dat recht tegenover Jericho is; en de HEERE toonde hem dat ganse land, Gilead tot Dan toe;
Deu 34:2 En het ganse Nafthali, en het land van Efram en Manasse, en het ganse land van Juda, tot aan de westelijke zee;
Deu 34:3 En het Zuidland, en het vlakke veld van de vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe.
Deu 34:4 En de HEERE zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar gij zult daarheen niet overgaan.

Deu 34:5 Alzo stierf Mozes, de knecht des HEEREN, aldaar in het land van Moab, zoals de HEERE had gezegd.
Deu 34:6 En Hij begroef hem in een dal, in het land van Moab, tegenover Beth-peor; en niemand heeft zijn graf geweten, tot op deze dag.
Deu 34:7 Mozes nu was honderd en twintig jaar oud, toen hij stierf; zijn oog was niet donker geworden, en zijn kracht was niet vergaan.
Deu 34:8 En de kinderen Israels treurden om Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen van treurnis en rouw over Mozes, werden voleindigd.

Deu 34:9 Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de Geest der wijsheid; want Mozes had zijn handen op hem gelegd; zo hoorden de kinderen Israels naar hem, en deden zoals de HEERE Mozes geboden had.
Deu 34:10 En er stond geen profeet meer op in Israel, gelijk Mozes, die de HEERE gekend had, van aangezicht tot aangezicht,
Deu 34:11 In al de tekenen en de wonderen, waartoe hem de HEERE gezonden had, om die in Egypte te doen aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al zijn land;
Deu 34:12 En met een sterke hand, en in al die grote verschrikking, die Mozes gedaan heeft voor de ogen van heel Israel.

Aantekeningen
Deu 11:24 de achterste zee: de Middellandse Zee.
25:4