Ter inleiding

In dit boekje wordt verteld over de belevenissen van kinderen en jonge mensen toen de Heilige Geest over hen werd uitgestort. Ze behoorden allen tot de Adullam-zendingspost in Yunnanfu in de Yunnan provincie van China (ca 1935). Voor het merendeel waren deze kinderen afkomstig van de straat, echte bedelaartjes. Sommigen van hen hadden alleen nog een vader of moeder en waren bij ons gebracht. Zij behoorden in alle gevallen tot de armsten van het land. Er waren echter ook velen onder hen uit andere provincies, die van hun ouderlijk huis waren weggelopen.
Maar waar zij ook vandaan kwamen, het merendeel van hen - jongens tussen de zes en achttien jaar - had geen enkele opvoeding genoten en was ongeschoold. Bedelen is in dit land een beroep, dat niet zonder stelen en roven kan worden beoefend. Hun moraal was er dan ook naar.
Zodra zij bij ons in huis kwamen werden zij echter dagelijks met zorg uit de Heilige Schrift onderwezen, al naar gelang hun bevattingsvermogen. Omdat zij zo open stonden voor hetgeen hun werd geleerd, waren velen al bekeerd voordat de vervulling met de Heilige Geest plaats vond, terwijl anderen goed op de hoogte waren van het allervoornaamste wat de Bijbel leert. Allen die de Heilige Geest ontvingen, wisten wel zoveel dat zij geloofden in de Ene God en in het bloed van Jezus Christus hun redding zagen. Zij baden echter ook om de volheid van de Geest. Zij zochten Jezus. Niemand van hen zocht gezichten of mededelingen vanuit de hemel, want deze dingen waren zowel ons als hen geheel onbekend. Maar zij zochten Jezus en Zijn licht en gemeenschap gedurende al de weken waarin de Heilige Geest op ons kwam.
In dit bezoek van God handelde de Geest met een ieder persoonlijk: zowel met de oudsten als met de jongsten, met hen die het eerst bij ons waren gekomen als met de laatst aangekomenen, met de besten als ook met de allerslechtsten. Zij zaten om de tafel van hun aller Vader en ervoeren allen op dezelfde wijze de hemelse volheid.
Deze beloofde gave van de Geest was onmiskenbaar een liefdegave uit genade zonder werken of persoonlijke verdiensten. Het was niet iets geforceerds of iets wat men opzettelijk had gezocht, maar het kwam van boven! Het was niet het resultaat van menselijke pedagogie, maar het was een zegen die van God kwam. De belevenissen die wij straks zullen weergeven kunnen niet verstandelijk worden verklaard.

1. Deze wonderen kan men onmogelijk toeschrijven aan het natuurlijke verstand van deze ongeschoolde, geestelijk niet ontwikkelde en fantasieloze kinderen.

2. Deze geestelijke belevenissen, gezichten en openbaringen kunnen ook niet uit het onderbewuste van deze kinderen zijn voortgekomen. Daarvoor waren zij te jong, te onwetend en nog te kort uit het heidendom gered, om al te weten wat de Bijbel over deze dingen leert.

3. Ook kan men niet zeggen dat zij door anderen zijn beïnvloed, want zelf hebben wij nog nooit zulke gezichten ontvangen en zijn ook nooit in samenkomsten geweest waar zoiets plaats vond, terwijl wij ook nergens hadden gelezen en gehoord dat zulke gezichten werden gegeven, zoals onze kinderen die beleefden. Voor ieder van ons waren deze belevenissen nieuw.

4. Ook kon het ene kind het andere niets leren of bijbrengen, want toen de Heilige Geest op ons neerdaalde, werden velen op hetzelfde moment vervuld en hoewel zij zich in verschillende kamers bevonden, ontvingen soms een aantal kinderen toch gelijktijdig hetzelfde gezicht. Het was volkomen uitgesloten dat de één het van de ander overnam.

5. Verder stemden deze gezichten met hun ontelbare bijzonderheden zozeer met elkaar overeen, dat hier geen verstandelijke uitleg voor gegeven kan worden. Zelfs de meest onwetende kinderen onder hen, gaven desgevraagd zowel individueel als in groepsverband een klaar en duidelijk antwoord, zoals dit door betrouwbare getuigen kan worden bevestigd.

6. Tenslotte kunnen deze gebeurtenissen niet worden gezien als een soort geestelijke opwinding, noch als een godsdienstwaanzin, noch als een vorm van menselijke ontroering. Ook kunnen die gebeurtenissen niet worden toegeschreven aan een overspannen toestand of aan iets wat men zelf heeft bedacht. Van al deze dingen was geen sprake. De uitstorting van de Heilige Geest kwam over deze kinderen onder normale omstandigheden.
De gezichten en openbaringen die de kinderen van Adullam ontvingen, stemmen overeen met die, welke door de eerste gemeente zijn ontvangen. Ook die waren bovennatuurlijk.

Bovennatuurlijke gezichten en openbaringen zijn de pijlers waarop de Christelijke gemeente werd gegrondvest en waarop ze vandaag de dag nog staat. De hele Bijbel, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, is immers een bovennatuurlijke openbaring van God. In het Oude Testament openbaarde God veel van Zijn wil door tot Zijn knechten, de profeten, te spreken door middel van directe inspiratie waarbij het verstand van de profeten geen rol kon spelen. God verscheen aan mensen en sprak tot hen door een stem. Zo deed God met Mozes en Mozes gaf wat hij ontving, weer door aan het volk. God openbaarde zich aan de mens in dromen, gezichten en andere openbaringen. Engelen brachten boodschappen naar de aarde en waren voortdurend bezig om de plannen van God aan de mensen bekend te maken. In nog vollere omvang is ook het hele Nieuwe Testament een bovennatuurlijke openbaring. Paulus zei van het Evangelie dat hij predikte:
"Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus" (Gal. 1:12). Bijna alles wat hij in de brieven schrijft is gewoon een deel van de bovennatuurlijke openbaring van Jezus Christus. Zonder deze openbaringen en zonder de gezichten en boodschappen van God, zoals onze kinderen van Adullam die ontvingen, bestaat er geen waarachtig Christendom. De gemeente Gods werd op deze wijze gesticht en bestaat tot op heden dank zij de bovennatuurlijke boodschappen van God, die de wieg vormden waarin zij werd geboren en waardoor zij opgroeide tot een door God gewild opstandingsleven. Toen Herodes het kindje Jezus wilde doden, werden de wijzen uit het oosten door God in een droom gewaarschuwd om niet tot Herodes terug te keren. Een engel verscheen aan Jozef in de droom.
Paulus hoorde in een gezicht de stem of de roep van een man uit Macedonië. Toen hij in Jeruzalem in gebed was raakte hij in zinsverukking en zag Jezus, die tot hem sprak en hem aanwijzingen gaf voor Zijn werk. Petrus raakte eveneens in zinsverukking toen hij in gebed was. Hij zag een gezicht en hoorde de Heer met woorden en een stem tot zich spreken.
Midden op de dag verscheen er een engel aan Cornelius.
Het hele boek Openbaringen werd aan Johannes gegeven toen hij in de geest was. De Heer sprak met luide stem tot hem. Het is één lange openbaring, die engelen door middel van gezichten overbrachten.
In 2 Kor. 12 lezen we dat Paulus het Paradijs zag. Of Paulus stierf en voer ten hemel buiten het lichaam, of hij werd in een gezicht naar de hemel verplaatst, zoals onze kinderen uit Adullam. De openbaringen die hij ontving waren zo buitengewoon groot en zo ongewoon, dat God bij hem een rem moest aanbrengen opdat hij niet te trots zou worden.
In de eerste gemeente hadden de engelen veel te doen. De discipelen werden vaak door de engelen beschermd en geleid in hun werk. Zo werden zij door engelen aan het geweld van aardse machthebbers ontrukt.
Een engel zei tegen Filippus dat hij naar Gaza moest gaan.
Een engel stond 's nachts bij Paulus op het schip en sprak hem moed in.
Cornelius, zijn familie en zijn buren kwamen tot geloof in de Heer en werden gedoopt met de Heilige Geest, op aansporing van een engel die persoonlijk met hem gesproken had. De engel verscheen hem in een blinkend kleed en maakte hem de verblijfplaats van Petrus bekend.
Toen Petrus in de gevangenis zat, werd hij door een engel bevrijd. Deze engel maakte de kettingen los van zijn handen en voeten, beval hem zijn mantel om te doen, opende de deur van de gevangenis en stelde hem zo in vrijheid.
Maar de allergrootste bovennatuurlijke mededeling die de eerste gemeente doet, is die van de belofte van de Heilige Geest, waarvan Christus had beloofd dat Hij die na Zijn Hemelvaart tot de Zijnen zou zenden.
De eerste gemeente bad niet uit een gebedenboek en sprak ook geen gebeden uit die zij had geleerd, maar zij bad vanuit haar hart en God antwoordde op iedere harteroep. Als er voor de discipelen gevaar dreigde, kwamen zij bij elkaar en baden. Dat was geen formuliergebed of een mooi opgesteld gebed dat uit het hoofd was geleerd en het menselijk gehoor streelde, maar een ieder riep op dat moment vanuit de nood van zijn hart tot God.
Zo bestond er een echt gebedsuur voor elke nood. En als God antwoordde dan wist iedereen dat Hij antwoordde. De Heilige Geest bewoog de plaats waar gebeden werd en vervulde allen met bovennatuurlijke kracht, zodat ze heengingen en met de doodstraf voor ogen het Evangelie verkondigden. Die allereerste gemeente wist dat er een God is, Die leeft. Door de Heilige Geest was Christus in hun midden. Hij werkte bovennatuurlijke dingen onder hen door de Heilige Geest. "Want de één wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken en de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; de één geloof door dezelfde Geest en de ander gaven van genezingen door die ene Geest; de één werking van krachten, de ander profetie; de een het onderscheiden van geesten, en de ander allerlei tongen, en weer een ander vertolking van tongen" (1 Kor. 12: 8-10).

Waar is de levende God, die onze vaderen-in-het-geloof met machtige hand uit Egypte leidde, voor het oog van alle heidenen? Waar is onze God, wiens stem men vroeger kon horen, ja wiens stem de hele aarde deed beven? Wat is er van onze God geworden, Die van tijd tot tijd Zijn engelen zond om de Zijnen te dienen? Wat is er van de engelen geworden? En waar is de Christus van de Bijbel?
"Zij hebben mijn Here weggenomen, en ik weet niet waar zij Hem neergelegd hebben."
Wat is er van de beloften terechtgekomen? Christus zei, dat het beter voor Zijn volk zou zijn dat Hij heenging, want dan zou Hij in de Heilige Geest nog veel inniger en vertrouwder met de mensen omgaan dan in enig tijdperk daarvoor. Zijn belofte luidde:
"Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik hem tot u zenden ... Wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader" (Joh. 16:7; 14: 12).
De Heer is heengegaan, zoals Hij gezegd heeft. Waar ter wereld is de Heilige Geest, die komen zou om Zijn plaats in te nemen, om Zijn werk te voltooien en temidden van Zijn gemeente Zijn aanwezigheid te tonen door middel van wonderen en tekenen, totdat het werk volbracht is? Is God soms gestorven? Zo ja, wanneer dan? Of heeft Hij zich zozeer teruggetrokken, dat Hij voor de aarde geen belangstelling meer heeft? Is Hij niet meer in staat om te laten zien wie Hij is? Zijn de engelen verdwaald en op andere plaatsen terechtgekomen, zodat zij ons niet meer kunnen vinden? Zo ja, wanneer is dat dan gebeurd?
En de Heilige Geest, de grote Plaatsvervanger voor Christus die wonderen deed, op Wiens woord de golven gehoorzaamden en de graven zich openden, heeft die Plaatsvervanger uiteindelijk maar zwakke invloed? Waar is de Heilige Geest, Die na het gebed de plaats bewoog en door bidders later de hele wereld in beweging bracht? Als er waarlijk een levende God bestond, dan is Hij er ook vandaag nog! Als het waar is dat de Heilige Geest eens tot Gods kinderen werd gezonden, dan is Hij ook nu nog bij hen! Als datgene wat er in de Bijbel staat over zijn bovennatuurlijke openbaringen, van God is, dan zijn naar wij mogen verwachten ook de gezichten, de geestvervoeringen en openbaringen van onze kinderen van Adullam bovennatuurlijk, omdat God hen bezocht.
Deze vervoeringen, gezichten, openbaringen en bovennatuurlijke boodschappen behoren tot de normale gang van zaken in een bovennatuurlijk gegrondveste, bovennatuurlijk vervulde en bovennatuurlijk geleide Nieuwtestamentische gemeente, de enige gemeente waar de Bijbel van spreekt en aan wie zij iets belooft.

1 Machtige uitstorting van de Heilige Geest.

De morgenwijding en het gebedsuur daaropvolgend, duurden langer dan gewoonlijk. De oudste kinderen verlieten de een na de ander het vertrek om hun lessen in het schoollokaal te gaan volgen, terwijl de kleintjes nog ernstig geknield bleven bidden. De Heer was heel dicht bij ons. Wij voelden allen de tegenwoordigheid van de Heilige Geest in ons midden. Vele kinderen die weggegaan waren kwamen terug. Allen werden zich zo sterk bewust van zonde en schuld, dat zij met betraande ogen en met opgeheven handen tot God riepen om vergeving van hun zonden, die op dat moment zwart leken.
Hier hadden wij al lang om gebeden. De een na de ander viel neer onder de machtige aanraking van de Heilige Geest, totdat er ongeveer twintig languit op de grond lagen. Toen ik zag dat de Heer op het punt stond iets bijzonders te doen in ons midden, sloop ik zachtjes naar het schoollokaal en zei tegen de jongens, dat zij mochten komen als zij ook wilden blijven bidden. Al heel gauw was de Chinese onderwijzer de enige die in het schoollokaal achterbleef. Al zijn leerlingen hadden zich aangesloten bij de biddende groep en baden van ganser harte mee en prezen God. Toen hij merkte dat er voor hem niets meer te doen viel, ging hij naar huis. Ik had hem niet speciaal uitgenodigd, want ofschoon hij al lang bij ons was, scheen hij geen enkel begrip te hebben voor de geestelijke dingen en was er niet in het minst van overtuigd dat hij gered moest worden. Maar hij was nog niet ver of hij keerde om. Toen hij in de gebedskamer kwam, bemerkte niemand dit, want ieder had voor het aangezicht van de Heer genoeg aan zichzelf. De onderwijzer ging naar de verste hoek van de kamer, waar hij voor het eerst van zijn leven neerknielde om God te aanbidden. De kracht van God was zo overweldigend, dat ik het beter vond de jonge onderwijzer aan zichzelf en aan God over te laten. Het duurde dan ook niet lang of ik zag dat ook hij met opgeheven handen en met tranen in de ogen God aanriep om vergeving van zijn zonden. Ik hoorde hem bekennen dat zijn zonden vele, ja zeer vele waren. Ik wist dat hij een trotse jongeman was en toen ik zag hoe hij zichzelf nu zo blootgaf in tegenwoordigheid van zijn leerlingen begreep ik dat hij enkel tot deze schuldbelijdenis had kunnen komen omdat de Heilige Geest hem daarvan had overtuigd.
Het gebedsuur bleef uren duren en niemand scheen er behoefte aan te hebben de gebedskamer te verlaten. Ik behoefde niets te zeggen en mocht ook niets zeggen om hen daar te houden. De Heer had de leiding helemaal in Zijn hand. Ik probeerde alleen maar om Hem niet in de weg te staan. Terwijl de kinderen nu in gezichten de verschrikkingen van de hel zagen, het gejammer van de verloren zielen hoorden en de verschrikking van de duivel en zijn helpers ervoeren, nam hun schreeuwen zulke vormen aan, dat het alles overtrof wat ik ooit gehoord of gedroomd had. Het was zo'n realiteit voor hen allen, dat velen meenden dat zijzelf gebonden naar de ingang van de hel werden gesleept. Dit alles ervoeren zij niet als een droom, maar als tastbare werkelijkheid. De vloek van de zonde en de macht die de duivel over hen had tengevolge van de zonde, kwelde hen alsof zij het werkelijk voelden. Maar de bevrijding van deze boze macht door de genade van Jezus Christus ervoeren zij eveneens. Nadat zij de bevrijding uit de macht van satan beleefd hadden, wisten zij ook terdege dat hun redding en zaligheid een feit was. Gelet op de situatie waaruit zij gered waren, getuigden hun blijdschap, hun lachen en de vrede van hun hart, van een ervaring die zij nooit meer zouden kunnen vergeten.
Daar zij van 's morgens vroeg tot laat in de namiddag in de tegenwoordigheid van God waren gebleven dacht ik, toen zij voor het avondeten werden geroepen, dat het gebedsuur tenminste voor deze dag afgelopen zou zijn. Maar ik had mij vergist. Slechts enkelen gingen, maar kwamen ook gauw weer terug en zeiden, dat zij de hele nacht op de Heer wilden wachten. Dit was beslist iets nieuws voor ons, want voordien duurde een dienst van een uur velen al veel te lang. Wij hadden reeds lang gehoopt, dat zij meer naar het gebed zouden verlangen en wie zou hen dan nu willen tegenhouden, nu zij wilden bidden? Elk kind ging deze nacht pas naar bed toen het zeer laat was en eerst om zes uur hielden de laatste lofprijzingen op. Deze morgenwijding had een volle twintig uur geduurd.

Weken van aanhoudende regen

Nadat de stromen van de Geest twee dagen lang hadden gevloeid, leken zij op te houden. Toen wij dat merkten, keerden wij tot de dagelijkse gang van zaken terug in de hoop 's avonds meer tijd in gebed te kunnen doorbrengen. De jongens gingen zich weer bezig houden met hun lessen op school en ik ging op zoek naar een paar mensen, die met ieder van de kinderen persoonlijk over hun heil zouden kunnen spreken.
Onze morgenwijding begon 's morgens om half zeven. Zoals gewoonlijk baden we allen gelijktijdig en ieder mocht de samenkomst verlaten als hij gebeden had. Toen ik om ongeveer twaalf uur terugkwam, hoorde ik in de gebedskamer iemand bidden. Toen ik wilde weten wie dat was, zag ik, dat onze meest rustige en verlegen jongen Wang Gia Swen, acht jaar oud, zich achter het orgel had verstopt en huilend om vergeving van zijn zonden bad. Hij had niet ontbeten en had zonder onderbreken vanaf de morgenwijding tot op dat moment gebeden.
Toen ik de kamer weer uitging, kwamen de kinderen uit school. Na het middageten wachtte hen het werk in de tuin of een of andere taak in huis. Enigen vroegen mij of zij soms weer mochten gaan bidden. Toen hen dit werd toegestaan, gingen slechts weinigen aan het werk. De meesten begaven zich naar de gebedskamer en begonnen weer te bidden. Al heel gauw daarna volgde een nieuwe uitstorting van de Heilige Geest. Deze stroom hield zo aan, dat gedurende een hele week niemand meer probeerde het dagelijks werk te doen. Men deed slechts het hoogst noodzakelijke. Ieder voor zich bracht alle vrije tijd door in gebed tot God, om maar niets te missen van alle zegeningen van de hemel, die God gaf.
De eerste dagen werd eten en slapen bijna vergeten. Steeds wanneer de jongelui begonnen te bidden, daalde de kracht van God neer en vielen er een aantal op de grond. Het was onmogelijk op de vaste tijden te eten, zonder het werk van de Heilige Geest te onderbreken. Wanneer sommigen bemerkten dat de kracht van God zich ophief, gingen zij eten en keerden dadelijk weer naar de gebedskamer terug om verder te genieten van de gemeenschap met de Heilige Geest. Deze manifestaties van de Heilige Geest bleven zo voortduren, dat op ieder moment van de dag tot laat in de nacht, wel een van de jongens onder de kracht van de Geest was.
Wanneer het 's avonds om negen of tien uur stiller werd, stelden wij voor dat allen naar bed zouden gaan en tot de volgende morgen zouden rusten. Toch bleven er altijd nog enkelen achter om nog langer op de Heer te wachten. En terwijl zij verder gingen met bidden, kwamen ook bijna alle anderen weer uit bed om te bidden. In die tijd kreeg niemand 's nachts veel slaap. Sommige jongens verlieten de hele nacht de kamer niet. Zij wilden niet slapen. Als de slaap hen overviel, lagen zij een tijdje op de grond en knielden dan weer voor gebed om de Heer te zoeken en spoedig bevonden zij zich weer helemaal in de Heer. Een ding staat vast, het was een werk van de Heilige Geest, die van de zendelingen niets anders verlangde, dan dat zij Hem niet voor de voeten zouden lopen en niet zouden proberen Hem door een verstandelijke aanpak te hinderen.
Voor ons was het zaak dat wij onze eigen harten openden om meer te ervaren van Gods zegeningen, die in zulke stromen neerkwamen. Of we nu wel of niet aanwezig waren in deze samenkomsten maakte nauwelijks enig verschil. Op een van de eerste morgens werden wij op de bovenste verdieping opgehouden. Zonder enige aansporing tot gebed waren de kinderen stuk voor stuk naar de gebedskamer gegaan en loofden en prezen God. Toen ook wij, na alle onderbrekingen, de gebedskamer binnenkwamen, zagen wij dat reeds een paar van de jongste kinderen onder de kracht van de Heilige Geest op de grond lagen, terwijl zij in andere tongen zongen, zoals de Geest dit ieder gaf uit te spreken. Vanaf het begin bewogen de uitingen van de Geest, de gezichten en openbaringen zich op zo'n hoog bovennatuurlijk niveau, dat het onze beperkte kennis en onze ervaringen in bovennatuurlijke zaken verre te boven ging.
Zowel mijn lieve vrouw als ikzelf moest toegeven, dat de zaken al zo ver gevorderd waren, dat wij nog slechts onze toevlucht konden nemen tot het geloof in Gods beloften en vertrouwen dat Hij sterker was dan de duivel. Daar wij uit ervaring wisten dat wij ons op Gods beloften konden verlaten, namen wij ook nu onze toevlucht daartoe.
Er is immers beloofd dat wie de Vader om brood bidt niet bevreesd hoeft te zijn dat hij een steen zal ontvangen en dat wie Hem om een vis bidt, geen slang zal krijgen of wie Hem om een ei vraagt niet afgescheept zal worden met een schorpioen. Zo zal degene die Hem zoekt uit zuivere motieven, zoals deze kinderen de vergeving van hun zonden hadden gezocht, geen demon worden gegeven maar juist datgene wat hij zoekt, en wel boven bidden en denken (Luc. 11:13).
Gedurende al de weken die volgden, bewees God dat Zijn beloften waar zijn. En omdat Hij ons dit ook vroeger reeds had laten ervaren, waren wij hierdoor niet bevreesd toen wij Gods wonderbare werken onder ons zagen en hoorden. Iedere dag gebeurde er iets anders, het ene wonder overtrof het andere en de Heer voerde onze Adullamvluchtelingen in de school van de Heilige Geest van klas tot klas en van heerlijkheid tot heerlijkheid.

2 Bovennatuurlijke uitingen van de Heilige Geest

Vele wonderbare uitingen van de Heilige Geest vielen aan die kinderen ten deel die bijna niets afwisten van wat de Bijbel over dit onderwerp leert. Daarom zijn de gezichten, die zij ontvingen een bevestiging van de uitstorting van de Heilige Geest, zoals dit in het Nieuwe Testament beschreven is.
Enkele kinderen hadden ons nog nooit horen spreken over de late regen als de uitstorting van de Heilige Geest in onze tijd, maar zij ervoeren het in werkelijkheid wel als een regen.

De late regen

Terwijl wij allemaal met gesloten ogen de Heer prezen, kregen enkele kinderen het gevoel alsof er regendruppels op hun hoofd vielen. Maar zij gingen zo op in het zoeken van de Heer, dat zij de zegen niet wilden missen door hun ogen open te doen en rond te kijken. Maar tegelijkertijd verbaasden zij er zich over hoe het op hun hoofd kon regenen, terwijl er nog een verdieping en een dak tussen hen en de hemel was. Doch toen de druppels vielen werden hun harten verkwikt. Toen het druppelen in een stortbui veranderde, was het toch zo wonderheerlijk, dat al spoedig werd vergeten hoe het mogelijk was dat het op onze verdieping kon regenen. De stortbui werd een stroom en de stroom vulde de hele kamer en het water steeg hoger en hoger, totdat de gelukkige zoeker-naar-God in de levengevende hemelstroom zwom. Verscheidene kinderen ervoeren op verschillende tijden de uitstorting van de Heilige Geest als stromende regen.
Zes maanden later, na een zekere droogte, werden de vensters van de hemel opnieuw geopend en beleefden wij een volgende uitstorting van de Heilige Geest. Weer voelden twee van de jongste kinderen dat de Geest als een regen neerstroomde, de late regen, die als het ware op hun hoofd viel totdat zij drijfnat en doordrenkt waren.
Door de Schriftstudie en directe openbaring door de Geest heeft Adullam heden de betekenis van het woord regen leren verstaan. Nu begrijpen wij het Schriftwoord:
"Dit is het waarvan gesproken is door de profeet Joël: Hij heeft u als voorheen de vroege regen gegeven, en u regenstromen, vroege regen en late regen gezonden, in de eerste maand"(Hand.2:16 en Joël 2:23).
De vroege regen daalde neer op de eerste gemeente, de basisgemeente, die op de Pinksterdag op aarde werd gesticht en op de gemeente van de daarop volgende drie eeuwen. De vroege regen kwam in de herfst, nadat het graan in de aarde was gezaaid. Daarna kwam volgens 2 Thess.2:1-4 de grote afval en de lange winter van donkere eeuwen, waarin het graan in de aarde was gestrooid. De Gemeente in de wereld, naar het scheen dood. Toen begonnen de druppels van de late regen te vallen op de eerste dag, of volgens de oude vertaling in de eerste maand, door Luther, Wesley, Fox, Finney, Moody en andere dienstknechten van God.
Redding door het geloof, de ervaring van de wedergeboorte, een leven van heiliging; eerst de halm, dan de aar. Zo was het ook hier in Adullam. Toen begon de regen in stromen te vallen. Heiliging door het geloof in Christus en in Zijn Naam werd opnieuw werkzaam. De Heer laat weer duivelen uitwerpen, geneest de zieken, wekt de doden op en betoont zich de almachtige God temidden van hen die Hem geloven en Hem vertrouwen. De hoop op de wederkomst van Christus wordt weer levend. De Heer doopt opnieuw gelovigen met Zijn Geest, zoals in het begin bij de vroege regen, zodat zij profeteren en in andere tongen spreken, zoals de Geest het hun geeft uit te spreken.
De oogst is nabij. De vroege regen - de regen op het uitgestrooide zaad - kwam op de tijd dat dit nodig was. De late regen - de oogstregen - zal in overvloed neerdalen om het koren te doen rijpen, om de gemeente tot volmaaktheid te brengen. De regen zal in stromen neervallen. De grootste opwekking, die de wereld ooit heeft gezien, moet nog komen. De grootste goddelijke wonderen in de gemeente van Jezus Christus verschijnen aan de horizon van haar geschiedenis. De uitstorting van de late regen staat voor de deur. Wolken bedekken reeds de hemel. Overeenkomstig Zijn voorheen gegeven belofte zal de Heer nu spoedig Zijn Geest uitstorten op alle vlees. De eerste gemeente was het zaad dat tijdens de vroege regen werd uitgestrooid, in de aarde viel en stierf en nu als een veelvoudige vrucht te voorschijn komt. Spoedig zal de rijpe tarwekorrel op de aarde zichtbaar worden. Ver boven alles uit wat op de Pinksterdag gebeurde zullen "uw zonen en dochters profeteren en uw jongelingen gezichten zien," en zo zal ook de belofte in vervulling gaan, die zegt: "Op Mijn dienstknechten en dienstmaagden zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten" (Joël 2:28, 29 en Hand.2:17-21).
Door deze laatste, grootste uitstorting van de Geest zal de gemeente, in de volle aar, "de jaren vergoed krijgen toen de sprinkhaan alles opvrat" (Joël 2:25). Al de Geestesgaven zullen aan de, door het bloed gewassen gemeente weer worden teruggegeven, bovennatuurlijk leven en bovennatuurlijke dienst en menigten zullen worden gered.
De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen (Joël 2:24). Een grote schare, die niemand tellen kan, zal uit alle volken en stammen, natiën en talen in Gods schuur verzameld worden (Openb. 7:9).
Als u, geliefde lezer, Handelingen 2 leest, dan zult u tot de conclusie moeten komen dat de uitdrukking 'op alle vlees' voor heden geldt. Onze kinderen van Adullam zijn zich dat tenminste wel bewust. Zeer vaak stond de Heer in hun midden, gaf hun dezelfde belofte als aan de discipelen en gaf hen ook dezelfde opdracht om in de kracht van de ontvangen Geest het heil uit te dragen, zoals in de dagen van de vroege regen.
Wij weten dat de late regen die op Adullam viel, overeenstemt met de vroege regen. Maar het is de laatste regen die de vrucht met het kaf tot rijpheid brengt en de wederkomst bespoedigt van onze Heer, die ze van elkander scheidt teneinde het koren in Zijn schuren te verzamelen en het kaf te verbranden.
Verscheidene kinderen van Adullam zagen bij verschillende gelegenheden de Heilige Geest als

tongen van vuur

boven het hoofd van een ieder in het vertrek (Hand. 2:2-14). Dikwijls zagen sommigen dit gelijktijdig. Maar wie zijn Bijbel kent, weet dat de Goddelijke dingen niet aan allen op dezelfde wijze worden geopenbaard. Toen de Geest begon neder te dalen, werd Hij door meerderen waargenomen als

wind

die boven hen ruiste en hen vervulde met vrede en kracht. Inderdaad waren deze windvlagen soms zo hevig, dat het ons geen moeite kostte om het woord uit Handelingen te verstaan, dat zegt:
"En terwijl zij baden, werd de plaats waar zij vergaderd waren, bewogen en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:23-31). Vaak vertelden oudere en jongere kinderen dat zij de Heilige Geest zagen als

zeven lampen

In tijden dat de uitstorting met bijzonder grote kracht gepaard ging, werd de Heilige Geest gezien als zeven lampen, die vanuit de hemel neerdaalden in ons midden. Wanneer de kinderen op die momenten gezichten ontvingen en Christus op Zijn troon zagen zitten, hadden zij diezelfde lampen voor Zijn troon zien branden, welke zijn de zeven Geesten Gods (Openb. 4:5). Wij wisten allen, dat de zeven lampen het symbool waren voor de aanwezigheid van de Heilige Geest in ons midden.
In de eerste dagen van de uitstorting bij ons sprak een der kleine jongens, die in de Geest blijkbaar aan de voeten van Jezus zat, een duidelijke profetie uit. De Heer zelf sprak in de eerste persoon door hem over veel dingen die de kinderen niet begrepen en legde hun uit hoe zij moesten wachten en de Heilige Geest moesten zoeken.
Toen zei de Heer: "Wanneer de Heilige Geest in jullie midden is, open dan je ogen niet, want dat zou hinderlijk zijn. De Heilige Geest zal op jullie komen om je kracht te geven voor de verkondiging van het Evangelie, om demonen uit te drijven en zieken te genezen. De Heilige Geest openbaart zich aan je in zeven kleuren."
Een van de oudere jongens vertelde dat hij een groot licht had gezien in vele kleuren, toen de Heilige Geest over hem was gekomen. De Heer vertelde hem en anderen, die verschillende lichtkleuren hadden gezien, wat hiervan de betekenis was. Weliswaar weet ik dat licht uit zeven kleuren bestaat, maar voordien had ik er nooit aan gedacht, dat de zeven kandelaren voor de troon van God - de Heilige Geest - tevens verband hielden met de zeven kleuren. Alle licht komt van God, en God is Licht.
Ook hebben onze kinderen van Adullam de Heilige Geest gezien stralender dan

de middagzon

Bijna dagelijks werd de Heilige Geest aangekondigd als een stralend licht. Enkele kinderen hadden hun ogen open gedaan om te zien of het elektrisch licht in de kamer zoveel licht gaf en hadden de verlichting nauwelijks kunnen zien door de Heerlijkheid van de Heer, die de hele kamer scheen te vullen. Nu wisten deze kinderen wat Paulus bedoelde, toen hij over dat licht op de weg naar Damaskus schreef: "schitterender dan de glans der zon" ( Hand. 26:13).
Na dit gezicht en de gezichten over de hemel wisten deze kinderen van Adullam, waarom er in de hemel geen nacht kan zijn en men daar geen licht noch zon nodig heeft, want God de Heer verlicht hen. In een duister land op deze duistere aarde, weten deze bedelaartjes van weleer stellig dat het nieuwe Jeruzalem in de hemel het licht van de zon niet van node heeft, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam (Openb. 21:23).

3 De geestelijke gevolgen van de uitstorting

In de voorgaande hoofdstukken hebben we geprobeerd weer te geven hoe de uitstorting van de Heilige Geest plaats vond en zich manifesteerde. Nu willen wij hier vertellen van de werken die er op volgden. Dat dit gebeuren bij ons door God werd bewerkt, kan ook gemakkelijk worden getoetst aan de vruchten die er uit voort kwamen. Juist die gebeurtenissen vonden plaats, die ook volgen op de doop met de Heilige Geest, zoals de Bijbel zegt. Wij willen hier enkele noemen. Een van de verschijnselen die daarmee gepaard gaan - die bij ons volgden op het werk van de Heilige Geest – was

de vaste zekerheid gered te zijn

Door gezichten en andere werkingen van de Heilige Geest werd de zonde en het besef daardoor verloren te zijn, door ieder zo sterk ervaren, dat er geen sprankje hoop meer overbleef om in of door eigen toedoen of eigen verdienste gered te worden. Daarna openbaarde de Heilige Geest even reëel de genade en het heil in Christus. De een na de ander kwam persoonlijk tot de vaste overtuiging dat hij gered was. Dit bracht een zichtbare verandering teweeg in het leven en het getuigenis van heel onze Adullamfamilie, zodat niemand er meer aan behoefde te twijfelen of onze kindergemeente wel louter uit wedergeborenen bestond. De hele atmosfeer van de omgeving veranderde, overal brak de heerlijkheid en de onuitsprekelijke vreugde door. Toen de jongens later een stukje grond aan het bewerken waren om er een tuin aan te leggen en onwillekeurig “Prijs de Heer!” zeiden, staken buurkinderen daar de gek mee en riepen de onzen in het voorbijgaan toe: “Prijs de Heer!”
Een van de jongens die wij naar de winkel stuurden om spijkers te kopen, zei, voordat hij het zich realiseerde: “Halleluja, ik zou graag spijkers willen hebben."
Deze jongen van een stam uit de bergen had vanaf het begin een bijzondere wonderbare ervaring. Toen hij namelijk op een dag naar zijn werk ging, begon hij te dansen en te springen in de vreugde van de Heilige Geest en prees daarbij steeds de Heer. Gereinigd van hun zonden en wedergeboren door de Heilige Geest, zochten zij de Heer steeds ernstiger en inniger en werden door God geleid tot diepere ervaringen en een inniger gemeenschap met de Heilige Geest, totdat er ongeveer een twintig van hen in nieuwe tongen spraken net zoals de discipelen op de Pinksterdag, in het huis van Cornelius of bij de discipelen te Efeze, of Paulus zelf of de Samaritaanse Christenen, die eveneens de Heilige Geest met zo'n geweldige kracht ontvingen, dat Simon de tovenaar dit wilde kopen.
Hoewel de meeste kinderen nooit de zichtbare werken van de Heilige Geest hadden gezien, omdat hen alleen geleerd was tot de Heer te bidden om de Heilige Geest, werden zij toch in hun harten beloond met een overvloedige vreugde en heerlijkheid en ontvingen zij evenzo de onwrikbare zekerheid dat ze gedoopt waren met de Heilige Geest. Zij waren ervan overtuigd, dat zij Hem op dezelfde wijze hadden ontvangen als de heiligen van het Nieuwe Testament in de hiervoor genoemde vormen. En dat zij hetzelfde moesten doen wat die Nieuw-testamentische gelovigen deden toen zij doordrenkt, vervuld en overschaduwd werden door diezelfde bovennatuurlijke Geest.
Deze Chinese jongens en meisjes werden door dezelfde Heer gered en op dezelfde wijze en met dezelfde Heilige Geest gedoopt als de eerste gelovigen, want zij spraken niet alleen in nieuwe tongen, maar zij

profeteerden ook

zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. Niemand van ons twijfelde er ook maar in het minst aan dat het de Heer was, Die vanaf het begin door rechtstreekse ingeving, door een van onze kleinste en deemoedigste kinderen sprak. Dat hij plotseling zo'n heldere en volmaakte stem had, de boodschap met zulke indringende bewoordingen doorgaf en die op zo'n ingrijpende wijze beklemtoonde, kon tot geen andere conclusie leiden dan dat de Heer zelf door hem sprak. Wij hadden in ons hele leven bij een prediking nog nooit zo'n heldere stem gehoord. Voor ons allen stond het vast dat God rechtstreeks tot ons sprak. Een groot aantal van deze Adullam-kinderen profeteerde later, zodat wij niet weinig verbaasd waren, hoe God dit onmondige uitschot, tot voor kort bedelaarskinderen, als spreekbuis gebruikte om de kleine, pas door het Bloed gewassen groep op te bouwen. En hoe Hij Zijn plannen en bedoelingen openbaarde aan hen die nog maar kortgeleden uit een hopeloze lichamelijke en geestelijke vertwijfeling waren gered. Een ander treffend bewijs van de werken van de Heilige Geest bestond daarin, dat de Heilige Geest de functie vervulde, die door Jezus Christus aan Zijn volgelingen was beloofd:
"Doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen" (Joh. 16:13).
Het kwam ons allemaal heel ongewoon voor, dat de Geest deze eenvoudige gelovigen, die nog maar een paar maanden geleden voor het eerst van de Here Jezus hadden gehoord, nu opeens zulke bijzondere heilsfeiten onderwees en hen door middel van gezichten de onzichtbare wereld toonde en verklaarde. Veel van die gezichten werden gelijktijdig aan meer dan één kind getoond. Ja, bijna alle gezichten werden door een aantal personen gezien. In veel gevallen kwamen de kinderen bij mij en vroegen of er over bepaalde dingen ook iets in de Bijbel stond. Zowel de kleine kinderen van zes jaar als de ouderen zagen de gezichten niet in een droom, maar overdag en als een levende werkelijkheid. Hier volgen enige gezichten die zij zagen.

Christus, die aan een paal was gebonden en gegeseld werd.
Christus bloedend aan het kruis hangend, terwijl spotters toekeken.
De afname van het lichaam van Christus van het kruis. Hoe Hij in het graf werd gelegd en het graf werd verzegeld.
Dat de engel neerdaalde, het graf opende en de Heer opstond.
Hoe Hij verscheen aan Maria, aan de leerlingen bij het meer en in de bovenzaal; hoe Christus ten hemel voer en twee engelen in witte klederen neerdaalden; de hemel; de verblijfplaats van de engelen; de verlosten; de hel, de toestand van de verlorenen in de hel; de demonen; de duivel; de grote verdrukking ten tijde van het beest; de slag bij Armageddon, het binden van satan en hoe hij in de afgrond wordt geworpen; het doden van de antichrist; hoe de draak wordt uitgeworpen, de grote maaltijd die God de vogels zal bereiden door het vlees van de lijken van mensen; de komst van de Heer met Zijn heilige engelen; de verandering van de zon en de maan; de wederopstanding van de rechtvaardigen; het avondmaal van het Lam in het Paradijs; bijzonderheden over onze woningen in de hemel en andere hemelse taferelen.
De Heilige Geest wekte Zelf, zowel door de gezichten als door het werk aan de harten, zo'n sterk verlangen naar het

bestuderen van de bijbel

dat zelfs de kleinste jongen verlangend was om zijn schoolboeken aan de kant te leggen en alleen nog maar de Bijbel te bestuderen. Daar bij allen de onzichtbare wereld zo'n werkelijkheid werd, valt het niet te verwonderen, dat ook het gehele

gebedsleven en de aanbidding

een volkomen verandering onderging. Hoewel niet alle kinderen in tongen spraken, waren toch allen, op een enkele uitzondering na, wel zo met de Heilige Geest vervuld dat onze samenkomsten menigmaal tot hemelse hoogten werden opgeheven in blijde aanbidding en dankzegging jegens onze Koning, zodat wij vaak benieuwd waren of zij nog wel naar de aarde zouden terugkeren. Een ieder zou dat duidelijk zijn geworden als hij onze gebedsuren had kunnen meemaken om te ervaren hoe de ene jongen na de andere in een innig gebed tot God worstelde om de redding van verloren zielen en tevens vroeg, of God ons toch allen mocht gebruiken om ware soldaten van Hem te zijn in de strijd om gerechtigheid. Het gebed had zijn vormelijkheid verloren. leder was er zich van bewust, dat geestelijke legers van boze machten onder de hemel onze vijanden waren.

prediking in de kracht van de Heilige Geest

Nadat de Heer twee of drie weken met deze kinderen zo bezig was geweest, wilden bijna allen gaan getuigen, zelfs de allerkleinsten. En dat konden zij ook inderdaad met betoon van Geest en Kracht. Enkele van onze jongens kende men nauwelijks terug wanneer zij in de kracht van de Heilige Geest predikten. Zij verontschuldigden zich niet meer zoals vroeger, maar zij traden moedig op en met volmacht. Over de hel en de hemel, over de duivel en zijn list, over Christus en de kracht van Zijn bloed spraken deze jongens, alsof dat alles hen tot in de kleinste bijzonderheden reeds lang bekend was. Zij hadden van God de opdracht ontvangen om te prediken en hen was ook gezegd waarover: "Bekeert u, want het koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen."
Toen wij hoorden hoe zij zich bij deze door God ingegeven toespraken met grote overtuiging tot de mensen richtten, hen smeekten om toch de komende toorn te ontvlieden, en hen voorhielden hoe de liefde van Christus hun zielen wilde redden, hebben wij in ons hart gejubeld.
In de tijd waarop de Kracht van God zich bij ons het machtigst manifesteerde, predikten zij buitengewoon krachtig. Op de Chinese Nieuwjaarsdag, toen de straten vanwege het feest vol mensen waren, waren wij met onze jongens ook present, hadden duizenden traktaten uitgedeeld en vormden daarna een kring om de mensen het Evangelie te brengen. Een van de oudste jongens had een Nieuwjaarsprediking voorbereid, maar na enkele woorden begon hij in tongentaal te spreken, terwijl aan een ander de uitleg werd gegeven. En meestal waren het de allerkleinsten, die de Heer als vertolker van de tongentaal gebruikte. Wanneer de zalving bij de een afnam, trad een ander die onder de zalving stond in diens plaats. Dit alles duurde twee uren en de mensen verdrongen zich om te luisteren. Het waren er zoveel, dat niet allen het gesprokene nog konden horen. Onder de toehoorders bevonden zich mensen, die er niet toe te bewegen waren om naar een kerk te gaan, maar hier stonden ze aandachtig te luisteren, wat bewees dat de jongens op buitengewoon heldere en ernstige wijze spraken. Toen wij thuis kwamen van de straatbijeenkomst, die zo van A tot Z door de Heilige Geest werd geleid en waarop iedere spreker door rechtstreekse inspiratie van de Heilige Geest had gesproken, konden wij niet anders dan de wonderen van God in ons hart bezingen. Wij hadden gezien op welke manier in de eerste gemeente het Woord verkondigd werd en wij meenden te begrijpen, dat de Heer het in de eindtijd van de gemeente ook zo wil doen. Wij beweren niet dat in het begin, bij het ontstaan van de gemeente, het prediken in tongen de algemene regel was, maar zoals hoofdstuk 14 van de eerste brief aan de Corinthieërs duidelijk laat zien, moet toch op zijn minst een deel van de verkondiging van de Goede Boodschap van de Heer geschieden met betoon van Geest en Kracht (zie ook 1 Cor. 2:4). Als er zo gepredikt wordt, is het verstand van de spreker volkomen uitgeschakeld en weet hij van te voren niet welke woorden de Heilige Geest wil gebruiken. Dat is echte profetie. Bij de prediking van het Evangelie aan de volkeren van de wereld en bij de opbouw van de gelovigen in de gemeente mag het verstand van de spreker wel meespreken, althans tot het moment dat de Geest rechtstreeks door hem begint te spreken. De toespraak kan bestaan uit een uiteenzetting van de Schrift, zoals bij Stefanus, of kan ook een andere inhoud hebben.
Petrus heeft zich bij verschillende gelegenheden geuit, “vol van de Heilige Geest”, en gezegd wat de Geest hem gaf uit te spreken.
Hoewel de verkondiging van het Evangelie door de werking van de Heilige Geest niet noodzakelijkerwijs als zuiver profetisch mag worden gezien, is het echter ook profetisch als het duidelijk door de Heilige Geest wordt geleid en gericht. Dit prediken in tongentaal met vertolking vond ook nog ettelijke keren plaats toen wij naar de dorpen in de omgeving trokken. In enkele gevallen was de Heer zelf de Prediker bij onze straatsamenkomsten. Gedurende twee of drie avonden bracht een jonge spreker door rechtstreekse ingeving van de Heilige Geest zo'n geïnspireerde prediking, als ik nog nooit uit de mond van een Chinese Evangelist heb gehoord. Het kwam mij voor alsof deze toespraken iedere aanwezige tot bekering zouden moeten brengen. Maar enkele avonden later toonde God Zijn liefde in nog grotere kracht, toen een jongen met volmacht predikte en ineens zijn ogen dicht deed en op de wijze van de profeten van het Oude testament begon te profeteren, als gevolg van rechtstreekse inspiratie door de Heilige Geest. De spreektrant van de jongen veranderde opeens en de schoonste volzinnen regen zich ritmisch aaneen. De Heilige Geest begon in de eerste persoon als volgt door de jongen te spreken: "Ik ben de Almachtige God, die hemel en aarde gemaakt heeft, Die op dit moment tot u spreekt door deze jongen. Tegen Mij hebt u gezondigd."
Woorden, die insloegen als de bliksem. Het is mij niet mogelijk om weer te geven, wat het betekent in Gods tegenwoordigheid te worden geplaatst. Allen stonden met spanning en verwondering te luisteren. Toen het er op leek alsof er iets verkeerd zou gaan, greep de Heer in en zei Hij verder bij monde van de jongen:
"Denk hier niet lichtvaardig over. En neem ter harte wat Ik u zeg. Ik, de Here, uw God, heb alle macht in hemel en op de aarde. Voor Mij moet ieder mens en iedere demon rekenschap afleggen. Ik ken u allen, ieder van u afzonderlijk. Ik weet welke uw zonden zijn. Ik heb de haren van uw hoofd geteld. Er zijn hier vanavond 65 mensen aanwezig, die openlijk in zonden leven. Als u heden uw zonden belijdt, zal Ik u allen vergeven."
Gedurende een half uur of meer bevonden wij ons in de tegenwoordigheid van een profeet. De Heer gebruikte hem om de aanwezigen duidelijk te maken, dat zij afgoderij, goddeloosheden en andere gruwelen bedreven, zodat zij al spoedig alle hoop op redding verloren. Toen sprak Hij evenals eertijds door de profeten van het Oude Testament van de heerlijkheid die Hij voor de Zijnen had bereid. Als een liefhebbend Vader drong Hij er bij hen op aan om zich nog dezelfde avond te bekeren. Hij sprak van de komende verwarring onder de naties en over de vernietiging van de goddelozen op de dag van Gods toorn. Dit alles werd meerdere malen herhaald, met de vermaning om toch aan ieder woord aandacht te schenken, als gesproken door God, Die van ieder die aanwezig was, van deze avond rekenschap zou vragen.Toen de jongen de profetie had uitgesproken, ging hij zitten. Ieder hield zich doodstil. Het leek mij, dat iedere aanwezige zich bewust was, dat God had gesproken. De meesten waren er bijgekomen toen de jongen al sprak en al de tijd dat hij sprak had hij zijn ogen gesloten gehouden. Toen de Heer door hem zei, dat er 65 personen aanwezig waren, die door de duivel en de zonde gebonden waren, had een andere jongen de bezoekers geteld en was precies op hetzelfde aantal gekomen. Een opvallende gebeurtenis vond plaats met een man, van wie de Heer door middel van profetie door de jongen had gezegd: "De demonen moeten Mij gehoorzamen."
Zij kregen ook de gelegenheid om te zien hoe de Heer dit Woord bevestigde. Als wij de ruimte hadden in dit geval in detail te treden, dan zouden wij ongetwijfeld kunnen aantonen, dat het levende demonen waren die bij deze man werden uitgedreven. Het voert te ver om de levensgeschiedenis van deze man te beschrijven. We kenden hem al vele jaren en de laatste zes maanden had hij steeds bij ons gewoond. Kortom, hij was al jaren depressief en was zo gebonden door duistere machten dat hij probeerde zich het leven te benemen. Om die reden hadden wij hem opgenomen. Hij was altijd maar neerslachtig. Alle pogingen om hem het heil in Christus duidelijk te maken, mislukten. Zijn geest scheen toegesloten te zijn voor alles wat met het heil in Christus te maken had. De Heer gebruikte drie personen om de demonen uit te drijven. Eén van de demonen was zo groot als een volwassen man en zag er zwart en afschuwelijk uit. Verscheidene kinderen zagen hem uit de man te voorschijn komen. De Heer had hen voor dit geval een bijzondere vervulling met de Heilige Geest gegeven en een van hen beval de demonen uit hem te gaan. Maar de demonen probeerden door een laatste krachtsinspanning hun buit te behouden. Zij lieten de man zijn handen verkrampt in elkaar slaan, sloten zijn ogen en zijn hele lichaam werd star en stijf. Maar toen zij van hem weken, werd het lichaam slap en rustig. De man werd ontvankelijk voor de heilsboodschap, de Heilige Geest verlichtte zijn hart, spoedig werd hij blij en prees God met opgeheven handen.

de boze geest overweldigt de onderwijzer

Veel kinderen zagen de demon uitgaan en in grote woede heen en weer snellen, zoekend hoe hij in iemand anders zou kunnen varen. Alle andere kinderen, die zojuist aan tafel waren gaan zitten om te eten, kwamen toegesneld; ze stonden met opgeheven handen en prezen God. Bij hen vond de demon geen ingang, want zij zagen allen op naar Jezus, Wiens bloed hen beschermde. De onderwijzer van onze school, die nog niet helemaal bekeerd was, kwam er ook bij staan en keek verwonderd toe, maar bad niet.
Hier zag de demon zijn kans, overweldigde de onderwijzer en wierp hem met één slag op de grond. Toen kwam de tweede demon en ging op hem zitten, zodat de onderwijzer niet kon opstaan. Enige kinderen zagen de geesten in zichtbare gedaante. Onze tuinman, die enige jaren geleden wonderlijk van zijn verslaafdheid aan opium verlost was, zag ze ook. Plotseling kwam de Heilige Geest op hem en hij verdreef de demonen uit het vertrek.
Ik zelf zag alleen maar de beide mannen: de één verlost en de ander plotseling naast hem neergevallen. Ik dacht, dat de Heilige Geest, Wiens aanwezigheid sterk merkbaar was, hem had neergeworpen.
Nadat ook hij vrij werd en kon opstaan, ondervroeg ik hem waarom hij gehuild had en gevallen was. Hij zei: "Ik huilde, omdat ik zo'n ontzettende pijn had. Er gebeurde iets verschrikkelijks met me. Alles werd zwart voor mijn ogen. Ik zag dat ik bij een zwarte kloof in een berg was gebracht, waar men mij in de huiveringwekkende diepte wilde werpen. Bovendien was ik met ketenen gebonden, zodat ik mij niet kon verroeren." God zij dank! Hij werd weer vrij.
Dat de demonen waren uitgedreven was direct aan hem te zien door de innerlijke vrede en vreugde die van hem uitstraalde. Zodra hij bevrijd was, kreeg hij een gezicht uit de hemel. Toen hij 's avonds in bed lag en over alles nadacht, werd hij zo blij, dat hij zich afvroeg of het niet verkeerd was zo blij te zijn.

4 Gezichten van de hemel

Uit de Bijbel valt op te maken, dat de derde Hemel de hemel van de verlosten is. Het toekomstig vaderland van de verlosten bevindt zich in de derde hemel. Het wordt de heilige stad genoemd. De naam van de stad luidt: Het Nieuwe Jeruzalem.
Met dat Nieuwe Jeruzalem wordt niet iets figuurlijks bedoeld en het is ook geen kunstig bedenksel, dat de Heer in menselijke woorden heeft verpakt om ons een verkeerd beeld van iets te geven dat niet bestaat. Nee, de Bijbel zegt, dat Jeruzalem een stad is, waarvan God zelf de ontwerper en bouwmeester is (Hebr. 11: 10). De hemelse stad ligt in het vierkant, twaalf duizend stadiën naar alle vier zijden, omgeven door een muur van honderd vier en veertig el hoog (Openb. 21: 16-17). En de fundamenten van die muur waren gebouwd met twaalf soorten edelstenen - de mooiste die wij kennen. De muur zelf was van jaspis (oude vertaling), dat een wonderbaar zacht licht verspreidt. Twaalf poorten geven toegang tot de stad, waarvan de straten van blinkend goud zijn. In deze Stad bevindt zich het Paradijs, staan de woningen van de verlosten, is het verblijf van de engelen en de troon van God. Waarom toch zou het nieuwe Jeruzalem niet een echte stad zijn met straten van goud en muren van kostbaar edelgesteente? Zou God soms bij de schepping van de wereld al Zijn bouwmateriaal zo hebben verbruikt, dat Hij niets meer beschikbaar had voor Zijn hemel? Hij Die een wereld kon maken, zou Hij achter de sterren ook geen stad in de hemel kunnen bouwen?
Als onze aarde, die onder de vloek ligt, hier en daar enkele goudaders en hier en daar onder de scherven enkele fonkelende edelstenen te voorschijn kan brengen, dan herinneren deze alleen maar aan de werkelijkheid en echtheid van de elementen daar boven. Ons goud en onze edelstenen zijn zowel ten aanzien van het aantal als ook met betrekking tot hun aard slechts schaduwbeelden van de echte bestanddelen van de hemel. Hier is alles enkel schaduw. Toen deze schepping viel, werd ze vruchteloos en nietig (Rom. 8:20). Het goud, dat door ons zo hoog getaxeerd wordt, de edelstenen waar wij over roemen, de steden en woningen, die wij hier bouwen, zijn slechts kopieën van de Stad, die spoedig zal neerdalen. De kinderen van Adullam raakten in geestvervoering en zagen de Stad van God.
Hoe zij die konden zien weet ik niet. Hoe Abraham hem zag, weet ik ook niet. Hoe Paulus werd weggevoerd naar het Paradijs, in het lichaam of buiten het lichaam, weet ik ook niet. Het ging niet op de natuurlijke wijze. Wij behoeven nu het 'Hoe' ook nog niet te weten. Wat wij weten is, dat het werkelijkheid is. Johannes zag de Stad. De Heer droeg hem op om dat wat hij gezien had op te schrijven en het aan de gemeenten te sturen.
In de Geest waren de kinderen van Adullam vaak weggevoerd naar deze Stad, niet in een droomgezicht, maar in werkelijkheid. Hun bezoeken waren zo'n realiteit, dat zij zelf dachten, dat hun zielen het lichaam verlieten om hemelwaarts te gaan, dan wel dat zij op onverklaarbare wijze met zowel ziel als lichaam daar heen gingen, net zoals ze hier op aarde naar een ver land zouden reizen.
Merkwaardigerwijs reageerden hun lichamen hier op aarde, als zij daar vruchten aten en er enige van in hun zakken stopten om ze voor vader en moeder (ds. Baker en zijn vrouw) mee naar de aarde te nemen. Ook behielden zij in de hemel het bewustzijn, dat zij daar slechts op bezoek waren en weer naar de aarde moesten terugkeren. Na hun terugkeer, wanneer de Geest van de vervoering hen langzaam verliet en zij zich weer in het Adullamhuis bevonden, zochten zij ijverig in hun zakken naar de vruchten die zij er in de hemel hadden ingestopt om ons er mee te verblijden en te verrassen. Zij waren niet weinig verbaasd en ontsteld, wanneer zij niets van wat zij hadden meegenomen in hun kleren vonden en konden het helemaal niet begrijpen, dat zij met hun lichamen ook niet in de hemel geweest waren. Zij waren er heilig van overtuigd, dat zij hun zakken volgestopt hadden.
Het lopen op de straten van Jeruzalem was voor hen een even grote werkelijkheid, als wanneer zij in een of andere Chinese stad op straat zouden hebben gelopen. Toen ik op zekere dag met enkele jongens bij stralende zonneschijn door de straten van de stad liep, vroeg ik hen, of de gezichten die zij hadden gekregen ook zo reëel en helder waren geweest als wat zij nu zagen. "Net zo werkelijk," zeiden ze, "maar nog veel helderder door het hemelse licht, de witte klederen en de grote reinheid." Wanneer zij zich in een dergelijke geestvervoering bevonden, waren zij zich meestal helemaal niet bewust van alles, wat er om hen was. In veel gevallen spraken zij, wanneer zij in de Geest in de hemel waren, luid en duidelijk uit wat zij zagen, of sprak de een met de ander over dat wat zij zagen, zodat wij allen het konden horen. Daar hadden ook hun lichamen deel aan: de handen toonden de voorwerpen, de voeten drukten het lopen uit, en het gezicht vertoonde vreugde, verwondering of ernst.

weggevoerd tot in de derde hemel

De kinderen van Adullam verzekerden, dat zij opgetrokken waren geweest tot in de derde hemel. Toen zij door de eerste hemel gingen voelden zij de lucht ervan langs hun gezichten strijken. Nadat zij door de tweede hemel waren gegaan keken zij naar beneden in een sterrenzee, precies zoals men op de top van een berg staat en op een helder verlichte stad neerkijkt.
Via de sterrenhemel kwamen zij in de derde hemel en bij het hemels Jeruzalem, waarvan zij het licht al op grote afstand zagen. Toen zij dichterbij kwamen, straalde het wonderbare licht van de muren van jaspis hen tegen. Het fundament, zeiden ze, had alle kleuren van de regenboog, maar straalde nog veel meer. Deze Stad in de hemel werd de kinderen getoond als drie steden in één: de een boven de ander, de grootste onder en de kleinste boven, piramidevormig boven elkaar gebouwd. Er zijn zelfs enkele Bijbeluitleggers die de beschrijving van Johannes zo willen zien, als was de Stad niet in kubusvorm gebouwd, doch als een piramide. Maar onze jongens wisten niets van een dergelijke uitleg, ja, ik zelf had er tot dat moment nooit van gehoord, dat het Nieuwe Jeruzalem uit drie steden in één bestond. De Bijbel zegt niets over haar structuur achter de muur. (Uit berichten die afkomstig zijn van anderen die opgetrokken waren geweest, blijkt, dat ook het getal zeven in de structuur voorkomt. Kennelijk zijn er reeksen van terrassen en reeksen van bouwsels. Een ieder geeft aan, dat hij alleen maar een klein stukje van de hele hemel heeft gezien).
Een van onze kleine jongens werd door de Heer als spreekbuis gebruikt. Toen hij al lovend en prijzend aan Zijn voeten lag, zei de Heer: "Ik heb de hemel gemaakt met voldoende ruimte voor alle mensen. Ik heb het Nieuwe Jeruzalem in drie grote steden gebouwd, de één boven de ander, en Mijn troon bevindt zich in de bovenste stad." Omdat tijd en afstand daar anders zijn dan hier is een dergelijke bouw daar voor God onmogelijk noch onpraktisch. Zijn er niet drie hemelen? Had de Ark van Noach niet drie verdiepingen, waar God de hele schepping bewaarde? God zelf is drie-enig. Waarom toch zou de Koning niet het heelal van bovenuit besturen en de steen, die de bouwlieden verworpen hebben en die tot hoeksteen geworden is, niet ook tot sluitsteen laten zijn van de piramide van de gehele schepping?

door de poorten van de stad

Onze jongens werden door de paarlen poorten de Stad met de gouden straten binnengevoerd. Engelen in witte klederen hielden de wacht bij de poorten en verwelkomden hen. Zij werden niet als bedelaars ontvangen. Zij, die vroeger op aarde tot de uitgestotenen behoorden, werden hier door het engelenheir als koningen begroet. Heeft onze Redder Jezus Christus niet de zwaksten en ootmoedigsten van Zijn kinderen beloofd, dat zij voor eeuwig met Hem als koningen zouden regeren? Door de poorten in de Stad! Van de aarde in de hemel! Uit de sterfelijkheid in de onsterfelijkheid! Uit de dood in het leven! Heel het oude leven eenmaal achtergelaten! Het hele nieuwe leven voor ons en over ons! Binnen de paarlen poorten! Engelen, overal engelen! Sprekende engelen, zingende engelen, engelen vol vreugde, spelend op harpen, blazend op bazuinen en dansende engelen, prijzend hun Koning! Zulke taferelen heeft geen sterveling ooit gezien; zulke stromen van innerlijke vreugde heeft nog nooit iemand beleefd, tenzij hij is vervuld met de Heilige Geest, met het eeuwige leven, met het hemelse leven uit God, met de hemelse realiteit.
De kinderen klapten van louter verrukking in de handen! Zij juichten van vreugde. Soms rolden zij over de grond en lachten spontaan, dan weer waren zij zo gelukkig dat zij rondsprongen terwijl hun gezichten zo straalden, dat het was alsof de heerlijkheid van de Stad op ons kwam. In de hele Stad zagen zij niets verdrietigs, niemand die treurig of depressief was, geen liederen in mineur, maar een Stad vol vreugde van grote heerlijkheid.

te midden van ontelbare engelen

Eenmaal in de Stad werd het de kinderen duidelijk wat het betekent dat de Bijbel zegt: "Maar gij zijt genaderd tot de Stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen" (Hebr. 12:22). De vriendelijke hemelse gestalten stonden niet alleen bij iedere paarlen poort, maar door de hele Stad werden zij van alle kanten door hen gegroet en verwelkomd. Zij stonden ook altijd klaar om hen van de ene plaats naar de andere te begeleiden; zij wandelden en spraken met hen; en zij legden hen alles uit wat zij niet begrepen, precies zoals zij het eens bij Johannes hadden gedaan. Het gebeurde ook wel, dat de engelen de kinderen harpen gaven en hen onderwezen hoe zij hun gezang daarmee konden begeleiden en wel op de wijze als zij het zelf zouden doen. Ook leerden zij hen op de bazuin te blazen.

de muziek en de gesprekstaal in de hemel

Soms zagen wij de kinderen allemaal met gesloten ogen opstaan en in rijen in de kamer dansen waar zij zich bevonden. Later kwamen wij er achter, dat zij dat ook in de hemel hadden gedaan en dat zij geprobeerd hadden maat te houden met het ritme van de muziek van de engelen. Wanneer wij hun bewegingen gadesloegen en zagen hoe zij af en toe als het ware een trompet aan de mond zetten of de bewegingen van een harpspeler maakten, dan maakten zij deel uit van het hemelse orkest om de hemelse Koning hun hulde te betuigen, zo hoorden wij later.
Wijzelf konden het gezang van de engelen niet horen, maar vaak hoorden wij de kinderen hemelse melodieën zingen. Het gebeurde dagelijks dat men kon zien hoe een of meer kinderen op hun dennengroene matten lagen en de bewegingen maakten van iemand die een instrument bespeelt. Kwam men dichterbij, dan kon men hen een nieuw lied horen zingen, dat wij hen nooit hadden geleerd. En wanneer wij nog meer naderbij kwamen, hoorden wij dat de woorden al net zo onbekend waren als de melodie. De zangers hadden zich bij het hemelse koor gevoegd. Zij hadden het lied van de engelen geleerd. De woorden van het lied moeten die van de engelentaal zijn geweest.
Om de kinderen op deze wijze in de Geest te zien weggevoerd, was een aanblik om nooit te vergeten. Sommigen van hen waren op een bijzondere plaats in de hemelse Stad of ook wel in het Paradijs zo in een spel verdiept of in een gezang, zoals wij dat tevoren nog nooit hadden meegemaakt. Terwijl zij met gesloten ogen geheel onder het beslag waren van de Heilige Geest, waren er drie of vier die los kwamen van zichzelf en hun omgeving en opgingen in de hemelse dingen. Als wij vlak bij hen stonden, konden wij horen hoe zij met elkaar overlegden wie de harp en wie de trompet zou nemen en wie zingen zou. Toen allen klaar waren begon de hemelse muziek. Hij die de trompet blies, strekte zijn armen uit en blies zijn wangen vol lucht alsof hij werkelijk op de trompet blies. Degene die de harp bespeelde liet zijn vingers over de snaren glijden, alsof hij werkelijk een harp bespeelde en de zanger zette het lied in. Op zulke momenten zongen zij altijd in een taal, die wij niet konden verstaan, behalve als zij met elkaar afspraken om een lied te zingen dat zij beneden op aarde geleerd hadden. In dat geval deden zij het altijd in het Chinees.

Jezus zien en aanbidden

Maar van alle hemelse vreugden was het het allerheerlijkste om Jezus te ontmoeten, Hem te aanbidden die hen gekocht had met Zijn bloed. Nadat de kinderen door de poorten het hemelse Jeruzalem waren binnengegaan, werden zij al spoedig door engelen naar Jezus gebracht om Hem te zien. Dan hoorden wij hen tegen elkaar zeggen: "Wij gaan naar Jezus toe!" En aan de uitdrukking op de gezichten bemerkten wij, hoe zij voor de troon van Jezus kwamen. Toen zij zich in Zijn verheven tegenwoordigheid bevonden, stonden zij daar eerbiedig met hun -voor ons weliswaar gesloten- ogen op Hem gericht en keken vol liefde en genegenheid op naar de Heer der schepping, hun Redder. Allereerst dankten zij Hem, vouwden hun handen, bogen en aanbaden Hem. Daarna vielen zij op hun aangezicht en aanbaden Hem in Geest en Waarheid, hetgeen weinigen begrijpen, tenzij men de doop met de Heilige Geest heeft ontvangen.

de troon van God en de troon van Christus

De kinderen zagen de troon van Christus zoals Johannes die zag, toen hij 'in de Geest' was.
"En zie, er stond een troon in de hemel en Iemand was op die gezeten. En Die er op gezeten was, was van aanzien de steen jaspis en sardius gelijk; en een regenboog was rondom de troon, in het aanzien de steen smaragd gelijk. En rondom de troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zitten, bekleed met witte klederen, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. En van de troon gingen uit bliksemstralen, stemmen en donderslagen; en zeven vurige fakkels brandden voor de troon; dit zijn de zeven geesten Gods" (Openb. 4:3-6).

Jezus gaat in de hemel alles te boven

Ondanks de grote verrassing van de kinderen over de schoonheid van de Stad, niettegenstaande de vele genoegens die zij in het Paradijs mochten genieten, ondanks de vreugde over de omgang met de vriendelijke engelen, werd Jezus nooit vergeten. In alle gesprekken werd Zijn Naam steeds weer genoemd, bij al hun uitingen van vreugde werd Hem lof toegebracht, daar boven wordt Hij door allen en overal hoogvereerd.

woningen langs de straten van goud

Langs beide kanten van de gouden straten stonden huizen naast elkaar, voor iedere persoon een woning, met een deur aan de straatzijde. Voor het huis en boven de ingang waren kostbare parels en wel van zo'n stralende schoonheid, dat de hele woning vervuld was van licht en heerlijkheid. Boven de ingang stond de naam van de bewoner. Engelen lieten de kinderen enkele woningen zien. Alle woningen hadden dezelfde meubilering: een mooie gouden tafel, waarop een Bijbel lag, een bloemenvaas, een pen om te schrijven en een boek; naast de tafel stond een gouden stoel. Er stond ook een gouden kist en een bed in; en er was een kroon van juwelen, een gouden harp en een trompet. De wanden zagen er uit alsof ze van goud waren. De Bijbel was eveneens in goud gevat en samengesteld uit papier, dat onze jongens nog nooit op aarde hadden gezien. De Bijbel straalde zo'n licht en heerlijkheid uit, dat het vertrek geen licht nodig had. Tegen onze kleine bezoekers werd gezegd, dat als zij hun levensloop op aarde volbracht zouden hebben en na het sterven naar hier zouden worden overgeplaatst, ieder van hen dan naar het Paradijs kon gaan en daar voor de vaas naar keuze het bouquet bloemen kon plukken. Als de kinderen in de Geest de hemel bezochten, mochten zij ter afwisseling van alles wat zij daar genoten naar hun hemelse woningen gaan om daar in hun Bijbel te lezen of te oefenen op hun instrumenten. Soms namen zij hun instrumenten ook mee op straat of naar het Paradijs en sloten zich aan bij de verlosten, van wie zij daar velen ontmoetten, om met hen de lofliederen te zingen.
Tijdens al deze tochten door de hemelse oorden waren zij weliswaar verloren en afwezig voor alles wat er op aarde om hen heen gebeurde, maar zich er toch steeds van bewust, dat hun bezoek daar slechts tijdelijk was. Hoe klein ze ook waren, toch wisten zij heel goed wat het doel was van deze gezichten, namelijk dat zij zouden zien, wat hen na de dood te wachten stond, opdat zij het ook aan anderen zouden kunnen doorgeven. Zowel van de engelen als van de Heer zelf kregen zij te horen, dat als zij het geloof behielden en gehoorzaam zouden blijven, dit alles hun eigendom zou worden.
Zij wisten niet alleen dat zij weer naar de aarde moesten terugkeren, maar veelal ook, wanneer zij weer moesten gaan. Nadat zij de heerlijkheden van de hemel hadden gezien en genoten, hing een van de jongens zijn kroon en trompet op in de woning, opdat hij ze daar na zijn overlijden zou kunnen terugvinden. Hij kwam toen terug naar de aarde, en de overweldigende kracht van de Heilige Geest verliet hem. Toen hij zijn ogen open deed, bevond hij zich in ons Adullamhuis en vertelde van de wonderen van de hemel. Wie zou het in zijn hoofd kunnen halen te veronderstellen, dat de Heer deze jongens eerst redde, hen doopte met de Heilige Geest en hen dan zou bedriegen met een misleidend droombeeld over de hemel? Onmogelijk! Het kan zijn, dat een aardse vader zijn kinderen met valse hoop en valse beloften bedriegt. Maar de hemelse Vader niet! Hij laat Zijn kinderen zien wat Hij voor hen heeft bereid (1 Kor.2:10), belooft hen dan dat Hij ze deze dingen zal geven (Openb.3:21) en geeft hen dat dan ook (Lukas 11:9-13).
Toen deze kinderen de woningen van de Adullamvrienden zagen, klapten zij in de handen en lachten en juichten van vreugde, terwijl zij elk afzonderlijk bij name noemden. Een van hen liep in de Geest door de straten van het Nieuwe Jeruzalem en las de namen die op de woningen stonden.

zij ontmoeten diegenen van ons Adullamhuis, die gestorven waren

Op de eerste dag, toen de Heilige Geest op onze jongens werd uitgestort en enigen van hen werden opgetrokken in de hemel, waren temidden van de engelen die hen begroetten, ook twee van onze Adullamjongens die het jaar daarvoor gestorven waren, nadat zij waren gered. Deze twee, Hsi Dien Fu en Djang Hsing, hadden nog een klein meisje bij zich dat al vier jaar eerder gestorven was, door onze jongens al vergeten. Diegenen van onze kinderen die gestorven waren en ons waren voorgegaan, leidden nu hen rond, die in Geestvervoering daar waren, en toonden hen de wonderen van de hemel. Zij brachten hen allereerst naar Jezus, om Hem te zien, Hem te aanbidden en Hem te danken. Daarna lieten zij hen hun woningen zien of andere heerlijkheden van de Stad of brachten hen buiten in het Paradijs om te spelen.
Allen kregen witte klederen, ook de engelen droegen smetteloos witte klederen, zonder naad. De engelen hadden allen vleugels. Die vleugels vormden een duidelijk onderscheid bij de engelen.
Later zagen nog meer jongens deze gestorvenen van Adullam in de hemel, welke volgens de jongens niet zo heel ver weg scheen te liggen, want de reis duurde maar kort. Met gesloten ogen en met van vreugde stralende gezichten klapten zij in de handen en juichten de jongens toe die vorig jaar waren heengegaan. Deze jongens riepen hen om mee te gaan, om hun woningen te zien of om nieuwe dingen bij de engelen mee te maken of een nieuwe ontdekking in de tuin van het Paradijs te beleven of op de harpen te spelen en lofliederen voor of over Jezus te zingen. Deze kinderen, die een jaar geleden van ons waren heengegaan, werden zo vaak in de hemel gezien en hun namen zo dikwijls uitgeroepen, dat wij de indruk kregen dat zij nog in ons midden waren, maar dat wij ze alleen niet konden zien. De hemel was zo vlakbij, zo waarachtig, zo wonderbaar en zo werkelijk, dat als in die dagen één van onze kinderen zou zijn gestorven, de anderen vanwege dit voorrecht verzocht zouden zijn door afgunst.
De weg van de hemel naar de dood leek zo kort te zijn en de komst van de Heer zo nabij, dat wij in één keer begrepen, waarom de kinderen zo gemakkelijk hun bezit verkochten en zo moedig vervolging en dood onder ogen konden zien.
Ons Koninkrijk is niet van deze wereld. Ons Burgerschap is in de hemel, waaruit wij ook onze Redder, Jezus Christus verwachten. Ons leven, ons werk, onze dienst en onze moeite is maar kort, en dat alles zal ons brengen naar de overzijde, naar de echte Stad, naar het ware onwankelbare Koninkrijk.

5 Het paradijs

De Bijbel leert de wedergeboorte van de natuur. Voordat wij iets vertellen over de gezichten die de kinderen in het Paradijs hebben ontvangen, willen wij er eerst op wijzen, dat zo'n Paradijs overeenstemt met het plan dat God heeft met Zijn kinderen en dat dit in de Heilige Schrift is weergegeven. Toen de Heer het eerste mensenpaar schiep, een man en vrouw zonder gebreken, plantte Hij een hof in Eden voor hen.
Ook deed de Here God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de boom des levens in het midden van de hof (Gen. 2:9). Het was dus Gods bedoeling, dat de mens in deze mooie natuur zou leven. Hij kreeg een Vaderland in de tuin, het oostelijk gedeelte van Eden, het Wonderpark, dat God zelf bedacht en gemaakt had. In die tijd was er nog geen zonde op aarde. De mens wist niet wat ziekte of dood was. Er waren geen doornen en geen distels. De aarde was nog niet door de vloek getroffen. Het was een hele andere wereld dan die wij kennen. Het was de hemel op aarde, waarin de mens, onbezorgd, de heerschappij had over de gehele natuur en al zijn schepselen.
Prachtig om te zien. Een schepping vol schoonheid en heerlijkheid, zoals wij die heden nergens vinden. God schiep al dit moois voor het eeuwig geluk van de mens. Toen de zonde binnenkwam, werd het genot van al het goede alleen maar een beperkte, voorbijgaande vreugde. De schepping met zijn vogels, dieren, bloemen, bomen en zijn klimaat veranderde van een blijvende toestand in iets van voorbijgaande aard. Door de zondeval verloor de mens zijn tuin van Eden en zijn God van Eden.
Als de verlossing eenmaal volkomen is zal de mens zijn tuin van Eden en zijn God van Eden terugontvangen. Zelfs nog meer: hij zal niet alleen teruggebracht worden tot de toestand voor de zondeval, maar hij zal naar geest en lichaam in een nieuwe orde geboren worden. De eerste toestand was aards, de tweede is geestelijk en de ware toestand. Het komt overeen met de toestand zoals dit was bij de Here Jezus op aarde, maar geestelijk op hoger niveau, voor altijd onvergankelijk. Hij kon nog eten en drinken met Zijn leerlingen. Hij bezat nog vlees en beenderen, die men kon voelen en handen, die voor Zijn jongeren vlees en brood konden klaarmaken. Maar eenmaal in opgewekte toestand was Hij niet meer aan tijd en plaats gebonden en door geen zwaartekracht van het lichaam meer gehinderd.
Zo zal ook de gehele schepping met zijn vogels, dieren en planten, op een hoger niveau worden wedergeboren, gelijk aan dat van voor de zondeval, maar toch ook weer anders. Dat zal dan het ware leven zijn, zonder vergankelijkheid en zonder langdurige ziekten. Dat herschepping van de aarde zal plaatsvinden is ook een gevolg van de opstanding van Jezus uit de doden. Christus is niet alleen maar de Redder van de mensen, maar van de ganse schepping. "Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil van hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods" (Rom.8:19-21).
Als dat niet betekent, dat de totale schepping door de opstanding van Jezus Christus uit de doden vernieuwd wordt, wat betekent het dan wel? De hele natuur ziet met reikhalzend verlangen uit naar de geestelijke verandering van de verlosten. "Naar Zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, om als eerstelingen te zijn onder Zijn schepselen" (Jakobus 1:18). "Christus is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping" (Kol.1:15).
Hoe kan nu Christus de eerstgeborene van de ganse schepping zijn, als ook niet de planten, de dieren en het klimaat Hem - evenals Zijn kinderen - in de opstanding zouden volgen, en wel in die zin, dat Hij de eersteling is en al het andere, de volle oogst? De aarde zelf moet immers vernieuwd worden, zoals geschreven staat: "Wij verwachten echter naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont" (2 Petr. 3:13). Zal de nieuwe aarde geen bomen, bloemen en dieren van hogere orde hebben dan deze aarde, met al hun schoonheid, hun heerlijke geur, verrukkelijke smaak en zijn aangename temperatuur? "Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich neerleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden" (Jes. 11:6.).
Dit alles is zo zeker als het Woord van God zelf: "En Hij, die op de troon gezeten is, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig" (Openb. 21:5). Johannes zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en zag de stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen op die nieuwe aarde. Zoals nu de eerste aarde een park in Eden had, waar men zich kon verkwikken en waar men kon genieten van schoonheid en kleur, zo zal ook - maar dan als een veel heerlijker realiteit - het nieuwe Jeruzalem op aarde zijn park bezitten, waarin het opstandingsleven bruist in al zijn verscheidenheid. Dit Park van Eden is reeds in de hemel aanwezig, doch de hemelse stad is nog niet op aarde neergedaald, maar dat zal in de toekomst wel plaats vinden.

het paradijs is een park met planten, dieren en een herschapen natuur

Het woord Paradijs is geen Nederlands woord en betekent park. Maar ook het woord Park is niet van Nederlandse oorsprong en betekent Lusthof. Ongetwijfeld zal de beschrijving van het Paradijs, zoals onze kinderen van Adullam het zagen, voor de meeste lezers net zo nieuw zijn als het voor ons was. Dat komt, omdat wij zo onverstandig zijn en traag van hart, dat wij niet alles geloven, wat geschreven staat (Lukas 24:25). Deze opmerking maakt wel duidelijk, dat wij niet in staat waren onze pleegkinderen iets over het paradijs te vertellen, maar dat zij ons leerden.
Een stel van de allerkleinsten, die natuurlijk niets van deze dingen afwisten, bleken onze beste leraren te zijn. Dat zij hun licht van de Heer ontvingen zal u duidelijk worden wanneer u wat zij vertelden, vergelijkt met het getuigenis van de Heilige Schrift. Want de Bijbel zegt, dat er in de hemel zo'n paradijs is.
Paulus zegt, dat hij iemand kent, die tot in de derde hemel werd opgetrokken en tot in het paradijs.
En in de Openbaring van Johannes hoofdstuk 2, vers 7, lezen wij: "Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is."
Ook kennen wij het gedeelte wel, waar staat: "Aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt" (Openb. 22:2; zie ook Ezech. 47:12).
Zo bevestigt de Heilige Schrift het bestaan van een paradijs met stromend water en vruchtbomen. Het paradijs is een grote tuin van niet te overtreffen wonderbare schoonheid en dat is nu juist datgene, wat het woord paradijs inhoudt. Het Bijbels woordenboek zegt, dat het woord van Perzische oorsprong is, en dat de Septuaginta het gebruikt voor ons woord Eden.
Het betekent een begrensd stuk land, waarop de schoonheid van natuur en creatuur zodanig met elkaar verbonden is, dat men er is tot wederzijds genoegen, evenals wij dit nastreven bij het aanleggen van onze parken. Maar het hemels paradijs is nauwelijks met een aards park te vergelijken, alleen al vanwege zijn uitgestrektheid en zijn hemelse glans, die zoveel hoger is als ook Gods gedachten zoveel hoger zijn dan de gedachten der mensen. De, door mensen aangelegde parken die in unieke gebieden zijn gelegen, met snelstromende riviertjes, kristalheldere meren, goedverzorgde boomgroepen, fluweelgroene weiden, geurende bloemen, zingende vogels en enkele dieren, zijn per slot van rekening slechts een flauwe afspiegeling van het Eden uit de voortijd.
Als God niet de liefde voor de natuur en het verlangen naar mooie parken in het hart van de mens had gelegd, waar komt dan al in de vroegste geschiedenis de universele liefde voor de natuur met zijn flora en fauna vandaan? Moeten al de pogingen van de mens om een deel van het verdwijnende natuurschoon te bewaren van deze onder de vloek zuchtende aarde, in de paar jaar van zijn aardse leven op niets uitlopen? Is zijn liefde tot vogels, dieren, bloemen, bomen, bergen en dalen, rivieren en meren en alle werk van Gods hand alleen maar een voorbijgaand tijdverdrijf, dat hem van Gods hand geschonken is, enkel en alleen om de korte tijd van zijn aardse leven wat op te vrolijken? Zijn niet de schoonste composities hier op aarde schaduwen van de gereinigde, onverderfelijke schoonheid in het hemels paradijs?
Nee, de aardse schoonheden zijn niet alleen voorbijgaande beelden voor een pelgrim op aarde, maar tevens een wegwijzer van God, die heenwijst naar de komende schoonheden aan het eind van de pelgrimsreis. Bij hen, die verlost zijn door het bloed van het Lam en door het geloof in Hem door de poorten Gods paradijs binnengaan, dat wil zeggen de tuin van het hemelse Eden - dat door geen zonde meer van zijn schoonheid beroofd kan worden -, mag de liefde tot de natuur tot eeuwige liefde worden, die over alle grenzen van het aardse bestaan heenreikt.

de kinderen van Adullam zien het hemels paradijs

Ongetwijfeld zal de lezer er belang in stellen om te weten, wat onze kinderen dan wel allemaal in het paradijs hebben gezien. Een van de jonge helden was bijna onmiddellijk in het paradijs, toen hij de hemelse stad binnenging. Daar ontmoette hij twee jongens uit Adullam, die bij ons in Hokow waren gestorven. Terwijl zij nu met hem door de stad naar het paradijs gingen, kwamen zij al gauw aan een open terrein met een grote grasvlakte, en omgeven met geweldige bomen, die er blinkend en als van goud uitzagen. Het geheel was zo adembenemend om te zien, dat de jongen tot zijn hemelse vrienden zei: "Dit is goed genoeg voor mij. Er bestaat niets mooiers. Hier wil ik blijven." Maar de twee zeiden tegen hem: "Nee, blijf hier niet staan, want hier zijn nog veel meer en grotere wonderen."
Toen zij dan met hem verder gingen, kwamen zij bij nog veel mooiere bomen, waaraan vruchten hingen. Het hele park hier was verrukkelijk en overtrof elke aardse ervaring. Onze nieuweling zei: "Hier wil ik blijven! Ik kan niet verder gaan en deze schoonheid hier verlaten. Wat ben ik gelukkig!"
"Ga nog verder mee," zeiden zijn beide begeleiders, "er is hier nog veel meer, dat nog mooier is." Daarop zei onze kleine: "Gaan jullie dan maar verder, maar ik zou zo graag nog een poosje hier blijven."
En de twee lieten hem alleen achter op het fluweelachtige gras onder de bomen. Golven van vreugde en een gelukzalig gevoel, zoals hij dat op aarde nooit had gekend, doorstroomden hem. Hij was in het land der zaligheid, van de onuitsprekelijke vreugde en heerlijkheid, het land dat schoner is dan de middag. Zonder dat de jongen gemerkt had waar hij terechtgekomen was, kwam plotseling een engel naar hem toe, die zijn gezang met de harp begeleidde. Deze lachte hem toe en gaf hem de harp.
"Ik kan niet spelen," zei daarop onze kleine. Toen ging de engel verder. Al gauw daarna kwamen andere engelen, die zongen en speelden en hem toelachten. De engelen waren gehuld in witte klederen zonder naad. Zij hadden volmaakt mooie gezichten; de een was niet minder mooi dan de ander.
"O, ik kan niet onder woorden brengen hoe het was als zij vriendelijk naar mij keken," zei de jongen. Op aarde is er niets, dat men zou kunnen vergelijken met het lachen van een engel. Dergelijke taferelen, waarvan het ene het andere overtrof, werden vaker in het paradijs gezien door een groot aantal kinderen van Adullam. Zij zagen daar bomen met de heerlijkste vruchten, de mooiste bloembedden, in kleur zowel als in grootte, die een ongekend heerlijke geur verspreidden.
Daar zagen zij vogels met prachtige veren, die allen blij een loflied zongen. Zij zagen daar ook allerlei soorten dieren: grote en kleine herten, grote leeuwen en olifanten, aardige konijntjes, allerlei soorten leuke kleine dieren, waaronder ook verschillende, die zij nog nooit gezien hadden. Ook zagen zij kinderen spelen met leeuwen en andere dieren, die hier gevaarlijk zijn.
De kinderen namen de kleinere dieren op hun arm, liefkoosden ze en reikten ze elkander toe. Of zij zagen de prachtige leeuw vreedzaam onder een boom liggen en liepen, zonder dat zij bang waren, naar hem toe en klommen op zijn rug, kamden zijn ruige manen met hun vingers, streelden zijn kop en grepen met hun handen in zijn muil. Soms gingen ze naast hem liggen of leunden tegen hem aan, om samen te genieten van de liefde van hun Schepper. Waarom ook niet? Ergens moet de profetie in Jesaja uit hfdst 11: 6-8 zijn toepassing vinden.
De kleine kinderen reden op de hertjes, de grotere kinderen op de grote herten of op de vriendelijke olifanten. Allen waren volkomen in de liefde. Het was een volmaakte harmonie! Wat werd daar van vreugde gejuicht! Wat klonk daar het gelach van de kinderen! Wie anders dan onze liefhebbende Vader in de hemel kon zo'n paradijs ontwerpen en tot stand brengen?

eten en drinken in de hemel

Er was een overvloedige keus aan vruchten en wanneer de kinderen honger kregen, aten ze ervan of raapten zij het manna op, dat men overal voldoende kon vinden. Kregen zij dorst? Hier en daar kabbelden kleine beekjes met verrukkelijk fris levenswater. De Schrift leert eveneens dat in die wereld gegeten en gedronken wordt, daarom mag het ons ook niet verwonderen, wanneer onze kinderen eveneens veel over eten en drinken spraken.

onze Adullam-kinderen zagen de heiligen van het Oude Verbond

In de open, weideachtige lanen, omzoomd met de mooiste bomen, temidden van bloemperken en zangvogels, zagen onze jongens in het paradijs scharen verlosten uit de tijd van het Oude Testament, die samen met vele engelen dansten en op trompetten bliezen. Vaak sloten zij zich bij deze feestende schare aan, waarbij kleine en grotere kinderen waren en ook volwassenen, maar geen ouderen. Wat was dat geweldig om te zien! Wat een hemelse zangers! Wat een geluk en wat een vreugde onder de engelen en verlosten! De engelen toonden hen Abraham, David, Daniël, de profeten en de martelaren uit de oudheid. Zij zagen Petrus, Jakobus, Paulus en anderen, voor wie de wereld geen waarde meer had.
Onze jongen uit de arme Miaostam zag zijn tante en zijn zusje, die hem daarheen waren voorgegaan. Ook onze kleine Mary, die bij ons in Kotchiu was gestorven, had onze jongen bij de hand genomen en leidde hem rond in de hemel.

een jongen werd in een gezicht het sterven van een Christen getoond

Terwijl familie en vrienden zich om zijn sterfbed verzamelden, stond er ook een engel naast hem, die wachtte op de scheiding van geest en lichaam. Zodra dit had plaats gehad, nam de engel de geest bij de arm en steeg met hem op naar de hemel. De overheden en de machten van de boze geesten in de hemelse gewesten, die de engelen probeerden te hinderen, werden door het geloof van de engelen en de lofprijzing tot God overwonnen, tot zij uit hun gebied verdwenen waren. Nadat zij in de paarlen poort waren begroet, werd de nieuw aangekomene door een schare engelen ontvangen die hem zingend, dansend en juichend een koninklijke ontvangst in de eeuwige stad bereidden.

6 Engelen in ons midden

De uitstorting van de Heilige Geest op onze kinderen en volwassenen werd altijd begeleid door gezichten, waarin engelen in ons midden werden gezien. In dit verband is het wel op zijn plaats kennis te nemen van wat de Schrift ons leert over de dienst van engelen. De Bijbel zegt, dat engelen betrokken zijn bij het werk van de Heilige Geest. Omdat de geesten (of engelen) de profeten onderworpen zijn volgens 1 Kor. 14:32, zo blijkt daar reeds uit, dat engelen er deel aan hebben, wanneer een profeet spreekt door inspiratie van de Heilige Geest.
Zo ontving ook Johannes zijn openbaringen door een engel, toen hij op Patmos in de geest was (Openb. 1:1-10).
Engelen hebben er iets mee te maken, als iemand in vervoering raakt of gezichten ziet en door de Heilige Geest openbaringen ontvangt. Het kan zijn, dat elke ware gemeente een engel heeft, die haar op bijzondere wijze dient (Openb.1:20).
Ieder die gered is heeft een engel (Hebr.1:14; Hand. 12:15).
Elk kind wordt door engelen gediend (Matth.18:10).
Engelen zien ons te allen tijde (1 Kor. 4:9).
Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament staan voldoende bewijzen waaruit blijkt, dat het in wezen engelen waren die ons dienden in ons Adullamhuis. We hebben reeds eerder verteld, dat de kinderen zagen, hoe engelen andere kinderen bevrijdden, die op afschuwelijke wijze door demonen gebonden waren en naar de hel gesleept zouden worden. Daaruit blijkt, dat engelen deel hebben aan de redding van verlorenen. Daar engelen de kinderen naar de hemel begeleiden en hen door de poort in de stad en het paradijs brachten, lijkt het wel, alsof zij met het hele huis van Adullam wat te maken hebben. Omdat de meeste kinderen een andere taal spraken als zij met engelen dansten en zongen, is het best mogelijk, dat die engelen iets te maken hebben met het spreken in tongen, want volgens 1 Kor. 13:1 is het best mogelijk met de tongen der engelen te spreken.
In elk geval zagen de kinderen in hun gezichten scharen van engelen door de hemel vliegen en dikwijls zagen zij deze engelen ook naar de aarde afdalen.

engelen in ons huis en rondom ons

In de tijd dat de aanwezigheid van de Heilige Geest heel bijzonder werd ervaren, zagen verschillende kinderen engelen in de omgeving of in de zaal. Toen zij door demonen lastig gevallen werden, zagen zij engelen komen om hen te bevrijden. Toen wij in de samenkomst de heerlijkste nabijheid van de Heer ervoeren in harmonie en liefde, zagen de kinderen een grote engel boven ons zweven, terwijl om ons heen een kring van kleine engelen werd gezien, die naast elkaar stonden en wel zo dicht, dat de een de ander aanraakte.
Er waren geen openingen in de kring, waardoor demonen konden binnenkomen. Bij zo'n gelegenheid zagen de kinderen ook geen demonen in het vertrek, zoals anders vaak het geval was. Op een avond, toen wij ook weer zo door engelen omgeven waren, zeiden de kinderen, dat zij konden horen dat de demonen buiten de kring van de engelen op ergerlijke wijze hun ontevredenheid tot uitdrukking brachten over het feit, dat zij onze gezegende gemeenschap niet konden storen of verhinderen. Jongens in Kotchiu hebben eveneens zo'n kring van engelen gezien. Ik zal mijn hele leven niet het gezegende uur vergeten, waarop de nabijheid van God in onze samenkomst zo merkbaar was en de jongens de grote engel boven ons zagen. Deze engel keek op ons neer en keek dan opzij naar de kring van engelen die ons omgaven, opdat er nergens een opening zou zijn voor de macht der duisternis.
Ik denk, dat de engel boven ons wellicht het toezicht op ons hele huis was toevertrouwd en dat de kleinere engelen van lagere orde de engel van ieder persoonlijk was. Hoe het ook zij, de kinderen zagen de engel. Meestal hadden zij daarbij hun ogen gesloten, maar soms ook wijd open en in beide gevallen zagen zij hem. Wij konden geloven, dat wij ons in de tegenwoordigheid van engelen bevonden en hoefden daaraan niet te twijfelen.

7 Het rijk van de duivel

Ieder die in de tijd van de uitstorting van de Heilige Geest in ons midden zou zijn geweest en goed had opgelet, zou niet hebben kunnen twijfelen aan het bestaan van twee koninkrijken, die voortdurend met elkaar in oorlog zijn. Zo zeker als het is dat de Heilige Geest en de engelen hun best doen om mensen het rijk van het Licht binnen te voeren, zo zeker proberen demonen het werk te verhinderen, doordat de duivel temidden van een schare boze geesten iemand aftrekt naar het rijk der duisternis.
Het bestaan van het ene rijk werd ons net zo duidelijk als het bestaan van het andere en de mens vormt het slagveld. De Bijbel leert, dat er ook onder de boze geesten zowel hogere als lagere machten zijn (Rom. 8:38) en dat onze strijd niet tegen vlees en bloed is, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Efeze 6:12). Het Nieuwe Testament leert het bestaan van een rijk der duisternissen en de aanwezigheid van demonen.

demonen

Wij hebben in een voorgaand hoofdstuk verteld, hoe demonen uit iemand werden verdreven, en dat gezien werd hoe de grootste van deze demonen hevig vertoornd door de kamer liep en tenslotte de ongewapende leraar overweldigde en op de grond wierp. Daarbij zagen twee van onze jongens hoe de op mensen gelijkende demonen bezit namen van de leraar. Toen de demon door een jongen, die met de Heilige Geest vervuld was, werd uitgedreven, zagen later sommige van de andere jongens dat hij zich achter in onze tuin verstopte.
Deze demon en zijn begeleider, die ongeveer half zo groot was, werden door enkele jongens gezien die met gesloten ogen baden, en door sommigen die dat met open ogen deden. Maar zij zagen allen tegelijkertijd de demonen in diezelfde gestalte. Daarbij was voor ieder die het zag het uiterlijk van de demonen hetzelfde.
Wij hadden in onze Adullamreddingshuis een jong meisje, wier lichaam kennelijk toeliet dat de demonen het bij herhaling in bezit namen. Het meisje vertelde ons dat zij, al voordat ze bij ons kwam, herhaaldelijk aan aanvallen van bewusteloosheid had geleden. Toen zij een tijdje bij ons was, maakte zij met enkele andere meisjes van ons huis een wandeling even buiten de stad. Op weg naar huis bleef een van de nieuw aangekomen meisjes, dat half blind en wat achterlijk was, achter en verdwaalde. Dat eerstgenoemde meisje ging nu het verdwaalde meisje zoeken. Toen zij bijna thuis waren, zag zij plotseling enige stappen voor zich uit drie demonen. Een van hen was groot en slank en werd door twee anderen vergezeld, die zo groot waren als een jongen van twaalf jaar. Zij waren alle drie donker van uiterlijk, met grote ogen en hele gemene gezichten. De twee kleinere schenen onderdanen te zijn van de grote en volgden hem. Het meisje schrok van wat zij zag. De grote demon kwam dichterbij en greep haar hoofd vast, waardoor zij duizelig en half bewusteloos werd, zodat zij de straat niet meer kon herkennen en door het andere meisje naar huis moest worden gebracht. Toen zij thuis was gekomen, ging het beter, totdat wij de avondboterham aten; toen werd ons bericht dat het meisje weer bewusteloos in haar kamer lag. Wij vonden haar liggend op de grond en zij ademde alsof zij diep in slaap was, maar wij konden haar niet wakker krijgen. Nadat wij daar voor haar gebeden hadden, kwamen wij voor het dagelijkse gebedsuur bij elkaar en bleven bidden, tot zij in goede toestand in de gebedskamer kwam. Zij vertelde, dat het haar toescheen alsof zij met ketenen gebonden was geweest en door demonen over een lange duistere weg naar beneden was gesleept, terwijl zij al die tijd in haar hart tot de Heer had gebeden om haar te bevrijden. Opeens was zij weer tot bewustzijn gekomen en had zij kunnen opstaan.
Toen zij was opgestaan van het bed waarop wij haar hadden neergelegd voor wij haar verlieten, zag zij weer die drie demonen in haar kamer. Maar nu was zij niet bang meer, omdat zij wist, dat de Heer haar had bevrijd. Daarom vatte zij moed en beval de demonen in de Naam van de Here Jezus de kamer te verlaten. Ze trokken zich maar heel langzaam terug, doch bij elke stap klonk achter hun rug het bevel 'in de Naam van Jezus' tot ze tot buiten de grote poort van onze binnenplaats gedreven waren. Zij heeft deze aanvallen niet meer gehad. Ik heb die twee voorvallen in de kleinste bijzonderheden verteld, omdat het werk van de demonen in beide gevallen zo duidelijk was, dat ieder die dit gezien zou hebben wel zou moeten toegeven, dat hier sprake was van een bovennatuurlijke beïnvloeding.
Wij zouden inderdaad nog veel meer bewijzen kunnen aanvoeren over de werkzaamheid van demonen, waar wij de laatste jaren ooggetuige van waren, maar laten de beide bovengenoemde voorbeelden in dit verband voldoende zijn. Toen de eerste bovennatuurlijke uitingen van geestelijke aard zich voordeden, begrepen wij die niet, maar bleven wij bidden en vertrouwen op de Heer. Wij wilden alleen dan onderbreken, wanneer wij iets zouden waarnemen wat schadelijk of zondig was. Na acht weken van die wonderbare uitingen van de Heilige Geest waren wij zeer verheugd en dankbaar, dat wij de kinderen zo'n vrijheid hadden gelaten. Wij zagen hoe wonderbaarlijk en veilig de Heer de kinderen leidde en dingen die wij eerst niet begrepen, bleken later deel uit te maken van Gods plan om ons enkele van de meest wonderbaarlijke en verblijdende openbaringen te geven.
Onder deze ongewone openbaringen was ook die over

het werk van de demonen

zoals de kinderen het zagen. Terwijl enige kinderen hun gelukkigste tijd met de Heilige Geest beleefden, vielen anderen tijdens het gebed in slaap. Degenen die vervuld waren met de Heilige Geest, konden vaak bij hen die zo met slaap te kampen hadden, demonen zien die hen lastig vielen met slaap. Zij werden gezien als zij door het open raam of meestal door de deur naar binnen kwamen. Soms zagen de kinderen hen luierend onder de tafel of op een sofa liggen.
Degenen die onder de zalving van de Heilige Geest stonden, dreven dan, hoewel zij de ogen gesloten hadden, de demonen er uit in de Naam van Jezus, hen stap voor stap in de gaten houdend, totdat zij door het venster of door de deur de kamer verlaten hadden. Dikwijls volgden zij de demonen buiten de kamer, openden een voordeur of een binnendeur in het gebouw en joegen de demonen van het terrein af.
Wanneer er demonen verschenen, werden zij vaak gelijktijdig door verscheidene kinderen gezien. Enkele kinderen hadden vroeger reeds demonen gezien. Wij bemerkten, dat zij niettegenstaande alle onderwijs over de Heer toch nog bang voor hen waren en het niet waagden 's avonds alleen naar hun kamer te gaan. Voor zij gingen slapen trokken zij een deken over hun hoofd. Maar door deze openbaringen leerden de kinderen, dat de grootste en wildste demonen machteloos waren tegenover het kleinste kind, dat bedekt was onder het bloed van Jezus, zodat wij voor het eerst een groot aantal Chinese kinderen hadden, die hun angst voor demonen kwijt waren, niet meer bang waren in het donker en met onbedekt hoofd durfden te gaan slapen. U zult wellicht willen weten hoe de demonen er uitzien.
Men kan ze het beste beschrijven, als men ze vergelijkt met de afgodsbeelden in de Chinese tempels. Volgens de Bijbel en wat betreft de Chinezen is godsdienst vaak demonenaanbidding. De demonische gestalte van de afgodsbeelden heeft men geprobeerd te maken naar het uiterlijk van de demonen die men gezien heeft. De kinderen zagen demonen, zo groot als een deur, met spitse kin en hoofden vol wratten. Er waren er ook die maar half zo groot waren en er anders uitzagen. Er kwamen kleinere, zestig tot negentig centimeter hoog en hele kleine, slechts zo'n tien centimeter groot, die de grotere demonen volgden. Voor de grote demonen met uitpuilende ogen en woest uiterlijk moet men bevreesd zijn, want zij hebben macht om te binden en gevangenen naar de hel te slepen.

de vorsten en machthebbers in de hemelse gewesten

De geweldige legers in de lucht en hun duister samenspel met de demonen op aarde werd in Adullam door verscheidene getuigen gezien en zij gaven daarvan de volgende beschrijving.
De legerleiding van de boze zetelt in de middelste hemel. Hier zijn tronen, van waaruit de engelen van Satan hun satanische heerschappij over de aarde voeren. De vorsten der duisternis zien er verschillend uit. Sommigen zijn groter van gestalte dan anderen, ze verschillen in kleding, hebben verschillende kronen, verschillen in gelaatsuitdrukking, in aanleg en in rang en stand. In elk opzicht zien ze er echter satanisch uit en handelen zoals men dat van de legers van Satan kan verwachten.
Deze vorsten in het rijk van Satan strijden voortdurend tegen elkaar, de een neemt de ander kwalijk dat die boven hem staat. Iedereen is afgunstig op iedereen en allen zijn begerig naar de zetels in de hoogste rang. Zij die een hoge rang bekleden handhaven hun positie, niet met toestemming van de ondergeschikten, maar door hun eigen grotere macht en wreedheid.
Groepen en enkelingen vechten en strijden voortdurend met elkaar. Allen dragen kronen die de verschillende klassen en rangen aangeven. Allen wensen liever daar boven op de tronen te zitten en toezicht uit te oefenen op het werk op aarde dan als afgevaardigde naar beneden te komen met de plicht de demonische machten hier beneden te stimuleren.
Diegenen, die de hoogste rang hebben zitten op tronen in de middelste hemel en heersen over ontelbare legers van boze geesten, waaruit voortdurend afgevaardigden naar de aarde worden gezonden om de bewoners te verleiden tot weerstand tegen de gerechtigheid. Om de zwakkere demonische machten op aarde te versterken en om de zielen van stervende boze mensen te binden en in de hel te slepen.
Hoewel deze boze engelen in de hoogste hemelen tot aan de poorten van het nieuwe Jeruzalem vliegen en ook neerdalen naar de aarde en rondvliegen in de lucht, ligt het centrum waar zij zich in ontelbare menigten verzamelen in de middelste hemel, waar zich de zetel van hun macht bevindt. Hier vliegen legers boze geesten van elke grootte heen en weer en bewegen zich daar vrijelijk. De boze engelen die een hoge rang hebben zijn omgeven met een soort lichtglans als bij de heiligen.
In zeker opzicht lijken ze allemaal op elkaar: allen hebben vleugels, allen hebben kronen, allen behoren ze in de hemel. Slechts van tijd tot tijd gaan ze als afgevaardigde naar de aarde. Wanneer ze hun boze opdracht vervuld hebben, keren ze weer naar de hemel terug.
De menigte boze geesten op aarde verschillen zeer van de engelen van Satan. Zij die zich op aarde bevinden hebben geen vleugels. Zij kunnen zich snel verplaatsen en lopen, bewegen zich vrijelijk en zo te zien raken zij de aarde niet aan. Zij variëren in grootte van zo'n tien centimeter tot drie meter. Ze gaan zeer bont gekleed, versierd met vele tressen en met eigenaardige mutsen van verschillende vorm en kleur; andere geesten daarentegen dragen lompen of vuile kleren.
Sommige van deze demonen op aarde hebben heel weinig macht en vormen een tamelijk onschuldige groep. Anderen daarentegen zijn groot en wild en hebben grote macht. Ze werken de arbeid tegen van rechtvaardige mensen en hemelse engelen, die tot de mensen zijn gezonden.
Op een keer verzamelden zich de aardse demonen van hoge rang, gesteund door lagere, rondom een engel en probeerden hem met knuppels, zwaarden en andere wapens te slaan, maar door geloof en door de Heer te loven en te prijzen weerstond die engel de aanval, zodat geen slag hem trof en ook geen vijandelijke hand hem kon aanraken. Op enige afstand stonden demonen die minder macht hadden en naar de strijd keken en toen zij zagen dat hun soortgenoten geen succes hadden, baden zij tot de hemelse machten der duisternis of die voor een versterking van engelen wilden zorgen. Als antwoord op dat gebed werd een afdeling van tien engelen gezonden. Toen die de aarde naderden, klapten de lagere demonen bij wijze van welkom verheugd in de handen. Toen de boze engelen van boven het strijdterrein bereikten, hielden de lagere demonen die op een afstand stonden, zich eerbiedig stil voor de delegatie van boven, die zich nu mengden in de strijd tegen de engel. Ook deze macht weerstond hij door lofprijzing en geloof, totdat plotseling de heerlijkheid van God neerdaalde en alle boze geesten wegvaagde.
De jongen, die de dood van een Christen had gezien, zag ook wat er gebeurt, wanneer zij die niet bekeerd zijn, sterven. Wanneer een mens het Evangelie niet heeft willen aannemen en sterft, dwaalt zijn ziel, nadat die het lichaam heeft verlaten ongehinderd op aarde rond, totdat een van de engelen van de duivel met ketenen uit de lucht naar beneden komt, hem bindt en hem in de hel werpt. De dood van een mens, die Christus heeft beleden, die de Heer heeft gekend, maar zich niet echt heeft bekeerd, is nog vreselijker. Wanneer zo iemand ligt te sterven, wachten demonen met boosaardige vreugde totdat de ziel zich losmaakt van deze huichelaar, die eens Christus heeft beleden. Nog voordat de ziel al helemaal los is van het lichaam beginnen de demonen die te binden en voltooien dat binden op het moment, dat de mens zijn laatste adem uitblaast. De huichelaar is hier op aarde geen moment vrij. Hij is het voorwerp van spot voor zijn duivelse beul en wordt meteen de hel ingeduwd.
Zo'n slecht mens werd door de demonen, die hem met ketenen hadden gebonden, als speelbal gebruikt. Zij lieten hem over de aarde heen en weer trekken, gooiden hem omhoog en trokken hem weer naar beneden en sprongen met hem rond als met een dode hond. Nadat zijn beulen voldoende plezier aan hem hadden beleefd, werd hij via een duistere weg naar de gebieden van de hel gesleept. Ook werd een jongen van Adullam naar de hel gesleept.
Omdat hij zo buitengewoon slecht was geweest, werd hij in het leger slechts als loopjongen gebruikt door een officier. Toen wij hem verscheidene dagen op straat zagen bedelen, namen wij hem op in het reddingshuis van Adullam. Hij beloofde beterschap, maakte zo te zien een bescheiden indruk, hoorde een tijdlang het Evangelie en deed schijnbaar boete. Diverse dingen verdwenen uit het huis, maar de dief kon niet worden ontdekt, totdat deze jongen op straat werd betrapt toen hij probeerde het gestolene te verkopen. Toen stuurden wij hem weg.
Nadat hij maandenlang het leven van een bedelaar had geleid, gaven wij hem opnieuw een kans omdat hij keer op keer beterschap beloofde als wij hem maar wilden toestaan terug te komen. De Heer zelf gaf hem ook een mogelijkheid, want wij hadden voldoende bevestigingen van de Heilige Geest en bovennatuurlijke openbaringen om ook de meest simpele ziel de weg van het Leven duidelijk te maken. Ja, deze jongen kende soms momenten, dat de Heilige Geest tot hem sprak over zijn zonden en hem de rechte weg toonde. Ondanks dat alles liep hij weer weg en sloot zich aan bij een bende bedelende dieven.
Enige maanden later viel hij en brak een arm. Er volgde een infectie en hij lag op sterven toen een verpleger hem opraapte. In het ziekenhuis was hij zo hopeloos ongehoorzaam, dat men hem er uitzette en zo stond hij weer stervend op straat. Toen hij bij ons kwam met belofte zich te beteren, hadden wij opnieuw medelijden met hem en namen hem weer op. Elke dag kwam de dood dichterbij. De nacht voor zijn sterven werd ik gewekt door een heel onnatuurlijk gekrijs. Het klonk als het woeste huilen van een wild dier. De volgende dag, toen de jongen stierf, was ik niet thuis. Toen hij in doodstrijd lag, verzamelden zich om hem afschuwelijke, helse demonen vol leedvermaak. Toen de ziel het lichaam verliet en de knaap zijn beul zag, weende, huilde, krijste en schreeuwde hij vol afgrijzen in alle toonaarden: "Meneer Baker, help! Help! Help! O, meneer Baker, kom gauw! Meneer Baker, meneer Baker! Help, zij omringen mij allemaal met ketenen! Zij willen mij halen. Help! Help! Meneer Baker, help! O, o, o, help! O...h..."

gezichten over de hel

Keer op keer kregen de kinderen gezichten over de hel en de vuurzee. Als één van hen onder de zalving van de Heilige Geest kwam, kreeg hij meestal eerst een gezicht van de hel. Er waren er die door demonen met kettingen werden gebonden en door een duister gebied werden geleid. Sommige kinderen konden in dit gebied de demonen om hen heen horen. Toen zij verder geleid werden, konden zij op enige afstand een flauw licht zien, dat een weerkaatsing van de vuurzee bleek te zijn. Sommige kinderen werden gedwongen zo dicht bij te komen, dat zij de vuurzee voor zich konden zien. De hele tijd smeekten zij om het bloed van Christus; ook verzekerden zij dat zij nooit de boze zouden gehoorzamen en zich nooit aan hem zouden onderwerpen.
Zij waren er volkomen van overtuigd, dat Jezus hen zou redden. Wij hebben al verteld, dat wanneer zo'n gezicht z'n climax bereikte, de Heer ingreep met Zijn verlossend bloed voordat zij de vuurzee bereikten. De Bijbel beschrijft de hel als een gebied van donkerheid en duisternis, en leert dat een deel van Satans engelen met ketenen in de duisternis van de hel werden geworpen en daaraan werden overgegeven om hen tot een oordeel te bewaren.
De kinderen zagen niet alleen duisternis in de hel, maar ook de vuurzee die men alleen maar door een duister, donker gebied kon naderen. In het gezicht werden zij naar de rand van een groot meer geleid van brandend vuur in een halfdonkere grot, waaruit rookwolken opstegen. Als de rook laag hing, was het vuur in het meer minder zichtbaar. Als de rook hoger steeg, was het brandende meer met zijn rode en groene vlammen en met degenen die zich daarin bevonden, duidelijk te zien.
Toen de kinderen in de helse grot naar beneden keken, zagen wij hoe zij zich aan een meubelstuk vasthielden of zij gingen op handen en voeten liggen en bogen zich voorzichtig voorover om een blik te werpen in de helse omgeving. Zij keken een moment naar beneden en trokken zich dan angstig terug, alsof zij er in konden vallen. Ze waren ontzet over wat zij zagen. Daarop keken zij weer heel voorzichtig naar beneden en deinsden weer terug. Soms gingen de kinderen plat op hun buik liggen om niet uit te glijden of te vallen, wanneer zij over de rand van de vuurzee keken. Zij zagen, hoe zij die verloren waren in de hel kwamen. Sommigen vielen er in en anderen gleden over de rand. En er waren er die door de demonen met ketenen gebonden waren en door dezen in de diepte werden geworpen. Een jongen zag een menigte die groepsgewijs was samengebonden en die op het punt stonden om in deze vuurhaard te worden geworpen.
Wanneer het vuur wat temperde en de rook wat afnam, kon men het kreunen van de ongelukkigen horen. Als het vuur nu en dan oplaaide en de rook wat opsteeg, hoorde men jammeren en weeklagen. Een persoon lag op de grond te kronkelen en schreeuwde het uit, zoals een ziel die het lijden in de hel ondergaat.
Vanuit de vuurzee werden talloze handen smekend om hulp omhoog geheven. Degenen die in de diepte waren, smeekten hen, die naar beneden keken, om redding. Wij konden horen hoe de kinderen met hen spraken zoals men iemand hoort telefoneren, van slechts één kant.
Wij konden iets van zo'n gesprek horen: "Ik kan je niet helpen." "Nee, ik kan niets voor je doen." "Maar toen je nog leefde, wilde je het Evangelie niet gehoorzamen." "Nee, het is te laat, voordat je hier kwam, heb ik er nog met je over gesproken, maar je lachte mij uit en je nam Jezus niet aan. Nu weet je, dat ik de waarheid sprak. Nee, ik kan helemaal niets doen; dit is het strafgericht van God. Als je gehoorzaam was geweest, zou je nu met ons in de hemel zijn." Na enige van die gesprekken werden de kinderen de hemel binnengebracht en waren blij bij Jezus te zijn, of zij zagen de heerlijkheid van de gouden straten in het Paradijs van God. Lazarus kon de rijke man zien en hoe hij pijn leed in de vlammen. En de rijke man kon met Lazarus spreken, maar hij kon niet over de kloof komen. Wanneer Christus als Koning der koningen op aarde zal heersen, zullen de verloste volkeren degenen die verloren gingen kunnen zien. Een jongen zag zijn grootmoeder, die hij geprobeerd had voor Christus te winnen, in de hel. Vroeger was zij een tovenares en moordenares geweest, die zich tegen het Evangelie, dat zij in haar dorp hoorde, had verzet en er de oorzaak van was dat velen het Licht afwezen.
Ook andere kinderen hadden familieleden in de hel gezien. De jongen van een stam uit de bergen, die zijn grootmoeder in de hel zag, was dezelfde jongen die zijn zusje en zijn gelovige tante in de hemel had gezien. Men zag niemand in de hemel, of de naam van iemand op de gebouwen in de gouden straten, of hij had in Jezus geloofd. Allen in de hel waren ongelovig. Op een avond, toen de Heer in wonderbare profetieën door een kleine jongen sprak, werd onder anderen gezegd: "Er zal niemand anders in de hemel zijn dan zij, die het Evangelie hebben geloofd."
Nadat de Heer de jongens en meisjes systematisch door de meest wonderbare lessen in de Heilige Geest had geleid, kwamen zij tenslotte bijna allemaal op het punt van beslissing. Het volgende gezicht werd zo vaak herhaald, dat het leek, dat ze dit nooit meer konden vergeten. Een kind scheen in het gezicht bij het kruis te staan, op de scheiding van twee wegen. De ene was de smalle weg van het leven, die naar de hemel en de heerlijkheid leidt. De andere weg was de brede weg naar de hel en ondergang.
Een grote, niet te tellen, menigte, van bezige haastige mensen kwam in onafzienbare rijen voorbij. Zij handelden met elkaar over zaken, waren beladen met zware zondenschuld, lachten almaar voort en waren druk bezig met de dingen van hun leven. Het kind stond daar als prediker op het kruispunt. Weer hoorden wij het gesprek van één kant:
"Hallo, vriend! Wacht nog een moment, ik zou U willen spreken. Luister toch, ga niet op die brede weg die naar de hel en naar de ondergang voert. Ik ben zelf op die weg geweest en heb zelf de hel gezien. Blijf hier bij het kruis staan en laat Jezus al uw zonden afwassen. Vanaf het kruis van Christus kunt u de andere weg inslaan, die naar de hemel zal leiden en naar het eeuwige leven en naar de vreugde. O, die mens gelooft het niet! Hij gaat verder op de brede weg. Wat een ellende!
Ik zal die ander daar aanspreken en zien of hij wil geloven. U, daar! Een momentje maar! Luister, gaat u toch niet met de grote massa mee. U weet niet waar zij heengaan. Deze weg leidt naar het verderf, het is de weg naar de vuurzee. Gaat u alstublieft niet verder. Ik ben hier naartoe gekomen om zoveel mogelijk mensen aan te houden en hen openlijk te waarschuwen. Keer hier om en laat Jezus uw zonden afwassen en ga met ons op de weg naar de hemel, waar God is. Ach, hij loopt ook door!
Daar is een ander. Wacht u even! Kom uit de menigte! Ziet u dan niet, dat niemand op deze weg terug komt? Zij lopen allen op de weg naar beneden, niemand komt terug. Dit is de brede weg naar de hel. Blijft u hier bij het kruis staan. Geloof in het Evangelie van de verlossing door het bloed van Jezus en u zult gered worden. Er is geen andere weg. Dit is de enige weg naar de hemel. Keert u hier om, anders gaat u verloren! O, wat verschrikkelijk, hij gelooft mij niet. Hij gaat verder met de anderen."
Soms besloot de jonge evangelist, wanneer niemand hem geloofde met de koppige menigte mee te gaan, om te zien wat er zou gebeuren. Toen hij aankwam met de menigte aan de rand van de vuurzee in de hel, hoorden wij hem zeggen: "Zie toch, hoe deze menigte zich in de hel stort!"
Langzaam gaat hij naar de rand van de afgrond, buigt zich voorover en kijkt naar beneden in de vuurzee met de lijdende menigte en zegt: "Ik kan jullie niet helpen. Ik heb je alles over dit einde verteld op het kruispunt bij het kruis, maar jullie wilden mij niet geloven. Nee, jullie zullen nog niet geloven, zelfs al zou ik je er nu kunnen uithelpen. Nee, nu kan ik niets doen. Als jullie geluisterd hadden toen ik je waarschuwde, had de Heer je kunnen redden. Jullie komen om, omdat je je niet hebt laten raden. Nee, ik kan niet. Ik ga nu weer terug naar het kruispunt om te zien of ik iemand vind die wil luisteren en of het mij gelukt om tot elke prijs er enigen vast te houden.
Soms was hij zo gelukkig iemand te overtuigen, zodat die luisterde. Dan placht hij te zeggen: "Kniel nu neer aan de voet van het kruis van Jezus en bid. O, u weet niet wat bidden is? Spreek maar na, wat ik zeg: Jezus, ik ben een zondaar! Ik was op weg naar de hel. Ik heb alleen maar de hel verdiend. De zware last die ik draag, is enkel zonde. Vergeef mij mijn zonden en leer mij alleen maar tot Uw eer te leven. Amen." Er was grote vreugde als de zondaar gered werd en de smalle weg opging, terwijl de evangelist terug ging om te proberen een andere zwaar beladen reiziger te redden.
Deze gezichten werden dikwijls met enige variaties herhaald. Zij toonden duidelijk dat redding alleen te verkrijgen is door bekering en geloof in het bloed van Christus middels de prediking van het Evangelie, dat velen geroepen zijn maar weinigen gered worden, dat de weg naar het Leven smal is en weinigen die vinden. Het was ook duidelijk, dat de Christen op de bres moet staan waar de wegen zich scheiden en overtuigen en waarschuwen moet, voorzover hij daartoe in staat is. Wij hebben verteld hoe de jongens, zelfs de kleinsten, van tijd tot tijd de straat opgingen om het Evangelie te brengen onder de zalving van de Heilige Geest, vaak door directe inspiratie, zoals wijzelf nog nooit gepredikt hadden. Ik wil dit hoofdstuk besluiten met de geschiedenis van de student, die op het kruispunt kwam.
Precies tegenover ons huis woonde een student, die datzelfde jaar zijn laatste examen had afgelegd. Toen hij eens thuis kwam sprak ik hem aan en vroeg hem bij ons te komen om op vriendschappelijke wijze over Bijbel en Christendom van gedachten te wisselen. Hij kwam een paar keer en ik voelde, dat hij er van overtuigd raakte dat ik de waarheid sprak. De vragen die hij stelde, schenen tot zijn tevredenheid beantwoord te zijn. Door hem kreeg ik de gelegenheid om met een paar andere studenten te spreken die met vakantie waren. Ik had hen zowat tien dagen bezocht toen de machtige uitstorting van de Heilige Geest over Adullam plaats vond. De studenten waren vriendelijk en ik voelde duidelijk, dat de eerstgenoemde student de waarheid van het Evangelie erkende. Ik bemerkte echter ook, dat alhoewel hij beleefd was, hij niet geneigd was de waarheid aan te nemen en dat de vriendelijke houding van de andere studenten ten opzichte van de Bijbelbespreking hem niet beviel. Op een morgen, toen één van onze meisjes door de voordeur naar buiten ging, gebeurde het dat deze jonge student op hetzelfde moment zijn huis verliet.
Het meisje begon tegen hem te zeggen, dat hij toch ook Christen moest worden, en op eenvoudige wijze drong zij er bij hem op aan, in Jezus te geloven, opdat Hij hem zou redden van zijn zonden, een goed mens van hem zou maken, hem van de hel zou redden en naar de hemel zou brengen.
"Wat heb ik er aan om Christen te worden? Ik hoef niet gered te worden." "U zou toch plotseling kunnen sterven in uw zonden en dan in de hel komen." "Wie ben jij wel?" spotte de student. "Je bent een dom meisje, een kleine dreumes, een nutteloos bedelaartje. Wat verbeeld jij je dan? Jij wilt mij de les lezen en je bent niet waard, dat ik met je praat. Ik ben een student. Ik ben knap. Ik heb vele boeken gelezen. Ik ben in Peking geweest. Ik kan Engels net zo goed spreken en lezen als het Chinees." Toen spuwde hij haar in het gezicht en zei haar zich maar met haar eigen zaken te bemoeien.
Twee weken later zag ik een grote begrafenisstoet, die door de hoofdstraat ging. Ik was verbaasd te horen, dat het deze student was die begraven werd. Ik had hem een paar dagen tevoren nog op straat gezien. Een van onze jongens zei, dat toen hij een paar dagen geleden naar buiten was gegaan om te evangeliseren, hij deze jongeman een traktaat had aangeboden, maar hij had het niet willen aannemen. Ik wist niets van het gesprek met het meisje. Ongeveer een maand later raakte dit meisje door de kracht van de Heilige Geest in vervoering. Nadat zij gezichten van de hemel en de heerlijkheid van de verlosten had gehad, stond zij stil en boog zich voorover alsof zij in de hel keek en toen hoorde ik wat zij zei:
"Dat is dus de hel. Nee, ik kan niet, ik kan u niet helpen. U bent echt in een vreselijke toestand. U bent er nu erger aan toe dan een bedelaar, vies, haveloos en brandend in de vuurzee. U ziet er slechter uit dan welke bedelaar ook, die ik ooit heb gezien. Ik dacht dat u mij gezegd had, dat u rijk was en goed opgevoed. Hoe staat het nu met uw ontwikkeling? Ik kan nu niet helpen, ook al bekeert u zich. En ook al zou dat zijn, dan heb ik toch geen macht. Nee, alleen Jezus kan redden. Maar toen ik u van Hem vertelde, heeft u met Hem de spot gedreven en mij vervloekt."
"Zie nu maar, wat wij bedelaars, die in Jezus geloven, in de hemel krijgen: deze vreugde, dit geluk, het is een en al liefde in de Stad met de gouden straten en in Gods dierbare Paradijs!"

de rechtvaardige wordt nauwelijks gered

Toen leek het alsof het meisje over een smalle brug over de zee liep. Wij zagen haar gaan als op een koord, terwijl zij behoedzaam de ene voet voor de andere zette, met uitgestrekte armen, totdat zij weer in evenwicht was. Met een zucht van verlichting zei zij: "O, wat is dat gevaarlijk! Maar de Heer zal mij helpen de overkant te bereiken." Dan zette zij opnieuw een stap vooruit en verloor bijna haar evenwicht. Zij loofde de Heer als zij weer in evenwicht was en ging dan verder. Nadat zij op die manier door de kamer was gelopen, scheen het dat zij veilig in de hemel was aangekomen; ieder gevaar om op een bepaald moment in de vuurzee te vallen, was voorbij.
Welke uitwerking het vertellen van deze gezichten op anderen mag hebben, wij in Adullam leerden nog vaster geloven, dat de hel en het rijk van Satan, evenals de hemel en het Rijk van God, duidelijk bestaan. Nog nadrukkelijker dan ooit wijzen wij er op, dat de weg door het leven over de vuurzee voert, met al z'n gevaren. De weg die overwinnaars moeten gaan is als het lopen op een koord, stap voor stap, met vrezen en beven. Alleen de Here Jezus kan ons in evenwicht houden, zodat wij niet struikelen en of links of rechts vallen. Wij zijn zekerder dan ooit, dat God van ons verlangt, dat wij bij het kruis zullen staan, om zondaren de smalle weg te wijzen, die door weinig mensen bewandeld wordt, die bij het kruis begint en naar de hemel gaat, naar het leven, dat de Heer voor diegenen bereid heeft, en Hem liefhebben. Hoe kan iemand gered worden buiten deze dingen om; hoe kan iemand ontkomen, die deze redding voorbij laat gaan? Want indien het woord, door bemiddeling van engelen van kracht is gebleken en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding heeft ontvangen, hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil? (Hebr. 2:2-3)

8 De eindtijd en de wederkomst van Christus

Door de machtige uitstorting van de Heilige Geest, door gezichten en profetieën werden wij voortdurend gewaarschuwd, dat het einde van dit tijdperk en de wederkomst van de Heer nabij is. De Heilige Geest maakte dit hoogtepunt voor de mensheid van onze tijd zo levend en werkelijk, dat niemand van ons er aan twijfelde, dat de Heer nog bijzondere en laatste boodschappen voor Zijn volk te brengen had. De Bijbel leert ons, dat het tegenwoordige tijdperk zal eindigen in de grootste benauwdheid welke de wereld ooit heeft gezien en dat de Heer direct na deze benauwdheid zal wederkomen om degenen die boos zijn te vernietigen en de rechtvaardigen te belonen.
De Bijbel zegt ook, dat het hoogtepunt van dat einde de oogst zal zijn. Wanneer het onkruid tot volle ontwikkeling is gekomen en wanneer de blaadjes de tarwekorrel omspannen, dan is de zaadkorrel in de volle aar rijp. Wanneer zowel de tarwe alsook het onkruid rijp is, dan zal de Heer met Zijn engelen komen om de oogst binnen te halen en om de tarwe van het onkruid te scheiden. Met andere woorden: wanneer het rijk van Satan zich in zijn ergste vorm manifesteert en het rijk van God op aarde zijn meest zuivere vorm heeft - het boze en het goede zijn ten volle gerijpt - dan komt de oogst.
Verder zegt de Bijbel, dat het kwaad zijn hoogtepunt zal bereiken bij de incarnatie van Satan als heerser over een door demonen bedrogen en geplaagde wereld, en dat deze door Satan bezeten wereldheerser, de supermens, door de Heer vernietigd zal worden bij Zijn komst.
Het kan zijn dat er iemand is die bedenkingen heeft tegen deze opvattingen, maar ik wil, zonder nadere uiteenzettingen te geven over dit onderwerp, zo goed als ik maar kan vertellen over de gezichten en openbaringen van de kinderen van Adullam, die weinig of niets van theologie begrijpen.

pestilentie en oorlog

Van tijd tot tijd profeteerden zij. In die profetieën zeiden zij, dat er een tijd van hongersnood, pest en oorlog en ellende zou komen en dat dit gepaard zou gaan met vervolgingen van Gods volk. God zou Zijn volk in deze crisis echter op bijzondere wijze van het nodige voorzien en hen beschermen. Een van de jongens zag hoe onze onderwijzer probeerde om een maat rijst te kopen. De menigte voor de winkel was zo groot, dat de onderwijzer alleen maar de kans had om iets te krijgen als hij slag leverde met de menigte. Ieder kon slechts een maat meel kopen. In een gezicht werd een ongeleerde en onontwikkelde jongen verplaatst naar onze beschaafde landen en zag hij, hoe de mensen zich op de oorlog voorbereidden, doordat zij bommen, kanonnen en andere vernietigingswerktuigen maakten. De komst van Satan en zijn incarnatie in de Antichrist werd dikwijls geprofeteerd en ook in gezichten gezien.

gezichten over satan en de antichrist

De kinderen zagen de draak, de duivel met zeven koppen. Een jongen zag hoe engelen met hem en met zeven van zijn engelen oorlog voerden. De duivel en zijn engelen werden overwonnen en uit de hemel op de aarde geworpen. De jongens van Adullam zagen deze supermens, die door de wereld gewenst wordt; het grote onderwerp van aanbidding, die Boeddhisten, Theosofen, Mohammedanen en aanhangers van andere godsdiensten verwachten. De kinderen zagen deze door de duivel bezetene, als een mooie sterke man, met de schoonheid en kracht van een jongeling. Ook zagen zij het beeld, dat deze godloochenaar van een Antichrist volgens de profetieën te zijner tijd zal oprichten als een voorwerp van aanbidding, het beeld dat spreken kan en de wereld verleidt.
Ik vroeg aan de kinderen hoe zij wisten dat deze mooie sterke man de Antichrist was. Zij zeiden, dat een leger van demonen hem overal volgde en zijn bevelen gehoorzaamde, op zijn woord voor hem uitgingen of achterbleven. Ook werd de Antichrist op een vlakte gezien, als een dier met zeven koppen. Opnieuw vroeg ik hoe zij wisten dat het de Antichrist was. De kinderen antwoordden, dat de engelen het hen gezegd hadden. Ik wil hier nog vermelden, dat wanneer de kinderen in de Geest waren, zij door middel van engelen openbaringen ontvingen evenals Johannes. Op dezelfde wijze als Johannes spraken zij met de engelen en kregen van deze hemelse boden wonderlijke voorlichting, die zij zelf niet begrepen.

de vervolging van de heiligen

Gedurende de tijd dat de supermens zijn Godverloochenend bewind voerde, hielden de heiligen stand en getuigden trouw, ondanks alle vervolgingen en gevaren. De kinderen zagen de twee getuigen in Jeruzalem. Zij zagen hoe de heiligen, evenals de getuigen, met een grote bovennatuurlijke kracht de macht der duisternis bestreden en weerstonden in deze vreselijke tijd, een tijd zoals er nog nooit op aarde is geweest en waarin Satan en al zijn engelen en demonen op de aarde losgelaten worden en hevig te keer gaan, omdat zij weten, dat zij slechts weinig tijd hebben. In deze periode kon niemand anders dan een oprecht, met de Geest vervulde heilige, ook maar een dag weerstand bieden aan een dergelijke satanische macht en zulke bovennatuurlijke wonderen en geopenbaarde tekenen. De kinderen zagen hoe de heiligen dan ook vervuld werden met nog grotere bovennatuurlijke kracht van God, met Zijn Geest, die groter is dan die in de wereld is.
In gezichten zagen zij hoe onder grote vervolgingen het Evangelie gepredikt werd. Maar zij ontvingen zo'n macht, dat hun vijanden door een woord uit hun mond werden gedood of met allerlei plagen geslagen. Deze macht scheen uit hun binnenste te komen en ging van hun mond uit. Daarmee straften en sloegen zij hun vijanden. Zij hadden de macht ontvangen die de Heer Zijn volgelingen beloofd had, namelijk om de werken te doen die Hij deed en nog grotere.
Wanneer zij een getuigenis hadden gegeven in een stad die hen verwierp, viel in sommige gevallen, als zij deze verlaten hadden, vuur van de hemel en vernietigde deze boze stad, evenals Sodom en Gomorra weggevaagd werden. Toen de vervolging zwaar werd, werden zij dikwijls in levende lijve door de Heilige Geest weggevoerd zoals Filippus, en zoals de profeten geloofden dat Elia weggevoerd werd (2 Kon. 2:16).
Zij werden door de Geest overgebracht naar een veilige plaats. In tijden van hongersnood en gebrek aan voedsel werden zij door wonderen verzorgd, met brood, vruchten en andere voedingsmiddelen. Engelen dienden hen. Kracht en moed werd hen gegeven om zonder vrees te getuigen. De Christenen bezaten de macht om in tongen te spreken, in de taal van vreemde volkeren, die het Evangelie nog niet gehoord hadden. Wanneer de jongens of meisjes zo in de Geest predikten konden wij zelf zien, dat het waar was, want als één in vreemde tongen tot een volk sprak dat het voor zich had, legde een ander het uit (1 Kor. 14:28).
Beiden spraken zij in andere tongen. De één sprak een zin uit, en dan vertaalde de ander deze. Zij predikten tot mensen van verscheidene stammen en talen. Johannes zag een engel in de hemel vliegen met een eeuwig Evangelie, dat aan alle volkeren en talen gepredikt moest worden even voor de val van de grote stad Babylon. Hij zag ook een grote schare uit alle naties, stammen en talen, die niemand kon tellen, en die hun klederen gewassen hadden in het bloed van het Lam, en die uit de grote verdrukking waren gekomen.
Is dit niet naar de Schrift, wat de kinderen in deze gezichten zagen? Het Evangelie zal onder dienstbetoon van engelen op bovennatuurlijke wijze in de kracht van de Heilige Geest gepredikt worden, en het zal de gebeurtenissen die in de oudste kerk in de dagen van haar vervolging plaats vonden, ver te boven gaan! Is het niet zo, dat de late uitstorting van de Heilige Geest de vroege regen op Pinksteren verre zal overtreffen!?

de laatste wereldoorlog

De kinderen van Adullam zagen hoe de meest volmaakte bovennatuurlijke kerk, welke de wereld ooit heeft gezien, haar eindgetuigenis gaf tijdens de grootste vervolgingen en de grootste samenbundeling van alle satanisch - demonische krachten, die ooit op aarde werden ervaren. Ook zagen zij de oorlog in het geestenrijk. Hier zagen zij een man op een wit paard, gevolgd door een leger van engelen in witte klederen. Zij zagen ook een ruiter op een rood paard, gekleed in mooie donkerrode klederen, en zijn demonisch, in het zwart gekleed leger, volgde hem. In enkele gezichten werd ook de oorlog op aarde gezien. De kinderen zagen oorlogsschepen, die vernietigd werden door bommen welke door vliegtuigen werden afgeworpen. Zij zagen hoe ze met allen, die aan boord waren, in de diepte verdwenen, om nooit weer te worden gezien. Zij zagen hoe aan alle hoeken der aarde legers verzameld werden voor de grote afschuwelijke strijd. De kinderen waren getuige van de verschrikkelijke slag. Gifgassen en dodelijk oorlogstuig eisten ontelbare offers. In het begin werden de doden begraven, maar later werd dit aantal zo groot, dat men zich niet meer om hen kon bekommeren; zij werden op hopen gelegd en dienden als mest voor het land, zoals de profeet had voorzegd. Temidden van dit gebeuren kwam er een onderbreking door de plotselinge komst van Christus. De zon werd zwart en de maan werd rood als bloed. De sterren vielen in menigte. De hemel beefde en scheen opgerold te worden als een kleed. Er kwam een hevige aardbeving die de aarde deed scheuren. Er ontstonden grote kloven, die de mensen levend verzwolgen. Gebouwen werden vernietigd en stortten ineen zoals kinderspeelgoed, terwijl ze de bewoners onder zich begroeven.
Toen dit nu in de hemel en op de aarde gebeurde, verscheen de Heer aan de hemel. Oud en jong, arm en rijk werden door dodelijke vrees overvallen. In wilde verwarring vluchtten zij alle kanten uit. Mannen vluchtten met lege handen uit hun winkels, zonder ook maar te denken aan hun waardevolle goederen, die enkele ogenblikken tevoren voor hen nog zo belangrijk waren geweest. Gezinnen renden uit hun huizen, zonder nog een keer om te zien naar hun luxe, die de hartstocht van hun leven was geweest. Plotseling hadden alle mensen nog maar één wens; ze dachten slechts aan een ding. Hun enige wens was om te vluchten voor de Rechter, die terug kwam. Ze zochten slechts een schuilplaats om zich te verbergen voor de zichtbare Koning van alle koningen. Degenen, die niet gedood werden door de instortende huizen of niet in de geopende aarde vielen, probeerden de bergen in te vluchten. Enigen sprongen in de rivieren en verdronken, anderen doodden zich zelf met hun eigen wapens. Overal was oproer en ontzetting. En slechts pogingen om te ontkomen aan de toorn van het Lam, want de grote dag van Zijn toorn was gekomen.
Daarna volgden gezichten over de grote maaltijd Gods, waartoe de wilde dieren en vogels werden uitgenodigd om de doden die niet begraven waren en overal op de verwoeste aarde verspreid lagen, op te eten. Men zag hoe honden en wilde dieren van de lijken van mensen aten. Vogels en "straatvegers" van de lucht namen deel aan de maaltijd die God voor hen had aangericht. Toen de jongens getuige waren van dit grote feest, konden wij hun opmerkingen beluisteren en hun bewegingen zien, terwijl de scène voor ons beschreven en uitgebeeld werd.
Eén van hen zei: "Kijk toch, hoe de grote adelaar die rijke man daar opeet. Kijk eens hoe hij de prachtige kleren van het lichaam rukt. Kijk daar toch eens! Hij heeft een stuk van zijn vlees genomen en is er mee weggevlogen."
Een ander zei: "O, kijk daar eens, een gier en een kraai eten beiden van een mens. De gier heeft de meeste moed. Hij pikt en pikt en stopt zich vol, neemt niet eens de tijd om te zien, maar de kraai is bang, die neemt een beetje en kijkt dan om zich heen of er geen gevaar dreigt."
"Hé, zie je dat daar? Kijk die vogels, die staan om de man heen, die zo goed gekleed is en graven zich naar binnen."
Daarna wendden de kinderen zich ineens van de afstotelijke scènes af, terwijl zij door hun opmerkingen en hun bewegingen duidelijk uitdrukking gaven aan hun afschuw over dit laatste feestmaal op aarde. Daar zullen de rijken zijn en de machtigen, de leiders der aarde, de industrievorsten, de gefortuneerden, de legeroversten en de leiders van alle anti-christelijke instellingen en godsdiensten. Maar niet als gasten die geëerd worden, maar als voedsel voor de gieren op aarde, waar zij in zelfzuchtige luxe hadden geleefd. Zo hebben de kinderen van Adullam reeds de verschrikkelijke werkelijkheid gezien van het eindresultaat van onze snoevende, materialistische beschaving. Zij hebben de vruchten gezien van het goddeloze zaad en Gods antwoord daarop: "Wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?"
Het Woord van God zegt, dat alle volkeren, die God vergeten, in de hel worden geworpen. Omdat God en de engelen het hen geleerd hebben en het ook zo in de Bijbel geschreven staat, geloven deze eenvoudige kinderen, zonder er aan te twijfelen, dat al de menselijke systemen van opvoeding en de opgeblazen organisatie en rijkdom van deze tegenwoordige wereld zullen uitlopen op "de grote maaltijd des Heren."

de antichrist wordt gebonden en de duivel in de afgrond geworpen

De kinderen zagen hoe de Heer en Zijn engelen de Antichrist aan handen en voeten bonden om hem in de hel te werpen.Ook zagen zij in gezichten hoe de duivel levend naar de rand van de afgrond werd gebracht, dat een deksel werd opgelicht en hij in de zwarte diepte van de afgrond werd geworpen, dat het deksel er weer werd opgedaan en de Heer die afsloot met een grote sleutel.

de komst van de Heer en de laatste bazuin

Wij hebben de gezichten beschreven die verband hielden met de komst van Christus. Er waren echter ook duidelijke gezichten met betrekking tot het lot van de heiligen. De kinderen van Adullam zagen de hemel geopend en zij zagen de Heer nederdalen in heerlijkheid, begeleid door Zijn engelen. Aan weerszijden van Hem en achter Hem volgden grote in het wit geklede legerscharen. Toen de Heer met bazuingeschal kwam, bliezen zij, die in volmaakte orde voor Hem uitgingen, op prachtige bazuinen. Ieder bleef op zijn plaats en in zijn rij. Toen de Heer zo naar de aarde terugkeerde, ontvingen de kinderen wonderbare gezichten over de opstanding en opname van de heiligen. De graven openden zich als door een explosie. Lichamen kwamen uit de graven tevoorschijn en werden opeens door de hemelse schare met het heerlijke opstandingslichaam bekleed.
Een paar maal zagen zij hoe beenderen bij elkaar kwamen, zoals de kinderen zich in het chinees uitdrukten: "Een been kwam van het oosten en een van het westen." Deze verspreid liggende beenderen werden met vlees bekleed, veranderd in een opstandingslichaam en werden opgenomen, de Heer tegemoet in de lucht. Een jongen zag een begrafenisstoet, waarbij een gelovige naar het graf werd gedragen. Op weg naar het graf klonk de bazuin, de Heer daalde neer, de kist ging open, de dode stond op, veranderde en ging de Heer tegemoet in de lucht. Reeds eerder hadden onze kinderen enkele kinderen van Adullam gezien, die reeds gestorven waren en zich nu in de hemel bevonden. Die waren nu in het wit gekleed en verheugden zich erover in het Paradijs de heiligen uit vroegere tijden aan te treffen. De Schrift leert, dat de heiligen vanaf hun dood tot aan hun opstanding in het wit gekleed gaan.
Toen ik de kinderen een kruisverhoor afnam en hen vroeg hoe zij wisten, dat de heiligen die zij zagen wel of niet waren opgestaan, antwoordden zij, dat ze dit niet wisten, totdat de engelen hen vertelden, dat zij alleen maar de zielen van de heiligen zagen en dat hun lichamen nog niet waren opgestaan. Steeds weer opnieuw ondervroeg ik hen over dit onderwerp en kreeg steeds weer hetzelfde antwoord: de kinderen zagen de heiligen altijd in het wit gekleed, nooit hadden de heiligen vleugelen, alle engelen echter hadden vleugelen. Het was helemaal niet moeilijk om heiligen en engelen van elkaar te onderscheiden. Al met al zagen wij, van Adullam, de heiligen nu in het wit gekleed in de hemel, terwijl zij toegang hadden tot het Paradijs en zich verheugden in de gemeenschap met Jezus en met de engelen. Zij zagen de komst van de Heer met al Zijn heiligen en al Zijn engelen bij het geschal van de laatste bazuin. Zij zagen de opstanding en de verandering van de lichamen van de heiligen en hun opstijgen in de lucht.
Ook zagen zij het bruiloftsmaal van het Lam. In het Paradijs waren grote tafels neergezet, temidden van de mooie bomen en de prachtige bloemen, die een heerlijke geur verspreidden en lofliederen zongen. Alle verloste dieren en planten waren daar in één harmonie; zij waren vervuld met de Geest en zongen lofliederen! Hier, in dit niet te beschrijven Paradijs van God stonden op open ruimten de tafels, gereed voor het grote bruiloftsmaal. Engelen en heiligen liepen er rond, speelden op hun harpen, bliezen op bazuinen en zongen lofliederen. Enkele kinderen voerden dit voor onze ogen uit. Zij spoedden zich naar hun met juwelen versierde woningen om hun harpen of bazuinen te halen. Daarna sloten zij zich aaneen voor de muziek op het grootste van alle feesten, het hoogtepunt van de hoop van alle tijden. Grote menigten zongen, dansten en loofden de Koning.
Anderen liepen heen en weer en maakten de tafels gereed, zorgden voor de zitplaatsen en droegen gouden schalen met spijzen. Er was eten in overvloed, bij elke gang had ieder gerecht zijn bijzondere geur. Toen alles gereed was, werden de heiligen van alle tijden geroepen en zij verzamelden zich om de tafels om het bruiloftsmaal van de grote Koningszoon te vieren. De vervulling van al hun verwachtingen, de verwezenlijking van de grootste vreugde - ook in de hemel zelf - kwam tot uiting toen de spelers, de bedelaars, de zondaren, degenen die eens op aarde verstoten waren, van Oost en West kwamen en bij dit feestmaal aan tafel zaten met Abraham, Izaäk en Jakob in het Koninkrijk Gods. Toen allen opstonden en de verwachting het hoogtepunt had bereikt, kwam de Zoon zelf en ging aan de tafel zitten, omringd door degenen die gekocht waren met Zijn bloed, de in het wit geklede leden van de bruid, de verlosten uit alle natiën, stammen en talen. En Hij dronk met hen van de vrucht van de wijnstok.
Adullam zag, hoe de boeken geopend werden op de oordeelsdag. Zij zagen de boeken, waarin de werken van de mensen stonden geschreven en zij zagen de Rechter op de troon, door Wie alle mensen geoordeeld werden naar hetgeen in de boeken geschreven stond. De rechtvaardigen werden in grote groepen aan één kant geplaatst, terwijl degenen wier namen niet in het boek des levens stonden, ook in een grote groep aan de andere kant werden geplaatst.
De ene groep werd uitgekozen om het Koninkrijk Gods en het eeuwige leven binnen te gaan. De andere groep werd veroordeeld tot het vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is.
Een enkele had het voorrecht gezichten te ontvangen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. De nieuwe hemel was van zo'n verblindende glans dat de kinderen daar niet goed in konden kijken. Het nieuwe Jeruzalem, de vierhoekige stad, vormde het middelpunt van de nieuwe aarde. Zij zagen de hemelse stad met haar Paradijs, zoals het nu is, maar dan neergedaald op de nieuwe aarde. De gehele aarde leek op het Paradijs, zoals het nu is en eeuwig zal blijven in de stad van God, de bruid van het Lam. Het was de aarde, zoals God die voor Zijn kinderen wilde hebben, meer dan verbeterd door Hem, Die meer dan Overwinnaar is. Het was de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die nieuw geschapen waren en nooit zullen vergaan, de aarde, waar God bij de mensen zal wonen, waar Hij altijd hun God zal worden genoemd en zij voor altijd Zijn kinderen. Amen.

9 een chinees bedelaartje als profeet

In de Bijbel staat: "Het zal zijn in de laatste dagen ... uw zonen zullen profeteren" (Hand.2:17). Dit zagen wij in vervulling gaan bij een tien jaar oud Chinees bedelaartje, dat door de Heer gebruikt werd om ons door rechtstreekse ingeving een boodschap te brengen. Enige maanden geleden, voordat dit plaats vond, kwam deze jongen vuil en met kapotte kleren met twee andere vriendjes bij ons en vroeg om opname. Nadat de kleine gebaad was en wij hem schone kleren hadden aangetrokken, hadden wij veel plezier van hem, want iedere bijbelse geschiedenis, elke les die wij hem leerden, nam hij ter harte. Spoedig leerde hij bidden en iedere avond kon men hem in zijn bedje ernstig horen bidden. Toen de Heilige Geest over ons kwam was deze jongen de eerste die met de Heilige Geest gedoopt werd. Hij sprak in tongen, zoals ten tijde van de eerste gemeenten.
Op een avond ervoeren wij de tegenwoordigheid van de Heilige Geest op buitengewone wijze. Het leek wel alsof de hemel heel dicht bij was. Het was op deze avond dat ons kleine bedelaartje deze aarde scheen te verlaten en naar de hemel scheen op te varen. Aangekomen voor de troon van Jezus viel hij languit op de grond neer als een teken van deemoedige overgave en aanbidding. In deze toestand bleef hij in het midden van de kamer liggen, omringd door zijn vriendjes die om hem heen zaten en oplettend naar de boodschap luisterden, die door middel van hem door de Heer zelf werd gegeven.
De woorden waren zo hartroerend en aangrijpend als ik ze nog nooit had gehoord. Terwijl de jongen in grote droefheid snikte en huilde, werd de boodschap met een heldere en goed hoorbare stem in duidelijk afgeronde zinnen gegeven. Het gesprokene werd ritmisch gebracht en de woordkeuze was zo eenvoudig en duidelijk als het maar kan. De intonatie, de woordkeus, de intelligentie van iedere zin was zodanig, dat niemand van de aanwezigen er ook maar enigszins aan twijfelde, dat de Heer zelf door middel van deze eenvoudige Samuël sprak door bovennatuurlijke ingeving. Languit liggend aan de voeten van de Heer Jezus zei de jongen in vervoering het volgende:
“Heer Jezus, ik ben niet waard dat ik hier ben en ik ben het zeker niet waard om gered te zijn. Ik ben immers maar een arme bedelaar.”
Daarna sprak de Heer met hem. Op dat moment wist de knaap niet, dat de Heer hem als een spreekbuis gebruikte, toen Hij ons en de andere kinderen, die om hem heen op de grond zaten, in de eerste persoon aansprak. En nu volgt het "zo spreekt de Heer", en wij bidden God, dat het u zo zal mogen aanspreken als het ons heeft gedaan. Dit is de boodschap van de Heer:

Ik ween vanavond. Ik ben diep bedroefd, omdat er maar zo weinig zijn, die in mij geloven. Ik heb de hemel gemaakt en deze voor iedereen toebereid, Ik heb plaats bereid voor alle mensen van de gehele wereld. Ik heb het nieuwe Jeruzalem in drie grote steden gebouwd, de een boven de ander, met voldoende ruimte voor alle mensen. Maar de mensen geloven Mij niet. Zij die geloven zijn zo klein in aantal. Ik ben bedroefd, heel, heel erg bedroefd. (de jongen sprak deze woorden uit onder hartverscheurend snikken en een stroom van tranen) Er komt een tijd, dat de mensen niet meer in mij willen geloven, dan moet Ik de boze wereld vernietigen.
Ik ben van plan de aarde met drie grote rampen te bezoeken, maar ze is zo boos, dat Ik er nog een vierde aan toegevoegd heb.
Als u ergens vrienden hebt, zeg hen dan, dat ze zich dadelijk moeten bekeren; probeer alle mensen zo spoedig mogelijk over te halen om het Evangelie te gehoorzamen wanneer de mensen niet luisteren en uw boodschap niet willen aannemen, dan zal de verantwoordelijkheid niet op u rusten.
Ontvang de doop met de Heilige Geest. Als u wilt wachten en geloven, dan zal Ik u dopen. De duivel verleidt u als hij u wil laten geloven, dat u de doop toch niet ontvangt.
Maar houd vol en wacht erop, dan zal Ik u dopen en u volmacht geven duivelen uit te drijven en zieken te genezen.
Zij, die het zegel van de Heilige Geest ontvangen, zullen prediken en getuigen, en Ik zal met u zijn, u helpen, u ten tijde van gevaar bewaren.
Als de gedachte tot u komt: wij zullen misschien toch niet in de hemel komen, weet dan, dat die gedachte van de duivel is.
Ik zal Mijn eigen kinderen niet vernietigen, maar een elk er door helpen en bewaren; geen van Mijn kinderen zal verloren gaan. Ik zal overwinnen.
Bid voor mijnheer en mevrouw Baker en Ik wil hen macht geven boze geesten uit te drijven en zieken te genezen.
De kinderen in huis moeten gehoorzaam zijn. Maak geen ruzie met elkaar. Lieg niet! Leef in vrede!
Als ge bidt, doe het dan met uw gehele hart!
Laat de liefde niet verkoelen!
Zeg ook tegen de andere gemeenten, dat ze de Heilige Geest moeten zoeken!
Alle gemeenten moeten optrekken! Over enkele jaren komt de duivel naar de aarde en dan zal er grote benauwdheid zijn. Vrees niet, Ik zal u bewaren en voor u zorgen.

Van alle kanten zullen de mensen optrekken en op één plaats oorlog voeren. Daarna zal Ik komen en de aarde straffen. Maar vrees niet, want zij die in Mij geloven zullen weggenomen worden om op bazuinen en harpen te spelen.
Van elke drie mensen zal Ik er twee doden. Als Ik kom, moet alles Mijn stem gehoorzamen. Huizen zullen instorten. Bergen zullen verplaatst worden. Bomen zullen vernield worden. Er zal een buitengewone vernietiging komen, waarbij er niet één grasspriet zal overblijven.
Zij, die goden vereren zullen verloren gaan, en alle tovenaars en spiritistische media zullen in de hel worden geworpen. Slechts zij, die het Evangelie geloven zullen gered worden.

Dit heeft de Heer tot ons gesproken en wij geloven, dat wij in staat zullen zijn om aan allen deze belangrijke boodschap te zenden. Deze boodschap van onze opgestane Heer, werd met tussenpozen in de Chinese taal gegeven. Ik schreef het op toen de boodschap gegeven werd. De woorden werden vaak letterlijk herhaald, zodat over de betekenis daarvan geen misverstand kon ontstaan bij degenen die toehoorden.
Bij iedere zin was er voldoende tijd om hem op te schrijven en geen woord over te slaan van wat de Heer naar Zijn verkiezing door deze kleine profeet sprak. Toen de boodschap beëindigd was, stond de jongen op en vertelde ons, dat hij aan de voeten van Jezus was geweest. Hij wist er niets van, dat de Heer in de eerste persoon door hem gesproken had. Wel had hij gehoord wat de Heer gesproken had en vertelde ons nu opnieuw de toespraak, terwijl hij zei: "Dit zei de Heer Jezus en dat zei Hij, enzovoort". Wij hebben deze woorden van de Heer zelf gehoord en ze ondertussen opgeschreven. Daarna hebben wij gehoord hoe de kleine jongen één en ander woord voor woord uit zijn hoofd herhaalde. En zo werd het ons duidelijk hoe van oudsher de profeten door de Heilige Geest hebben gesproken en geschreven, en hoe zij zo met zekerheid konden zeggen: ”Zo spreekt de Heer!”

Toen in oude tijden vrome en wereldse mensen afweken van het eenvoudige geloof aan een persoonlijke levende God, die tot de mensen spreekt, en hun ongeloof en hun boosheid zodanig was, dat de gezichten in die dagen niet talrijk waren(1 Sam.3), vond God een eerlijke, kleine Samuël en gaf hem met verstaanbare stem een boodschap, welke letterlijk vervuld werd. Als God, die altijd nog dezelfde levende God is, in het verleden zo door en tot mensen heeft gesproken, dan moeten wij dus geloven, dat ook in deze tijd van boosheid en ongeloof, de boodschap, het 'zo spreekt de Heer', die Hij ons door onze kleine Chinese Samuël had gegeven, binnenkort zal geschieden. Wanneer wij deze boodschap ter harte nemen zal dit ons eeuwige vreugde geven, maar als wij er geen aandacht aan schenken zal dit ons eeuwig verdriet bezorgen.

10 Enig licht op het ontstaan van de bijbel

Door zo'n uitstorting van de Heilige Geest op deze Chinese kinderen werd veel licht geworpen op het ontstaan van het Woord van God.

vervulde profetieën

Zo'n uitstorting van de Geest, die gepaard gaat met bevestigingen van bovennatuurlijke aard is op zich al een bewijs dat de Bijbel door God geschreven is. Hij alleen kent de toekomst. Het feit dat profetieën in vervulling gingen, was voor Christus en de apostelen voldoende bewijs dat de Heilige Schrift door toedoen van God was ontstaan. In hetgeen wij hebben verteld over de uitstorting van de Heilige Geest over deze kinderen zijn tien profetieën van de schrift vervuld:
-een dergelijke doop was voorzegd voor gelovigen in onze tijd
-deze doop zou gepaard gaan met het spreken in talen die men niet kende
-met profetieën, zoals de Geest die ingaf
-als bevestiging van de profetie werd aan deze kinderen de werken van Christus getoond.
-de dingen van de toekomst werden hen in hun realiteit getoond.
-zoals de Bijbel ons leert werden zij wedergeboren door de Heilige Geest en ontvingen zij het getuigenis in hun hart, waardoor zij riepen: "Abba, lieve Vader"
-deze gezichten die door de kinderen werden gezien, vervullen het Schriftwoord, dat in de laatste dagen jongelingen gezichten zullen zien
-demonen werden uitgedreven en
-zieken werden op bovennatuurlijke wijze genezen, precies zoals de Bijbel zegt, dat dit door de Heilige Geest zou geschieden.
-een merkwaardige verandering vond plaats, zodat wat men vroeger liefhad, nu werd gehaat, en dat wat men vroeger haatte, nu liefhad.

de onwetenden verkozen boven de wijzen

Op de tweede plaats moeten wij bedenken, dat volgens de Bijbel Gods openbaringen en het ontstaan van de Schrift niet afhankelijk zijn van natuurlijke gaven of natuurlijk verworven kennis. Amos, Petrus en Johannes hadden geen opleiding genoten, maar werden door God geïnspireerd en schreven diepere waarheden dan de grootste wijzen van de wereld.
Kunnen wij niet in datgene wat de Heer aan deze verachte en uitgeworpen bedelaartjes, jongens en meisjes, heeft gedaan en geopenbaard, een bewijs zien dat het Woord van God op waarheid berust? Omdat niet vele wijzen naar het vlees, niet vele machtigen de ouderwetse smalle weg van het geloof gaan, kiest Hij deze verachten, juist deze eenvoudige Chinese kinderen van de straat en de goot, om zulke belangrijke dingen te brengen in deze tijd van goddeloos intellect en wereldse kennis. Terwijl de wijzen van deze geleerde, trotse en eigenzinnige generatie het eenvoudige Woord weerstaan en krachteloos maken door de duisternis van hun eigen zelfvoldane meningen, is het heden ten dage net zo waar, als in het verleden, dat Jezus te midden van deze verwarde menselijke wijsheid kan uitroepen: "Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, maar aan kinderen hebt geopenbaard." (Matth. 11:25)
De geleerden en heersers begrepen ten tijde van de Here Jezus Zijn wonderbare werken en Zijn wonderbaar leven niet, anders zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben (1Kor.2:8). De heersers en geleerden in de dagen van de apostelen begrepen de wonderbare werken niet van de almachtige God door eenvoudige mannen, die vervuld waren met de kracht van de Heilige Geest, anders zouden zij de geestvervulde heiligen van de eerste gemeente niet gedood hebben. De diepe openbaringen, die deze Chinese kinderen ontvingen, die niets geleerd hadden in de scholen van de wereldlijke wetenschap, vormen het bewijs voor het geschreven Woord van God. Het getuigt dat het gekomen is door oprechte mannen, onafhankelijk van hun natuurlijke begaafdheid of hun verworven kennis.

ooggetuigen van bijbelse voorvallen uit het verleden

Wij ontvingen enig licht over de wijze waarop de schrijvers van de Bijbel gewerkt kunnen hebben, omdat we een ooggetuige van de gebeurtenissen uit het verleden in ons midden hadden. Een van onze meest onwetende en minst begaafde jongens werd bij meer dan één gelegenheid, toen hij in de Geest was, ooggetuige van de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament.
Hij zag de plagen in Egypte: de kikvorsen in het paleis van de Farao, de vliegen in het eten van de Farao, de sprinkhanen, de dode oudste zoon en de gehele verslagen familie.
Hij zag Elia en Elisa de Jordaan overtrekken, de vurige paarden en de wagen en de hemelvaart van Elia. Hij zag Daniël in de leeuwenkuil met zijn engelenwacht. Zo werden nog meer voorvallen uit het Oude Testament gezien. Deze jongen zag ook in gezichten de wonderen van de Here Jezus. Hij zag de verzoeking van de Heer. De duivel in de gedaante van een knappe jongeman voerde de Heer op een hoge berg en liet Hem daar alle wereldrijken zien. Jezus werd overal begeleid door engelen. De jongen had gezichten van Jezus, hoe Hij over het water ging, zieken genas en blinden de ogen opende. Deze en andere jongens, zagen het lijden van de Here Jezus, Zijn opstanding en Zijn hemelvaart.
Eerst verwonderde ik mij over de gezichten van de gebeurtenissen uit het verleden. Daarna werd ik er bij bepaald, dat er voor God geen verleden, heden en toekomst is. God zegt: "Ik ben die Ik ben". Alles is voor Hem heden. Omdat de Heilige Geest Zijn Geest is, kunnen in gezichten en openbaringen van de Geest verleden, heden en toekomst in Gods huishouding tegenwoordige tijd zijn voor iedereen, die door de Heer wordt uitgekozen voor Zijn openbaringen.
Deze openbaringen uit het verleden, door de Adullamkinderen ontvangen, maken duidelijk dat de Bijbel geïnspireerd is. Voor God was het niet moeilijk om in gezichten Mozes en anderen ooggetuigen te maken van reeds voorbijgegane of toekomstige gebeurtenissen, alsof alles in het heden lag.
Daardoor waren zij in staat het verleden, het heden en de toekomst weer te geven in het enige Boek, dat spreekt over het einde van het begin en over het begin van het einde.

openbaringen van God

De Heilige Geest toonde ons door beelden, hoe gedeelten van de Bijbel door bovennatuurlijke openbaringen zijn ontstaan en daardoor het predikaat kregen van Goddelijke boodschappen. Toen de kinderen in de Geest taferelen beschreven die zij in gezichten zagen, bracht de Heilige Geest een jongen, die ook in de Geest was, ertoe om te gaan zitten en bewegingen te maken als bij het schrijven, zin voor zin, terwijl de anderen toekeken en het vertelden. Zo kon ieder duidelijk zien, hoe gemakkelijk het voor God was om een Bijbel te schrijven.
De een kon neerschrijven wat de ander zag en vertelde. God gebruikt heden een onwetend, ongeleerd bedelaartje van een smerige Chinese straat of een jongen uit een half wilde stam van een ver, eenzaam gebergte, vervult hem met de Heilige Geest en verplaatst hem in de Geest, begeleid door engelen, om als ooggetuige achter de voorhang te kijken - dingen van het heden, verleden en van de toekomst. Is het dan voor God niet net zo gemakkelijk om door gezichten alles wat in de Bijbel staat, ergens aan een uitverkoren werktuig te openbaren en hem een schrijver toe te voegen, die woord voor woord neerschrijft wat gezien en geopenbaard wordt, elke profetie, zoals die door God werd gegeven?
Wanneer onze jongens verplaatst kunnen worden in de tegenwoordigheid van de Heer, en wanneer zij terugkomen en kunnen zeggen 'Zo spreekt de Heer', zouden dan niet de profeten uit oude tijden in hun profetieën en gezichten absoluut waarheidsgetrouw kunnen zeggen: "Zo spreekt de Heer?" Hoe voor God verleden, heden en toekomst één zijn, hoe Hij verleden, heden en toekomst als tegenwoordige gebeurtenissen kan openbaren, dat weet ik niet. De Bijbel zegt dat Hij het kan. De Bijbel zegt dat Hij het nog altijd doet. Wanneer ooit mensen profeteerden, gedreven door de Heilige Geest, wanneer ooit mensen, in de Geest waren op de dag van de Heer en verplaatst werden naar de hemel, wanneer ooit mensen gezichten hadden in het jaar, dat koning Uzzia stierf, dan kunnen mensen ook heden nog door de Heilige Geest gedreven worden en profeteren.
Zij kunnen ook nu nog in de Geest verplaatst worden en de onzichtbare wereld achter de voorhang zien. Zij kunnen ook heden nog gezichten krijgen, zo en zoveel jaar na de dood van koning Uzzia. Dezelfde God zit nog altijd op dezelfde troon, heerst over dezelfde wereld, handelt met dezelfde boze harten, door hetzelfde soort mensen, met dezelfde neigingen en hartstochten als Elia.
Als God Zich in onze dagen openbaart door profetieën, gezichten en openbaringen –zoals Hij Zich overal op aarde openbaart- dan heeft Hij Zich precies zo geopenbaard als de Bijbel zegt, dat Hij Zich van oudtijds aan profeten en heiligen openbaarde.
In onze boze tijd, temidden van dit ongelovig, verhard geslacht, kan en wil de Heer bewijzen dat wat in de Bijbel staat het Woord van de levende God is. Hij kan en wil op bovennatuurlijke wijze onder Zijn gelovigen werken door de gaven van de Heilige Geest en Zijn Woord bevestigen door tekenen die daarop volgen (Mark. 16: 15-20).

11 Het vaderland

Wanneer wij terugzien op alles, wat wij hebben geschreven, zal het voldoende duidelijk zijn, dat de Heer elk middel heeft gebruikt om ons te bevestigen, dat de Bijbel het ware profetische Woord is, waaraan wij aandacht moeten schenken. Het is ons ook duidelijk genoeg getoond, dat alles er op gericht was om ons door middel van de vroegere profetieën en de gezichten en voorzeggingen die wij nu hebben ontvangen, de zekerheid te geven dat achter het voorhangsel een wonderbaar Vaderland is. Geen vreemdeling, geen pelgrim vindt hier op aarde bevrediging. De bevrediging komt aan het eind van de reis.
Wanneer de reis over moeilijke wegen en lastige bergen voert, kan het voorkomen dat de pelgrim afgemat raakt door zijn zware lasten en nauwelijks het zingen van de vogels hoort, nauwelijks iets merkt van de verfrissende geur van de bloemen aan de kant van de weg of blij kan zijn met het gezelschap van zijn medepelgrim. Maar zo zal het eind van de weg niet zijn. Wanneer de pelgrims in het Vaderland komen, worden gebogen en vermoeide lichamen vernieuwd door een bad in de rivier des levens.
In een oogwenk, in een moment, worden wij veranderd. Dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen. De ouderdom zal niet meer bestaan. Er zijn geen oude mensen in de hemel, geen strompelende voetstappen van bejaarden. Nergens in de stralende stad zullen de mensen hinder hebben van slechte ogen, dove oren of scheefgegroeide ledematen. Het is een stad, waar het nooit donker wordt. De stad heeft de zon des daags niet nodig of de maan des nachts. De gouden straten behoeven niet te worden geveegd. De met juwelen versierde woningen behoeven geen reparatie. Er zijn daar geen aankondigingen van dokterspraktijken, geen zieken of lijdenden, er bestaat geen verdriet of zorg, het is een stad zonder krassen op de gouden deuren, zonder lijkstoet op de gouden straten. Een stad waar zwaarmoedigheid en klagen zijn opgehouden. Een stad waar de dood verslonden is door leven en wel door overvloedig leven, een stad van zuivere ongestoorde vreugde. Het is een land zonder wolken, waar nooit onweer voorkomt. In dit gelukkige land is geen broodnijd, geen strijd om het levensonderhoud. Er bestaan geen zelfzuchtige manipulaties, geen zelfzuchtige, liefdeloze achterdocht.
Niemand maakt zich daarom zorgen wat hij zal eten of waarmee hij zich zal kleden. De witte klederen scheuren nooit. De bomen met de levensvruchten worden nooit kaal. Het water des levens droogt nooit op en wie wil, kan drinken. Alle vreugde en verrukkingen van de meest vrolijke jeugd is in de hemel het erfdeel van allen. In onze gelukkigste dagen hier zijn wij nog aarden vaten. In onze beste momenten voelen wij grote vreugde en een bijna grijpbaar geluk, maar voordat wij het kunnen grijpen, worden wij omlaag getrokken door de zwaartekracht van het aardse.
Kinderen dansen en spelen. Zij lopen, huppelen en springen van vreugde. Ze zingen en jubelen. Soms schijnt hun vreugde en geluk volmaakt te zijn. Dezulken behoort het Koninkrijk der hemelen. Maar de meest uitgelaten vreugden en de vreugdekreten van de gelukkigste jeugd op aarde zullen overtroffen worden door grotere, onbeschrijfelijke vreugde wanneer dit aards gebonden, stoffelijke lichaam vervangen is door het wezenlijke lichaam.
In het nieuwe Jeruzalem bevinden allen zich in de liefde, iedereen heeft iedereen lief. In-liefde-zijn op aarde is niet te vergelijken met het in-liefde-zijn in het land van heerlijkheid. Geen enkele tweedracht, geen enkele onvolkomenheid, niet één liefdeloze gedachte zal het volmaakt in-liefde-zijn met allen verstoren.
Ondanks de belemmering door deze stoffelijke tempel, klinkt er op aarde een lied in onze ziel. In haar strijd om zich te uiten, schijnt zij soms voor een moment de boeien te verbreken, maar al spoedig klinkt het lied niet meer volmaakt. Toen God de mens schiep, legde Hij muziek in zijn ziel. Maar de wanklanken van het aardse bedierven de harmonie. Het verloren akkoord zal pas in de hemel worden gevonden, wanneer wij ons in de tempel bevinden die van boven is. De mooiste, heerlijkste en meest volmaakte muziek hier op aarde is slechts een zoeken naar het verloren akkoord en de harmonie die de verlosten en de engelen in de hemel bezitten.
De prachtigste muziekinstrumenten die op aarde zijn vervaardigd, vanaf de tijd dat de zonen van Adam harpen en fluiten begonnen te bespelen tot op de dag van vandaag, zijn slechts een nabootsing van de trompetten, harpen en instrumenten in de gouden Stad, waarop de verloren akkoorden zijn aangebracht en waarop de muziek in volmaakte harmonie door de verloste zielen ten gehore kan worden gebracht.
Veel muziek en ritme, dat door de Vader in de zielen van Zijn kinderen werd gelegd, is door de duivel veranderd in duistere kanalen voor vleselijke lusten. Vanaf de wilde dansen van de meest woeste barbaren in de bergen, tot de op vermaak beluste, verhitte mensen in moderne dansclubs, danst men op het muzikale ritme van vleselijke genoegens, d.w.z. ter bevrediging van het vlees.
In de hemel dansen de verlosten en de engelen uit vreugde op heilige, reine muziek, dat al het aardse en natuurlijke genieten te boven gaat, op een ritme, waarbij ook de sterren meedeinen en meezingen in hun baan.
In de stad ligt een park, een Eden, een park van vreugde en vruchten. Hier waar het onechte vervangen is door het ware, wordt in al Gods scheppingen, of het nu dieren of planten zijn, niets gevonden dat kwaad of verderf veroorzaakt op gans Zijn heilige berg. Op aarde hebben wij weinig zicht op de schoonheden in Gods schepping en wij begrijpen er nog veel minder van.
Het stof der aarde heeft de vensters van onze ziel tot matglas gemaakt. Wij zien als door zo'n venster alles alleen maar onduidelijk. Wanneer God de bedekkingen weggeveegd heeft en de ogen van de ziel heeft geopend, zullen wij pas echt de heerlijkheid van de wonderbare schepping van God kunnen zien en kunnen waarderen. Daar boven in Eden zullen wij tot dat alles in staat zijn.
Daar is een park, waar vogels van allerlei pluimage voortdurend zingen, daar is een land, waar ieders oor in staat is die melodieën te horen die het hart ontroeren. Daar is een land waar bloemen van allerlei kleur eeuwig bloeien. Daar is een land waar ieders oog deze bloemen in hun schoonheid kan zien. Daar is een land waar de geur van de roos van Saron en het lelietje der dalen zich vermengt met duizend geuren die onze wereld nooit heeft gekend.
Ondertussen lijkt het alsof wij het licht van de Stad achter de wolken zien, maar wij raken dit beeld kwijt, het vervaagt omdat ons zien zo onvolkomen is. Vaak lijkt het alsof wij de verrukkelijke muziek uit een andere sfeer horen, maar de klank gaat tenonder in de valse andere geluiden, die dichterbij ons staan. Vaak ervaren wij dat wij opgetrokken worden uit alles wat ons tot slaven maakt, maar de aantrekkingskracht van de aarde houdt onze voeten gevangen als blokken hout in aardse boeien. Menigmaal zou de ziel graag willen ontsnappen naar het land, dat schoner is dan de dag, maar zij valt weer terug in vertwijfeling, omdat haar vleugels gebroken zijn. Wie denkt dat hij in staat is om alleen naar de stad van de vrijheid te gaan, vindt de weg hopeloos versperd door de dingen van deze wereld, het vlees en de duivel, en bezit in zichzelf zelfs geen kracht om te overwinnen. Maar er is een weg.

12 De weg

Er is maar één weg. Christus is de weg. Jezus zei: "Niemand komt tot de Vader dan door Mij." Een mens is de weg niet, een mens kan nooit een weg bereiden, ook kent de mens de weg naar de gouden Stad niet. De stad en de weg naar die stad zijn beiden openbaringen van boven. Christus, die de weg is, is niet van de aarde. Hij is van boven. Hij is degene die neerdaalde van de hemel, de Zoon des mensen, Die in de hemel is, Hij is de grote God, onze Verlosser Jezus Christus.
Mensen reizen niet naar de gelukkige stad van louter vreugde. Zij reizen in tegenovergestelde richting. Hoe langer zij reizen, des te verder verwijderen zij zich van deze hemelse stad. Kinderen behoren tot het Rijk van God. Zij spelen en zingen aan de poorten van de stad. Wanneer zij zelfstandig beginnen te worden, verwijderen zij zich altijd van de stad, weg van dit gelukkige Paradijs van Eden. Hoe verder zij wegtrekken en hoe verstandiger zij worden - of zij nu alleen gaan of met de grote massa mee - des te verder raken zij van de stad verwijderd, totdat het licht daarvan nog maar flauw te zien is of voor altijd verdwijnt.
De enige manier om de stad te bereiken is: omkeren. "Als gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan" (Matth. 18:3). Maar hoe verder een mens alleen gaat, hoe ouder hij wordt, hoe rijker, hoe verstandiger met zijn natuurlijke geest, hoe meer kruisende wegen hij op zijn zelfgekozen weg passeert, des te moeilijker wordt het om te keren, totdat er tenslotte geen kruisende wegen meer zijn waar hij zou kunnen omkeren naar het eenvoudige geloven. Hij ziet geen mogelijkheid meer om als een klein kind te worden.
De wereld kent door haar wijsheid God niet (1 Kor.1:21). Mensen zullen door te studeren God nooit vinden. De mens die op het werk van zijn eigen geest vertrouwt of op dat van een ander, zal nooit de stad van God zien. Een mens die op de verdiensten van zijn karakter steunt, zal nooit op de gouden straten lopen. Wat een mens is, wat hij doet, hoe hij leeft, dat alles heeft niets te maken met zijn verlossing.
Uitgaande van het beginsel 'hoe goed' hij is, heeft de beste mens op aarde niet meer hoop op de hemel dan de slechtste mens op aarde. Een mens die op zijn eigen karakter of zijn goede ontwikkeling vertrouwt, is alleen maar een moderne Farizeeër met blinde ogen voor de Waarheid. De tollenaar, de dronkaard, de hoereerder, zal de stad van God binnengaan, terwijl de goede mens uitgeworpen wordt in de buitenste duisternis, waar geween en tandengeknars zal zijn.
Uit genade worden wij gered, niet uit werken. Redding is iets wat God doet. Het is niet iets wat de mens is of niet is. Redding komt van boven. Redding komt niet van de aarde noch van binnenuit, noch door mensen. Dat wat vanuit de aarde geboren is, is vlees en door de wil van een mens. Zij, die vanuit de aarde geboren zijn, kunnen nog zo wijs of goed of slecht zijn, zij moeten van boven opnieuw geboren worden. Alleen zij worden kinderen Gods, die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een mens, maar uit God geboren zijn (Joh.1:13). Tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien (Joh.3:3).
Deze geboorte, die ieder moet hebben ondergaan, wil hij ooit God zien of de liederen zingen van de verlosten in de stad boven de wolken, is een bovennatuurlijke geboorte. Het is alles van boven. Naar de kerk gaan, liederen zingen, gebeden lezen of spreken, werken in de kerk of voor de kerk, prediken van de kansel of zijn lichaam laten verbranden, heeft absoluut niets te maken met de nieuwe geboorte. De nieuwe geboorte is iets, wat God uit genade geeft zonder toedoen van werken. Wanneer hij niet opnieuw geboren wordt heeft de beste spreker op de kansel, de trouwste kerkbezoeker, de meest belijdende Protestant, niet meer hoop op de hemel dan de grootste goddeloze zondaar.

hoe men de weg naar huis vindt

De Heer was er zo bekommerd over dat ik toch maar terug zou komen, dat Hij de weg heel erg gemakkelijk en effen maakte. Ik was een zondaar, die alleen voor mijzelf leefde en niet tot eer van God. Ik ging mijn eigen weg.
"Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods" (Rom. 3:23).
"Er is niemand die goed doet, ook niet één. Allen zijn zij afgeweken" (Rom.3:12).
Ik behoorde tot diegenen. Jezus kwam van de hemel om zondaren te redden. Hij kwam niet voor rechtvaardige mensen met een goed karakter. Voor mij was er geen uitkomst. Ik moest de straf voor mijn zonden dragen, maar Jezus had mij lief en stierf in mijn plaats. Hij droeg zelf onze zonden in Zijn lichaam op het hout (1 Petr. 2:24). Christus stierf aan het kruis; Hij die zonder zonde was nam de plaats in van de zondaren. Hij, die geen zonde kende, stierf voor mij aan het kruis, waaraan ik had moeten sterven. Ik, de zondige Barabbas, de zondaar, die straf verdiende, werd volkomen en onvoorwaardelijk vrij.
Hij, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt (2 Kor. 5:21). God heeft Jezus gestraft, daarom wil Hij mij niet straffen. Omdat Hij Jezus verliet, wil Hij mij niet verlaten. Alles wat ik moest doen was ... niets te doen. Ik geloofde gewoon dat Jezus het had gedaan.
Wie in Mij gelooft heeft het eeuwige leven (Joh. 6:47).
Wie gelooft, is uit de dood overgegaan in het leven (Joh.5:24).
Zo velen Hem aannamen, die heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te worden (Joh. 1:12).
Toen ik geloofde, dat Jezus deed wat Hij zei en toen ik Hem aannam als mijn Plaatsvervanger en als Degene die mijn zonden droeg, nam Hij mij aan als Zijn kind. Hij zond Zijn Heilige Geest in mijn hart, zodat ik van bovenaf geboren werd. De Heilige Geest legde in mijn hart getuigenis af, zodat ik riep: "Abba, lieve Vader."

Voorheen was ik het die gewerkt had. Nu werkt God het willen en werken in mij. Wat ik vroeger liefhad, haat ik nu, en wat ik eens haatte, heb ik nu lief. Hoe meer ik probeerde goed te zijn, des te erger werd het. Hoe meer ik geloof dat God in mij en voor mij werkt, des te beter is het. De Heer heeft mij het licht van de hemelse stad getoond. "Ik weet in Wie ik geloof, en ik ben er zeker van dat Hij bij machte is, mijn pand dat bij Hem is weggelegd voor mij te bewaren tot die dag" (2 Tim.1:12).
Ik zal vast en zeker door de poorten de stad binnengaan en de blijdschap delen met hen, die overwonnen hebben door eenvoudig te geloven in het bloed van het Lam. Christus bewerkte een volkomen verlossing. Hij stierf voor de zonden van de hele wereld. Eeuwig leven is een geschenk. De genadegift van God is het eeuwige leven (Rom.6:23). Deze gift is gratis. Het ligt aan ons die aan te nemen of te verwerpen, die aan te nemen of te laten liggen. Wij moeten kiezen tot welke van de twee rovers op het kruis wij willen behoren. Wij geloven dat Jezus God is en een zondaar kan redden die tot inzicht gekomen is en de eeuwigheid met Christus in het Paradijs wil doorbrengen, of wij zijn zoals de andere rover en geloven niet, dat Jezus God is en sterven in onze onbeleden en niet vergeven zonden, ver van God. Christus redt ieder en allen door hun geloof. "Wie in Hem gelooft gaat niet verloren, maar zal eeuwig leven hebben" (Joh. 3:16).
Zij die geloven en aldus worden gered, worden door Christus behouden. Zij dragen de Rots niet, maar de Rots draagt hen. Zij zijn gered door geloof en niet door de werken. Dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. Wie is het die de wereld overwint, dan wie gelooft, dat Jezus de Zoon van God is? (1Joh.5: 4-5). Die door genade gered en bewaard worden, leiden een leven als volgelingen van de Heer. Zij doen werken van gerechtigheid en komen hun godsdienstige verplichtingen na, niet om daardoor gered te worden, maar omdat zij al gered zijn. De werken die zij doen die van waarde zijn, komen tot stand door hetgeen God van boven in hen heeft gewerkt. Zij die gered zijn, hebben deel aan de Goddelijke natuur(2Petr.l:4). Alle kinderen van God hebben de Heilige Geest in hun lichamen en harten en zijn opnieuw geboren. Zo leeft niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij (Gal.2:20).
Want God is het, die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt (Fil.2:13). Zij die gered zijn, zijn burgers van het hemelrijk. Zij hebben de wereld niet lief noch dat wat in de wereld is. Zij hebben zoveel hemels leven in zich als zij de Heilige Geest bezitten. De Heilige Geest is hemels leven, leven uit God, eeuwig leven.
Door de diepere ervaringen van de Heilige Geest wordt de hemel een grotere realiteit dan de aarde, zodat het kind van God vaak door zien zowel als door geloof zijn pelgrimsreis aflegt naar de stad, het hemelse Jeruzalem, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.

Onze boodschap uit Adullam is ten einde. Wij hebben dit getuigenis gegeven, niet omdat wij op natuurlijke wijze tot groter inzicht kwamen, maar vanwege datgene wat onder ons gebeurde toen God zich openbaarde door de Geest(1 Kor. 2:10). Het beste wat wij beleefden, kunnen wij niet op schrift stellen. Het beste wat men kan meemaken moet ieder zelf door openbaringen van de Heilige Geest ervaren. Wij zouden graag meer willen schrijven, maar wij kunnen het nu niet. Maar wat wij geschreven hebben is gedaan met de bedoeling, dat u geloof en leven zou mogen hebben in Zijn Naam. Of, wanneer u leven hebt, dat u bemoedigd wordt en er naar zult jagen om tot een overvloediger leven te komen. Het leven door doop en vervulling met de Heilige Geest, het leven dat God voor al Zijn kinderen bedoeld heeft, de voorsmaak van en het vooruitzicht op de grote stad van de Koning, de Stad waar alles nieuw gemaakt is.