Hoofdstuk 1

Exo 1:1 Dit nu zijn de namen van de zonen van Israel, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis.
Exo 1:2 Ruben, Simeon, Levi, en Juda;
Exo 1:3 Issaschar, Zebulon, en Benjamin;
Exo 1:4 Dan en Nafthali, Gad en Aser.
Exo 1:5 Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte.
Exo 1:6 Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broeders, en al dat geslacht,
Exo 1:7 Zo werden de kinderen Israels vruchtbaar en zeer talrijk, en zij vermeerderden, en werden uitermate sterk, zodat het land met hen vervuld werd.

Exo 1:8 Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had;
Exo 1:9 Die zei tot zijn volk: Ziet, het volk van de kinderen Israels is talrijker, ja, sterker dan wij.
Exo 1:10 Komt aan, laat ons wijs tegen het handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er een oorlog mocht uitbreken, dat het zich verbindt met onze vijanden, en tegen ons strijdt, en uit het land optrekt.
Exo 1:11 En zij stelden opzichters over het volk aan, om het te verdrukken met zware lasten; want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Rašmses.
Exo 1:12 Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het groeide; zodat zij beducht waren vanwege de kinderen Israels.
Exo 1:13 En de Egyptenaren deden de kinderen Israels dienen met hardheid;
Exo 1:14 Zodat zij hun het leven bitter maakten met harde dienst, in leem en in tichelstenen, en met alle dienst op het veld, met al hun dienst, die zij hen deden dienen met hardheid.

Exo 1:15 Daarenboven sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen van de Hebreeuwse vrouwen, waarvan de naam van de ene was Sifra, en de naam van de andere Pua;
Exo 1:16 En zei: Wanneer gij de Hebreeuwse vrouwen helpt in het baren, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven!
Exo 1:17 Doch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet, zoals de koning van Egypte tot hen gesproken had, maar zij behielden de jongetjes in het leven.
Exo 1:18 Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen, en zei tot hen: Waarom hebt gijlieden deze zaak gedaan, dat gij de jongetjes in het leven behouden hebt?
Exo 1:19 En de vroedvrouwen zeiden tot Farao: Omdat de Hebreeuwse vrouwen niet zijn zoals de Egyptische vrouwen; want zij zijn sterk; eer de vroedvrouw tot hen komt, zo hebben zij gebaard.
Exo 1:20 Daarom deed God aan de vroedvrouwen goed; en dat volk vermeerderde, en het werd zeer sterk.
Exo 1:21 En het geschiedde, omdat de vroedvrouwen God vreesden, zo bouwde Hij hun huizen.
Exo 1:22 Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult gij in de rivier werpen, maar al de dochters in het leven behouden.

Hoofdstuk 2
Exo 2:1 En een man van het huis van Levi trouwde een dochter van Levi.
Exo 2:2 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden.
Exo 2:3 Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een mandje van biezen en lijmde het met lijm en met pek; en zij legde het kind daarin, en legde het tussen de biezen, aan de oever van de rivier.
Exo 2:4 En zijn zuster stelde zich op een afstand op, om te weten, wat hem gedaan zou worden.

Exo 2:5 En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar begeleidsters wandelden aan de kant van de rivier; toen zij het mandje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.
Exo 2:6 Toen zij het open deed, zo zag zij dat kindje; en ziet, het jongetje huilde; en zij werd daarover met barmhartigheid bewogen, en zij zei: Dit is ťťn van de kinderen der HebreeŽn!
Exo 2:7 Toen zei zijn zuster tot Farao's dochter: Zal ik heengaan, en u een voedstervrouw uit de Hebreeuwse vrouwen roepen, die dat kindje voor u zoogt?
Exo 2:8 En de dochter van Farao zei tot haar: Ga heen. En het jonge meisje ging, en riep de moeder van het jongetje.
Exo 2:9 Toen zei Farao's dochter tot haar: Neem dit kindje mee, en zoog het voor mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het kindje mee en zoogde het.
Exo 2:10 En toen het jongetje ouder geworden was, zo bracht zij het tot Farao's dochter, en het werd haar tot een zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zei: Want ik heb hem uit het water genomen.

Exo 2:11 En het gebeurde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broeders, en hun lasten gadesloeg; en hij zag, dat een Egyptische man een Hebreeuwse man uit zijn broeders sloeg.
Exo 2:12 Hij keek herwaarts en derwaarts; en hij zag, dat er niemand was, zo sloeg hij de Egyptenaar, en verborg hem in het zand.
Exo 2:13 De volgende dag ging hij wederom uit, en ziet, twee Hebreeuwse mannen twistten; en hij zei tot de boosdoener: Waarom slaat gij uw naaste?
Exo 2:14 Hij dan zei: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? Zegt gij dit, om mij te doden, zoals gij de Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zei: Voorwaar, deze zaak is bekend geworden!
Exo 2:15 Als nu Farao deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; doch Mozes vluchtte voor Farao's aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij een waterput.

Exo 2:16 En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde van hun vader te drenken.
Exo 2:17 Toen kwamen de herders, en zij verdreven hen van daar; maar Mozes stond op, en verloste hen, en drenkte hun kudden.
Exo 2:18 En toen zij tot haar vader Rehuel kwamen, zo sprak hij: Waarom zijt gij heden zo spoedig weergekeerd?
Exo 2:19 Toen zeiden zij: Een Egyptische man heeft ons verlost uit de hand van de herders; en hij heeft ook overvloedig voor ons geput, en de kudde gedrenkt.
Exo 2:20 En hij zei tot zijn dochters: Waar is hij toch, waarom liet gij de man gaan? roept hem, dat hij brood eet.
Exo 2:21 En Mozes bewilligde bij de man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora;
Exo 2:22 Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zei: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.

Exo 2:23 En het geschiedde na vele van deze dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israels zuchtten en schreeuwden over de dienst; en hun gekerm over hun dienst kwam op tot God.
Exo 2:24 En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izašk, en met Jakob.
Exo 2:25 En God zag de kinderen Israels aan, en God kende hen.

Hoofdstuk 3
Exo 3:1 Mozes nu hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde naar de achterzijde van de woestijn, en hij kwam aan de berg Gods, aan Horeb.
Exo 3:2 En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een doornbos; en hij zag, en ziet, het doornbos brandde in het vuur, en het doornbos werd niet verteerd.
Exo 3:3 En Mozes zei: Ik zal nu dichterbij gaan, en bezien dat grote gezicht, waarom het doornbos niet verbrandt.
Exo 3:4 Toen de HEERE zag, dat hij zich daarheen wendde, om dat nader te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het doornbos, en zei: Mozes, Mozes! En hij zei: Zie, hier ben ik!
Exo 3:5 En Hij zei: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land.
Exo 3:6 Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izašk en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien.

Exo 3:7 En de HEERE zei: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend.
Exo 3:8 Daarom ben Ik neergedaald, dat Ik het verlos uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoer uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honing, tot de plaats van de Kanašnieten, en Hethieten, en Amorieten, en Ferezieten, en Hevieten, en Jebusieten.
Exo 3:9 En nu, zie, het geschrei van de kinderen Israels is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmee de Egyptenaren hen verdrukken.
Exo 3:10 Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat gij Mijn volk, de kinderen Israels, uit Egypte voert.

Exo 3:11 Toen zei Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan; en dat ik de kinderen Israels uit Egypte zou voeren?
Exo 3:12 Hij dan zei: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij dit volk uit Egypte geleid hebt, zult gijlieden God dienen op deze berg.
Exo 3:13 Toen zei Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: De God van uw vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen?
Exo 3:14 En God zei tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zei Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden!
Exo 3:15 Toen zei God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izašk, en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dat is Mijn Naam eeuwig, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.

Exo 3:16 Ga heen, en verzamel de oudsten van Israel, en zeg tot hen: De HEERE, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izašk en Jakob, zeggende: Ik heb u aandachtig bezocht, en hetgeen ulieden in Egypte is aangedaan;
Exo 3:17 Daarom heb Ik gezegd: Ik zal ulieden uit de verdrukking van Egypte opvoeren, tot het land van de Kanašnieten, en Hethieten, en Amorieten, en Ferezieten, en Hevieten, en Jebusieten; tot het land, vloeiende van melk en honing.
Exo 3:18 En zij zullen uw stem horen; en gij zult gaan, gij en de oudsten van Israel, tot de koning van Egypte, en gijlieden zult tot hem zeggen: De HEERE, de God der HebreeŽn, is ons ontmoet; zo verzoeken wij u, laat ons nu toch gaan een afstand van drie dagen in de woestijn, opdat wij de HEERE, onze God, offeren!
Exo 3:19 Doch Ik weet, dat de koning van Egypte ulieden niet zal laten gaan, tenzij door een sterke hand.
Exo 3:20 Want Ik zal Mijn hand uitstrekken, en Egypte slaan met al Mijn wonderen, die Ik in het midden daarvan doen zal; daarna zal hij ulieden laten vertrekken.
Exo 3:21 En Ik zal dit volk genade geven in de ogen van de Egyptenaren; en het zal geschieden, wanneer gijlieden uitgaan zult, zo zult gij niet ledig uitgaan.
Exo 3:22 Maar elke vrouw zal van haar buurvrouw, en van degene, die in haar huis verblijft, vragen zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen; die zult gijlieden op uw zonen, en op uw dochters leggen, en zo zult gij Egypte beroven.

Hoofdstuk 4
Exo 4:1 Toen antwoordde Mozes, en zei: Maar zie, zij zullen mij niet geloven, noch mijn stem horen; want zij zullen zeggen: De HEERE is u niet verschenen!
Exo 4:2 En de HEERE zei tot hem: Wat is er in uw hand? Hij zei: Een staf.
Exo 4:3 En Hij zei: Werp hem ter aarde. En hij wierp hem ter aarde! Toen werd hij tot een slang; en Mozes vluchtte weg van haar.
Exo 4:4 Toen zei de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit, en pakte haar, en zij werd tot een staf in zijn hand.
Exo 4:5 Opdat zij geloven, dat u verschenen is de HEERE, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Izašk, en de God van Jakob.
Exo 4:6 En de HEERE zei verder tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijn hand was melaats, wit als sneeuw.
Exo 4:7 En Hij zei: Steek uw hand wederom in uw boezem. En hij stak zijn hand wederom in zijn boezem; daarna trok hij ze uit zijn boezem, en ziet, zij was weer als zijn andere vlees.
Exo 4:8 Het zal geschieden, zo zij u niet geloven noch naar de stem van het eerste teken horen, zo zullen zij de stem van het laatste teken geloven.
Exo 4:9 En het zal geschieden, zo zij ook deze twee tekenen niet geloven, noch naar uw stem horen, zo neem van de wateren der rivier, en giet ze op het droge; zo zullen de wateren, die gij uit de rivier zult nemen, tot bloed worden op het droge.

Exo 4:10 Toen zei Mozes tot de HEERE: Och Heere! ik ben geen man wel ter tale, niet gisteren of daarvoor, noch van toen af, toen Gij tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong.
Exo 4:11 De HEERE zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?
Exo 4:12 Ga nu heen en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat gij spreken zult.
Exo 4:13 Maar hij zei: Och, Heere! zend toch door de hand van iemand anders, die Gij zoudt zenden.
Exo 4:14 Toen ontstak de toorn des HEEREN over Mozes, en Hij zei: is niet Ašron, de Leviet, uw broer? Ik weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn.
Exo 4:15 Gij dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal ulieden leren, wat gij doen zult.
Exo 4:16 En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal geschieden, dat hij u tot een mond zal zijn, en gij zult hem als een god zijn.
Exo 4:17 Neem dan deze staf in uw hand, waarmee gij die tekenen doen zult.

Exo 4:18 Toen ging Mozes heen, en keerde terug tot Jethro, zijn schoonvader, en zei tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik terugkeer tot mijn broeders, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven. Jethro dan zei tot Mozes: Ga in vrede!
Exo 4:19 Ook zei de HEERE tot Mozes in Midian: Ga heen, keer terug in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten.
Exo 4:20 Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde terug naar Egypteland; en Mozes nam de staf Gods in zijn hand.
Exo 4:21 En de HEERE zei tot Mozes: Als gij heen trekt, om in Egypte terug te keren, zie toe, dat gij al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; doch Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.
Exo 4:22 Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israel.
Exo 4:23 Ik zeg u: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij diene! maar als gij weigert hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden!

Exo 4:24 En het geschiedde op de weg, in de herberg, dat de HEERE hem tegenkwam, en zocht hem te doden.
Exo 4:25 Toen nam Zippora een stenen mes en besneed de voorhuid van haar zoon, en wierp die voor zijn voeten, en zei: Voorwaar, gij zijt mij een bloedbruidegom!
Exo 4:26 En Hij liet van hem af. Toen zei zij: Bloedbruidegom! vanwege de besnijdenis.
Exo 4:27 De HEERE zei ook tot Ašron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan de berg Gods, en hij kuste hem.
Exo 4:28 En Mozes gaf Ašron te kennen al de woorden van de HEERE, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem bevolen had.
Exo 4:29 Toen gingen Mozes en Ašron heen, en verzamelden al de oudsten van de kinderen Israels.
Exo 4:30 En Ašron sprak al de woorden, die de HEERE tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen van het volk.
Exo 4:31 En het volk geloofde, en zij hoorden, dat de HEERE de kinderen Israels bezocht had, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij bogen hun hoofd en aanbaden.

Hoofdstuk 5
Exo 5:1 En daarna gingen Mozes en Ašron heen, en zeiden tot Farao: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Laat Mijn volk trekken, opdat het Mij een feest houdt in de woestijn!
Exo 5:2 Maar Farao zei: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken? Ik ken de HEERE niet, en ik zal ook Israel niet laten trekken.

Exo 5:3 Zij dan zeiden: De God der HebreeŽn is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, een afstand van drie dagen in de woestijn, en de HEERE, onze God, offeren, dat Hij ons niet tegenkomt met pestilentie, of met het zwaard.
Exo 5:4 Toen zei de koning van Egypte tot hen: Gij, Mozes en Ašron! waarom trekt gij het volk af van hun werken? Gaat heen tot uw lasten.
Exo 5:5 Verder zei Farao: Ziet, het volk van het land is al te veel; en zoudt gijlieden hen doen rusten van hun lasten?
Exo 5:6 Daarom beval Farao diezelfde dag, aan de opzichters over het volk, en hun oversten, zeggende:
Exo 5:7 Gij zult voortaan aan deze mensen geen stro meer geven, tot het maken van de tichelstenen, zoals gisteren en eergisteren; laat hen zelf heengaan, en stro voor zichzelf verzamelen.
Exo 5:8 En het aantal tichelstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opdragen; gij zult daarvan niet verminderen; want zij zijn lui; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onze God offeren!
Exo 5:9 Men verzware de dienst van deze mannen; dat zij daarin werken, en geen acht slaan op leugenachtige woorden.

Exo 5:10 Toen gingen de opzichters over het volk uit, en hun oversten, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Farao: Ik zal ulieden geen stro geven.
Exo 5:11 Gaat gij zelf heen, haalt u stro, waar gij het vindt; doch van uw dienst zal niet verminderd worden.
Exo 5:12 Toen verstrooide zich het volk in het ganse land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro.
Exo 5:13 En de opzichters drongen aan, zeggende: Voltooit uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was.
Exo 5:14 En de oversten van de kinderen Israels, die Farao's opzichters over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zei: Waarom hebt gijlieden uw opgedragen werk niet volbracht, in het maken van de tichelstenen, zoals tevoren, alzo ook gisteren en heden?
Exo 5:15 Daarom gingen de oversten van de kinderen Israels tot Farao en schreeuwden, zeggende: Waarom doet gij uw knechten alzo?
Exo 5:16 Aan uw knechten wordt geen stro gegeven, en zij zeggen tot ons: Maakt de tichelstenen; en ziet, uw knechten worden geslagen, doch de schuld is bij uw volk!
Exo 5:17 Hij dan zei: Gijlieden zijt lui, lui zijt gij; daarom zegt gij: Laat ons gaan, laat ons de HEERE offeren!
Exo 5:18 Zo gaat nu heen, werkt; doch stro zal u niet gegeven worden; evenwel zult gij het aantal tichelstenen leveren.
Exo 5:19 Toen zagen de oversten van de kinderen Israels, dat het er slecht voor hen uitzag, omdat men zei: Gij zult niet verminderen uw tichelstenen, van het dagwerk op zijn dag.
Exo 5:20 En zij ontmoetten Mozes en Ašron, die op hen wachtten, toen zij van Farao weggingen.
Exo 5:21 En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, daar gij onze reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.
Exo 5:22 Toen keerde Mozes terug tot de HEERE, en zei: Heere! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan, waarom hebt Gij mij dan gezonden?
Exo 5:23 Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost.

Hoofdstuk 6
Exo 6:1 (5:24) Toen zei de HEERE tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven.
Exo 6:2 (6:1) Verder sprak God tot Mozes, en zei tot hem: Ik ben de HEERE,
Exo 6:3 (6:2)   En Ik ben aan Abraham, Izašk, en Jakob verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest. *)
Exo 6:4 (6:3) En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanašn, het land van hun vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn.
Exo 6:5 (6:4) En ook heb Ik gehoord het gekerm van de kinderen Israels, die de Egyptenaren in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.
Exo 6:6 (6:5) Daarom zeg tot de kinderen Israels: Ik ben de HEERE! en Ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekte arm, en door grote gerichten;
Exo 6:7 (6:6) En Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en gijlieden zult bekennen, dat Ik de HEERE uw God ben, Die u uitleidt van onder de lasten van de Egyptenaren.
Exo 6:8 (6:7) En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izašk, en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, Ik, de HEERE!
Exo 6:9 (6:8) En Mozes sprak alzo tot de kinderen Israels; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid van geest, en vanwege de harde dienstbaarheid.

Exo 6:10 (6:9) Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Exo 6:11 (6:10) Ga heen, spreek tot Farao, de koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken laat.
Exo 6:12 (6:11) Doch Mozes sprak voor de HEERE, zeggende: Zie, de kinderen Israels hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen.
Exo 6:13 (6:12) Evenwel sprak de HEERE tot Mozes en tot Ašron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israels, en aan Farao, de koning van Egypte, om de kinderen Israels uit Egypteland te leiden.

Exo 6:14 (6:13) Dit zijn de hoofden van ieder huis van hun vaderen: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.
Exo 6:15 (6:14) En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon van een Kanašnietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon.
Exo 6:16 (6:15) Dit nu zijn de namen van de zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kohath, en Merari. En de jaren van het leven van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.
Exo 6:17 (6:16) De zonen van Gerson: Libni en SimeÔ, naar hun huisgezinnen.
Exo 6:18 (6:17) En de zonen van Kohath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en UzziŽl, en de jaren van het leven van Kohath waren honderd drie en dertig jaren.
Exo 6:19 (6:18) En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten.
Exo 6:20 (6:19) En Amram nam Jochebed, zijn tante, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Ašron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
Exo 6:21 (6:20) En de zonen van Jizhar: Korach, en Nefeg, en Zichri.
Exo 6:22 (6:21) En de zonen van UzziŽl: Misael, en Elzafan, en Sithri.
Exo 6:23 (6:22) En Ašron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zuster van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
Exo 6:24 (6:23) En de zonen van Korach waren: Assir, en Elkana, en Abiasaf; dat zijn de huisgezinnen van de Korachieten.
Exo 6:25 (6:24) En Eleazar, de zoon van Ašron, nam voor zich ťťn van de dochters van PutiŽl tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.
Exo 6:26 (6:25) Dit zijn Ašron en Mozes, tot wie de HEERE zei: Leidt de kinderen Israels uit Egypteland, overeenkomstig hun legerscharen.
Exo 6:27 (6:26) Dezen zijn het, die tot Farao, de koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israels uit Egypte leidden; dit zijn Mozes en Ašron.
Exo 6:28 (6:27) En het geschiedde te dien dage, toen de HEERE tot Mozes sprak in Egypteland;
Exo 6:29 (6:28) Zo sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Ik ben de HEERE! spreek tot Farao, de koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek.
Exo 6:30 (6:29) Toen zei Mozes voor het aangezicht des HEEREN: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Farao naar mij horen?

Hoofdstuk 7
Exo 7:1 Toen zei de HEERE tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een god gezet over Farao; en Ašron, uw broer, zal uw profeet zijn.
Exo 7:2 Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Ašron, uw broer, zal tot Farao spreken, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken laat.
Exo 7:3 Doch Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigen.
Exo 7:4 Farao nu zal naar ulieden niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn legerscharen, Mijn volk, de kinderen Israels, uit Egypteland, door grote gerichten.
Exo 7:5 Dan zullen de Egyptenaren weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrek, en de kinderen Israels uit het midden van hen uitleid.
Exo 7:6 Toen deden Mozes en Ašron, zoals hun de HEERE geboden had, alzo deden zij.
Exo 7:7 En Mozes was tachtig jaar oud, en Ašron drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Farao spraken.

Exo 7:8 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Ašron, zeggende:
Exo 7:9 Wanneer Farao tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteken voor ulieden; zo zult gij tot Ašron zeggen: Neem uw staf, en werp hem voor Farao's aangezicht neer; hij zal tot een slang worden.
Exo 7:10 Toen gingen Mozes en Ašron binnen naar Farao, en deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en Ašron wierp zijn staf neer voor Farao's aangezicht, en voor het aangezicht van zijn knechten; en hij werd tot een slang.
Exo 7:11 Farao nu riep ook de wijzen en de waarzeggers; en de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen.
Exo 7:12 Want een ieder wierp zijn staf neer, en zij werden tot slangen; maar Aarons staf verslond hun staven.
Exo 7:13 Doch Farao's hart verstokte, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.

Exo 7:14 Toen zei de HEERE tot Mozes: Farao's hart is hardnekkig; hij weigert het volk te laten trekken.
Exo 7:15 Ga heen tot Farao in de morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe, zo stel u tegenover hem aan de oever van de rivier, en de staf, die in een slang is veranderd geweest, zult gij in uw hand nemen.
Exo 7:16 En gij zult tot hem zeggen: de HEERE, de God der HebreeŽn, heeft mij tot u gezonden, zeggende: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij dient in de woestijn; doch zie, gij hebt tot nu toe niet gehoord.
Exo 7:17 Zo zegt de HEERE: Daaraan zult gij weten, dat Ik de HEERE ben; zie, ik zal met deze staf, die in mijn hand is, op het water, dat in deze rivier is, slaan, en het zal in bloed veranderd worden.
Exo 7:18 En de vis in de rivier zal sterven, zodat de rivier zal stinken; en de Egyptenaren zullen walgen van het drinken van het water uit de rivier.
Exo 7:19 Verder zei de HEERE tot Mozes: zeg tot Ašron: Neem uw staf, en steek uw hand uit over de wateren van de Egyptenaren, over hun stromen, over hun rivieren, en over hun poelen, en over alle vergadering van hun wateren, dat zij bloed worden; en er zij bloed in het ganse Egypteland, beide in houten en in stenen vaten.
Exo 7:20 Mozes nu en Ašron deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en hij hief de staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd.
Exo 7:21 En de vis, die in de rivier was, stierf; en de rivier stonk, zodat de Egyptenaren het water uit de rivier niet drinken konden; en er was bloed in het ganse Egypteland.
Exo 7:22 Doch de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen; zodat Farao's hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, gelijk als de HEERE gesproken had.
Exo 7:23 En Farao keerde zich om, en ging naar zijn huis; en hij gaf ook daar geen aandacht aan.
Exo 7:24 Doch alle Egyptenaren groeven rondom de rivier, om water te drinken; want zij konden van het water der rivier niet drinken.
Exo 7:25 En zeven dagen werden vervuld, nadat de HEERE de rivier geslagen had.

Hoofdstuk 8
Exo 8:1 Daarna zei de HEERE tot Mozes: Ga in tot Farao, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.
Exo 8:2 En indien gij het weigert te laten trekken, zie, zo zal ik uw ganse gebied met kikvorsen slaan;
Exo 8:3 Dat de rivier van kikvorsen zal krioelen, die zullen opkomen, en in uw huis komen, en in uw slaapkamer, ja, op uw bed; ook in de huizen van uw knechten, en op uw volk, en in uw bakovens, en in uw baktroggen.
Exo 8:4 En de kikvorsen zullen opkomen, op u, en op uw volk, en op al uw knechten.
Exo 8:5 Verder zei de HEERE tot Mozes: Zeg tot Ašron: Strek uw hand uit met uw staf, over de stromen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe kikvorsen opkomen over Egypteland.
Exo 8:6 En Ašron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen kikvorsen op en bedekten Egypteland.
Exo 8:7 Toen deden de tovenaars ook alzo, met hun bezweringen; en zij deden kikvorsen over Egypteland opkomen.
Exo 8:8 En Farao riep Mozes en Ašron, en zei: Bidt vurig tot de HEERE, dat Hij de kikvorsen van mij en van mijn volk wegneemt; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij de HEERE offeren.
Exo 8:9 Doch Mozes zei tot Farao: Aan u de eer! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vurig bidden, om deze kikvorsen van u en van uw huizen te verdelgen, dat zij alleen in de rivier overblijven?
Exo 8:10 Hij dan zei: Tegen morgen. En hij zei: Het zij naar uw woord, opdat gij weet, dat er niemand is, gelijk de HEERE, onze God.
Exo 8:11 Zo zullen de kikvorsen van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven.
Exo 8:12 Toen gingen Mozes en Ašron uit van Farao; en Mozes riep tot de HEERE, vanwege de kikvorsen, die Hij over Farao had gebracht.
Exo 8:13 En de HEERE deed naar het woord van Mozes; en de kikvorsen stierven, uit de huizen, uit de voorhoven, en uit de velden.
Exo 8:14 En zij vergaderden ze samen op hopen, en het land stonk.
Exo 8:15 Toen nu Farao zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk als de HEERE gesproken had.

Exo 8:16 Voorts zei de HEERE tot Mozes: Zeg tot Ašron: Strek uw staf uit, en sla het stof der aarde, opdat het tot luizen wordt, in het ganse Egypteland.
Exo 8:17 En zij deden alzo; want Ašron strekte zijn hand uit met zijn staf, en sloeg het stof der aarde, en het werd tot vele luizen op de mensen, en op het vee; al het stof der aarde werd luizen, in het ganse Egypteland.
Exo 8:18 De tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten; doch zij konden niet; zo waren de luizen op de mensen, en op het vee.
Exo 8:19 Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Doch Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.

Exo 8:20 Verder zei de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht; zie, hij zal aan het water uitgaan, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen;
Exo 8:21 Want zo gij Mijn volk niet laat trekken, zie, zo zal Ik een zwerm vliegen zenden op u, en op uw knechten, en op uw volk, en in uw huizen; alzo dat de huizen van de Egyptenaren met deze zwerm zal vervuld worden, en ook het aardrijk, waarop zij zijn.
Exo 8:22 En Ik zal te dien dage het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vliegen zullen zijn, opdat gij weet, dat Ik, de HEERE, in het midden van dit land ben.
Exo 8:23 En Ik zal een verlossing zetten tussen Mijn volk en uw volk; tegen morgen zal dit teken geschieden!
Exo 8:24 En de HEERE deed alzo; en er kwam een geweldige zwerm vliegen in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het ganse Egypteland; het land werd verdorven door deze vliegen.
Exo 8:25 Toen riep Farao Mozes en Ašron, en zei: Gaat heen, en offert uw God in dit land.
Exo 8:26 Mozes dan zei: Het is niet juist, alzo te doen; want wij zullen de HEERE, onze God offeren, wat voor de Egyptenaren een gruwel is; zie, indien wij datgene, wat voor de Egyptenaren een gruwel is, voor hun ogen offeren, zouden zij ons niet stenigen?
Exo 8:27 Laat ons een afstand van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij de HEERE onze God offeren, gelijk Hij tot ons zeggen zal.
Exo 8:28 Toen zei Farao: Ik zal u trekken laten, dat gijlieden de HEERE, uw God, offert in de woestijn; alleen, dat gijlieden in het gaan geenszins te ver trekt! Bidt vurig voor mij.
Exo 8:29 Mozes nu zei: Zie, ik ga van u, en zal tot de HEERE vurig bidden, dat deze zwerm vliegen van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk morgen wegwijkt! Alleen, dat Farao niet meer bedrieglijk handele, door dit volk niet te laten gaan, om de HEERE te offeren.
Exo 8:30 Toen ging Mozes uit van Farao, en bad vurig tot de HEERE.
Exo 8:31 En de HEERE deed naar het woord van Mozes, en de zwerm vliegen week van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk; er bleef niet ťťn over.
Exo 8:32 Doch Farao verzwaarde zijn hart ook ditmaal, en hij liet het volk niet trekken.

Hoofdstuk 9
Exo 9:1 Daarna zei de HEERE tot Mozes: Ga in tot Farao, en spreek tot hem: Alzo zegt de HEERE, de God der HebreeŽn: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene.
Exo 9:2 Want zo gij hen weigert te laten trekken, en gij hen nog weerhoudt,
Exo 9:3 Zie, de hand des HEEREN zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezels, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie.
Exo 9:4 En de HEERE zal een scheiding maken tussen het vee van de Israelieten en het vee van de Egyptenaren, dat er niets sterft van al wat van de kinderen Israels is.
Exo 9:5 En de HEERE bestemde een zekere tijd, zeggende: Morgen zal de HEERE deze zaak in dit land doen.
Exo 9:6 En de HEERE deed deze zaak de volgende dag; en al het vee van de Egyptenaren stierf; maar van het vee van de kinderen Israels stierf niet ťťn.
Exo 9:7 En Farao zond heen, en ziet, van het vee van Israel was er zelfs niet ťťn gestorven. Doch het hart van Farao werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken.

Exo 9:8 Toen zei de HEERE tot Mozes en tot Ašron: Neemt gij uw vuisten vol as uit de oven; en laat Mozes die strooien naar de hemel voor de ogen van Farao.
Exo 9:9 En zij zal tot klein stof worden over het ganse Egypteland; en zij zal aan de mensen, en aan het vee worden tot zweren, uitbrekend met blaren, in het ganse Egypteland.
Exo 9:10 En zij namen as uit de oven, en stonden voor Farao's aangezicht; en Mozes strooide die naar de hemel; toen werden er zweren, uitbrekend met blaren, aan de mensen en aan het vee;
Exo 9:11 Alzo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren.
Exo 9:12 Doch de HEERE verstokte Farao's hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had.

Exo 9:13 Toen zei de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der HebreeŽn: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.
Exo 9:14 Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is gelijk Ik, op de ganse aarde.
Exo 9:15 Want, had Ik Mijn hand uitgestrekt, en u en uw volk met de pestilentie geslagen, gij zoudt van de aarde verdelgd zijn geworden.
Exo 9:16 Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelt op de ganse aarde.
Exo 9:17 Verheft gij uzelf nog tegen Mijn volk, dat gij het niet wilt laten trekken?
Exo 9:18 Zie, Ik zal morgen omtrent deze tijd een zeer zware hagel doen regenen, desgelijks in Egypte niet geweest is van die dag af, dat het gefundeerd is, tot nu toe.
Exo 9:19 En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat gij op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven.
Exo 9:20 Wie onder Farao's knechten het woord des HEEREN vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vluchten;
Exo 9:21 Doch die zijn hart niet zette tot het woord des HEEREN, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld.

Exo 9:22 Toen zei de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal hagel zijn in het ganse Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid van het veld in Egypteland.
Exo 9:23 Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel; en de HEERE gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de HEERE liet hagel regenen over Egypteland.
Exo 9:24 En er was hagel, en vuur in de hagelstenen; hij was zeer zwaar; desgelijks is in het ganse Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is.
Exo 9:25 En de hagel sloeg, in het ganse Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot het vee toe; ook sloeg de hagel al het kruid van het veld, en brak al het geboomte van het veld.
Exo 9:26 Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israels waren, daar was geen hagel.
Exo 9:27 Toen zond Farao heen, en hij riep Mozes en Ašron, en zei tot hen: Ik heb ditmaal gezondigd; de HEERE is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!
Exo 9:28 Bidt vurig tot de HEERE -want het is genoeg-, dat er geen donder van God noch hagel meer zij; dan zal ik ulieden trekken laten, en gij zult niet langer blijven.
Exo 9:29 Toen zei Mozes tot hem: Wanneer ik uit de stad gegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor de HEERE; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat gij weet, dat de aarde des HEEREN is!
Exo 9:30 Nochtans u en uw knechten aangaande, weet ik, dat gijlieden voor het aangezicht van de HEERE God nog niet vrezen zult.
Exo 9:31 Het vlas nu, en de gerst waren neergeslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in de halm.
Exo 9:32 Maar de tarwe en de spelt waren niet neergeslagen; want die waren nog niet (op)gegroeid.
Exo 9:33 Zo ging Mozes van Farao de stad uit, en breidde zijn handen tot de HEERE; de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde.
Exo 9:34 Toen Farao zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo zondigde hij nog verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten.
Exo 9:35 Alzo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen Israels niet trekken liet, gelijk als de HEERE gesproken had door Mozes.

Hoofdstuk 10
Exo 10:1 Daarna zei de HEERE tot Mozes: Ga in tot Farao; want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart van zijn knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden van hen doe;
Exo 10:2 En opdat gij voor de oren van uw kinderen en van de kinderen van uw kinderen moogt vertellen, wat Ik in Egypte gewrocht heb, en Mijn tekenen, die Ik onder hen gedaan heb; opdat gijlieden weet, dat Ik de HEERE ben.
Exo 10:3 Zo gingen Mozes en Ašron tot Farao, en zeiden tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der HebreeŽn: Hoe lang weigert gij u voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.
Exo 10:4 Want indien gij weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw land brengen.
Exo 10:5 En zij zullen het gezicht van het land bedekken, alzo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van hetgeen ontkomen is, hetgeen ulieden overgebleven was van de hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat ulieden uit het veld voortkomt.
Exo 10:6 En zij zullen vervullen uw huizen, en de huizen van al uw knechten, en de huizen van alle Egyptenaren; die uw vaders, noch de vaderen van uw vaders gezien hebben, van die dag af, dat zij op de aardbodem geweest zijn, tot op deze dag. En hij keerde zich om, en ging uit van Farao.
Exo 10:7 En de knechten van Farao zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot een strik zijn, laat de mannen trekken, dat zij de HEERE hun God dienen! weet gij nog niet, dat Egypte verloren is?
Exo 10:8 Toen werden Mozes en Ašron weer tot Farao gebracht, en hij zei tot hen: Gaat heen, dient de HEERE, uw God! wie en wie zijn zij, die gaan zullen?
Exo 10:9 En Mozes zei: Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude mensen; met onze zonen en met onze dochteren, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben een feest des HEEREN.
Exo 10:10 Toen zei hij tot hen: De HEERE zij alzo met ulieden, gelijk ik u en uw kleine kinderen zal trekken laten: ziet toe, want er is kwaad voor uw aangezicht!
Exo 10:11 Niet alzo; gij, mannen, gaat nu heen, en dient de HEERE; want dat hebt gijlieden verzocht! En men dreef hen uit van Farao's aangezicht.

Exo 10:12 Toen zei de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit over Egypteland, om de sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid van het land opeten, al wat de hagel heeft overgelaten.
Exo 10:13 Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en de HEERE bracht een oostenwind in dat land, die gehele dag en die ganse nacht; het geschiedde des morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht.
Exo 10:14 En de sprinkhanen kwamen op over het ganse Egypteland, en lieten zich neer over het hele gebied van de Egyptenaren, zeer zwaar; voor dezen zijn dergelijke sprinkhanen, als deze, nooit geweest, en na dezen zullen er zulke niet zijn;
Exo 10:15 Want zij bedekten het gezicht van het hele land, alzo dat het land verduisterd werd; en zij aten al het kruid van het land op, en al de vruchten van de bomen, die de hagel had overgelaten; en er bleef niets groens aan de bomen, noch aan de kruiden van het veld, in het gehele Egypteland.
Exo 10:16 Toen haastte zich Farao, om Mozes en Ašron te roepen, en zei: Ik heb gezondigd tegen de HEERE, uw God, en tegen ulieden.
Exo 10:17 En nu vergeeft mij toch mijn zonde alleen ditmaal, en bidt vurig tot de HEERE, uw God, dat Hij slechts deze dood van mij wegneemt.
Exo 10:18 En hij ging uit van Farao, en bad vurig tot de HEERE.
Exo 10:19 Toen keerde de HEERE een zeer sterke westenwind, die hief de sprinkhanen op, en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet ťťn sprinkhaan over in het hele gebied van Egypte.
Exo 10:20 Doch de HEERE verstokte Farao's hart, dat hij de kinderen Israels niet liet trekken.

Exo 10:21 Toen zei de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal.
Exo 10:22 Toen Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, werd er een dikke duisternis in het ganse Egypteland, drie dagen.
Exo 10:23 Zij zagen de ťťn de ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen Israels was het licht in hun woningen.
Exo 10:24 Toen riep Farao Mozes, en zei: Gaat heen, dient de HEERE! alleen laat uw schapen en uw runderen hier blijven; ook zullen uw kinderen met u gaan.
Exo 10:25 Doch Mozes zei: Ook zult gij slachtoffers en brandoffers in onze handen geven, die wij de HEERE, onze God, brengen mogen;
Exo 10:26 En ons vee zal ook met ons gaan, er zal niet ťťn hoef achterblijven; want daarvan zullen wij nemen, om de HEERE, onze God, te dienen; want wij weten niet, waarmee wij de HEERE, onze God, dienen zullen, totdat wij daar komen.
Exo 10:27 Doch de HEERE verhardde Farao's hart; en hij wilde hen niet laten trekken.
Exo 10:28 Maar Farao zei tot hem: Ga weg van mij! wacht u, dat gij niet meer mijn aangezicht ziet; want op de dag dat gij mijn aangezicht zult zien, zult gij sterven!
Exo 10:29 Mozes nu zei: Gij hebt recht gesproken; ik zal uw aangezicht niet meer zien!

Hoofdstuk 11
Exo 11:1 En de HEERE sprak tot Mozes: Ik zal nog ťťn plaag over Farao, en over Egypte brengen, daarna zal hij ulieden van hier laten trekken; als hij u laat gaan. zal hij u allen haastig van hier uitdrijven.
Exo 11:2 Spreek nu voor de oren van het volk, dat iedere man van zijn naaste, en iedere vrouw van haar naaste zilveren voorwerpen en gouden voorwerpen vraagt.
Exo 11:3 En de HEERE gaf het volk genade in de ogen van de Egyptenaren; ook was de man Mozes zeer groot in Egypteland voor de ogen van Farao's knechten, en voor de ogen van het volk.

Exo 11:4 Verder zei Mozes: Zo heeft de HEERE gezegd: Omstreeks middernacht zal Ik uitgaan door het midden van Egypte;
Exo 11:5 En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die bij de (hand)molen is, en alle eerstgeborenen van het vee.
Exo 11:6 En er zal een groot geween zijn in het ganse Egypteland, zoals nooit geweest is, en zoals niet meer zijn zal.
Exo 11:7 Maar tegen alle kinderen Israels zal niet ťťn hond zijn tong verroeren, van de mensen af tot de beesten toe; opdat gij weet, dat de HEERE tussen de Egyptenaren en de Israelieten een scheiding maakt.
Exo 11:8 Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, gij en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in brandende toorn.
Exo 11:9 De HEERE dan had tot Mozes gesproken: Farao zal naar ulieden niet horen, opdat Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigd worden.
Exo 11:10 En Mozes en Ašron hebben al deze wonderen gedaan voor Farao's aangezicht; doch de HEERE verhardde Farao's hart, dat hij de kinderen Israels uit zijn land niet trekken liet.

Hoofdstuk 12
Exo 12:1 De HEERE nu had tot Mozes en tot Ašron in Egypteland gesproken, zeggende:
Exo 12:2 Deze zelfde maand zal ulieden het begin van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn.
Exo 12:3 Spreekt tot de ganse vergadering van Israel, zeggende: Op de tiende van deze maand neme een ieder een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis.
Exo 12:4 Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn buur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een ieder naardat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam.
Exo 12:5 Gij zult een volkomen lam hebben, mannelijk en een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen.
Exo 12:6 En gij zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israel zal het slachten tussen twee avonden.  *)
Exo 12:7 En zij zullen van het bloed nemen, en het strijken aan de beide zijposten, en aan de bovendorpel, aan de huizen, waarin zij het eten zullen.
Exo 12:8 En zij zullen het vlees eten in dezelfde nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten.
Exo 12:9 Gij zult daarvan niet rauw eten, ook geenszins in water gekookt; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn poten en zijn ingewanden.
Exo 12:10 Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot de morgen; maar wat daarvan overblijft tot de morgen, zult gij met vuur verbranden.
Exo 12:11 Aldus nu zult gij het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; het is des HEEREN pascha.   *)
Exo 12:12 Want Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot het vee toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden van de Egyptenaren, Ik, de HEERE!
Exo 12:13 En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan; en er zal geen plaag onder ulieden zijn, die u zal verderven, wanneer Ik Egypteland slaan zal.
Exo 12:14 En deze dag zal ulieden zijn ter gedachtenis, en gij zult hem de HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren in uw geslachten tot een eeuwige inzetting.
Exo 12:15 Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; en aan de eerste dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevende dag, die ziel zal uitgeroeid worden uit Israel.
Exo 12:16 En op de eerste dag zal er een heilige bijeenkomst zijn; ook zult gij een heilige bijeenkomst hebben op de zevende dag; er zal daarop geen werk gedaan worden; maar wat door iedere ziel gegeten zal worden, dat alleen mag door ulieden toebereid worden.
Exo 12:17 Zo onderhoudt dan het feest van de ongezuurde broden, omdat Ik juist op deze dag uw legerscharen uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij deze dag houden, in uw geslachten, tot een eeuwige inzetting.
Exo 12:18 In de eerste maand, op de veertiende dag der maand, in de avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot de ťťnentwintigste dag der maand, in de avond.
Exo 12:19 Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, die ziel zal uit de vergadering van Israel uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene van het land.
Exo 12:20 Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten.

Exo 12:21 Mozes dan riep al de oudsten van Israel, en zei tot hen: Zoekt uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha.
Exo 12:22 Neemt dan een bundeltje hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal zijn opgevangen; en strijkt aan de bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, dat in het bekken zijn zal; en u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan de morgen.
Exo 12:23 Want de HEERE zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer Hij het bloed zien zal aan de bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal de HEERE de deur voorbijgaan, en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan.
Exo 12:24 Onderhoudt dan deze zaak, tot een inzetting voor u en voor uw kinderen, tot in eeuwigheid.
Exo 12:25 En het zal geschieden, als gij in dat land komt, dat u de HEERE geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, zo zult gij deze dienst onderhouden.
Exo 12:26 En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt u daar voor een dienst?
Exo 12:27 Zo zult u zeggen: Dit is de HEERE een paasoffer, Die voor de huizen van de kinderen Israels voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaren sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich.
Exo 12:28 En de kinderen Israels gingen en deden het, gelijk als de HEERE Mozes en Ašron geboden had, alzo deden zij.

Exo 12:29 En het geschiedde te middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot aan de eerstgeborene van de gevangene, die in de gevangenis was, en alle eerstgeborenen van het vee.
Exo 12:30 En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaren; en er was een groot geween in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was.
Exo 12:31 Toen riep hij Mozes en Ašron in de nacht, en zei: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gij als de kinderen van Israel; en gaat heen, dient de HEERE, gelijk gij gesproken hebt.
Exo 12:32 Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gijlieden gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook.
Exo 12:33 En de Egyptenaren hielden sterk aan bij het volk, om die met haast uit het land weg te zenden; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!
Exo 12:34 En het volk nam zijn deeg op, eer het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun klederen, op hun schouders.
Exo 12:35 De kinderen Israels nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren gevraagd zilveren en gouden voorwerpen, en klederen.
Exo 12:36 Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zo namen zij het van de Egyptenaren als een buit.

Exo 12:37 Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, zonder de kinderen.
Exo 12:38 En een menigte van allerlei slag, trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee.
Exo 12:39 En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte meegebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; omdat zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij geen tijd meer hadden om teerkost voor zich te bereiden.
Exo 12:40 De tijd nu van het verblijf, dat de kinderen Israels in het land Egypte en in het land Kanašn gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren.
Exo 12:41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het juist op dezelfde dag geschied, dat al de legerscharen des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.
Exo 12:42 Deze nacht is een nachtwake voor de HEERE, omdat Hij hen uit Egypteland geleid heeft; deze nacht is een nachtwake voor de HEERE, die gehouden moet worden, door al de kinderen Israels, en hun nakomelingen.

Exo 12:43 Voorts zei de HEERE tot Mozes en Ašron: Dit is de inzetting van het pascha: geen vreemdeling zal daarvan eten.
Exo 12:44 Doch ieders knecht, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten.
Exo 12:45 Geen vreemdeling noch huurling zal er van eten.
Exo 12:46 In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en gij zult geen been daaraan breken.
Exo 12:47 De ganse vergadering van Israel zal het doen.
Exo 12:48 Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en de HEERE het pascha houden zal, dat dan alles, wat mannelijk is, bij hem besneden wordt, en dat hij alsdan daartoe komt, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene van het land; maar geen onbesnedene zal daarvan eten.
Exo 12:49 Enerlei wet zij voor de ingeborene, en de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert.
Exo 12:50 En alle kinderen Israels deden het; zoals de HEERE Mozes en Ašron geboden had, alzo deden zij.
Exo 12:51 En het geschiedde juist op diezelfde dag, dat de HEERE de kinderen Israels uit Egypteland leidde, naar hun legerscharen.

Hoofdstuk 13
Exo 13:1 Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Exo 13:2 Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige moederschoot opent onder de kinderen Israels, van mensen en van het vee, dat is Mijn.
Exo 13:3 Verder zei Mozes tot het volk: Gedenkt aan deze zelfde dag, waarop gijlieden uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want de HEERE heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden.
Exo 13:4 Heden gaat gijlieden uit, in de maand Abib.
Exo 13:5 En het zal geschieden, als u de HEERE zal gebracht hebben in het land van de Kanašnieten, en Hethieten, en Amorieten, en Hevieten, en Jebusieten, dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land vloeiende van melk en honing; zo zult gij deze dienst houden in deze maand.
Exo 13:6 Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, en op de zevende dag zal de HEERE een feest zijn.
Exo 13:7 Zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden, en het gedesemde zal bij u niet gezien worden, ja, er zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in al uw grenzen.
Exo 13:8 En gij zult uw zoon te kennen geven op diezelfde dag, zeggende: Dit is om hetgeen de HEERE mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte uittrok.
Exo 13:9 En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet des HEEREN in uw mond zij, omdat u de HEERE door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft.
Exo 13:10 Daarom onderhoudt deze inzetting op zijn tijd, van jaar tot jaar.

Exo 13:11 Het zal ook geschieden, wanneer u de HEERE in het land van de Kanašnieten zal gebracht hebben, gelijk Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en Hij het u zal gegeven hebben;
Exo 13:12 Zo zult gij tot de HEERE doen overgaan alles, wat de moederschoot opent; ook alles, dat de moederschoot opent van de dieren, die gij hebben zult; van het mannelijk geslacht, zullen des HEEREN zijn.
Exo 13:13 Doch al wat de moederschoot van de ezelin opent, zult gij lossen met een lam; wanneer gij het nu niet lost, zo zult gij het de nek breken; maar alle eerstgeborenen van uw zonen zult gij lossen.
Exo 13:14 Wanneer het geschieden zal, dat uw zoon u in de toekomst zal vragen, zeggende: Wat is dat, zo zult gij tot hem zeggen: De HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd.
Exo 13:15 Want het geschiedde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypteland, van de eerstgeborene van de mensen af, tot de eerstgeborene van de dieren; daarom offer ik de HEERE de mannetjes van alles, wat de moederschoot opent; doch alle eerstgeborenen van mijn zonen los ik.
Exo 13:16 En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdspansels tussen uw ogen; want de HEERE heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd.

Exo 13:17 En het is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op de weg van het land der Filistijnen, hoewel die dichterbij was; want God zei: Dat het het volk niet zal spijten, als zij de strijd zien zouden, en weerkeren naar Egypte.
Exo 13:18 Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israels nu trokken bij vijven uit Egypteland.
Exo 13:19 En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een plechtige eed de kinderen Israels bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier!
Exo 13:20 Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde van de woestijn.
Exo 13:21 En de HEERE trok voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
Exo 13:22 Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht van het volk.

Hoofdstuk 14
Exo 14:1 Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Exo 14:2 Spreek tot de kinderen Israels, dat zij terugkeren, en zich legeren voor Pi-hachiroth, tussen Migdol en de zee, voor Bašl-zefon; daar tegenover zult gij u legeren aan de zee.
Exo 14:3 Farao dan zal zeggen van de kinderen Israels: Zij zijn verstrikt in het land; die woestijn heeft hen opgesloten.
Exo 14:4 En Ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najaagt; en Ik zal aan Farao en aan heel zijn legermacht verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de HEERE ben. En zij deden alzo.
Exo 14:5 Toen nu de koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is de gezindheid van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israel hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden?
Exo 14:6 En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich.
Exo 14:7 En hij nam zeshonderd uitgelezen wagens, ja, al de wagens van Egypte, en de hoofdmannen over die allen.
Exo 14:8 Want de HEERE verstokte het hart van Farao, de koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels najoeg; doch de kinderen Israels waren door een hoge hand uitgegaan.
Exo 14:9 En de Egyptenaren joegen hen na, en achterhaalden hen, waar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn legermacht; nevens Pi-hachiroth, voor Bašl-zefon.

Exo 14:10 Toen Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israels hun ogen op, en ziet, de Egyptenaren trokken achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israels tot de HEERE.
Exo 14:11 En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte heel geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgeleid hebt?
Exo 14:12 Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het was ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.
Exo 14:13 Doch Mozes zei tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaren, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weerzien in eeuwigheid.
Exo 14:14 De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.

Exo 14:15 Toen zei de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg de kinderen Israels, dat zij voorwaarts gaan.
Exo 14:16 En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee en klief deze, zodat de kinderen Israels door het midden van de zee gaan op het droge.
Exo 14:17 En Ik, zie, Ik zal het hart van de Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn legermacht, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.
Exo 14:18 En de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.
Exo 14:19 En de Engel Gods, Die voor de legerschare van Israel uitging, vertrok en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.
Exo 14:20 En zij kwam tussen het leger van de Egyptenaren en de legerschare van Israel; en de wolk was tegelijk duisternis en verlichtte de nacht; zodat de ťťn tot de ander niet naderde de hele nacht.

Exo 14:21 Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zee weggaan, door een sterke oostenwind, die hele nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
Exo 14:22 En de kinderen Israels zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.
Exo 14:23 En de Egyptenaren vervolgden hen, en gingen in achter hen, al de paarden van Farao, zijn wagens en zijn ruiters, in het midden van de zee.
Exo 14:24 En het geschiedde bij het aanbreken van de morgen, dat de HEERE, in de kolom van het vuur en de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger der Egyptenaren.
Exo 14:25 En Hij liet de wielen van hun wagens ontsporen, en deed ze moeizaam voortgaan. Toen zeiden de Egyptenaren: Laat ons vluchten van het aangezicht van Israel, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaren.
Exo 14:26 En de HEERE zei tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren terugkeren over de Egyptenaren, over hun wagens en over hun ruiters.
Exo 14:27 Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee hernam, tegen het aanbreken van de morgenstond, haar gewone plaats en de Egyptenaren vluchtten die tegemoet; en de HEERE stortte de Egyptenaren in het midden van de zee.
Exo 14:28 Want toen de wateren terugkeerden, zo bedekten zij de wagens en de ruiters van het hele leger van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet ťťn van hen over.
Exo 14:29 Maar de kinderen Israels gingen op het droge, in het midden van de zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.
Exo 14:30 Alzo verloste de HEERE Israel aan die dag uit de hand der Egyptenaren; en Israel zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee.
Exo 14:31 Ook zag Israel de grote hand, die de HEERE aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde de HEERE, en geloofde in de HEERE, en aan Mozes, Zijn knecht.

Hoofdstuk 15
Exo 15:1 Toen zongen Mozes en de kinderen Israels de HEERE dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal de HEERE zingen; want Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.
Exo 15:2 De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot Heil geworden; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een lieflijke woning maken; Hij is de God van mijn vader, daarom zal ik Hem verheffen!
Exo 15:3 De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam!
Exo 15:4 Hij heeft Farao's wagens en zijn leger in de zee geworpen; en de keur van zijn hoofdmannen zijn verdronken in de Schelfzee.
Exo 15:5 De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.
Exo 15:6 O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o HEERE! heeft de vijand verbroken!
Exo 15:7 En door Uw uitnemende heerlijkheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omver geworpen; Gij hebt Uw brandende toorn gezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel.
Exo 15:8 En door het blazen van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn verstijfd geworden in het hart der zee.
Exo 15:9 De vijand zei: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal de buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.
Exo 15:10 Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen bedekt, zij zonken neer als lood in geweldige wateren!
Exo 15:11 O HEERE! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, ontzagwekkend in lofzangen, wonderen doende?
Exo 15:12 Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!
Exo 15:13 Gij leidde door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen door Uw kracht tot de lieflijke woning van Uw heiligheid.
Exo 15:14 De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; angst heeft de inwoners van Palestina bevangen.
Exo 15:15 De vorsten van Edom zullen verbaasd zijn; beving zal de machtigen van de Moabieten bevangen; al de inwoners van Kanašn zullen versmelten!
Exo 15:16 Schrik en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, HEERE! voorbij zal gaan; totdat dit volk voorbij zal gaan, dat Gij gekocht hebt.
Exo 15:17 Die zult Gij inbrengen, en planten op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, welke Gij, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o HEERE!
Exo 15:18 De HEERE zal in eeuwigheid en gedurig regeren!
Exo 15:19 Want Farao's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen weerkeren; maar de kinderen Israels zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.
Exo 15:20 En Mirjam, de profetes, Ašrons zuster, nam een tamboerijn in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met tamboerijnen en met reien.
Exo 15:21 Toen antwoordde Mirjam henlieden: Zingt de HEERE; want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!

Exo 15:22 Hierna deed Mozes de Israelieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.
Exo 15:23 Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd de naam van die plaats Mara genoemd .
Exo 15:24 Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?
Exo 15:25 Hij dan riep tot de HEERE; en de HEERE wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar beproefde Hij het,
Exo 15:26 Zeggende: Is het, dat gij met ernst naar de stem van de HEERE, uw God, horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de ziekten op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!
Exo 15:27 Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.

Hoofdstuk 16
Exo 16:1 Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de ganse vergadering van de kinderen Israels in de woestijn Sin, die is tussen Elim en tussen SinaÔ, aan de vijftiende dag van de tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.
Exo 16:2 En de ganse vergadering van de kinderen Israels murmureerde tegen Mozes en tegen Ašron, in de woestijn.
Exo 16:3 En de kinderen Israels zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door de honger te doden.
Exo 16:4 Toen zei de HEERE tot Mozes: Zie, Ik zal voor ulieden brood uit de hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke dag een dagmaat; opdat Ik het beproeve, of het in Mijn wet wandelt, of niet.
Exo 16:5 En het zal geschieden op de zesde dag, dat zij bereiden zullen hetgeen zij ingebracht zullen hebben; dat zal twee keer zoveel zijn als zij dagelijks zullen verzamelen.
Exo 16:6 Toen zeiden Mozes en Ašron tot al de kinderen Israels: Aan de avond, dan zult gij weten, dat u de HEERE uit Egypteland uitgeleid heeft;
Exo 16:7 En morgen, dan zult gij des HEEREN heerlijkheid zien, omdat Hij uw murmureringen tegen de HEERE gehoord heeft; want wat zijn wij, dat gij tegen ons murmureert?
Exo 16:8 Voorts zei Mozes: Als de HEERE ulieden aan de avond vlees te eten zal geven, en aan de morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat de HEERE uw murmureringen gehoord heeft, die gij tegen Hem murmureert; want wat zijn wij? Uw murmureringen zijn niet tegen ons, maar tegen de HEERE.
Exo 16:9 Daarna zei Mozes tot Ašron: Zeg tot de ganse vergadering van de kinderen Israels: Nadert voor het aangezicht des HEEREN, want Hij heeft uw murmureringen gehoord.
Exo 16:10 En het geschiedde, toen Ašron tot de ganse vergadering van de kinderen Israels sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zo ziet, de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de wolk.
Exo 16:11 Ook heeft de HEERE tot Mozes gesproken, zeggende:
Exo 16:12 Ik heb de murmureringen van de kinderen Israels gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen de twee avonden zult gij vlees eten, en aan de morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE uw God ben.

Exo 16:13 En het geschiedde aan de avond, dat er kwakkels opkwamen, en de legerplaats bedekten; en aan de morgen lag de dauw rondom de legerplaats.
Exo 16:14 Als nu de laag dauw opgetrokken was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde.
Exo 16:15 Toen het de kinderen Israels zagen, zo zeiden zij, de ťťn tot de ander: Manna, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zei tot hen: Dit is het brood, dat de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.  *)
Exo 16:16 Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft: Verzamelt daarvan een ieder naar dat hij eten mag, een gomer voor een hoofd, naar het getal van uw zielen; ieder zal nemen voor degenen, die in zijn tent zijn.
Exo 16:17 En de kinderen Israels deden alzo, en verzamelden, de ťťn veel en de ander weinig.
Exo 16:18 Doch als zij het met de gomer maten, zo had hij, die veel verzameld had, niets over, en die, die weinig verzameld had, ontbrak niet; een ieder verzamelde zoveel, als hij nodig had.
Exo 16:19 En Mozes zei tot hen: Niemand late daarvan over tot de morgen.
Exo 16:20 Doch zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan over tot de morgen. Toen groeiden er wormen in, en het werd stinkend; daarom werd Mozes zeer toornig op hen.
Exo 16:21 Zij nu verzamelden het elke morgen, een ieder naardat hij eten mocht; want als de zon heet werd, zo smolt het.

Exo 16:22 En het geschiedde op de zesde dag, dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers in plaats van ťťn; en al de oversten van de vergadering kwamen en verkondigden het aan Mozes.
Exo 16:23 Hij dan zei tot hen: Dit is het, dat de HEERE gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat des HEEREN! wat gij zou bakken, bakt dat, en kookt, wat gij zou koken; en al wat over blijft, legt het voor u in bewaring tot de morgen.
Exo 16:24 En zij legden het weg tot de morgen, gelijk als Mozes geboden had; en het stonk niet, en er was geen worm in.
Exo 16:25 Toen zei Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat des HEEREN; gij zult het heden op het veld niet vinden.
Exo 16:26 Zes dagen zult gij het verzamelen; doch op de zevende dag is het sabbat, dan zal het er niet zijn.
Exo 16:27 En het geschiedde op de zevende dag, dat sommigen van het volk uitgingen, om te verzamelen; doch zij vonden niet.
Exo 16:28 Toen zei de HEERE tot Mozes: Hoe lang weigert gijlieden te houden Mijn geboden en Mijn wetten?
Exo 16:29 Ziet, omdat de HEERE ulieden de sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u op de zesde dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijn plaats! dat niemand uit zijn plaats ga op de zevende dag!
Exo 16:30 Alzo rustte het volk op de zevende dag.
Exo 16:31 En het huis Israels noemde het voedsel Manna; en het was als korianderzaad, wit, en de smaak daarvan was als honingkoeken.

Exo 16:32 Voorts zei Mozes: Dit is het woord, dat de HEERE bevolen heeft: Vul een gomer daarvan tot bewaring voor uw geslachten, opdat zij zien het brood, dat Ik ulieden heb te eten gegeven in deze woestijn, toen Ik u uit Egypteland uitleidde.
Exo 16:33 Ook zei Mozes tot Ašron: Neem een kruik, en doe een gomer vol Manna daarin; en zet die voor het aangezicht des HEEREN, tot bewaring voor uw geslachten.
Exo 16:34 Gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had, alzo zette Ašron het voor de getuigenis tot bewaring.
Exo 16:35 En de kinderen Israels aten Manna veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Manna, totdat zij kwamen aan de grens van het land Kanašn.
Exo 16:36 Een gomer nu is het tiende deel van een efa.

Hoofdstuk 17
Exo 17:1 Daarna trok de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
Exo 17:2 Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij de HEERE?
Exo 17:3 Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zei: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst zou doen sterven?
Exo 17:4 Zo riep Mozes tot de HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Het scheelt niet veel, of zij zullen mij stenigen.
Exo 17:5 Toen zei de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht van het volk, en neem met u enigen uit de oudsten van Israel; en neem uw staf in uw hand, waarmee gij de rivier sloeg, en ga heen.
Exo 17:6 Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rots in Horeb staan; en gij zult op de rots slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen van de oudsten van Israel.
Exo 17:7 En hij noemde de naam van die plaats Massa en Meriba, om de twist van de kinderen Israels, en omdat zij de HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?

Exo 17:8 Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Rafidim.
Exo 17:9 Mozes dan zei tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte van de heuvel staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.
Exo 17:10 Jozua nu deed, zoals Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Ašron en Hur klommen op de hoogte van de heuvel.
Exo 17:11 En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israel de sterkste; maar als hij zijn hand liet zakken, zo was Amalek de sterkste.
Exo 17:12 Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden die onder hem, dat hij daarop zat; en Ašron en Hur ondersteunden zijn handen, de ťťn aan deze, de ander aan de andere zijde; alzo waren zijn handen vast en zeker, totdat de zon onderging.
Exo 17:13 Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk overwon, door de scherpte van het zwaard.
Exo 17:14 Toen zei de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel.
Exo 17:15 En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde naam daarvan: De HEERE is mijn Banier!
Exo 17:16 En hij zei: Omdat de hand is opgeheven tegen de troon des HEEREN, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!

Hoofdstuk 18
Exo 18:1 Toen Jethro, priester van Midian, schoonvader van Mozes, hoorde al wat God aan Mozes, en aan Israel, Zijn volk, gedaan had: dat de HEERE Israel uit Egypte uitgeleid had;
Exo 18:2 Zo nam Jethro, Mozes' schoonvader, Zippora, Mozes' huisvrouw -nadat hij haar terug gezonden had-,
Exo 18:3 Met haar twee zonen, de naam van de ene was Gersom -want hij zei: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land-;
Exo 18:4 En de naam van de andere was EliŽzer, want, zei hij, de God van mijn vader is tot mijn Hulp geweest, en heeft mij verlost van Farao's zwaard.
Exo 18:5 Toen nu Jethro, Mozes' schoonvader, met zijn zonen en zijn huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn, aan de berg Gods, waar hij zich gelegerd had,
Exo 18:6 Zo zei hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro, kom tot u, met uw huisvrouw, en haar beide zonen met haar.

Exo 18:7 Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vroegen de een de ander naar de welstand, en zij gingen naar de tent.
Exo 18:8 En Mozes vertelde zijn schoonvader alles, wat de HEERE aan Farao en aan de Egyptenaren gedaan had, om Israels wil; al de moeite, die hun op die weg ontmoet was, en dat hen de HEERE verlost had.
Exo 18:9 Jethro nu verheugde zich over al het goede, dat de HEERE Israel gedaan had; dat Hij het verlost had uit de hand der Egyptenaren.
Exo 18:10 En Jethro zei: Gezegend zij de HEERE, Die ulieden verlost heeft uit de hand der Egyptenaren, en uit Farao's hand; Die dit volk van onder de hand der Egyptenaren verlost heeft!
Exo 18:11 Nu weet ik, dat de HEERE groter is dan alle goden; want in de zaak, waarin zij trots gehandeld hebben, toonde Hij Zich boven hen.
Exo 18:12 Toen offerde Jethro, de schoonvader van Mozes, een brandoffer en slachtoffers aan God; en Ašron kwam, en al de oversten van Israel, om brood te eten met de schoonvader van Mozes, voor het aangezicht van God.

Exo 18:13 Het geschiedde de volgende dag, zo zat Mozes om het volk te richten, en het volk stond voor Mozes, van de morgen tot de avond.
Exo 18:14 Toen de schoonvader van Mozes alles zag, wat hij het volk deed, zo zei hij: Wat is dit, dat gij het volk doet? Waarom zit gij zelf alleen, en al het volk staat voor u, van de morgen tot de avond?
Exo 18:15 Toen zei Mozes tot zijn schoonvader: Omdat dit volk tot mij komt, om God raad te vragen.
Exo 18:16 Wanneer zij een zaak hebben, zo komt het tot mij, dat ik richte tussen de man en zijn naaste; en dat ik hun bekend maak Gods instellingen en Zijn wetten.
Exo 18:17 Doch de schoonvader van Mozes zei tot hem: De zaak is niet goed, die gij doet.
Exo 18:18 Gij zult u geheel uitputten, zowel gij, als dit volk, dat bij u is; want deze zaak is te zwaar voor u, gij alleen kunt het niet doen.
Exo 18:19 Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn; wees gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God;
Exo 18:20 En verklaar hun de instellingen en de wetten, en maak hun bekend de weg, waarin zij wandelen zullen, en het werk, dat zij doen zullen.
Exo 18:21 Doch verkiest gij uit het volk kundige mannen, God vrezende, waarachtige mannen, de hebzucht hatende; stel ze over hen, oversten van duizend, oversten van honderd, oversten van vijftig, oversten van tien.
Exo 18:22 Dat zij dit volk steeds richten; maar, dat zij alle grote zaken aan u brengen, en zij alle kleine zaken richten; verlicht alzo uzelf, en laat hen met u dragen.
Exo 18:23 Indien gij deze zaak doet, en God het u gebiedt, zo zult gij kunnen bestaan; zo zal ook al dit volk in vrede aan zijn plaats komen.
Exo 18:24 Mozes nu hoorde naar de stem van zijn schoonvader, en hij deed alles, wat hij gezegd had.
Exo 18:25 En Mozes verkoos kloeke mannen, uit heel Israel, en maakte hen tot hoofden over het volk; oversten van duizend, oversten van honderd, oversten van vijftig, en oversten van tien;
Exo 18:26 Dat zij het volk te allen tijde richtten, de moeilijke zaak tot Mozes brachten, maar zij alle kleine zaak richtten.
Exo 18:27 Toen liet Mozes zijn schoonvader gaan; en deze ging naar zijn land.

Hoofdstuk 19
Exo 19:1 In de derde maand, na het uittrekken van de kinderen Israels uit Egypteland, op dezelfde dag kwamen zij in de woestijn SinaÔ.
Exo 19:2 Want zij trokken uit Rafidim, en kwamen in de woestijn SinaÔ, en zij legerden zich in de woestijn; Israel nu legerde zich aldaar tegenover die berg.
Exo 19:3 En Mozes klom op tot God. En de HEERE riep tot hem van de berg, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van Jakob spreken, en de kinderen Israels verkondigen:
Exo 19:4 Gijlieden hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op adelaarsvleugels gedragen, en u tot Mij gebracht heb.
Exo 19:5 Nu dan, indien gij naarstig Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn bijzondere eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;
Exo 19:6 En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult.   *)
Exo 19:7 En Mozes kwam en riep de oudsten van het volk, en stelde hen al deze woorden voor, die de HEERE hem geboden had.
Exo 19:8 Toen antwoordde al het volk gezamenlijk, en zei: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weder tot de HEERE.

Exo 19:9 En de HEERE zei tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwig aan u geloven. Want Mozes had de HEERE de woorden van het volk verkondigd.
Exo 19:10 Ook zei de HEERE tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun klederen wassen,
Exo 19:11 En bereid zijn tegen de derde dag; want op de derde dag zal de HEERE voor de ogen van al het volk afkomen, op de berg SinaÔ.
Exo 19:12 En maak het volk een grens rondom, zeggende: Wacht u op de berg te klimmen, en het uiteinde daarvan aan te raken; al wie de berg aanraakt, zal zeker gedood worden.
Exo 19:13 Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zeker gestenigd, of doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Eerst als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op de uiteinden van de berg klimmen.
Exo 19:14 Toen ging Mozes van de berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wasten hun klederen.
Exo 19:15 En hij zei tot het volk: Weest gereed tegen de derde dag, en nadert niet tot de vrouw.

Exo 19:16 En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderslagen en bliksemschichten waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk dat in het leger was, beefde van schrik.
Exo 19:17 En Mozes voerde het volk uit de legerplaats, God tegemoet; en zij stonden onderaan de berg.
Exo 19:18 En de hele berg SinaÔ rookte, omdat de HEERE daarop afdaalde in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de hele berg beefde zeer.
Exo 19:19 Toen het geluid van de bazuin gaande was, en zeer sterk werd, sprak Mozes; en God antwoordde hem met een stem.
Exo 19:20 Toen de HEERE neergekomen was op de berg SinaÔ, op de top van de berg, zo riep de HEERE Mozes op de top van de berg; en Mozes klom op.
Exo 19:21 En de HEERE zei tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot de HEERE, om te zien, en velen van hen omkomen.
Exo 19:22 Daartoe zullen ook de priesters, die tot de HEERE naderen, zich heiligen, dat de HEERE niet tegen hen uitbreke.
Exo 19:23 Toen zei Mozes tot de HEERE: Het volk zal op de berg SinaÔ niet kunnen klimmen, want Gij hebt ons betuigd, zeggende: Maak een grens om de berg, en heilig hem.
Exo 19:24 De HEERE dan zei tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult gij, en Ašron met u, opklimmen; doch dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot de HEERE, dat Hij tegen hen niet uitbreekt.
Exo 19:25 Toen klom Mozes af tot het volk, en zei het hun aan.

Hoofdstuk 20
Exo 20:1 Toen sprak God al deze woorden, zeggende:
Exo 20:2 Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
Exo 20:3 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Exo 20:4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.
Exo 20:5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een naijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde geslacht van hen, die Mij haten;
Exo 20:6 En doe barmhartigheid aan duizenden van hen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
Exo 20:7 Gij zult de naam van de HEERE uw God niet ijdel gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdel gebruikt.
Exo 20:8 Gedenkt de sabbatdag, dat gij die heiligt.
Exo 20:9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;
Exo 20:10 Maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;
Exo 20:11 Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.
Exo 20:12 Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
Exo 20:13 Gij zult niet doodslaan.
Exo 20:14 Gij zult niet echtbreken.
Exo 20:15 Gij zult niet stelen.
Exo 20:16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Exo 20:17 Gij zult niet begeren het huis van uw naaste; gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naaste is.

Exo 20:18 En al het volk zag de donderslagen en de bliksemschichten, en het geluid van de bazuin, en de rokende berg; toen het volk dat zag, weken zij terug, en stonden van verre;
Exo 20:19 En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!
Exo 20:20 En Mozes zei tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u beproeft, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, opdat gij niet zondigt.
Exo 20:21 En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de duisternis, alwaar God was.

Exo 20:22 Toen zei de HEERE tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van de hemel gesproken heb.
Exo 20:23 Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden of gouden goden; gij zult u die niet maken.
Exo 20:24 Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandoffers, en uw dankoffers, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaatsen, waar Ik gedachtenis aan Mijn Naam stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.
Exo 20:25 Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.
Exo 20:26 Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte daarop niet ontdekt worde.

Hoofdstuk 21
Exo 21:1 Dit nu zijn de rechten, die gij hun zult voorstellen.
Exo 21:2 Als gij een Hebreeuwse knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij vrij uitgaan, om niet.
Exo 21:3 Indien hij alleen ingekomen zal zijn, zo zal hij alleen uitgaan; indien hij een getrouwd man was, zo zal zijn vrouw met hem uitgaan.
Exo 21:4 Indien hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochters gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen van haar heer zijn, en hij zal alleen uitgaan.
Exo 21:5 Maar indien de knecht duidelijk zal zeggen: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan;
Exo 21:6 Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de deurpost brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem voor altijd dienen.
Exo 21:7 Wanneer nu iemand zijn dochter zal verkocht hebben tot een dienstmaagd, zo zal zij niet uitgaan, zoals de knechten uitgaan.
Exo 21:8 Indien zij kwalijk bevalt in de ogen van haar heer, dat hij haar niet ondertrouwd heeft, zo zal hij haar doen lossen; hij mag haar aan een vreemd volk niet verkopen, omdat hij trouweloos met haar gehandeld heeft.
Exo 21:9 Maar indien hij haar aan zijn zoon ondertrouwt, zo zal hij met haar doen naar het recht der dochters.
Exo 21:10 Indien hij voor zich een andere neemt, zo zal hij aan deze haar spijs, haar kleding, en haar huwelijksplicht niet onttrekken.
Exo 21:11 En indien hij haar deze drie dingen niet doet, zo zal zij om niet uitgaan, zonder geld.

Exo 21:12 Wie iemand slaat, zodat hij sterft, die zal zeker gedood worden.
Exo 21:13 Doch die hem niet met opzet sloeg, maar God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, zo zal Ik u een plaats bestellen, waar hij heen kan vluchten.
Exo 21:14 Maar indien iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult gij hem van voor Mijn altaar wegnemen, dat hij sterft.
Exo 21:15 Zo wie zijn vader of zijn moeder slaat, die zal zeker gedood worden.
Exo 21:16 Verder, zo wie een mens ontvoert, hetzij dat hij die verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zeker gedood worden.
Exo 21:17 Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zeker gedood worden.
Exo 21:18 En wanneer mannen twisten, en de een slaat de ander met een steen, of met een vuist, en hij sterft niet, maar raakt te bed;
Exo 21:19 Indien hij weer opstaat, en op straat gaat met zijn stok, zo zal hij, die hem sloeg, onschuldig zijn; alleen zal hij het gebrek aan inkomsten vergoeden, en hij zal hem volkomen laten herstellen.
Exo 21:20 Wanneer ook iemand zijn dienstknecht of zijn dienstmaagd met een stok slaat, dat hij onder zijn hand sterft, die zal zeker gewroken worden.
Exo 21:21 Zo hij nochtans een dag of twee dagen overeind blijft, zo zal hij niet gewroken worden; want hij is zijn geld.

Exo 21:22 Wanneer nu mannen ruziŽn, en een zwangere vrouw slaan, dat haar de vrucht afgaat, doch geen dodelijke verwonding is toegebracht, zo zal hij zeker gestraft worden, gelijk als hem de man van die vrouw oplegt, en hij zal het geven door de rechters.
Exo 21:23 Maar indien er een dodelijke verwonding is toegebracht, zo zult gij geven ziel voor ziel.
Exo 21:24 Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.
Exo 21:25 Brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil.
Exo 21:26 Wanneer ook iemand het oog van zijn dienstknecht, of het oog van zijn dienstmaagd onherstelbaar slaat, hij zal hem vrijlaten voor zijn oog.
Exo 21:27 En indien hij een tand van zijn dienstknecht, of een tand van zijn dienstmaagd uitslaat, zo zal hij hem vrijlaten voor zijn tand.
Exo 21:28 En wanneer een os een man of een vrouw stoot, dat hij sterft, zal de os zeker gestenigd worden, en zijn vlees zal niet gegeten worden; maar de heer van de os zal onschuldig zijn.
Exo 21:29 Maar indien de os tevoren stotig geweest is, en zijn heer is daarvan overtuigd geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt een man of een vrouw, zo zal die os gestenigd worden, en zijn heer zal ook gedood worden.
Exo 21:30 Indien hem losgeld opgelegd wordt, zo zal hij tot lossing van zijn ziel geven naar alles, wat hem zal opgelegd worden;
Exo 21:31 Hetzij dat hij een zoon gestoten heeft, of een dochter gestoten heeft, naar dat recht zal hem gedaan worden.
Exo 21:32 Indien de os een knecht of een dienstmaagd stoot, hij zal hun heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gestenigd worden.
Exo 21:33 En wanneer iemand een kuil opent, of wanneer iemand een kuil graaft, en hij dekt hem niet toe, en een os of ezel valt daarin;
Exo 21:34 De heer van die kuil zal het vergelden; hij zal aan de heer van dat dier het geld betalen; doch dat dode dier zal van hem zijn.
Exo 21:35 Wanneer nu iemands os de os van zijn naaste kwetst, dat hij sterft, zo zal men de levende os verkopen, en het geld daarvan gelijkelijk verdelen, en de dode os zal men ook gelijkelijk verdelen.
Exo 21:36 Of als het bekend is geweest, dat die os van tevoren stotig was, en zijn heer heeft hem niet bewaard, zo zal hij os voor os vergelden; doch de dode os zal van hem zijn.

Hoofdstuk 22
Exo 22:1 Wanneer iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os teruggeven, en vier schapen voor een stuk klein vee.
Exo 22:2 Indien een dief gevonden wordt bij het inbreken, en hij wordt geslagen, dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn.
Exo 22:3 Indien de zon over hem opgegaan is, zo zal het hem een bloedschuld zijn; hij zal het volkomen teruggeven; heeft hij niet, zo zal hij verkocht worden voor zijn diefstal.
Exo 22:4 Indien de diefstal nog levend in zijn hand gevonden wordt, hetzij os, of ezel, of klein vee, hij zal het dubbel vergoeden.
Exo 22:5 Wanneer iemand een veld, of een wijngaard laat afweiden, en hij zijn dier daarin drijft, dat het in het veld van een ander weidt, die zal het met het beste van zijn veld en van het beste van zijn wijngaard vergoeden.
Exo 22:6 Wanneer een vuur ontstaat, en de doornen aansteekt, zodat de korenhoop verteerd wordt, of het staande koren, of het veld; hij, die de brand heeft aangestoken, zal het volkomen vergoeden.

Exo 22:7 Wanneer iemand zijn naaste geld of vaten te bewaren geeft, en het wordt uit het huis van die man gestolen; indien de dief gevonden wordt, hij zal het dubbel vergoeden.
Exo 22:8 Indien de dief niet gevonden wordt, zo zal de heer van het huis tot de goden gebracht worden, of hij niet zijn hand uitgestrekt heeft naar het goed van zijn naaste.
Exo 22:9 Over alle zaak van onrecht, over een os, over een ezel, over klein vee, over kleding, over al het verlorene, waarvan iemand zegt, dat het het zijne is, beider zaak zal voor de goden komen; die de goden aanwijzen, die zal het aan zijn naaste dubbel vergoeden.
Exo 22:10 Wanneer iemand aan zijn naaste een ezel, of os, of klein vee, of enig dier in bewaring geeft, en het sterft, of het wordt verwond, of weggedreven, dat het niemand ziet;
Exo 22:11 Zo zal des HEEREN eed tussen hen beiden zijn: zo hij niet zijn hand naar de have van zijn naaste uitgestrekt heeft, zal de eigenaar die uitspraak aannemen; en de ander zal het niet vergoeden.
Exo 22:12 Maar indien het van hem duidelijk gestolen is, hij zal het zijn eigenaar vergoeden.
Exo 22:13 Is het kennelijk verscheurd, dat hij het brenge tot getuige, en hij zal het verscheurde niet vergoeden.
Exo 22:14 En wanneer iemand van zijn naaste wat begeert, en het wordt beschadigd, of het sterft; en de eigenaar is daar niet bij, hij zal het volkomen vergoeden.
Exo 22:15 Indien de eigenaar daarbij geweest is, hij zal het niet vergoeden; indien het gehuurd is, zo is het voor de huur gekomen.

Exo 22:16 Wanneer nu iemand een maagd verleidt, die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel een bruidschat geven, dat zij hem tot vrouw zij.
Exo 22:17 Indien haar vader absoluut weigert haar aan hem te geven, zo zal hij geld geven volgens de regels van de bruidschat der maagden.
Exo 22:18 De tovenares zult gij niet laten leven.
Exo 22:19 Al wie bij een beest ligt, die zal zeker gedood worden.
Exo 22:20 Wie de goden offert, behalve de HEERE alleen, die zal verbannen worden.   *)
Exo 22:21 Gij zult ook de vreemdeling geen overlast aandoen, noch hem onderdrukken; want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.
Exo 22:22 Gij zult geen weduwe noch wees kwaad doen.
Exo 22:23 Indien gij hen enigszins kwaad doet, en indien zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zeker verhoren;
Exo 22:24 En Mijn toorn zal ontbranden, en Ik zal ulieden met het zwaard doden; en uw vrouwen zullen weduwen, en uw kinderen zullen wezen worden.

Exo 22:25 Indien gij Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult gij voor hen niet zijn als een woekeraar; gij zult op hen geen woeker leggen.
Exo 22:26 Indien gij enigszins het kleed van uw naaste als pand neemt, zo zult gij het hem wedergeven, eer de zon ondergaat;
Exo 22:27 Want dat alleen is zijn bedekking, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij slapen? Het zal dan geschieden, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig!
Exo 22:28 De goden zult gij niet vloeken, te weten de oversten van uw volk zult gij niet lasteren.
Exo 22:29 De eerstelingen van uw oogst en de sappen van uw wijnoogst zult gij niet uitstellen te offeren; de eerstgeborene van uw zonen zult gij Mij geven.
Exo 22:30 Desgelijks zult gij doen met uw ossen en met uw schapen; zeven dagen zullen zij bij hun moeder zijn, op de achtste dag zult gij ze Mij geven.
Exo 22:31 Gij nu zult Mij heilige mensen zijn; daarom zult gij geen vlees eten, dat op het veld gescheurd is, gij zult het de honden voorwerpen.

Hoofdstuk 23
Exo 23:1 Gij zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij de goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn.
Exo 23:2 Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.
Exo 23:3 Ook zult gij de arme niet voortrekken in zijn zaak.
Exo 23:4 Wanneer gij de os van uw vijand, of zijn dwalende ezel, ontmoet, gij zult hem deze zeker wederbrengen.
Exo 23:5 Wanneer gij de ezel van uw hater onder zijn last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn, om uw bezigheid na te laten voor hem? Gij zult het zeker nalaten voor hem.
Exo 23:6 Gij zult het recht van de arme onder u niet buigen in zijn zaak.
Exo 23:7 Zijt verre van valse zaken; en de onschuldige en rechtvaardige zult gij niet doden; want Ik zal de goddeloze niet rechtvaardigen.
Exo 23:8 Ook zult gij geen geschenk aannemen; want het geschenk verblindt de ziende, en het verdraait de zaak van de rechtvaardigen.
Exo 23:9 Gij zult ook de vreemdeling niet onderdrukken; want gij kent het gemoed van de vreemdeling, omdat gij vreemdelingen geweest zijt in Egypteland.

Exo 23:10 En zes jaar zult gij uw land bezaaien, en de inkomsten daarvan verzamelen;
Exo 23:11 Maar in het zevende zult gij het laten rusten en stil laten liggen, dat de armen van uw volk mogen eten, en het overige daarvan de dieren van het veld mogen eten; alzo zult gij ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen.
Exo 23:12 Zes dagen zult gij uw werken doen; maar op de zevende dag zult gij rusten; opdat uw os en uw ezel rusten, en de zoon van uw dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppen.
Exo 23:13 Op alles, wat Ik tot ulieden gezegd heb, zult gij acht nemen; en de naam van andere goden zult gij niet gedenken; uit uw mond zal hij niet gehoord worden!
Exo 23:14 Drie maal in het jaar zult gij Mij een feest houden.
Exo 23:15 Het feest van de ongezuurde broden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten -gelijk Ik u geboden heb-, op de bestemde tijd in de maand Abib, want toen zijt gij uit Egypte getrokken; doch men zal niet ledig voor Mijn aangezicht verschijnen.
Exo 23:16 En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die gij op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, tegen het einde van het jaar, wanneer gij uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben.
Exo 23:17 Drie maal per jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heere HEERE verschijnen.
Exo 23:18 Gij zult het bloed van Mijn offer niet met gedesemde broden offeren; ook zal het vet van Mijn feest niet tot de morgen overblijven.
Exo 23:19 De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult gij in het huis van de HEERE uw God brengen. Gij zult het bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

Exo 23:20 Ziet, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb.
Exo 23:21 Hoedt u voor Zijn aangezicht, en weest Zijn stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal uw overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.
Exo 23:22 Maar zo gij Zijn stem naarstig gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik de vijand van uw vijanden en de tegenstander van uw tegenstanders zijn.
Exo 23:23 Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u brengen tot het land van de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanašnieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.
Exo 23:24 Gij zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult gij naar hun werken niet doen; maar gij zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden geheel vermorzelen.
Exo 23:25 En gij zult de HEERE uw God dienen, zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de ziekten uit het midden van u weren.
Exo 23:26 Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal van uw dagen vervullen.
Exo 23:27 Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, waarheen gij komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u de nek toedraaien.
Exo 23:28 Ik zal ook horzels voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanašnieten en de Hethieten.
Exo 23:29 Ik zal hen niet in ťťn jaar voor uw aangezicht verdrijven, opdat het land niet woest worde, en het wild gedierte tegen u niet vermenigvuldigd worde.
Exo 23:30 Ik zal hen gaandeweg voor uw aangezicht verdrijven, totdat gij genoeg vermeerderd zijt en het land beŽrft.
Exo 23:31 En Ik zal uw grenzen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier de Euffraat; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat gij hen voor uw aangezicht verdrijft.
Exo 23:32 Gij zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken.
Exo 23:33 Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; indien gij hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn.

Hoofdstuk 24
Exo 24:1 Daarna zei Hij tot Mozes: Klim op tot de HEERE, gij en Ašron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israel; en buigt u neer van verre!
Exo 24:2 En dat Mozes alleen nadere tot de HEERE, maar dat zij niet naderen; en dat het volk ook niet met hem opklimt.
Exo 24:3 Toen Mozes kwam en aan het volk verhaalde al de woorden des HEEREN, en al de rechten, toen antwoordde al het volk eendrachtig, en zij zeiden: Al deze woorden, die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.
Exo 24:4 Mozes nu schreef al de woorden des HEEREN op, en hij maakte zich des morgens vroeg op, en hij bouwde een altaar onder aan de berg, en twaalf pilaren, naar de twaalf stammen van Israel.
Exo 24:5 En hij zond jongemannen van de kinderen Israels, die brandoffers offerden, en de HEERE jonge ossen als dankoffers offerden.
Exo 24:6 En Mozes nam de helft van het bloed, en deed het in bekkens; en de helft van het bloed sprengde hij op het altaar.
Exo 24:7 En hij nam het boek van het verbond, en hij las het voor de oren van het volk; en zij zeiden: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen.
Exo 24:8 Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zei: Ziet, dit is het bloed van het verbond, dat de HEERE met ulieden gemaakt heeft volgens al die woorden.

Exo 24:9 En Mozes en Ašron klommen op, ook Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israel.
Exo 24:10 En zij zagen de God van Israel, en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestalte van de hemel in Zijn klaarheid.
Exo 24:11 Doch Hij strekte Zijn hand niet uit tot de afgezonderden van de kinderen Israels; maar zij aten en dronken, nadat zij God gezien hadden.

Exo 24:12 Toen zei de HEERE tot Mozes: Kom tot Mij op de berg, en wees aldaar; en Ik zal u stenen tafels geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen.
Exo 24:13 Toen maakte zich Mozes op, met Jozua, zijn dienaar; en Mozes klom op de berg Gods.
Exo 24:14 En hij zei tot de oudsten: Wacht gij hier op ons, totdat wij weer tot u komen; en ziet, Ašron en Hur zijn bij u; wie enige zaken heeft, zal tot hen komen.
Exo 24:15 Toen Mozes op de berg geklommen was, zo heeft een wolk de berg bedekt.
Exo 24:16 En de heerlijkheid des HEEREN kwam wonen op de berg SinaÔ, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op de zevende dag riep Hij Mozes uit het midden van de wolk.
Exo 24:17 En het aanzien van de heerlijkheid des HEEREN was als een verterend vuur, op de top van die berg, in de ogen van de kinderen Israels.
Exo 24:18 En Mozes ging in het midden van de wolk, nadat hij op de berg geklommen was; en Mozes was op die berg veertig dagen en veertig nachten.

Hoofdstuk 25
Exo 25:1 Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Exo 25:2 Spreek tot de kinderen Israels, dat zij Mij een hefoffer brengen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult gij Mijn hefoffer nemen.
Exo 25:3 Dit nu is het hefoffer, dat gij van hen nemen zult: goud, en zilver, en koper;
Exo 25:4 Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken en fijn linnen, en geitenhaar.
Exo 25:5 En rood geverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout;
Exo 25:6 Olie voor de kandelaar, specerijen voor de zalfolie, en welriekende specerijen tot zoete reuk;
Exo 25:7 Sardonixstenen, en stenen tot zetting op de efod, en de borstlap.
Exo 25:8 En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.
Exo 25:9 Naar al wat Ik u tot een voorbeeld van deze tabernakel, en een voorbeeld van al haar gereedschap wijzen zal, even alzo zult gijlieden dat maken.

Exo 25:10 Zij zullen een ark van sittimhout maken; twee el en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.
Exo 25:11 En gij zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult gij ze overtrekken; en gij zult daarop een gouden krans maken rondom.
Exo 25:12 En giet voor haar vier gouden ringen, en zet die aan haar vier hoeken, alzo dat twee ringen op de ene zijde daarvan zijn, en twee ringen op haar andere zijde.
Exo 25:13 En maak handbomen van sittimhout, en overtrek ze met goud.
Exo 25:14 En steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde van de ark zijn, dat men de ark daarmee draagt.
Exo 25:15 De draagbomen zullen in de ringen van de ark zijn; zij zullen er niet uitgenomen worden.
Exo 25:16 Daarna zult gij in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal.
Exo 25:17 Gij zult ook een verzoendeksel maken van louter goud; twee el en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte.
Exo 25:18 Gij zult ook twee cherubim van goud maken; van gedreven goud zult gij ze maken, uit de beide einden van het verzoendeksel.
Exo 25:19 En maak u een cherub uit het ene einde, en de andere cherub uit het andere einde; uit het verzoendeksel zult gijlieden de cherubim maken, uit de beide einden daarvan.
Exo 25:20 En de cherubim zullen hun beide vleugels omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugels het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkaar zijn; de aangezichten van de cherubim zullen ook naar het verzoendeksel zijn.
Exo 25:21 En gij zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat gij in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben.
Exo 25:22 En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark der getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen Israels.

Exo 25:23 Gij zult ook een tafel maken van sittimhout; twee el zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn.
Exo 25:24 En gij zult ze met louter goud overtrekken; gij zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom.
Exo 25:25 Gij zult ook een lijst rondom daaraan maken, een hand breed; en gij zult een gouden krans rondom de lijst maken.
Exo 25:26 Ook zult gij vier gouden ringen daaraan maken; en gij zult de ringen zetten aan de vier hoeken, die aan de vier voeten zijn zullen.
Exo 25:27 Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.
Exo 25:28 Deze handbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult ze met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden.
Exo 25:29 Gij zult ook maken haar schotels, en haar lepels, en haar reukschalen, en haar bekers voor het drankoffer; van louter goud zult gij ze maken.
Exo 25:30 En gij zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.

Exo 25:31 Gij zult ook een kandelaar van louter goud maken. Uit ťťn stuk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn voetstuk, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knoppen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.
Exo 25:32 En zes takken zullen uit zijn zijden uitgaan; drie takken van de kandelaar uit zijn ene zijde, en drie takken van de kandelaar uit zijn andere zijde.
Exo 25:33 In de ene tak zullen drie schaaltjes zijn, gelijk amandelnoten, een knop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een andere tak, een knop en een bloem; alzo zullen die zes takken zijn, die uit de kandelaar gaan.
Exo 25:34 Maar aan de kandelaar zelf zullen vier schaaltjes zijn, gelijk amandelnoten, met zijn knoppen, en met zijn bloemen.
Exo 25:35 En daar zal een knop zijn onder twee takken, vandaar uitgaande; weer een knop onder twee takken, vandaar uitgaande; nog een knop onder twee takken, vandaar uitgaande; alzo zal het zijn met de zes takken, die uit de kandelaar gaan.
Exo 25:36 Hun knoppen en hun takken zullen uit hem zijn; het zal geheel een enig werk uit ťťn stuk van louter goud zijn.
Exo 25:37 Gij zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en aan ťťn kant doen lichten.
Exo 25:38 Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn.
Exo 25:39 Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
Exo 25:40 Zie dan toe, dat gij het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is.

Hoofdstuk 26
Exo 26:1 De tabernakel nu zult gij maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubim; vakkundig zult gij ze maken.
Exo 26:2 De lengte van een gordijn zal acht en twintig el zijn, en de breedte van een gordijn vier el; al deze gordijnen zullen ťťn maat hebben.
Exo 26:3 Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de ander; nog eens vijf gordijnen zullen er samengevoegd zijn, de een aan de ander.
Exo 26:4 En gij zult hemelsblauwe striklusjes maken aan de kant van het ene gordijnstel, aan de rand, voor de verbinding -alzo zult gij ook doen aan de rand van het andere gordijnstel- aan de tweede verbindend.
Exo 26:5 Vijftig striklusjes zult gij aan het ene gordijn maken, en vijftig striklusjes zult gij maken aan het uiterste van het tweede gordijn; deze striklusjes zullen met elkaar overeenkomen.
Exo 26:6 Gij zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, de ene aan de andere, met deze haakjes, opdat de tabernakel ťťn geheel zij.

Exo 26:7 Ook zult gij gordijnen uit geitenhaar maken tot een tent over de tabernakel; van elf gordijnen zult gij dit maken.
Exo 26:8 De lengte van een gordijn zal dertig el zijn, en de breedte van een gordijn vier el; deze elf gordijnen zullen ťťn maat hebben.
Exo 26:9 En gij zult vijf van deze gordijnen aan elkaar bijzonder voegen, en zes van deze gordijnen bijzonder; en de zesde van deze gordijnen zult gij dubbel maken, recht voorop de tent.
Exo 26:10 Vijftig striklusjes zult gij aan het ene gordijnstel maken, en vijftig striklusjes zult gij maken aan het uiterste van het tweede gordijnstel.
Exo 26:11 Gij zult ook vijftig koperen haakjes maken, en gij zult de haakjes in de striklusjes doen, en gij zult de tent samenvoegen, dat zij ťťn zij.
Exo 26:12 Het overige nu, dat overschiet aan de gordijnen van de tent, de helft van het gordijn, dat overschiet, zal overhangen, aan de achterzijde van de tabernakel.
Exo 26:13 En een el van deze, en een el van gene zijde van hetgeen, dat overig zijn zal aan de lengte van de gordijnen van de tent, zal overhangen aan de zijden van de tabernakel, aan deze en aan gene zijde, om die te bedekken.
Exo 26:14 Gij zult ook voor de tent een bedekking maken van rood geverfde ramsvellen, en daarover een bedekking van dassenvellen.

Exo 26:15 Gij zult ook tot de tabernakel staande berderen maken, van sittimhout.
Exo 26:16 De lengte van een berd zal tien el zijn, en anderhalve el zal de breedte van elk berd zijn.
Exo 26:17 Twee houvasten zal een berd hebben, het ene nevens het andere; alzo zult gij het met al de berderen van de tabernakel maken.
Exo 26:18 En de berderen tot de tabernakel zult gij aldus maken: twintig berderen aan de zuidzijde zuidwaarts.
Exo 26:19 Gij zult ook veertig zilveren voeten maken onder de twintig berderen; twee voeten onder een berd, aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd, aan zijn twee houvasten.
Exo 26:20 Er zullen ook twintig berderen zijn aan de andere zijde van de tabernakel, aan de noordzijde,
Exo 26:21 Met hun veertig zilveren voeten; twee voeten onder een berd, en twee voeten onder een ander berd.
Exo 26:22 Doch aan de zijde van de tabernakel tegen het westen zult gij zes berderen maken.
Exo 26:23 Ook zult gij twee berderen maken tot de hoekberderen van de tabernakel, aan de beide zijden.
Exo 26:24 En zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het boveneinde daarvan samengevoegd zijn, met een ring; alzo zal het met de twee berderen zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn.
Exo 26:25 Alzo zullen de acht berderen zijn met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten; twee voeten onder een berd, wederom twee voeten onder een berd.
Exo 26:26 Gij zult ook richels maken van sittimhout; vijf aan de berderen van de ene zijde van de tabernakel;
Exo 26:27 En vijf richels aan de berderen van de andere zijde van de tabernakel; alsook vijf richels aan de berderen van de zijde van de tabernakel, tegen de beide zijden aan de westzijde.
Exo 26:28 En de middelste richel zal midden door de berderen zijn, doorschietende van het ene einde tot het andere einde.
Exo 26:29 En gij zult de berderen met goud overtrekken, en hun ringen -de plaatsen voor de richels- zult gij van goud maken; de richels zult gij ook met goud overtrekken.
Exo 26:30 Dan zult gij de tabernakel oprichten naar zijn wijze, die u op de berg getoond is.

Exo 26:31 Daarna zult gij een voorhangsel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken en fijn getweernd linnen; vakkundig zal men die maken, met cherubim.
Exo 26:32 En gij zult hem hangen aan vier pilaren van sittimhout, met goud overtrokken; hun haken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voeten.
Exo 26:33 En gij zult het voorhangsel onder de haakjes hangen, en gij zult de ark der getuigenis aldaar binnen het voorhangsel brengen; en dit voorhangsel zal ulieden een scheiding maken tussen het heilige en het heilige der heiligen.
Exo 26:34 En gij zult het verzoendeksel zetten op de ark der getuigenis, in het heilige der heiligen.
Exo 26:35 De tafel nu zult gij zetten buiten het voorhangsel, en de kandelaar tegenover de tafel, aan de ene zijde van de tabernakel, zuidwaarts; maar de tafel zult gij zetten aan de noordzijde.
Exo 26:36 Gij zult ook aan de ingang van de tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk.
Exo 26:37 En gij zult tot dit deksel vijf pilaren van sittimhout maken, en die met goud overtrekken; hun haken zullen van goud zijn; en gij zult hun vijf koperen voeten gieten.

Hoofdstuk 27
Exo 27:1 Gij zult ook een altaar maken van sittimhout; vijf el zal de lengte zijn, en vijf el de breedte -vierkant zal dit altaar zijn-, en drie el zijn hoogte.
Exo 27:2 En gij zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; daaruit zullen zijn hoornen zijn, en gij zult het met koper overtrekken.
Exo 27:3 Gij zult het ook potten maken, om zijn as in te doen, ook zijn scheppen, en zijn sprengbekkens, en zijn vleeshaken, en zijn kolenpannen; al zijn gereedschap zult gij van koper maken.
Exo 27:4 Gij zult het een rooster maken, van koperen netwerk; en gij zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijn vier uiteinden.
Exo 27:5 En gij zult het onder de omloop van het altaar van onderaf opleggen, alzo dat het net tot het midden van het altaar reikt.
Exo 27:6 Gij zult ook handbomen maken tot het altaar, handbomen van sittimhout; en gij zult ze met koper overtrekken.
Exo 27:7 En de handbomen zullen in de ringen gedaan worden, alzo dat de handbomen aan beide zijden van het altaar zijn, als men het draagt.
Exo 27:8 Gij zult het hol van planken maken; zoals het u op de berg gewezen is, alzo zullen zij doen.

Exo 27:9 Gij zult ook de voorhof van de tabernakel maken; aan de zuidzijde zuidwaarts, zullen aan de voorhof gordijnen zijn van fijn getweernd linnen; de lengte van ťťn zijde zal honderd el zijn.
Exo 27:10 Ook zullen zijn twintig pilaren, en de twintig voeten daarvan, van koper zijn; de haken van deze pilaren, en hun banden zullen van zilver zijn.
Exo 27:11 Alzo zullen ook aan de noordzijde, in de lengte, de gordijnen honderd el lang zijn; en zijn twintig pilaren, en de twintig voeten daarvan, van koper; de haken van de pilaren, en de banden daarvan zullen van zilver zijn.
Exo 27:12 En in de breedte van de voorhof, aan de westzijde, zullen gordijnen zijn van vijftig el; hun pilaren tien, en de voeten daarvan tien.
Exo 27:13 Evenzo zal de breedte van de voorhof, aan de oostzijde oostwaarts, van vijftig el zijn.
Exo 27:14 Alzo dat er vijftien el gordijnen aan de ene zijde zijn; hun pilaren drie, en hun voeten drie;
Exo 27:15 En vijftien el gordijnen aan de andere zijde; hun pilaren drie, en hun voeten drie.
Exo 27:16 In de poort nu van de voorhof zal een gordijn zijn van twintig el, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; de pilaren vier, en hun voeten vier.
Exo 27:17 Al de pilaren van de voorhof zullen rondom met zilveren banden bezet zijn; hun haken zullen van zilver zijn, maar hun voeten zullen van koper zijn.
Exo 27:18 De lengte van de voorhof zal honderd el zijn, en de breedte vijftig, en de hoogte vijf el, van fijn getweernd linnen; maar hun voeten zullen van koper zijn.
Exo 27:19 Aangaande al het gereedschap van de tabernakel, in haar gehele dienst, ja, al zijn pennen, en al de pennen van de voorhof, die zullen van koper zijn.
Exo 27:20 Gij nu zult de kinderen Israels gebieden, dat zij tot u brengen reine olie van olijven, gestoten tot de kandelaar, dat men gedurig de lampen aansteekt.
Exo 27:21 In de tent der samenkomst, van buiten het voorhangsel, dat voor de getuigenis is, zal ze Ašron en zijn zonen bereiden, van de avond tot de morgen, voor het aangezicht des HEEREN; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten, vanwege de kinderen Israels.

Hoofdstuk 28
Exo 28:1 Daarna zult gij uw broer Ašron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden van de kinderen Israels, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Ašron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Ašron.
Exo 28:2 En gij zult voor uw broer Ašron heilige klederen maken, tot heerlijkheid en tot sieraad.
Exo 28:3 Gij zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met de geest van wijsheid vervuld heb, dat zij voor Ašron klederen maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bedient.
Exo 28:4 Dit nu zijn de klederen, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een ondermantel vol oogjes, een tulband en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Ašron heilige klederen maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.
Exo 28:5 Zij zullen ook het goud, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen nemen;

Exo 28:6 En zullen de efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, vakkundig werk.
Exo 28:7 Het zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waardoor het samengevoegd zal worden.
Exo 28:8 En de kunstige riem van zijn efod, die op hem is, zal zijn gelijk dat werk, van hetzelfde, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.
Exo 28:9 En gij zult twee sardonixstenen nemen, en de namen van de zonen van Israel daarop graveren.
Exo 28:10 Zes van hun namen op ťťn steen, en de zes overige namen op de andere steen, naar hun geboorten;
Exo 28:11 Naar steensnijderswerk, gelijk men de zegels graveert, zult gij deze twee stenen graveren, met de namen van de zonen van Israel; gij zult ze maken, om in gouden kastjes te plaatsen.
Exo 28:12 En gij zult de twee stenen aan de schouderbanden van de efod zetten, zijnde stenen ter gedachtenis voor de kinderen Israels; en Ašron zal hun namen op zijn beide schouders dragen, ter gedachtenis, voor het aangezicht des HEEREN.
Exo 28:13 Gij zult ook gouden kastjes maken,
Exo 28:14 En twee kettinkjes van louter goud; gelijk-eindigende zult gij die maken, gedraaid werk; en de gedraaide kettinkjes zult gij aan de kastjes hechten.

Exo 28:15 Gij zult ook een borstlap ter gericht maken, vakkundig werk, gelijk het werk van de efod zult gij het maken; van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult gij het maken.
Exo 28:16 Vierkant zal het zijn, en verdubbeld; een span zal zijn lengte zijn, en een span zijn breedte.
Exo 28:17 En gij zult stenen daarin plaatsen, vier rijen stenen, een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.
Exo 28:18 En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier, en een Diamant.
Exo 28:19 En de derde rij, een Hyacint, Agaat en Amethist.
Exo 28:20 En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; zij zullen met goud ingezet zijn in hun vullingen.
Exo 28:21 En deze stenen zullen zijn met de twaalf namen van de zonen van Israel, met hun namen; zij zullen als zegels gegraveerd worden, elk met zijn naam; voor de twaalf stammen zullen zij zijn.
Exo 28:22 Gij zult ook aan de borstlap gelijk-eindigende kettinkjes van gedraaid werk uit louter goud maken.
Exo 28:23 Gij zult ook aan de borstlap twee gouden ringen maken; en gij zult de twee ringen aan de twee einden van de borstlap zetten.
Exo 28:24 Dan zult gij de twee gedraaide gouden kettinkjes in de twee ringen doen, aan de einden van de borstlap.
Exo 28:25 Maar de twee einden van de twee gedraaide kettinkjes zult gij aan die twee kastjes doen; en gij zult ze zetten aan de schouderbanden van de efod, recht op de voorzijde daarvan.
Exo 28:26 Gij zult nog twee gouden ringen maken, en zult ze aan de twee einden van de borstlap zetten; inwendig aan zijn rand, die aan de zijde van de efod zijn zal.
Exo 28:27 Nog zult gij twee gouden ringen maken, die gij zetten zult aan de twee schouderbanden van de efod, beneden aan de voorzijde, tegenover zijn naad, boven de kunstige riem van de efod.
Exo 28:28 En zij zullen de borstlap met zijn ringen aan de ringen van de efod opwaarts binden, met een hemelsblauw snoer, zo, dat het boven de kunstige riem van de efod hangt; en de borstlap zal van de efod niet afgescheiden worden.
Exo 28:29 Alzo zal Ašron de namen der zonen van Israel dragen op de borstlap ter gericht, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, ter gedachtenis voor het aangezicht des HEEREN gedurig.
Exo 28:30 Gij zult ook in de borstlap van het gericht de Urim en de Thummim plaatsen, dat zij op het hart van Ašron zijn, als hij voor het aangezicht des HEEREN ingaan zal; alzo zal Ašron dat gericht van de kinderen Israels gedurig op zijn hart dragen, voor het aangezicht des HEEREN.

Exo 28:31 Gij zult ook de mantel van de efod geheel van hemelsblauw maken.
Exo 28:32 En de hoofdopening zal in het midden daarvan zijn; deze opening zal een boord rondom hebben van geweven werk; als de opening van een pantserhemd zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd worde.
Exo 28:33 En aan de zomen daarvan zult gij granaatappels maken van hemelsblauw, en van purper, en van scharlaken, aan de zomen rondom, en gouden schelletjes rondom daar tussen.
Exo 28:34 Dat er een gouden schelletje, daarna een granaatappel zij; wederom een gouden schelletje, en een granaatappel, aan de zomen van de mantel rondom.
Exo 28:35 En Ašron zal die aan hebben, om te dienen; opdat zijn geluid gehoord worde, als hij in het heilige, voor het aangezicht des HEEREN, ingaat, en als hij uitgaat, opdat hij niet sterve.
Exo 28:36 Verder zult gij een plaat maken van louter goud, en gij zult daarin graveren, gelijk men de zegels graveert: HEILIGHEID DES HEEREN
Exo 28:37 En gij zult die aanhechten met een hemelsblauw snoer, alzo dat zij aan de tulband zij; aan de voorzijde van de tulband zal zij zijn.
Exo 28:38 En zij zal op het voorhoofd van Ašron zijn, opdat Ašron drage de ongerechtigheid der heilige dingen, welke de kinderen Israels zullen geheiligd hebben, in alle gaven van hun geheiligde dingen; en zij zal gedurig aan zijn voorhoofd zijn, opdat de HEERE een welbehagen in hen hebbe.
Exo 28:39 Gij zult ook een onderkleed vol oogjes maken, van fijn linnen; gij zult ook de tulband van fijn linnen maken; maar de gordel zult gij van geborduurd werk maken.

Exo 28:40 Voor de zonen van Ašron zult gij ook mantels maken, en gij zult voor hen gordels maken; ook zult gij voor hen mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad.
Exo 28:41 En gij zult die uw broer Ašron en ook zijn zonen aantrekken; en gij zult hen zalven, hen wijden, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen.
Exo 28:42 Maak voor hen ook linnen onderbroeken, om het vlees der schaamte te bedekken; zij zullen zijn van de lenden tot de dijen.
Exo 28:43 Ašron nu en zijn zonen zullen die aan hebben, als zij in de tent der samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal een eeuwige inzetting zijn, voor hem, en zijn zaad na hem.

Hoofdstuk 29
Exo 29:1 Dit nu is de zaak, die gij hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem een var, het jong van een rund, en twee volkomen rammen;
Exo 29:2 En ongezuurd brood, en ongezuurde koeken, met olie gemengd, en ongezuurde wafels, met olie bestreken; van tarwemeelbloem zult gij ze maken.
Exo 29:3 En gij zult ze in een korf leggen, en zult ze in de korf toebrengen, met de var en de twee rammen.
Exo 29:4 Alsdan zult gij Ašron en zijn zonen doen naderen aan de deur van de tent der samenkomst; en gij zult hen met water wassen.
Exo 29:5 Daarna zult gij de klederen nemen, en Ašron de mantel, en de bovenmantel van de efod, en de efod, en de borstlap aandoen; en gij zult hem omgorden met de kunstige riem van de efod.
Exo 29:6 En gij zult de tulband op zijn hoofd zetten; de kroon der heiligheid zult gij aan de tulband zetten.
Exo 29:7 En gij zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten; alzo zult gij hem zalven.
Exo 29:8 Daarna zult gij zijn zonen doen naderen, en zult hen de mantels doen aantrekken.
Exo 29:9 En gij zult hen met de gordel omgorden, namelijk Ašron en zijn zonen; en gij zult hun de tulbanden opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Voorts zult gij Ašron en zijn zonen inzegenen.
Exo 29:10 En gij zult de var brengen voor de tent der samenkomst; en Ašron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de var leggen.
Exo 29:11 En gij zult de var slachten voor het aangezicht des HEEREN, voor de deur van de tent der samenkomst.
Exo 29:12 Daarna zult gij van het bloed van de var nemen, en met uw vinger op de hoornen van het altaar doen; en al het bloed zult gij uitgieten aan de bodem van het altaar.
Exo 29:13 Gij zult ook al het vet nemen, dat het ingewand bedekt, en het net over de lever, en beide nieren en het vet, dat daaraan is, en gij zult ze aansteken op het altaar.
Exo 29:14 Maar het vlees van de var, en zijn vel, en zijn drek, zult gij met vuur verbranden buiten het leger; het is een zondoffer.
Exo 29:15 Daarna zult gij de ene ram nemen, en Ašron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de ram leggen;
Exo 29:16 En gij zult de ram slachten, en gij zult zijn bloed nemen, en rondom op het altaar sprengen.
Exo 29:17 En de ram zult gij in zijn delen delen; en gij zult zijn ingewand en zijn poten wassen, en op zijn delen, en op zijn kop leggen.
Exo 29:18 Alzo zult gij de gehele ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer de HEERE, tot een lieflijke reuk, het is een vuuroffer de HEERE.
Exo 29:19 Daarna zult gij de andere ram nemen, en Ašron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de ram leggen;
Exo 29:20 En gij zult de ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op de rechteroorlel van Ašron, en op de rechteroorlel van zijn zonen, evenzo op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet; en dat bloed zult gij op het altaar sprengen, rondom heen.
Exo 29:21 Dan zult gij nemen van het bloed, dat op het altaar is, en van de zalfolie, en gij zult op Ašron en op zijn klederen sprengen, en op zijn zonen en op de klederen van zijn zonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijn klederen, ook zijn zonen, en de klederen van zijn zonen met hem.
Exo 29:22 Daarna zult gij van de ram nemen het vet met de staart, ook het vet, dat het ingewand bedekt, en het net van de lever en de beide nieren, met het vet, dat daaraan is, en de rechterschouder; want het is een ram van inzegening;
Exo 29:23 En een broodbol, en een koek van met olie gemengd brood, en een wafel, uit de korf van ongezuurd brood, dat voor het aangezicht des HEEREN zijn zal;
Exo 29:24 En leg ze alle op de handen van Ašron, en op de handen van zijn zonen, en beweeg ze als beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN.
Exo 29:25 Neem ze daarna van hun hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandoffer, tot een lieflijke reuk voor het aangezicht des HEEREN; het is een vuuroffer voor de HEERE.
Exo 29:26 En neem de borst van de ram van inzegening, die van Ašron is, en beweeg hem als beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en dat zal uw deel zijn.
Exo 29:27 En gij zult de borst van het beweegoffer heiligen, en de schouder van het hefoffer, dat bewogen, en opgeheven zal zijn van de ram van inzegening, van hetgeen dat van Ašron, en van hetgeen dat van zijn zonen is.
Exo 29:28 En het zal voor Ašron en zijn zonen zijn tot een eeuwige inzetting vanwege de kinderen Israels; want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de kinderen Israels zal zijn van hun dankoffers; hun hefoffer zal voor de HEERE zijn.
Exo 29:29 De heilige klederen nu, die van Ašron zullen geweest zijn, zullen van zijn zonen na hem zijn, opdat men hen in deze zalft, en daarin gekleed, zal inzegenen.
Exo 29:30 Zeven dagen zal diegene ze aantrekken, die uit zijn zonen in zijn plaats priester zal worden, die in de tent der samenkomst gaan zal, om in het heilige te dienen.
Exo 29:31 Gij zult de ram van inzegening nemen, en gij zult zijn vlees in de heilige plaats koken.
Exo 29:32 Ašron nu en zijn zonen zullen het vlees van deze ram eten, en het brood, dat in de korf zal zijn, bij de deur van de tent der samenkomst.
Exo 29:33 En zij zullen die dingen eten, waarmee de verzoening zal gedaan zijn, om hen in te zegenen, en om hen te heiligen; maar een vreemde zal ze niet eten, want ze zijn heilig.
Exo 29:34 En indien er wat overblijven zal van het vlees der inzegening, of van dit brood, tot aan de morgen, zo zult gij het overgeblevene met vuur verbranden; het zal niet gegeten worden, want het is heilig.
Exo 29:35 Gij zult dan aan Ašron en aan zijn zonen alzo doen, naar alles, wat Ik u geboden heb; zeven dagen zult gij hen inzegenen.
Exo 29:36 Gij zult ook dagelijks een var als zondoffer tot verzoening bereiden, en gij zult het altaar ontzondigen, door er verzoening over te doen; en gij zult het zalven, om het te heiligen.
Exo 29:37 Zeven dagen zult gij verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar een heiligheid der heiligheden zijn; al wat het altaar aanraakt, zal heilig zijn.

Exo 29:38 Dit nu is het, wat gij op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die ťťnjarig zijn, dagelijks, gedurig.
Exo 29:39 Het ene lam zult gij in de morgen bereiden; maar het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden.
Exo 29:40 Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierde deel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam.
Exo 29:41 Het andere lam nu zult gij bereiden tussen de twee avonden; gij zult daarmee doen gelijk met het morgenspijsoffer, en gelijk met het drankoffer daarvan, tot een lieflijke reuk; het is een vuuroffer de HEERE.
Exo 29:42 Het zal een gedurig brandoffer zijn bij uw geslachten, aan de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; aldaar zal Ik met ulieden komen, dat Ik aldaar met u spreek.
Exo 29:43 En daar zal Ik komen tot de kinderen Israels; opdat zij geheiligd worden door Mijn heerlijkheid.
Exo 29:44 En Ik zal de tent der samenkomst heiligen, mitsgaders het altaar; Ik zal ook Ašron en zijn zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen.
Exo 29:45 En Ik zal in het midden van de kinderen Israels wonen, en Ik zal hun tot een God zijn.
Exo 29:46 En zij zullen weten, dat Ik de HEERE hun God ben, Die hen uit Egypteland uitgeleid heb, opdat Ik in het midden van hen wonen zou; Ik ben de HEERE, hun God.

Hoofdstuk 30
Exo 30:1 Gij zult ook een altaar voor het reukwerk maken; van sittimhout zult gij het maken.
Exo 30:2 Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, doch twee el de hoogte daarvan; zijn hoornen uit ťťn stuk met hem.
Exo 30:3 En gij zult het met louter goud overtrekken, zijn bovenstuk en wanden rondom, als ook zijn hoornen; en gij zult het een gouden krans rondom maken.
Exo 30:4 Gij zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult gij die maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmee draagt.
Exo 30:5 De draagbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult die met goud overtrekken.
Exo 30:6 En gij zult het zetten voor het voorhangsel, dat voor de ark der getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, dat zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.
Exo 30:7 En Ašron zal daarop aansteken welriekende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal gereed gemaakt hebben, zal hij die aansteken.
Exo 30:8 En als Ašron de lampen aansteken zal tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een gedurig reukwerk zijn, voor het aangezicht des HEEREN, bij uw geslachten.
Exo 30:9 Gij zult geen vreemd reukwerk daarop aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten.
Exo 30:10 En Ašron zal eens in het jaar over de hoornen daarvan verzoening doen, met het bloed van het zondoffer der verzoeningen; eenmaal in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid der heiligheden de HEERE!

Exo 30:11 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Exo 30:12 Als gij het aantal van de kinderen Israels opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een ieder de verzoening van zijn ziel de HEERE geven, als gij hen tellen zult; opdat onder hen geen plaag zij, als gij hen tellen zult.
Exo 30:13 Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom -deze sikkel is twintig gera-; de helft van een sikkel is een hefoffer de HEERE.
Exo 30:14 Al wie overgaat tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, zal het hefoffer des HEEREN geven.
Exo 30:15 De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal niet verminderen van de helft van een sikkel, als gij het hefoffer des HEEREN geeft om voor uw zielen verzoening te doen.
Exo 30:16 Gij dan zult het geld der verzoeningen van de kinderen Israels nemen, en zult het leggen tot de dienst van de tent der samenkomst; en het zal de kinderen Israels ter gedachtenis zijn, voor het aangezicht des HEEREN, om voor uw zielen verzoening te doen.

Exo 30:17 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
Exo 30:18 Gij zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en gij zult het zetten tussen de tent der samenkomst en het altaar, en gij zult water daarin doen;
Exo 30:19 Dat Ašron en zijn zonen zich daaruit wassen, hun handen en voeten.
Exo 30:20 Wanneer zij in de tent der samenkomst zullen gaan, zo zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen, om te dienen, dat zij het vuuroffer de HEERE aansteken;
Exo 30:21 Zij zullen dan hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven; en dit zal hun een eeuwige inzetting zijn, voor hem en zijn zaad, in hun geslachten.

Exo 30:22 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Exo 30:23 Gij nu, neem u uitgelezen specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels;
Exo 30:24 Ook kassie, vijfhonderd, naar de sikkel van het heiligdom en olie van olijfbomen een hin;
Exo 30:25 En maak daarvan een olie der heilige zalving, een zalf, heel kunstig gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie der heilige zalving zijn.
Exo 30:26 En daarmee zult gij zalven de tent der samenkomst, en de ark der getuigenis.
Exo 30:27 En de tafel met al haar gereedschap, en de kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar;
Exo 30:28 En het altaar van het brandoffer, met al zijn gereedschap, en het wasvat met zijn voet.
Exo 30:29 Gij zult ze alzo heiligen, dat zij heiligheid der heiligheden zijn; al wat ze aanraakt, zal heilig zijn.
Exo 30:30 Gij zult ook Ašron en zijn zonen zalven, en gij zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen.
Exo 30:31 En gij zult tot de kinderen Israels spreken, zeggende: Dit zal Mij een olie der heilige zalving zijn onder uw geslachten.
Exo 30:32 Op het vlees van geen ander mens zal men ze gieten; gij zult ook naar haar maaksel niets dergelijks maken; het is heiligheid, zij zal ulieden heiligheid zijn.
Exo 30:33 De man, die zulk een zalf maken zal als deze, of die daarvan doet op iets anders, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.
Exo 30:34 Verder zei de HEERE tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuivere wierook; van elk evenveel.
Exo 30:35 En gij zult een reukwerk van een zalf daaruit maken, naar apothekerswerk, gemengd, rein, heilig.
Exo 30:36 En gij zult daarvan heel klein pulver stoten, en gij zult daarvan leggen voor de getuigenis in de tent der samenkomst, waarheen Ik tot u komen zal; het zal ulieden heiligheid der heiligheden zijn.
Exo 30:37 Doch naar het maaksel van dit reukwerk, dat gij gemaakt zult hebben, zult gijlieden voor uzelf geen maken; het zal u heiligheid zijn voor de HEERE.
Exo 30:38 De man, die soortgelijks maken zal, om daaraan te ruiken, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.

Hoofdstuk 31
Exo 31:1 Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Exo 31:2 Zie, Ik heb met name geroepen BezaleŽl, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda.
Exo 31:3 En Ik heb hem vervuld met de Geest Gods, met wijsheid, en met kennis, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;
Exo 31:4 Om te bedenken vernuftig gereedschap om te werken in goud, en in zilver, en in koper,
Exo 31:5 En in kunstig steensnijwerk, om in te zetten, en in kunstig houtsnijwerk, om te werken in alle handwerk.
Exo 31:6 En Ik, zie, Ik heb hem toegevoegd Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan; en in het hart van een ieder, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb.
Exo 31:7 Namelijk de tent der samenkomst, en de ark der getuigenis, en het verzoendeksel, dat daarop zal zijn, en al wat bij de tent behoort;
Exo 31:8 En de tafel, met haar gereedschap; en de zuivere gouden kandelaar, met al zijn gereedschap; en het reukaltaar;
Exo 31:9 Ook het brandofferaltaar, met al zijn gereedschap; en het wasvat met zijn voet;
Exo 31:10 En de ambtsklederen, en de heilige klederen van de priester Ašron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen;
Exo 31:11 Ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor het heiligdom; naar alles, wat Ik u geboden heb, zullen zij het maken.
Exo 31:12 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Exo 31:13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en ulieden, onder uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilig.
Exo 31:14 Onderhoudt dan de sabbat, omdat hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zeker gedood worden; want een ieder, die daarop enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volken.
Exo 31:15 Zes dagen zal men het werk doen; doch op de zevende dag is de sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op de sabbatdag arbeid verricht, zal zeker gedood worden.
Exo 31:16 Dat dan de kinderen Israels de sabbat houden, de sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.
Exo 31:17 Hij zal tussen Mij en de kinderen Israels een teken in eeuwigheid zijn; omdat de HEERE, in zes dagen, de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag gerust en Zich verkwikt heeft.
Exo 31:18 En Hij gaf aan Mozes, toen Hij met hem op de berg SinaÔ te spreken geŽindigd had, de twee tafels der getuigenis, tafels van steen, beschreven met de vinger Gods.

Hoofdstuk 32
Exo 32:1 Toen het volk zag, dat Mozes toefde van de berg af te dalen, zo verzamelde zich het volk tot Ašron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied is.
Exo 32:2 Ašron nu zei tot hen: Neemt af de gouden oorsiersels, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen, en uw dochters zijn; en brengt ze tot mij.
Exo 32:3 Toen rukte het ganse volk de gouden oorsiersels af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Ašron.
Exo 32:4 En hij nam ze uit hun hand, en hij bewerkte het goud met een griffel, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israel! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
Exo 32:5 Toen Ašron dat zag, zo bouwde hij daar een altaar voor; en Ašron riep uit, en zei: Morgen zal de HEERE een feest zijn!
Exo 32:6 En zij stonden de volgende dag vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen.

Exo 32:7 Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.
Exo 32:8 En zij zijn haastig afgeweken van de weg, die Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich daarvoor gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israel, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
Exo 32:9 Verder zei de HEERE tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!
Exo 32:10 En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontbrandt, en hen verteert; zo zal Ik u tot een groot volk maken.
Exo 32:11 Doch Mozes aanbad het aangezicht van de HEERE zijn God, en hij zei: O HEERE! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat Gij met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt?
Exo 32:12 Waarom zouden de Egyptenaren spreken, zeggende: In boosheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen zou doden op de bergen, en opdat Hij hen zou vernielen van de aardbodem? Keer af van de hitte van Uw toorn, en wees genadig over het kwaad van Uw volk.
Exo 32:13 Gedenk aan Abraham, aan Izašk en aan Israel, Uw knechten, aan welke Gij bij Uzelf gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren van de hemel; en dit gehele land, waarvan Ik gesproken heb, zal Ik aan uw zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid.
Exo 32:14 Toen berouwde het de HEERE over het kwaad, dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen.

Exo 32:15 En Mozes wendde zich om, en klom van de berg af, met de twee stenen tafels der getuigenis in zijn hand; deze tafels waren op beide zijden beschreven, zij waren op de ene en op de andere zijde beschreven.
Exo 32:16 En die stenen tafels waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafels gegraveerd.
Exo 32:17 Toen nu Jozua de stem van het volk hoorde, toen het juichte, zo zei hij tot Mozes: Er is krijgsgeschreeuw in de legerplaats.
Exo 32:18 Maar hij zei: Het is geen stem van overwinning, het is ook geen stem van nederlaag; ik hoor een stem van zingen bij beurten.
Exo 32:19 En het geschiedde, als hij de legerplaats naderde, en het kalf, en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafels uit zijn handen wierp, en ze beneden aan de berg verbrak.
Exo 32:20 En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het tot poeder, en strooide het op het water, en deed het de kinderen Israels drinken.

Exo 32:21 En Mozes zei tot Ašron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat gij zulk een grote zonde over hen gebracht hebt?
Exo 32:22 Toen zei Ašron: De toorn van mijn heer ontbrande niet! gij kent dit volk, dat het geneigd is tot het kwade.
Exo 32:23 Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied is.
Exo 32:24 Toen zei ik tot hen: Wie goud heeft, die neme het af, en geve het mij; en ik wierp het in het vuur, en dit kalf is er uit gekomen.
Exo 32:25 Toen Mozes zag, dat het volk ontbloot was, -want Ašron had het toegelaten tot vermindering van degenen, die tegen hen hadden mogen opstaan-,
Exo 32:26 bleef Mozes staan in de poort van het legerkamp, en zei: Wie de HEERE toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi.
Exo 32:27 En hij zei tot hen: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; gaat door en keert weder, van poort tot poort in de legerplaats, en een ieder dode zijn broeder, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste!
Exo 32:28 En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk, op die dag, drie duizend man.
Exo 32:29 Want Mozes had gezegd: Wijdt heden u de HEERE toe; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broeder; en dit, opdat Hij heden een zegen over ulieden geve!

Exo 32:30 En het geschiedde de volgende dag, dat Mozes tot het volk zei: Gijlieden hebt een grote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot de HEERE opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde.
Exo 32:31 Zo keerde Mozes weer tot de HEERE, en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben.
Exo 32:32 Nu dan, dat Gij hun zonden vergeven wilt! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat Gij geschreven hebt.
Exo 32:33 Toen zei de HEERE tot Mozes: Wie tegen Mij gezondigd heeft, die zal ik uit Mijn boek delgen.
Exo 32:34 Doch ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! doch ten dage van Mijn bezoek, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken!
Exo 32:35 En de HEERE sloeg het volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, dat Ašron gemaakt had.

Hoofdstuk 33
Exo 33:1 Voorts sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izašk en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven;
Exo 33:2 En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden -en Ik zal uitdrijven de Kanašnieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten-,
Exo 33:3 Naar het land, dat van melk en honing is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk; zodat Ik u op deze weg niet vertere.
Exo 33:4 Toen het volk dit kwade woord hoorde, treurden zij; en niemand van hen deed zich zijn versiersel aan.
Exo 33:5 En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal.
Exo 33:6 De kinderen Israels dan ontdeden zich van hun versiersels, bij de berg Horeb.

Exo 33:7 En Mozes nam de tent, en plaatste ze buiten de legerplaats; en hij noemde ze de tent der samenkomst. En het geschiedde, dat al wie de HEERE zocht, uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het leger was.
Exo 33:8 En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, dat al het volk opstond, en een ieder stelde zich in de deur van zijn tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was.
Exo 33:9 En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom neer, en stond in de deur van de tent, en Hij sprak met Mozes.
Exo 33:10 Als het volk de wolkkolom zag staan in de deur van de tent, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur van zijn tent.
Exo 33:11 En de HEERE sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij terug tot de legerplaats; doch zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit de tent.

Exo 33:12 En Mozes zei tot de HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op! maar Gij laat mij niet weten, wie Gij met mij zult zenden; daar Gij toch gezegd hebt: Ik ken u bij name! en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen!
Exo 33:13 Nu dan, ik bid, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade mag vinden in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is!
Exo 33:14 Hij dan zei: Zou Mijn aangezicht moeten meegaan, om u gerust te stellen?
Exo 33:15 Toen zei hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet zal meegaan, doe ons van hier niet optrekken!
Exo 33:16 Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op de aardbodem is.
Exo 33:17 Toen zei de HEERE tot Mozes: Ook deze zaak, waarvan gij gesproken hebt, zal Ik doen, omdat gij genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken.
Exo 33:18 En hij zei: Ik bid u, toon mij nu Uw heerlijkheid!
Exo 33:19 Hij zei: Ik zal al Mijn goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal de Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht; en Ik zal genadig zijn, die Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik Mij zal ontfermen.
Exo 33:20 Hij zei verder: Gij zult Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven.
Exo 33:21 De HEERE zei verder: Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de rots stellen.
Exo 33:22 En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof van de rots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn.
Exo 33:23 En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mij van achteren zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden!

Hoofdstuk 34
Exo 34:1 Toen zei de HEERE tot Mozes: Houw u twee stenen tafels, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafels schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafels geweest zijn, die gij gebroken hebt.
Exo 34:2 En wees bereid tegen de morgenstond; dat gij in de morgenstond op de berg SinaÔ klimt, en stel u aldaar voor Mij, op de top van de berg.
Exo 34:3 En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op de ganse berg; ook het kleine vee noch runderen zullen tegenover deze berg niet weiden.
Exo 34:4 Toen hieuw hij twee stenen tafels, gelijk de eerste; en Mozes stond des morgens vroeg op, en klom op de berg SinaÔ, zoals hem de HEERE geboden had; en hij nam de twee stenen tafels in zijn hand.

Exo 34:5 De HEERE nu kwam neer in een wolk, en stelde Zich aldaar bij hem; en Hij riep de Naam des HEEREN uit.
Exo 34:6 Toen nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.
Exo 34:7 Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, tot in het derde en vierde geslacht.
Exo 34:8 Mozes nu haastte zich en neigde het hoofd ter aarde, en hij boog zich.
Exo 34:9 En hij zei: Heere! indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; doch vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel!

Exo 34:10 Toen zei Hij: Zie, Ik maak een verbond; voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet gedaan zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, het werk van de HEERE zien zal, dat het ontzagwekkend is, dat Ik met u doe.
Exo 34:11 Onderhoudt gij hetgeen Ik u heden gebiedt! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanašnieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.
Exo 34:12 Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin gij komen zult; dat hij misschien niet tot een strik wordt in het midden van u.
Exo 34:13 Maar hun altaren zult gijlieden omwerpen, en hun opgerichte beelden zult gij verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen.
Exo 34:14 -Want gij zult u niet buigen voor een andere god; want des HEEREN Naam is Jaloers! een jaloers God is Hij!-
Exo 34:15 Opdat gij geen verbond maakt met de inwoner van dat land; en zij hun goden nahoereren, hun goden offerande doen, en hij u uitnodigt, dat gij van hun offerande eet.
Exo 34:16 En gij voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren.
Exo 34:17 Gij zult u geen gegoten goden maken.

Exo 34:18 Het feest der ongezuurde broden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb, op de bestemde tijd van de maand Abib; want in de maand Abib zijt gij uit Egypte uitgegaan.
Exo 34:19 Al wat de moederschoot opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de moederschoot van het grote en kleine vee.
Exo 34:20 Doch de ezel, die de moederschoot opent, zult gij met een stuk klein vee lossen; maar indien gij hem niet zult lossen, zo zult gij hem de nek breken. Al de eerstgeborenen van uw zonen zult gij lossen, en men zal voor Mijn aangezicht niet ledig verschijnen.
Exo 34:21 Zes dagen zult gij arbeiden, maar op de zevende dag zult gij rusten; in de ploegtijd en in de oogst zult gij rusten.
Exo 34:22 Het feest der weken zult gij ook houden, zijnde het feest der eerstelingen van de tarweoogst, en het feest der inzameling, als het jaar om is.
Exo 34:23 Al wat mannelijk is onder u zal driemaal in het jaar verschijnen voor het aangezicht van de Heere HEERE, de God van Israel.
Exo 34:24 Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht zal verdrijven, en uw grenzen uitbreiden, dan zal niemand uw land begeren, terwijl gij heen opgaan zult, om te verschijnen voor het aangezicht van de HEERE uw God, driemaal in het jaar.
Exo 34:25 Gij zult het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren met gedesemd brood; het slachtoffer van het paasfeest zal ook niet overblijven tot de morgen.
Exo 34:26 De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult gij in het huis van de HEERE uw God brengen. Gij zult het bokje in de melk van zijn moeder niet koken.
Exo 34:27 Verder zei de HEERE tot Mozes: Schrijf u deze woorden op; want volgens deze woorden heb Ik een verbond met u en met Israel gemaakt.

Exo 34:28 En hij was aldaar met de HEERE, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de stenen tafels de woorden van het verbond, de tien woorden.
Exo 34:29 En het geschiedde, toen Mozes van de berg SinaÔ afdaalde -de twee tafels der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, terwijl hij van de berg afdaalde-, zo wist Mozes niet, dat het vel van zijn aangezicht glinsterde, sinds hij met Hem sprak.
Exo 34:30 Toen nu Ašron en al de kinderen Israels Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel van zijn aangezicht; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.
Exo 34:31 Toen riep Mozes hen; en Ašron, en al de oversten in de vergadering keerden weer tot hem; en Mozes sprak tot hen.
Exo 34:32 En daarna traden al de kinderen Israels toe; en hij gebood hun al wat de HEERE met hem gesproken had op de berg SinaÔ.
Exo 34:33 Alzo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een bedekking op zijn aangezicht gelegd.
Exo 34:34 Doch als Mozes voor het aangezicht des HEEREN kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij de bedekking af, totdat hij wegging; en nadat hij weggegaan was, zo sprak hij tot de kinderen Israels, wat hem geboden was.
Exo 34:35 Zo zagen dan de kinderen Israels het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; daarom deed Mozes de bedekking weer op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.

Hoofdstuk 35
Exo 35:1 Toen deed Mozes de hele vergadering van de kinderen Israels verzamelen, en zei tot hen: Dit zijn de woorden, die de HEERE geboden heeft, om te doen:
Exo 35:2 Zes dagen zal men het werk doen; maar de zevende dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der rust de HEERE; al wie daarop werk doet, zal gedood worden.
Exo 35:3 Gij zult geen vuur aansteken in enige van uw woningen op de sabbatdag.
Exo 35:4 Verder sprak Mozes tot de hele vergadering van de kinderen Israels, zeggende: Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft, zeggende:
Exo 35:5 Neemt van hetgeen, dat gijlieden hebt, een hefoffer voor de HEERE; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, als hefoffer des HEEREN: goud, en zilver, en koper;
Exo 35:6 Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar;
Exo 35:7 En rood geverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout;
Exo 35:8 En olie tot de kandelaar, en specerijen voor zalfolie, en tot het branden van welriekende specerijen;
Exo 35:9 En sardonixstenen, en stenen, om op de efod te plaatsen en voor de borstlap.
Exo 35:10 En allen, die wijs van hart zijn onder ulieden, zullen komen, en maken alles, wat de HEERE geboden heeft:
Exo 35:11 De tabernakel, zijn tent en zijn bedekking, zijn haakjes en zijn berderen, zijn richels, zijn pilaren, en zijn voeten;
Exo 35:12 De ark en haar handbomen, het verzoendeksel en het voorhangsel tot bedekking;
Exo 35:13 De tafel en haar handbomen, en al haar gereedschap, en de toonbroden;
Exo 35:14 En de kandelaar tot het licht, en zijn gereedschap, en zijn lampen, en de olie tot het licht;
Exo 35:15 En het reukofferaltaar, en zijn handbomen, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen; en het voorhangsel van de deur aan de ingang van de tabernakel;
Exo 35:16 Het brandofferaltaar, en het koperen rooster, dat het hebben zal, zijn handbomen, en al zijn gereedschappen; het wasvat en zijn voet.
Exo 35:17 De gordijnen van de voorhof, zijn pilaren en zijn voeten; en het voorhangsel van de ingang van de voorhof;
Exo 35:18 De pinnen van de tabernakel, en de pinnen van de voorhof, met hun koorden;
Exo 35:19 De ambtsklederen om in het heilige te dienen, de heilige klederen van de priester Ašron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen.

Exo 35:20 Toen ging de hele vergadering van de kinderen Israels uit van voor het aangezicht van Mozes.
Exo 35:21 En zij kwamen, alle man, wiens hart hem drong, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte, die brachten het hefoffer des HEEREN tot het werk van de tent der samenkomst, en tot al haar dienst, en tot de heilige klederen.
Exo 35:22 Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten armbanden, en oorsiersels, en ringen, en spansels, alle gouden juwelen; en alle man offerde de HEERE een beweegoffer van goud.
Exo 35:23 En alle man, die in het bezit was van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar, en rood geverfde ramsvellen, en dassenvellen, die brachten ze.
Exo 35:24 Allen, die een hefoffer van zilver of koper offerden, die brachten het tot hefoffer des HEEREN; en allen, die in het bezit van sittimhout waren, brachten het tot alle werk van de dienst.
Exo 35:25 En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met hun handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijne linnen.
Exo 35:26 En alle vrouwen, wier hart hen drong in wijsheid, die sponnen het geitenhaar.
Exo 35:27 De oversten nu brachten sardonixstenen en stenen, tot bevestiging aan de efod en de borstlap;
Exo 35:28 En specerijen en olie, tot de kandelaar en tot de zalfolie, en tot het branden van welriekende specerijen.
Exo 35:29 Alle man en vrouw, welker hart hen drong vrijwillig te brengen tot al het werk, dat de HEERE geboden had te maken door de hand van Mozes; dat brachten de kinderen Israels tot een vrijwillig offer de HEERE.

Exo 35:30 Daarna zei Mozes tot de kinderen Israels: Ziet, de HEERE heeft met name geroepen BezaleŽl, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda.
Exo 35:31 En de Geest Gods heeft hem vervuld met wijsheid, met verstand, en met kennis, namelijk in alle handwerk;
Exo 35:32 En om te bedenken vernuftige gereedschappen, om te werken in goud, en in zilver, en in koper,
Exo 35:33 En in kunstig steensnijwerk, om in te zetten, en in kunstig houtsnijwerk; om te werken in alle vernuftig handwerk.
Exo 35:34 Hij heeft hem ook in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan.
Exo 35:35 Hij heeft hen vervuld met wijsheid des harten, om te doen alle werk van de graveur en van de vakman, en van de borduurders in hemelsblauw, en in purper, in scharlaken, en in fijn linnen, en van de wever; uitmuntend in alle werk en het bedenken van gereedschap.

Hoofdstuk 36
Exo 36:1 Toen gingen BezaleŽl en Aholiab, en die wijs van hart was aan het werk, alle man in wie de HEERE wijsheid en verstand gegeven had, om te weten, hoe zij maken zouden alle werk ten dienste van het heiligdom naar alles, dat de HEERE geboden had.
Exo 36:2 Want Mozes had geroepen BezaleŽl en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in wiens hart God wijsheid gegeven had, al wiens hart hem gedrongen had, dat hij toetrad tot het werk, om dat te maken.
Exo 36:3 Zij dan namen van voor het aangezicht van Mozes het gehele hefoffer, dat de kinderen Israels gebracht hadden, tot het werk van de dienst van het heiligdom, om dat te maken; doch zij brachten nog elke morgen vrijwillig offer tot hem.
Exo 36:4 Derhalve kwamen alle wijzen, die al het werk van het heiligdom maakten, ieder man van zijn werk, dat zij maakten;
Exo 36:5 En zij spraken tot Mozes, zeggende: Het volk brengt te veel, meer dan genoeg is ten dienste van het werk, dat de HEERE te maken geboden heeft.
Exo 36:6 Toen gebood Mozes, dat men een stem zou laten gaan door de legerplaats, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer tot hefoffer van het heiligdom! Alzo werd het volk weerhouden van meer te brengen.
Exo 36:7 Want er was genoeg materiaal tot het gehele werk, dat te maken was; ja, er was over.

Exo 36:8 Alzo maakte een ieder wijze van hart, onder degenen, die het werk maakten, de tabernakel van tien gordijnen, van getweernd fijn linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken met cherubim; van het allerkunstigste werk maakte hij ze.
Exo 36:9 De lengte van een gordijn was acht en twintig el, en de breedte van een gordijn vier el; al deze gordijnen hadden ťťn maat.
Exo 36:10 En hij voegde vijf gordijnen, de ťťn aan de andere; en hij voegde andere vijf gordijnen, de ťťn aan de andere.
Exo 36:11 Daarna maakte hij striklusjes van hemelsblauw aan de kant van een gordijnstel, aan de buitenste rand, voor de verbinding; hij deed het ook aan de buitenste rand van het tweede samenvoegende gordijnstel.
Exo 36:12 Vijftig striklusjes maakte hij aan het ene gordijnstel, en vijftig striklusjes maakte hij aan het buitenste van het andere gordijnstel; deze striklusjes kwamen de ene met de andere overeen.
Exo 36:13 Hij maakte ook vijftig gouden haakjes, en voegde de gordijnen samen, de ene aan de andere, met deze haakjes, dat het ťťn tabernakel werd.

Exo 36:14 Verder maakte hij gordijnen van geitenhaar, tot een tent over de tabernakel; van elf gordijnen maakte hij ze.
Exo 36:15 De lengte van een gordijn was dertig ellen, en vier ellen de breedte van een gordijn; deze elf gordijnen hadden ťťn maat.
Exo 36:16 En hij voegde vijf gordijnen samen bijzonder; wederom zes van deze gordijnen bijzonder.
Exo 36:17 En hij maakte vijftig striklusjes aan het gordijn, aan de uiterste kant in de verbinding; hij maakte ook vijftig striklusjes aan de samenvoegende kant van het andere gordijn.
Exo 36:18 Hij maakte ook vijftig koperen haakjes, om de tent samen te voegen, dat zij ťťn was.
Exo 36:19 Ook maakte hij voor de tent een bedekking van rood geverfde ramsvellen, en daarover een bedekking van dassenvellen.
Exo 36:20 Hij maakte ook voor de tabernakel berderen van staand sittimhout.
Exo 36:21 De lengte van een berd was tien el, en een el en een halve el was de breedte van elk berd.
Exo 36:22 Twee houvasten had een berd, als sporten in een ladder gezet, het ene naast het andere; alzo maakte hij het met al de berderen van de tabernakel.
Exo 36:23 Hij maakte de berderen voor de tabernakel; twintig berderen naar de zuidzijde zuidwaarts.
Exo 36:24 En hij maakte veertig zilveren voeten onder de twintig berderen; twee voeten onder een berd, aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd, aan zijn twee houvasten.
Exo 36:25 Hij maakte ook twintig berderen aan de andere zijde van de tabernakel, aan de noordzijde.
Exo 36:26 Met hun veertig zilveren voeten; twee voeten onder een berd, en twee voeten onder een ander berd.
Exo 36:27 Doch aan de zijde van de tabernakel tegen het westen, maakte hij zes berderen.
Exo 36:28 Ook maakte hij twee berderen tot hoekberderen van de tabernakel, aan de beide zijden.
Exo 36:29 En zij waren beneden als tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan het boveneinde samengevoegd met een ring; alzo deed hij met die beide, aan de twee hoeken.
Exo 36:30 Alzo waren er acht berderen met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder elk berd.
Exo 36:31 Hij maakte ook richels van sittimhout; vijf aan de berderen van de ene zijde van de tabernakel;
Exo 36:32 En vijf richels aan de berderen van de andere zijde van de tabernakel; alsook vijf richels aan de berderen van de tabernakel, aan de zijde westwaarts.
Exo 36:33 En hij maakte de middelste richel doorgaande in het midden van de berderen, van het ene einde tot het andere einde.
Exo 36:34 En hij overtrok de berderen met goud, en hun ringen -de plaatsen voor de richels- maakte hij van goud; de richels overtrok hij ook met goud.

Exo 36:35 Daarna maakte hij een voorhangsel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstigste werk maakte hij dat, met cherubim.
Exo 36:36 En hij maakte daartoe vier pilaren van sittimhout, die hij overtrok met goud; hun haken waren van goud, en hij goot hun vier zilveren voeten.
Exo 36:37 Hij maakte ook aan de ingang van de tent een voorhangsel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk;
Exo 36:38 En de vijf pilaren daarvan, en hun haken; en hij overtrok hun hoofden en banden met goud; en hun vijf voeten waren van koper.

Hoofdstuk 37
Exo 37:1 Alzo maakte BezaleŽl de ark van sittimhout; twee el en een halve was zijn lengte, en anderhalve el zijn breedte, en anderhalve el zijn hoogte.
Exo 37:2 En hij overtrok hem met louter goud, van binnen en van buiten; en hij maakte hem een gouden krans rondom.
Exo 37:3 En hij goot er vier gouden ringen voor, aan zijn vier hoeken, alzo dat twee ringen op de ene zijde waren, en twee ringen op zijn andere zijde.
Exo 37:4 En hij maakte handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.
Exo 37:5 En hij stak de handbomen in de ringen, aan de zijden van de ark, om de ark te dragen.
Exo 37:6 Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud; twee ellen en een halve was zijn lengte, en anderhalve el zijn breedte.
Exo 37:7 Ook maakte hij twee cherubim van goud; uit ťťn stuk maakte hij ze, uit de beide einden van het verzoendeksel.
Exo 37:8 Eťn cherub uit het ene einde aan deze zijde, en de andere cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel maakte hij de cherubim, uit haar beide einden.
Exo 37:9 En de cherubim spreiden de beide vleugels omhoog uit, bedekkende met hun vleugels het verzoendeksel; en hun aangezichten waren tegenover elkaar; de aangezichten der cherubim waren naar het verzoendeksel.

Exo 37:10 Hij maakte ook een tafel van sittimhout; twee el was haar lengte, en een el haar breedte; en een el en een halve haar hoogte.
Exo 37:11 En hij overtrok ze met louter goud; en hij maakte een gouden krans daaraan, rondom.
Exo 37:12 Hij maakte daaraan ook een lijst rondom, een hand breed; en hij maakte een gouden krans rondom haar lijst.
Exo 37:13 Hij goot ook vier gouden ringen daaraan; en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan haar vier voeten waren.
Exo 37:14 Tegenover de lijst waren de ringen tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.
Exo 37:15 Hij maakte ook de handbomen van sittimhout; en hij overtrok ze met goud, om de tafel te dragen.
Exo 37:16 En hij maakte het gereedschap, dat op de tafel zijn zou, haar schotels, en haar reukschalen, en haar kroezen, en haar schalen -waarmee zij bedekt zou worden-, van louter goud.
Exo 37:17 Hij maakte ook een kandelaar van louter goud. Uit ťťn stuk maakte hij deze kandelaar, zijn schacht, en zijn takken; zijn schaaltjes, zijn knoppen, en zijn bloemen waren uit hem.
Exo 37:18 Zes takken nu gingen uit zijn zijden; drie takken van de kandelaar uit zijn ene zijde, en drie takken van de kandelaar uit zijn andere zijde.
Exo 37:19 In de ene tak waren drie schaaltjes, gelijk amandelnoten, een knop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een andere tak, een knop en een bloem; alzo waren die zes takken, die uit de kandelaar gingen.
Exo 37:20 Maar aan de kandelaar zelf waren vier schaaltjes, gelijk amandelnoten, met zijn knoppen, en met zijn bloemen.
Exo 37:21 En daar was een knop onder twee takken, vandaar uitgaande; ook een knop onder twee takken, vandaar uitgaande; nog een knop onder twee takken, vandaar uitgaande; alzo was het met de zes takken, die vandaar uitgingen.
Exo 37:22 Hun knoppen en rieten waren uit hem; het was in het geheel een enig werk uit enig stuk van louter goud.
Exo 37:23 En hij maakte hem zeven lampen; zijn snuiters en zijn blusvaten waren van louter goud.
Exo 37:24 Hij maakte hem uit een talent louter goud, met al zijn benodigdheden.

Exo 37:25 En hij maakte het reukofferaltaar van sittimhout; een el was zijn lengte en een el zijn breedte, vierkant, maar twee el zijn hoogte; zijn hoornen uit ťťn stuk met hem.
Exo 37:26 En hij overtrok het met louter goud, zijn dak, en zijn wanden rondom, alsook zijn hoornen; en hij maakte het een gouden krans rondom.
Exo 37:27 Hij maakte ook twee gouden ringen daaraan, onder zijn krans, aan zijn twee hoeken, aan zijn beide zijden, tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmee droeg.
Exo 37:28 En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.
Exo 37:29 Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk van de zuiverste welriekende specerijen, naar apothekerswerk.

Hoofdstuk 38
Exo 38:1 Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout; vijf el was zijn lengte, en vijf el zijn breedte, vierkant, en drie el zijn hoogte.
Exo 38:2 En hij maakte de hoornen daarvan op zijn vier hoeken; daaruit waren zijn hoornen; en hij overtrok het met koper.
Exo 38:3 Hij maakte ook al het gereedschap van het altaar, de potten, en de scheppen, en de sprengbekkens, en de vleeshaken, en de kolenpannen; al zijn vaten maakte hij van koper.
Exo 38:4 Ook maakte hij aan het altaar een rooster van koperen netwerk, onder zijn omloop, van beneden tot zijn midden toe.
Exo 38:5 En hij goot vier ringen aan de vier einden van het koperen rooster, tot plaatsen voor de handbomen.
Exo 38:6 En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met koper.
Exo 38:7 En hij deed de handbomen in de ringen, aan de zijden van het altaar, dat men het daarmee droeg; hij maakte het hol van planken.
Exo 38:8 Hij maakte ook het koperen wasvat, met zijn koperen voet, van de spiegels der samengekomen vrouwen, die bijeengekomen waren voor de deur van de tent der samenkomst.

Exo 38:9 Hij maakte ook de voorhof, aan de zuidzijde zuidwaarts; de gordijnen van de voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd el.
Exo 38:10 Hun twintig pilaren en hun twintig voeten, waren van koper; de haken van deze pilaren en hun banden waren van zilver.
Exo 38:11 En aan de noordzijde honderd el, hun twintig pilaren en hun twintig voeten waren van koper; de haken van de pilaren en hun banden waren van zilver.
Exo 38:12 En aan de westzijde waren gordijnen van vijftig el, hun pilaren tien en hun voeten tien; de haken van de pilaren en hun banden waren van zilver.
Exo 38:13 En aan de oostzijde naar de opgang van de zon waren vijftig el.
Exo 38:14 De gordijnen aan deze zijde waren vijftien el, hun pilaren drie en hun voeten drie.
Exo 38:15 En aan de andere zijde van de ingang van de voorhof, van deze kant en de andere kant, waren gordijnen van vijftien el; hun pilaren drie en hun voeten drie.
Exo 38:16 Al de gordijnen van de voorhof waren rondom van fijn getweernd linnen.
Exo 38:17 De voeten nu van de pilaren waren van koper, de haken van de pilaren, en hun banden waren van zilver, en hun hoofden waren met zilver overtrokken, en al de pilaren van de voorhof waren met zilver overtrokken.
Exo 38:18 En het gordijn van de ingang van de voorhof was van geborduurd werk, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; en twintig el was de lengte, en de hoogte en de breedte was vijf ellen, zoals de gordijnen van de voorhof.
Exo 38:19 En hun vier pilaren en hun vier voeten waren van koper, hun haken waren van zilver; ook waren hun hoofden en hun banden overtrokken met zilver.
Exo 38:20 En al de pennen van de tabernakel en de voorhof rondom waren van koper.

Exo 38:21 Dit is de opsomming van de tabernakel, van de tabernakel der getuigenis, die geteld zijn in opdracht van Mozes, ten dienste van de Levieten, door de hand van Ithamar, de zoon van de priester Ašron.
Exo 38:22 BezaleŽl nu, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda, maakte al, dat de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 38:23 En met hem Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan, een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblauw, en in purper, en in scharlaken, en in fijn linnen.
Exo 38:24 Al het goud, dat in het werk verwerkt is, in het hele werk van het heiligdom, te weten, het goud van het beweegoffer, was negen en twintig talenten, en zevenhonderd en dertig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom.
Exo 38:25 Het zilver nu van de getelden van de vergadering was honderd talenten, en duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom.
Exo 38:26 Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar de sikkel van het heiligdom, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
Exo 38:27 En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voeten van het heiligdom, en de voeten van het voorhangsel; tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot een voet.
Exo 38:28 Maar uit de duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkels maakte hij de haken aan de pilaren, en hij overtrok hun hoofden, en maakte er banden voor.
Exo 38:29 Het koper nu van het beweegoffer was zeventig talenten, en twee duizend vierhonderd sikkels.
Exo 38:30 En hij maakte daarvan de voeten van de ingang van de tent der samenkomst, en het koperen altaar, en het koperen rooster, dat het had, en al het gereedschap van het altaar.
Exo 38:31 En de voeten van de voorhof rondom, en de voeten van de ingang van de voorhof, ook al de pennen van de tabernakel, en al de pennen van de voorhof rondom.

Hoofdstuk 39
Exo 39:1 Zij maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige klederen, die voor Ašron waren, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 39:2 Aldus maakte hij de efod, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.
Exo 39:3 En zij rekten de dunne tafels van goud uit, en sneden het tot draden, om te verwerken in het midden van het hemelsblauw, en in het midden van het purper, en in het midden van het scharlaken, en in het midden van het fijn linnen, van het allerkunstigste werk.
Exo 39:4 Zij maakten schouderbanden daaraan; aan zijn beide einden werd hij verbonden.
Exo 39:5 En de kunstige riem van zijn efod, die daarop was, was gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, gelijk als de HEERE aan Mozes bevolen had.
Exo 39:6 Zij bereidden ook de sardonixstenen, gezet in gouden kastjes, als zegelgraveersel gegraveerd, met de namen van de zonen van Israel.
Exo 39:7 En hij zette ze op de schouderbanden van de efod, tot stenen der gedachtenis voor de kinderen Israels, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 39:8 Hij maakte ook de borstlap van het allerkunstigste werk, zoals het werk van de efod, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.
Exo 39:9 Hij was vierkant; zij maakten de borstlap dubbel; een span was zijn lengte, en een span was zijn breedte, verdubbeld zijnde.
Exo 39:10 En zij vulden daarin vier rijen stenen: een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.
Exo 39:11 En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier en een Diamant.
Exo 39:12 En de derde rij van een Hyacint, Agaat, en Amethist.
Exo 39:13 En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; gezet in gouden kastjes in hun vullingen.
Exo 39:14 Deze stenen nu, met de namen van de zonen van Israel, waren twaalf, met hun namen, met zegelgraveersel; ieder met zijn naam, naar de twaalf stammen.
Exo 39:15 Zij maakten ook aan de borstlap aan de einden ketentjes, van gedraaid werk, uit louter goud.
Exo 39:16 En zij maakten twee gouden kastjes, en twee gouden ringen; en zij zetten die twee ringen aan de beide einden van de borstlap.
Exo 39:17 En zij zetten de twee gedraaide gouden ketentjes aan de twee ringen, aan de einden van de borstlap.
Exo 39:18 Doch de twee andere einden van de twee gedraaide ketentjes zetten zij aan de twee kastjes, en zij zetten ze aan de schouderbanden van de efod, recht op de voorzijde daarvan.
Exo 39:19 Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden van de borstlap zetten, binnen aan zijn boord, die aan de zijde van de efod is.
Exo 39:20 Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetten aan de twee schouderbanden van de efod, beneden, aan zijn voorkant, tegenover zijn andere naad, boven de kunstige riem van de efod.
Exo 39:21 En zij bonden de borstlap met zijn ringen aan de ringen van de efod, met een hemelsblauw snoer, zo dat hij boven de kunstige riem van de efod was; opdat de borstlap van de efod niet afgescheiden zou worden, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 39:22 En hij maakte de mantel van de efod van geweven werk, geheel van hemelsblauw.
Exo 39:23 En de hoofdopening van de mantel was in het midden daarvan, als de opening van een pantserhemd; deze opening had een boord rondom, opdat het niet gescheurd zou worden.
Exo 39:24 En aan de zomen van de mantel maakten zij granaatappels van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en getweernd linnen.
Exo 39:25 Zij maakten ook schelletjes van louter goud, en zij stelden de schelletjes tussen de granaatappels, aan de zomen van de mantel rondom, tussen de granaatappels;
Exo 39:26 Dat er een schelletje, daarna een granaatappel was; wederom een schelletje, en een granaatappel; aan de zomen van de mantel rondom; om te dienen, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 39:27 Zij maakten ook de mantels van fijn linnen, van geweven werk, voor Ašron en voor zijn zonen;
Exo 39:28 En de tulband van fijn linnen, en de mutsen voor Ašron's zonen van fijn linnen, en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen;
Exo 39:29 En de gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 39:30 Zij maakten ook de plaat van de heilige kroon van louter goud, en zij schreven daarop een schrift, met zegelgraveersel: De HEILIGHEID DES HEEREN.
Exo 39:31 En zij hechtten een snoer van hemelsblauw daaraan, om aan de tulband van boven te hechten, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.

Exo 39:32 Aldus werd al het werk van de tabernakel, van de tent der samenkomst voleindigd; en de kinderen Israels hadden het gemaakt naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had; alzo hadden zij het gemaakt.
Exo 39:33 Daarna brachten zij de tabernakel tot Mozes, de tent, en al haar gereedschap, haar haakjes, haar berderen, haar richels, en haar pilaren, en haar voeten;
Exo 39:34 En de bedekking van rood geverfde ramsvellen, en de bedekking van dassenvellen, en de voorhang van de bedekking;
Exo 39:35 De ark der getuigenis, en haar handbomen, en het verzoendeksel;
Exo 39:36 De tafel, met al haar gereedschap, en de toonbroden;
Exo 39:37 De loutere gouden kandelaar met zijn lampen, de lampen, die men toebereiden moest, en al zijn gereedschap, en de olie tot het licht;
Exo 39:38 Verder het gouden altaar, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen, en het voorhangsel van de ingang der tent.
Exo 39:39 Het koperen altaar, en het koperen rooster, dat het heeft, zijn handbomen, en al zijn gereedschap; het wasvat en zijn voet;
Exo 39:40 De gordijnen van de voorhof, zijn pilaren en zijn voeten, en het gordijn van de ingang van de voorhof, zijn koorden, en zijn pennen, en al het gereedschap van de dienst van de tabernakel, tot de tent der samenkomst;
Exo 39:41 De ambtsklederen, om in het heiligdom te dienen, de heilige klederen van de priester Ašron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen.
Exo 39:42 Naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had, alzo hadden de kinderen Israels het hele werk gemaakt.
Exo 39:43 Mozes nu bezag het ganse werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, zoals de HEERE geboden had; alzo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.

Hoofdstuk 40
Exo 40:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Exo 40:2 Op de dag van de eerste maand, te weten op de eerste van de maand, zult gij de tabernakel, de tent der samenkomst, oprichten.
Exo 40:3 En gij zult aldaar zetten de ark der getuigenis; en gij zult de ark met het voorhangsel aan het oog onttrekken.
Exo 40:4 Daarna zult gij de tafel daarin brengen, en toebereiden wat er bij behoort; gij zult ook de kandelaar daarin brengen, en zijn lampen aansteken.
Exo 40:5 En gij zult het gouden altaar voor het reukwerk voor de ark der getuigenis zetten; dan zult gij het voorhangsel van de ingang van de tabernakel ophangen.
Exo 40:6 Gij zult ook het altaar van het brandoffer zetten voor de ingang van de tabernakel, van de tent der samenkomst.
Exo 40:7 En gij zult het wasvat zetten tussen de tent der samenkomst en het altaar; en gij zult water daarin doen.
Exo 40:8 Daarna zult gij de voorhof rondom zetten, en gij zult het voorhangsel ophangen aan de ingang van de voorhof.
Exo 40:9 Dan zult gij de zalfolie nemen en zalven de tabernakel, en al wat daarin is; en gij zult die heiligen, met al zijn gereedschap, en het zal een heiligheid zijn.
Exo 40:10 Gij zult ook het altaar van het brandoffer zalven, en al zijn gereedschap; en gij zult het altaar heiligen, en het altaar zal heiligheid der heiligheden zijn.
Exo 40:11 Dan zult gij het wasvat zalven, en zijn voet; en gij zult het heiligen.
Exo 40:12 Gij zult ook Ašron en zijn zonen doen naderen, tot de ingang van de tent der samenkomst; en gij zult hen met water wassen.
Exo 40:13 En gij zult Ašron de heilige klederen aantrekken; en gij zult hem zalven, en hem heiligen, dat hij Mij het priesterambt bedient.
Exo 40:14 Gij zult ook zijn zonen doen naderen, en zult hun de klederen aantrekken.
Exo 40:15 En gij zult hen zalven, gelijk als gij hun vader zult gezalfd hebben, dat zij Mij het priesterambt bedienen. En het zal geschieden, dat hun zalving hun zal zijn tot een eeuwig priesterschap bij hun geslachten.

Exo 40:16 Mozes nu deed het naar alles, wat hem de HEERE geboden had; alzo deed hij.
Exo 40:17 En het geschiedde in de eerste maand, in het tweede jaar, op de eerste van de maand, dat de tabernakel opgericht werd.
Exo 40:18 Want Mozes richtte de tabernakel op, en zette zijn voeten, en stelde zijn berderen, en zette zijn richels daaraan, en hij richtte zijn pilaren op.
Exo 40:19 En hij spreidde de tent uit over de tabernakel, en hij legde de bedekking van de tent daar bovenop, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 40:20 Voorts nam hij, en legde de getuigenis in de ark, en deed de handbomen aan de ark, en hij zette het verzoendeksel boven op de ark.
Exo 40:21 En hij bracht de ark in de tabernakel, en hij hing het voorhangsel tot bedekking op, en onttrok de ark der getuigenis aan het oog, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 40:22 Hij zette ook de tafel in de tent der samenkomst, aan de noordzijde van de tabernakel, buiten het voorhangsel.
Exo 40:23 En hij schikte daarop het brood in orde, voor het aangezicht des HEEREN, zoals de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 40:24 Hij zette ook de kandelaar in de tent der samenkomst, recht tegenover de tafel, aan de zijde van de tabernakel, zuidwaarts.
Exo 40:25 En hij stak de lampen aan voor het aangezicht des HEEREN, zoals de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 40:26 En hij zette het gouden altaar in de tent der samenkomst, voor het voorhangsel.
Exo 40:27 En hij stak daar reukwerk op aan van welriekende specerijen, zoals de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 40:28 Hij hing ook het voorhangsel van de ingang van de tabernakel op.
Exo 40:29 En hij zette het altaar van het brandoffer voor de ingang van de tabernakel, van de tent der samenkomst; en hij offerde daarop brandoffer, en spijsoffer, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 40:30 Hij zette ook het wasvat tussen de tent der samenkomst en het altaar; en hij deed water daarin om te wassen.
Exo 40:31 En Mozes en Ašron, en zijn zonen wasten daaruit hun handen en hun voeten.
Exo 40:32 Als zij ingingen tot de tent der samenkomst, en als zij tot het altaar naderden, zo wasten zij zich, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.
Exo 40:33 Hij richtte ook de voorhof op, rondom de tabernakel en het altaar, en hij hing het voorhangsel van de ingang van de voorhof op. Alzo voleindigde Mozes het werk.

Exo 40:34 Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde de tabernakel.
Exo 40:35 Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent der samenkomst, omdat de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid des HEEREN de tabernakel vervulde.
Exo 40:36 Als nu de wolk opgeheven werd van boven de tabernakel, zo reisden de kinderen Israels voort in al hun reizen.
Exo 40:37 Maar als de wolk niet opgeheven werd, zo reisden zij niet tot op de dag, dat zij opgeheven werd.
Exo 40:38 Want de wolk des HEEREN was op de tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het ganse huis Israels in al hun reizen.

Aantekeningen

6:3 God de Almachtige: in het Hebr. El Shaddai;
HEERE : in het Hebr. YahWeh.
12:6 tussen twee avonden: tussen ongeveer 3 uur 's middags en zonsondergang
12:11 pascha: Hebr. voor: voorbijgaan, overslaan
16:15 Manna, lett.: wat is dit?
19:6
22:20