Overdenking(en) van E.O. Taplin gehouden in Londen in 1855

2 Januari 1855

Matth. 24 : 28

Het merendeel van deze woorden uit dit bijbelgedeelte, geliefden, is reeds in vervulling gegaan en de weinige nog overblijvende gebeurtenissen van dit verschrikkelijk drama, zullen spoedig geschieden.
Sedert onze Heer de aarde verlaten heeft, is er in bijna elke eeuw wel een verschrikkelijke oorlog geweest. Tot nu toe bevestigt de geschiedenis slechts deze woorden van de Here Jezus.

In de eerste eeuw de oorlog tussen de Joden en Romeinen, die eindigde met de verwoesting van Jeruzalem en de verstrooiing van het uitverkoren volk in alle landen. In de derde eeuw begon het machtige Romeinse rijk zelf de nadering te merken van de wrede horden, die als een overstromende zee het Westelijke rijk geheel ontregelden en de keizerstad in bezit namen.
In de zevende eeuw verscheen Mohammed als een tuchtroede van het Oostelijke rijk. Haar aanhangers, Saracenen en later de Turken, bedreigden 800 jaar lang het Westelijk deel van het voormalig Romeinse Rijk en verontrusten de gehele Christelijke wereld, tot de Turken uiteindelijk met het bezit van Constantinopel in het midden van de vijftiende eeuw de heerschappij over het Oostelijke rijk aan zich trokken.
De 800 jaren vanaf Mohammed tot de inname van Constantinopel door Mohammed II als heerser der Turken zijn al evenzeer jaren geweest van vreselijke en bloedige oorlogen tussen de Westelijke volkeren.
Amper verheugde zich de wereld in een korte tijd van rust, of achtereenvolgens brachten deels de Lombarden, deels de Franken of de Noormannen elkaar om het leven. Onverzoenlijk streden Italiaanse pausen en Duitse keizers om de wereldheerschappij.

Met de kruistochten trokken miljoenen uit West-Europa te velde tegen Joden, Grieken en Turken om Jeruzalem van de verontreiniging der heidenen te bevrijden en het Koninkrijk van Christus op aarde te stichten. En andermaal werden legers gebruikt, nu door pausen en bisschoppen om de christelijke volkeren te bestrijden en ze zo door het zwaard van koningen te verslaan, omdat zij zelf niet wisten hoe het zwaard des Geestes gehanteerd moest worden. Wat heeft de aarde al niet te lijden gehad van de eerste tot de zestiende eeuw. Een wereld die beschenen door het licht van het Christendom, nog slechts een slagveld was.
De geschiedenis sedert de zestiende eeuw is vol van tijden van zorgen en nood, van dodelijke haat en uitroeiings-oorlogen tussen protestanten en aanhangers van de paus; tot zich in de 18e eeuw een nieuwe vijand verhief onder de macht van het ongeloof, die de volkeren in bloed drenkte en hun zijn ijzeren juk oplegde.

Met het begin van de 19e eeuw hielden de oorlogen, als een van zijn kracht beroofde storm langzaam op. De christelijke wereld verheugde zich in de langste rustpauze, die zij ooit gekend had sedert het licht van het Christendom haar had beschenen. Zo lang duurde die pauze dat sommigen gingen denken dat het 1000-jarig vrederijk van Christus nu werkelijk begonnen was, zodat spoedig de zwaarden in ploegscharen en de speren in sikkels omgesmeed zouden worden en de mensen de krijg niet meer zouden leren. De mensen werden opgeroepen zich in vreedzame kunst met elkaar te meten, kristallen paleizen te bouwen in plaats van vestingen en tentoonstellingen te houden over de overwinning der vreedzame industrie in plaats van over legerplaatsen van de oorlog.
Een halve eeuw vrede heeft de dwepers in hun waan versterkt, dat het rijk van de Vredevorst reeds is begonnen; en dat, terwijl opnieuw het krijgsgeschreeuw is te horen en zulk een strijd is ontbrand, dat men moet vrezen wanneer er geen halt wordt toegeroepen, dat elke macht der aarde in het conflict betrokken zal raken. Geliefden, nog is er geen duizendjarig vrederijk op aarde geweest. Dat komt pas als de van God daartoe bestemde tijd is aangebroken. Sedert Hij ons het heeft beloofd zijn meer dan 18 eeuwen voorbij.
Dit echter is de geschiedenis van de door het Christendom verspilde tijd. En hebben wij enige reden om aan te nemen, dat de nog overblijvende tijd tot de komst des Heren een tijd van vrede en veiligheid zijn zal? Neen, geliefde broeders. De donkerste dagen van de geschiedenis der mensen liggen nog voor ons. De gruweldaden waarvan de profeet DaniŽl spreekt, die hem zozeer bedroeven en die onze Heer Zelf vermeldt in ons schriftgedeelte, moeten nog geschieden. Satan, met de mens van zijn rechterhand, het beest uit de afgrond, zal nog triomferen over de verslagen getuigen en verkondigers van de Vredevorst.

Nog hebben we niet aanschouwd de uiterste inspanningen, hetzij van de zijde van fanatici, hetzij van de zijde van de macht van het ongeloof om de verleide stad van de Christenen uit het oosten en noorden tot een zetel en centrum te maken om de ďzuivereĒ orthodoxe religie uit te doen gaan over de ganse aarde. Uit zogenaamde goddelijke openbaringen en profetieŽn voeden deze religieuze fanatici hun hoop, dat de grote machten van het Noorden (inderdaad de Gog uit EzechiŽl), die nu tegen het westen strijden, Constantinopel tot een dergelijk centrum zullen maken.

Wij weten echter, dat het afgevallen Christendom nog meer zal volbrengen in dat vreselijke drama van het ongeloof, waarvan de oudsten onder ons het begin nog meegemaakt hebben. (t.w. de Franse Revolutie). Zij moet nog haar held voortbrengen, de Goliath die zelfs de Heer der heirscharen Zelf zal uitdagen en met de, met hem verbonden en onderdanige koningen dat verborgen Babylon zal vernietigen. En daarna nog zal proberen de Naam van Christus onder de hemel uit te roeien, de tweede Herodes, die het zwaard zal uittrekken tegen de tweede Johannes de Doper, d.w.z. tegen de getuigen van God, die voor hem hun getuigenis zullen afleggen.
Geliefden, hoe zouden wij kunnen rekenen op dagen van rust en welbevinden te midden van deze wereld vol zonden en met zulke dreigende wolken om ons heen; wolken, die gereed zijn om plotseling woedend los te barsten over een afvallig Christendom? Wel zullen er stilte-pauzes vallen in de komende storm: een stilte voor de aardbeving die een stad gaat verslinden, of de verschrikkelijke stilte die er is voordat twee legers, tegenover elkaar staande, op elkaar losstormen en de vreselijke slachting begint.
Gedurende zo een stilte zal het gebeuren dat zij die daartoe waardig geacht worden, zullen worden weggenomen voordat de vurige toorn de goddelozen zal overkomen. Een vuuroven, waarin zij, die op andere wijze zich niet lieten bereid maken, zich zullen reinigen en hun klederen wit zullen maken, om als uit een vuuroven te worden gered. Gelijk Lot zullen zij ontkomen, wanneer de Heer met Zijn veranderde en verheerlijkte heiligen over de verleiders van het verborgen Sodom in een verschrikkelijke orkaan, vuur en zwavel zal laten regenen als de voor hen bestemde lijdensbeker.
Het ligt aan ons zelf, geliefden, of wij niet alleen aan dit gericht zullen ontkomen, maar ook of wij met onze Heer zullen zijn als Hij komt om de straf te voltrekken, waarvan geschreven staat. Hij roept ons op, ons over Zijn gerichten te verheugen (Openb. 18 : 20, 19 : 2). Ieder die zich daarover niet verheugt, zal met Hem niet zijn als de gerichten worden voltrokken.
Als mensen kunnen wij erbarmen gevoelen over onze medemensen, als wij zien hoe zij in hun onwetendheid en goddeloosheid tegen de Heer strijden. Wij dienen dan wel bedacht te zijn op het gevaar, dat Hij ons uiteindelijk zal vinden in de rijen van hen, die Zijn wederkomst om de aarde te zegenen, zouden belemmeren. Hij verwacht dat niet van Zijn kerk, zeker niet van hen die zijn uitgegaan om Hem te ontmoeten en Zijn wederkomst te begroeten. En laten wij toch steeds indachtig zijn, dat Zijn wederkomst niet alleen verbonden is met de redding van Zijn uitverkorenen, Zijn vrienden, maar stellig ook met de vernietiging van Zijn vijanden.

22 maart 1855

Met de huidige oorlog (Krimoorlog 1853 - 1856) hebben wij ons laten betrekken bij een dodelijke strijd met een reuzengrote macht, welks groei alles in de geschiedenis overtreft. Sinds mensenheugenis is van zoín geweldig rijk geen sprake geweest. Alles is van jeugdig vuur, geen traditie met verplichtingen, niet klasse-gebonden, nauwelijks door nationale gezindheid getemperd. Het is een, nog niet eerder voorgekomen samenzwering van de grootste omvang om de wereld te veroveren, met een absolute heerser aan de top. Haar discipline en krijgskunst, haar tactiek, wapens en nieuwe vindingen zijn allen van het modernste stempel. Het is een macht, die de beschaving bedreigt en zijn schaduw werpt over de vrijheid van de oude wereld.
Het voorgaande is een beschrijving uit de dagbladen over de macht, waarmede we in oorlog zijn. In een eerdere belering heb ik reeds uiteengezet, dat van deze grote macht van het noorden, welke alle noordelijke delen van AziŽ en de grootste delen van Europa zal veroveren, door EzechiŽl (hfdst. 38, 39) wordt geprofeteerd in de profetie over Gog. Door deze sleutel tot deze profetie hebben wij veel licht ontvangen betreffende de rol die Rusland zal spelen in de eindstrijd om de wereldheerschappij, alsmede over de wijze, waarop God de verwoesting van Rusland in de tijd van het einde zal voltrekken.

EzechiŽl door wie het woord der profetie is gesproken was een groot profeet. Door hem kon God een rijker en heller licht geven van hetgeen de volkeren in de eindtijd zal wedervaren, dan door enig ander profeet, m.u.v. DaniŽl. Na vele profetieŽn over andere koninkrijken vinden we in de hoofdstukken 36 tot het einde van het boek een doorlopende profetie over het herstel van het joodse volk in haar eigen land, de wederopbouw van de tempel en de herinrichting van de eredienst. In het midden van deze lange profetie staat dan het bericht over Gog, die opkomen zal tegen IsraŽl, als dat in zijn eigen land zal wonen. De profetie begint met het 36e hoofdstuk, waarin de verklaring wordt gegeven waarom de Heer zo voor Zijn land ijvert en vervuld is van droefheid over Zijn volk.
Het is opmerkelijk dat de vijanden, waarvan hier sprake is, de huidige christelijke naties zijn, de heidenen of ongelovigen voor de Joden. Hun trots in de uitroep uit Ez. 36 vers 2: ďHa, zelfs de eeuwige (is: van ouds beroemde) hoogten zijn ons ten erve gewordenĒ, is dezelfde en klaarblijkelijke reden van de dodelijke strijd waarin zij ook met elkaar verwikkeld zijn, namelijk wie van hen de bezitter van deze heilige plaatsen zal zijn. Zij strijden om dit protectoraat omdat wie dit land in bezit heeft, daarmee tevens het onderpand van de wereldheerschappij in handen heeft.
Het is een plan van God zo oud als de tijden sedert Abraham, ja, als de dagen sedert Peleg (Gen. 10:26, 1Kron. 1:19), toen de aarde onder de volkeren verdeeld werd overeenkomstig het getal van de kinderen van IsraŽl, dat diegene, die dit land in bezit zou nemen, heerser zou zijn over de gehele wereld. Dit plan van God is de reden van zowel het voorgevoel als de werkelijkheid, dat Jeruzalem een lastige steen is voor alle koningen en koninkrijken, zowel voor die onder de oude als voor die onder de nieuwe bedeling. En dat sedert de tijd, dat Abraham de belofte werd gegeven, dat in hem en zijn zaad al de geslachten van de aarde zouden worden gezegend.
Satan kent dit plan van God. En zoals hij altijd probeert Gods voornemen te verijdelen of tegen te werken, zo heeft hij ook in deze zaak gezocht de eerzucht en begeerten van de heersers op te wekken en aan te stoken, om zich het bezit van deze prijs eigen te maken. Het is ons bekend, dat de vier grote koninkrijken van de aarde het allen in bezit namen. Dit is de sleutel tot de verklaring van de eigenlijke oorzaak achter de huidige oorlog, hoewel de oorlogvoerenden daarvan onbewust zijn. Dit is de reden, waarom de westelijke afdeling van het Christendom (in deze profetie ďhet gehele EdomĒ genaamd, Ez. 36:5) alle krachten zal bundelen om de heerschappij tot ďbeschermingĒ van Palestina te verkrijgen.
En dat door een mens, die in feite en misschien ook formeel de wereldlijke heerser van de westelijke wereld zijn zal; hem mede mogelijk gemaakt doordat de bisschop van Rome, als de door het westen erkende opperste leider, hem zal ondersteunen deze aanspraak te realiseren.
Ook de kerkafdeling in het oosten heeft vanwege de vereniging van kerkelijk en wereldlijk hoofd in de persoon van de keizer van Rusland, de mogelijkheden in zich, haar aanspraak op die ďbeschermingsregeringĒ te laten gelden. Want in zijn streven de hoofdstad van het oostelijk rijk in bezit te nemen, hoopt hij daardoor tevens de eigenlijke bezitter van het heilige land te worden, hetzelfde protectoraat waarop ook de westelijke machten aanspraak maken. Deze beide afdelingen van de christelijke wereld oorlogen om deze prijs. En zoals de middelpunten van deze beide christelijke afdelingen eenmaal het noorden en eenmaal het zuiden zijn, zo stemmen ook de details van deze strijd overeen met de strijd tussen de koningen van het noorden en van het zuiden, waarvan in DaniŽl 11 wordt gesproken. Beiden zullen verloren gaan, juist zoals die verloren gaat, die hen overweldigt (het beest uit de afgrond), omdat dat land voorbehouden is aan Hem, Die daar zit op de troon van David als Zijn erfdeel en de uiterste uiteinden van de aarde als Zijn eigendom (Ps. 2:8).

Voordat wij nader op de profetie betreffende Gog ingaan vragen wij ons eerst af of de omschrijving (titel) van die alleenheerser (dictator) van Rusland een toekomstige is.
Onze vertaling van Ez. 38:2 richt zich tot Gog (uit) het land Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal. Zo is deze belangrijke naam ons door de Engelse bijbelvertalers overgeleverd. Hierin volgden zij de (aanduiding van de) Vulgaat, de Latijnse vertaling van HiŽronymus, zoals die in de westelijke kerk gebruikelijk is en die berust op een kritische zienswijze van deze kerkvader. In de eerste vertaling van de Hebreeuwse bijbel, de Septuagint, werd dit tekstvers door de joodse taalgeleerden uit AlexandriŽ wezenlijk anders vertaald. Een vertaling die een 600 jaar voor HiŽronymus en meer dan 200 jaar voor de geboorte van Christus tot stand kwam. Hun weergave luidt: ďGog uit het land van Magog, hoofd van Ros, Mesech en TubalĒ.
Het verschil tussen beide opvattingen ligt in het feit dat het Hebreeuwse woord voor Rosh of Ros zowel als eigennaam maar ook als zelfstandig naamwoord gebruikt kan worden.
Indien het gebruikt wordt als zelfstandig naamwoord, betekent het: leider, aanvoerder of vorst. De joden uit de oudheid echter beweerden dat het hier niet ging om een zelfstandig naamwoord, maar om een eigennaam en vertaalden het ook als eigennaam.
HiŽronymus kon echter een dergelijke naam niet vinden onder de families en volkeren in het eerste boek van Mozes en stelde van daaruit de nauwkeurigheid van de Oudgriekse vertaling ter discussie. Dit was de reden dat hij het woord Rosh of Ros vertaalde als zelfstandig naamwoord: (hoofd)vorstĒ. In tegenstelling tot de vertaling van de joden werd de uitleg van HiŽronymus bewaard in de Latijnse vertaling en in de hele westelijke kerk verbreid. De vergissing van HiŽronymus werd echter door vele geleerden ontdekt, die vaststelden dat EzechiŽl naast Ros nog andere eigennamen van volken vermeldt, die nergens in de boeken van Mozes te vinden zijn.
Uiteindelijk hebben de geleerden de vertaling van de joden uit AlexandriŽ geaccepteerd. Evenals in de kerk van het oosten wordt nu sinds de laatste twee eeuwen ook algemeen in de kerk van het westen de oudste uitleg aanvaard, dat het hier gaat om drie eigennamen van de volken Ros, Mosc en Tobl.
Want de drie Hebreeuwse woorden, letter voor letter in onze taal vertaald, geven Ros, Mosc en Tobl en slechts door het invoegen van klinkers, die geen bestanddeel zijn van de oude talen, hebben deze woorden een andere klank gekregen.
Aartsbisschop Newcombe, hierin Michaelis en Vitringa volgend, heeft in zijn vertaling deze woorden als eigennamen weergegeven (in het Nederlands deed v.d. Palm insgelijks en zo ook de Luther-vertaling). Ook David Levi, een zeer geleerde jood uit onze tijd, vertaalt dit woord als een eigennaam. Het is dus geen zelfstandig naamwoord en moet als eigennaam vertaald worden. Deze correctie is van groot belang, die wij ons ten nutte zullen aanwenden.

24 april 1855

In de profetie van EzechiŽl over Gog heb ik uiteengezet, dat onze leeswijze ďGog (uit) het land van Magog, hoofdvorst in Mesech en TubalĒ vertaald zou moeten zijn met: ďGog (uit) het land van Magog, hoofd van Ros, Mesech en TubalĒ. Wij willen nu verder aantonen welke streken en volken met deze namen worden bedoeld en van welke van deze invallende legers wordt gezegd dat zij in het laatst der tijden zullen optrekken tegen het land IsraŽl, als de joden in hun eigen land zullen zijn vergaderd. Deze profetie (volgens Vitringa) tekent Gog als de vorst van het land of volk Magog en wanneer men deze profetie leest kan men nauwelijks betwijfelen dat Gog de naam van een heerser en Magog de naam van zijn volk is. De profeet spreekt over Gog niet als over een volk, maar als over een keizer, een leider, die de invallende legers aanvoert.
We weten, dat Magog de naam was van een van de zonen van Japhet. Josephus vertelt ons dat dit volk Magog door de Grieken Scythia genoemd werd. Volgens Herodotus, een van de oudste Griekse historici, die ten tijde van EzechiŽl leefde, behoorde de naam Scytae aan een wijd verbreid volk uit de oudheid, dat woonde ten westen van de rivier Jams of Don tot aan de rivier Ister of Donau. In een latere eeuw verlaten zij deze Europese woonplaatsen van hun voorvaderen en vestigen zich in AziŽ, vanwaar ook de naam Scytae komt, die zij uitsluitend voor zich gebruiken. Van andere historici weten wij weer, dat dit volk andermaal uit hun woestijnen vertrokken en de geciviliseerde landen van Europa en AziŽ doortrokken en in veel van die landen zich vestigden. De barbaren, genaamd Geta en Gottoe, die het Romeinse Rijk onderwierpen, waren oorspronkelijk Scythen.
Ook de Turken, die lange tijd de christelijke kerken in de eerste gekerstende landen kwelden, komen voort uit deze zelfde wortel, d.i. het volk dat de onmetelijke vlakten van Centraal AziŽ bewoont, in de oude geschiedenis bekend als de Scythen, in de moderne geschiedenis als de Tartaren, die een deel vormen van het rijk van de keizer van Rusland.

Welke volkeren met de drie eigennamen Ros, Mosc en Tobl worden bedoeld, vinden wij bij de geleerden reeds lang vaststaand. Bochard merkt omstreeks 1640 bij zijn geografische onderzoekingen al op dat de naam Ros in de oudheid de meest gangbare aanduiding was voor Rusland. Hij stelde, dat de beide eerste namen op correcte wijze de volken van Rusland en MoskoviŽ (voormalig vorstendom in Rusland) aanduiden, namelijk de Russen en MoskovieŽrs, beroemde volkeren in het Europese ScythiŽ. We beschikken inderdaad over een omvangrijk getuigenis, dat het Russische volk al in de vroegste tijden door de Grieken Ros werd genoemd. De Ros vormen een Scytisch volk begrensd door het noordelijke Taurusgebergte (aldus Cedrenus, Zonarus, Leo Grammaticus en Izetses). Hun eigen historici berichten dat de Russen (Gr. Ros of Rosos) hun naam Ros herleiden op een dapper man, die zijn volk van het juk van de tirannie bevrijdde.
Over de kenmerkende vorm en betrokkenheid van deze naam zegt Mr. Gibbon: ďBij de Grieken heeft deze nationaliteitsnaam de vorm van het enkelvoud, Ros, als een niet te verbuigen woord, waarvan vele verklaringen in omloop zijnĒ. De Grieken, die in andere gevallen hun eigen uitdrukkingsvorm toevoegden aan voor hen vreemde woorden hebben deze naam in de niet te verbuigen Aziatische vorm behouden, zoals wij deze in de vroegste vertalingen aantreffen. Een en ander, aldus de kritische wereld, maar ook aldus een der knapste geleerden onder de christenen, de Jood Levi.

Nu wij de moderne namen Rusland en Moskou hebben leren kennen rest ons nog de vraag naar de betekenis van de derde naam, die van Tobl. De verbinding met de beide voorgaande namen brengt dat eigenlijk al aan het licht, terwijl het niet moeilijk is de samenhang en het werkelijke onderwerp van deze woorden van de profetie te herkennen.
De rivier de Tobol gaf aan de stad Tobolin of Tobolsk, de hoofdstad van SiberiŽ, oostelijk van MoskoviŽ, haar naam.
Deze beide namen, Mosc en Tobl, zijn in EzechiŽl 27 : met elkaar verbonden, waar zij beschreven worden als volkeren, die handelen met koper en metaal, die zoals bekend in SiberiŽ overvloedig aanwezig zijn. De drie namen uit deze profetie van EzechiŽl wijzen tegelijk op de uitgestrekte gebieden, die wij heden als het Russische Rijk kennen, terwijl de naam Magog de oorsprong en bron van deze ongeciviliseerde volkeren aangeeft. Ook worden nog andere volkerennamen in deze profetie genoemd. Daar dezen echter in verbondenheid met, maar niet als deel van dit grote rijk verschijnen, zullen wij die hier nog niet behandelen.

22 mei 1855

Als wij ons kunnen verlaten op de aangevoerde bewijzen dat met de uit de oudheid stammende uitdrukking :ĒGog, (uit) het land van Magog, hoofd van Ros, Mosc en TubalĒ het huidige uitgebreide en omvangrijke gebied van Rusland bedoeld is, dan hebben wij het punt bereikt dat het juiste gebruik van deze profetie en het verstaan van haar onderdelen binnen bereik is gekomen en een inzage in het toekomstige lot van dit machtige rijk vergund zal worden. Bij het zoeken naar de definitieve overeenstemming tussen de oude betekenissen van Ros, Mosc en Tubal met het moderne Rusland, Moskou en Tobolsk, heb ik mij laten leiden door de principes van de geleerde etymoloog Michaelis, waar hij zegt: ď...bij de vraagstelling naar de geografische eigennamen behoeven wij ons niet hoofdzakelijk door de etymologie, d.w.z. de leer van de oorsprong van de woorden, te laten leiden, maar zeker ook door de uitspraak en klank van zulke woorden en moeten we niet alleen taalkunde en scherpzinnigheid, maar veeleer onze oren gebruikenĒ. Op deze wijze was het niet moeilijk de opvallende overeenstemming van de klanken te bemerken tussen de namen uit de oudheid en de moderne namen; en in de laatsten het gebruik van de oorspronkelijke namen te herkennen.
Ik heb reeds opgemerkt, dat deze profetie nog een andere, grote voorzegging inhoudt, namelijk de wederoprichting van de Joodse natie in haar eigen land. De profeet verlaat een ogenblik het grote onderwerp van zijn visioen om een gebeurtenis te verhalen, die de nog grotere gebeurtenis, nl. het herstel van IsraŽl aan de spits van de volken zal vergezellen.
Uit de gebruikte uitdrukkingen blijkt duidelijk, zeker als men dat vergelijkt met andere profetieŽn uit de Schrift, dat deze profetie over Gog zich nog verder uitstrekt dan alleen over gerichten Gods over de Russische legers.
Ook bergt deze profetie nog een schildering in haar schoot van de uiteindelijke vernietiging, die de Heer zal voltrekken aan de laatste vijand, wanneer deze tot Zijn volk zal komen als dat in gerustheid in haar land zal wonen.
Het hoofd van deze volkenbond zal niemand minder zijn dan de laatste anti-christ, die in die tijd niet alleen aan de spits van de noordelijke volkeren zal staan, maar ook in het bezit zal zijn van al die gebieden, die eenmaal tot de grote monarchieŽn behoorden waarvan DaniŽl heeft geprofeteerd en waarvan in EzechiŽl 38 : 5-6 wordt gezegd: ďPerzen, Moren en PuteeŽrs met hen, die allemaal schild en helm voeren; Gomer en al zijn benden; het huis van Togarma, aan de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met uĒ. Deze allen worden geschilderd als optrekkende tegen het land IsraŽl in het laatst der tijden om het uit zijn erfdeel te verdrijven en zo mogelijk het voornemen van God te verijdelen. De Schrift bevat vele, rijke voorzeggingen betreffende de voortgang en vernietiging van de laatste vijanden van zowel het letterlijke en het geestelijke IsraŽl. Hiervan hebben wij in EzechiŽl 38 : 17-18 een beschrijving, en de overeenkomst met andere voorzeggingen maakt duidelijk dat dit haar ware uitleg is. We lezen dat bijv. in hoofdstuk 39 : 17-29 en ook in 38 : 15-23.
De tegenhanger van deze bijbelplaatsen vinden we in het Nieuwe Testament, in Openb. 19 : 17-21. De overeenkomst van deze verzen bestaat niet alleen in de soortgelijke of bijna dezelfde profetische wijze van uitdrukken en zinnebeeldige voorstelling, maar is in beiden ook een boven alle twijfel verheven profetische schildering van het laatste strafgericht, dat God, de Heere, aan de vijanden van Zijn volk zal voltrekken, nog voor de oprichting van Zijn koninkrijk op aarde, of zoals EzechiŽl het uitdrukt: ď...als Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen... en Ik Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen zalĒ (EzechiŽl 39 : 27, 29).
Ook is voorzegd, dat voordat de laatste vijand zal zijn vernietigd, het geestelijke en het letterlijke IsraŽl een wijle in zijn hand zullen worden gegeven. (Openb. 13 : 7-10). Dat hij ook het letterlijke IsraŽl zal overwinnen, als IsraŽl weer in haar eigen land verzameld is, kunnen wij lezen in Zacharia 14 : 1 De profetie van Zach. 14 stemt in tijd overeen met de aangehaalde profetieŽn van EzechiŽl en Openbaringen. Alle drie de bijbelplaatsen verkondigen blijkbaar dezelfde gebeurtenis de vernietiging van de laatste vijand - waarvan ook DaniŽl in Dan. 11 : 36 zegt: ďEn die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zelf zal zichzelf verheffen, en groot maken boven alle God, en hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zijn, want het is vast besloten, het zal geschiedenĒ. En vers 41: ďEn hij zal komen in het land van het sieraad, en vele landen zullen terneer geworpen worden...Ē en
vers 45: ďEn hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeŽn aan de berg van het heilig sieraad; en hij zal tot zijn einde komen en zal geen helper hebben.Ē
In de Schrift vinden we nog een profetie, zelfs een van de oudste, welke evenzeer de uitleg bevestigt, dat Gog de antichrist van de laatste tijd is. Die vinden we in de woorden van Bileam in Num. 24 : 2-9, die hij, onder de inwerking van de Heilige Geest sprak, toen Balak hem gezonden had, om Israel te vloeken.

19 juni 1855

De profetie over Gog is overeenkomstig het zelfde principe opgebouwd als de meeste andere profetieŽn van het Oude en Nieuwe Testament. Namelijk alsof het werkelijke onderwerp van de profetie door twee aanwezige lenzen, (als door een oude scheepskijker) wordt bezien en begrepen.

De wet was een schaduw of afschijnsel van de hemelse dingen. Maar de hemelse of werkelijke dingen zelf zien op hun beurt hun verwerkelijking weer tegemoet in de komende tijden. En wanneer dezen alsdan verwerkelijkt zijn wordt de lens (vensterglas van geslepen steen, zoals het in het Gr. staat uitgedrukt, vert.) waardoor wij ze nu zien voor onze ogen weggedaan. ďNu zien wij door een spiegelĒ.
Wanneer wij de hemelse dingen eenmaal direct zullen aanschouwen zullen zij aan heerlijkheid alles overtreffen wat daarvan op aarde ooit te zien was, zoals het werkelijke voorwerp voortreffelijker is als de weergave door de verrekijker; of zoals de huidige staat van Christus als de Verheerlijkte aan de rechterhand van God iedere staat te boven gaat, die Hij in het lichaam van de vernedering in zorg en smart op aarde had.
Dit principe willen wij aanhouden bij de overweging betreffende de profetie van Gog. Zoals gezegd, gaat deze voor alles over het lot van Rusland. Wat dit machtige rijk zal wedervaren is slechts een voorbeeld van hetgeen gezien zal worden onder de persoonlijke anti-christ, die nog moet geopenbaard worden als het hoofd van een veel machtiger en uitgebreider rijk als Rusland. Reeds eerder heb ik uiteengezet dat deze verborgenheid van de boosheid en zijn vernietiging mede is aangegeven in de profetie over Gog. Toch is in deze profetie niet alleen het oprijzen en de vernietiging van de Russische macht gegeven, maar ook de oprichting en verwoesting van het door de laatste vijand beheerste wereldrijk, dat het geslacht van de mensen zal onderdrukken voor de aanvang van het 1000-jarig vrederijk.1)
Want deze machten zijn ook nog ďslechtsĒ beeld en tegenbeeld van een veel grotere, verbazend geweldige samenzwering, die zich aan het einde van de duizend jaren zal verheffen tegen de Heer en Zijn Gezalfde, als de satan uit zijn gevangenis zal worden losgelaten met al zijn boosheid en grimmigheid om de volkeren opnieuw te bedriegen en tot de strijd te verzamelen, Gog en Magog. Zijn leger zal talrijk zijn als het zand aan de zee. De legerplaats van de heiligen en de geliefde stad zal hij belegeren, want alleen vanuit deze plaats zal de Heer gedurende deze algemene geloofsafval Zijn trouw bewijzen. Het zal zelfs lijken alsof deze enorme massa met satan aan het hoofd de overwinning over de troon van Christus Zelf zal gelukken. De verlossing zal alleen mogelijk zijn omdat God vuur uit de hemel zal laten nederdalen om het te verslinden. Dat deze profetie van EzechiŽl ook ziet op deze laatste opstand, waarvan in Openb. 20 sprake is, wordt duidelijk, omdat dit de enige plaats in het Nieuwe Testament is, waar de Geest van God de namen Gog en Magog gebruikt, om als het ware het oog van de kerk te richten op deze gebeurtenis aan het verre wereldeinde. Voordat wij iets kunnen verstaan van deze laatste opstand tegen God, dienen wij eerst het voor- en tegenbeeld enigszins te verklaren, in het bijzonder naar aanleiding van het karakter van het Russische rijk.
Sir Archibald Alison gaf ons in zijn geschiedenis van Europa een duidelijke beschrijving over het karakter van dit volk en de politiek van zijn regering.
Hij zegt: ďIedere Rus is overtuigd, dat zijn land eenmaal de hele wereld verovert. Deze algemene overtuiging is de voornaamste oorzaak van de reuzenstap, die Rusland in de laatste jaren gemaakt heeft in de richting van deze ontwikkeling. De eenvoudigste boer in Rusland is doordrongen van het geloof dat zijn land voorbestemd is de wereld te onderwerpen. De ruwste steppennomade verlangt naar de tijd, dat een ander Theman de poorten van Derbend zal openen, om de weerhouden legers van de noordelijke wildernissen los te laten op Zuid-AziŽ. De heersende karaktertrek van dit volk is veroveringszucht. En dit gloeiende verlangen, dat in hen net zo heftig brandt, als de democratische eerzucht in de vrije staten van West-Europa, is de verborgen drijfveer, die zowel de onderworpen terughoudendheid onder het vaandel van haar aanvoerder bepaalt, als ook de in haar samengebalde macht om onophoudelijk verder op te dringen naar de omringende staten. De kracht van dit volk, zo groot als haar gebied,wordt zelden door interne strijd verzwakt. Binnenlandse misstanden, hoe groot ook, worden ter zijde gesteld in het verlangen naar uitbreiding van hun invloed. In de wereldverovering hoopt dit volk schadeloosstelling te vinden voor alle kwaad, waarmee haar binnenlandse politiek gepaard gaatĒ.
De principes van de Russische politiek zijn door Peter de Grote in drie woorden vastgelegd en aan zijn opvolgers nagelaten: ďAanval, verovering, uitbreidingĒ. En nooit werd door zijn opvolgers het door de tsaar nagelaten werk, ter oprichting van een wereldrijk, uit het oog verloren. Het loont de moeite om te letten op de groei, die Rusland op weg naar verwezenlijking van dit doel heeft doorgemaakt in de laatste 60 jaar (1800 -1855).
Van Zweden heeft het het halve gebied veroverd, van Polen een gebied zo groot als geheel Oostenrijk, van de Turken het hele gebied tussen de zuidelijke provincies van Polen tot aan de Zwarte Zee. Het heeft in deze gebieden een overmacht verkregen, dat in deze oorlog getracht wordt ongedaan te maken. Van PerziŽ roofde het de gehele Kaspische Zee en geen Perzisch oorlogsschip wordt meer toegestaan zich daar nog te vertonen. De grote bergketen van de Kaukasus met zijn ontoegankelijke bergen (als door God als een barriŤre tegen verder opdringen opgericht) vermocht hen niet tegen te houden. Zij trokken over deze bergketen en roofden van PerziŽ de mooiste en vruchtbaarste provincies GeorgiŽ, MingreliŽ en Dagestan. Ze hebben vestingen opgericht aan de andere zijde van de rivier de Araxes in ArmeniŽ om voor hun legers een doorgang open te houden, om te zijner tijd door te stoten tot in het hart van het Perzische rijk. Dit alles heeft het niet alleen bereikt door verovering alleen. De zwaarden van zijn soldaten waren niet de enige werktuigen. Rusland bediende zich ook van een mengeling van bedrog, valsheid en geweld. De moed van de barbaren ging gepaard met die graad van beschaving, waaruit haar macht, aanslagen en intriges voortkomen, zonder de remmingen door eergevoelens zoals bij onze cultuur. Haar politiek was alles behalve gematigd.
Op deze wijze verdubbelde dit rijk haar Europees gebied, dat nu van het poolgebied tot aan de Zwarte Zee reikt. Sedert tsaar Peter werd ook de oostgrens zeker 1000 mijl oostelijker verlegd. Gedurende deze tijd was er niet een verbond of een verplichting, dat niet schaamteloos werd verbroken of bedrieglijk geÔnterpreteerd.
Iedere Rus gelooft dat het de bestemming van zijn land is de Mohammedanen te overwinnen en door verovering de heerschappij ook over de landen van het oosten uit te breiden.
Alzo is deze politiek en het karakter van Rusland als een voorbeeld van de anti-christ, die door de komst van de Heer zal worden vernietigd. Evenzo zijn zij voorbeelden, schaduwen van die nog veel machtiger volkeren-samenzwering aan het einde van de 1000-jarige heerschappij van Christus op aarde, een samenzwering die zelfs zal trachten de Heer Zelf van Zijn troon te stoten.

17 augustus 1855.

Ik heb u het drievoudige onderwerp van de profetie over Gog uiteengezet met als eerste: het Russische rijk als voorbeeld van macht en politiek, van het tweede of grotere rijk onder de persoon van de anti-christ, die op aarde aanschouwd zal worden en de gehele wereld omvat, en ten derde: de algemene afval aan het einde van het 1000-jarig vrederijk als satan, uit zijn gevangenis losgelaten, weer zal uitgaan om de volkeren van Gog en Magog te verleiden, nadat zij door de heerschappij van Christus en Zijn heiligen duizend jaren waren gezegend.

Velen zijn van mening, dat de voorzegging van de vernietiging van het Russische rijk spoedig in vervulling zal gaan en dat zijn macht door de vereniging van de westelijke volkeren zal worden verbroken. Wij delen dit inzicht niet, dat deze vernietiging spoedig zal zijn. Integendeel. Uit het ons door de Schrift gegeven licht verwachten wij dat de macht van dit reeds zo geweldige rijk zich voor zijn vernietiging nog naar alle kanten zal uitbreiden. Ook verwachten wij 2), dat Rusland nog een gesel voor de christenheid zal worden, opdat deze christenheid misschien nog tot bekering zou komen, voordat zij aan de nog duisterder dag van de anti-christ zal worden overgeleverd. De dag waarop deze over hen zal heersen en de naam van Christus op de aarde zal uitdelgen en in plaats daarvan zijn eigen naam vestigen. En die niemand zal toestaan te kopen of te verkopen, die niet zijn teken, naam of getal heeft.
Om tot een werkelijk voorbeeld van dit anti-christelijke rijk te worden, moet Rusland haar gebied en macht nog verder uitbreiden. Het zal gezien moeten gaan worden als de eerste van de volkeren, hoewel nog niet in alle opzichten deze volken aan zich verplichtend. Tot deze volkeren behoren in het bijzonder de in Ez. 38 : 5-6 genoemde Perzen, EthiopiŽrs en LibiŽrs (PuteeŽrs), daartoe Gomer met al zijn legers, en het huis van Togarma, aan de zijden van het noorden, met al zijn legers.
PerziŽ is een groot land in AziŽ, dat door Rusland al bijna is gekneveld. Zijn zuid-westelijke provincie, blijkbaar het oude PerziŽ, heet vandaag Fars, dezelfde naam in het Hebreeuws die in deze profetie wordt gebruikt. Josephus zegt, dat de Perzen de nakomelingen zijn van Elamieten en hun voorvader Elaser, de zoon van Sem. De Dilemieten, de Koerden en zelfs de Turken zijn nakomelingen van de Perzen. Deze Dilemieten bewonen het land aan de oevers van de Kaspische Zee, ook wel meer van Dilem genaamd. De Koerden zijn verstrooid in AssyriŽ, waaraan zij de naam Koerdistan gaven en de Turken vertrokken naar gene zijde van de rivier de Oxus naar Turkistan. Al deze landen schijnen binnen de grenzen van PerziŽ te hebben gelegen.
EthiopiŽ, Hebreeuws Kusch, nu AbessyniŽ ( d.w.z. in 1855, vert.) wordt enige malen in de Schrift vermeld. In EzechiŽl 20 : 10: ď...en Ik zal Egypteland stellen tot woeste, wilde eenzaamheden, van de toren van Syene af, tot aan de landpalen van MorenlandĒ (EthiopiŽ). In Esther 1 : 1 lezen we dat de koning Ahasveros regeerde van IndiŽ tot aan Morenland, en Herodotus vertelt dat dit EthiopiŽ belasting betaalde aan Darius, de zoon van Hystaspes. En in Jes. 45 : 14 lezen wij: ďZo spreekt de Heere: De arbeid van de Egyptenaren en de koophandel van de Moren en de SabeeŽrs, de mannen van grote lengte zullen tot u overkomen en zij zullen de uwe zijnĒ. Bij deze tekst merkt mr. Bruce op, dat deze bijbelplaats haar zin verliezen zou, als men van positie en toestand van deze volken niet zou weten, of als de SabeeŽrs niet apart genoemd waren, want zowel de SabeeŽrs als de Kuschieten waren EthiopiŽrs. Bochart heeft duidelijk uiteengezet dat er in Arabia Petrae een land Kusch of EthiopiŽ was, dat aan Egypte grensde en zich voornamelijk uitbreidde in de noordelijke richting van de Rode Zee. Uit de schriftplaatsen aangaande Morenland of EthiopiŽ is af te leiden hoe dit land het oorspronkelijke land was van de verder zuidelijk wonende EthiopiŽrs of Abessyniers. Volgens Arabische historici leiden zij hun naam af van Habasch, een zoon van Kusch. In de geslachtsregisters van de bijbel vinden wij deze Habasch echter niet vermeld en ook niet Kusch als stamvader, naar de Mohammedanen vermoeden, van Habasch. De Kusch uit de Schrift was een broer van Kanašn, Habasch moet daarom de naam van een vorst of aanvoerder zijn, die oorspronkelijk uit Arabia Petrea kwam en het koninkrijk AbessyniŽ stichtte.
Het Kuschietische of Ethiopische rijk wordt in de Schrift tesamen met Midian en in gelijke betekenis vermeld. Josephus, PtolemeŁs en Hieronymus zijn eenstemmig van mening, dat Midian ten oosten van de Rode Zee lag. Zippora, de vrouw van Mozes wordt een Kuschietische (of Ethiopische) genoemd (Num. 12 : 1). Haar vader was een priester in Midian, waar Mozes had gewoond. Ook de profeet Habakuk vermeldt beiden in dezelfde samenhang. De Midianieten moeten zich derhalve met de EthiopieŽrs vermengd hebben of waren zeer dichtbij zijnde buren.
In Jes. 18 : 1 en Zef. 3 : 10 wordt Egypte beschreven als liggende aan gene zijde van de rivier van Kusch (of EthiopiŽ), wat bezwaarlijk kan zien op het zuidelijk van Egypte liggende Kusch (EthiopiŽ -AbessyniŽ). Volgens 2Kon. 19 : 9 trok koning Tirhaka uit om Sanherib aan te vallen. Op een ander tijdstip overviel koning Zerah Juda (2Kron. 14 : 9). Van beiden wordt gezegd dat zij koningen van Kusch (EthiopiŽ) waren, dat aan Egypte en Palestina grensde, wat door de geschiedschrijving is aangetoond.
Onder LybiŽ, Put in het Hebreeuws, verstonden de oude geografen een provincie van Egypte, die zich van AlexandriŽ tot Cyrene uitstrekte en door Lehabit, een zoon van MizraÔm, bewoond werd (Gen. 10 : 13). Josephus zegt, dat Put de regering over LybiŽ voerde, welks nederzettingen tot Kinikalcel Phutei behoorden, onder welke naam zij in de Griekse geschiedenis bekend waren.
Ten tijde van Jeremia (46 : 9) was dit gebied aan koning Necho van Egypte onderworpen. De profeet Nahum (3 : 9) telt Put en Libea onder degenen, die No-Ammon te hulp komen.
PerziŽ, EthiopiŽ en LybiŽ wijzen derhalve op, en omsluiten een gebied van India tot de Noordkust van Afrika tot aan Cyrene, die allen delen van het reusachtige rijk zullen worden, waarover Rusland zal heersen. Daarbij komen dan nog andere landen onder de naam van Gomer met al zijn legers en het huis van Togarma, aan de zijden van het Noorden met al zijn legers. In Gen. 10 : 2 lezen wij van Gomer. Hij stichtte Gomezi, dat de Grieken Galatai noemden. Galata was de algemeen gebruikelijke naam die alle Griekse historici gebruikten voor Gaul of voor het Latijnse Gallai. Terecht, zegt Strabo, noemden de Grieken alle Galata of Gaul, Celten. En deze Kelten waren voor hen Galaten en voor de Latijnen Galli. Dit uit haar primitieve woonplaatsen in het Taurus-gebergte en Amanus voortgekomen volk trok uit AziŽ tot aan de rivier de Tanus of Don, trok Europa binnen en drong westelijk door tot aan de zee-engte van Gibraltar, terwijl het intussen haar naam aan verschillende volkeren of families naliet. Kolonisten van deze GalliŽrs trokken de 3e eeuw voor Christus Klein-AziŽ binnen, waar zij naar hun Griekse naam de Galaten werden genoemd. Hun stamhouders en de stamwoonplaats bleven echter in Europa, waar hoofdzakelijk zij de basis van de Germaanse volksstammen vormden. Daarbij is de naam tot nu toe bewaard gebleven als Germanen of ďGomerenĒ, waarbij de uitgang ďenĒ, het meervoud aangeeft.
Van ďhet huis van ThogarmaĒ, Ez. 38 : 6 zeggen zowel Michaelis als Strabo, dat het een volk van GalliŽrs was, Tragemi genoemd of ook wel Trogameden, afgeleid van Trogemos, welke naam volgens Bochart dezelfde is als die van Togarma. En zo hebben de Griekse vertalers steeds de Hebreeuwse naam Thogarma weergegeven.
In een uittreksel van de geschiedenis van Nemmon, door Photius bewaard, vinden wij een bericht over dit volk, dat het omstreeks 270 v. Chr. een verbond met koning Nichomedes van BithyniŽ sloot, hem in zijn oorlogen te steunen. Volgens Strabo kwam dit volk uit GalliŽ, verliet daar zijn woonplaatsen en vestigden zich aan de grenzen van Pontus en CapadociŽ. Strabo zelf werd 300 jaar later in CapadociŽ geboren. Zij worden getekend als liefhebbers van de krijg en eigenaars van een uitstekend paardenras, hetgeen overeenkomt met Ez. 27 vs 14: ďUit het huis van Togarma leverden zij paarden en ruiteren, en muilezels op uw marktenĒ (nl. van Tyrus). In de 4e eeuw vinden we dit volk vertegenwoordigd in de raadsvergadering van CalcedoniŽ door hun bisschop van Trogmades, Cyriacus. Hun oorspronkelijke woonplaats in GalliŽ bleef onbekend. Overeenkomstig het woord van de profetie echter, zou het aan de kust van de Oostzee hebben moeten gelegen.
Deze uiteenzetting geeft ons een indruk van de uitbreiding van het gebied, dat Rusland in bezit zal nemen en van de macht die het tenslotte zal uitoefenen, eer het zelf weer een deel wordt van dat wereldrijk, dat bij de komst van de Heer vernietigd zal worden.

11 september 1855

Ik heb uiteengezet, dat Rusland, om te kunnen uitgroeien tot een compleet voorbeeld, zich nog verder zal moeten uitbreiden, zowel in regering als in macht. En dat haar leider, zo hij al niet het hoofd van de, in deze profetie vermelde volkeren wordt, uiteindelijk in hun vernietiging, met deze volkeren verenigd zal zijn.
Of deze volkeren een deel van dat reusachtige rijk zullen worden, nog voor zij onder de heerschappij van de antichrist zullen komen, zal de tijd leren. Waar dit nog in de toekomst ligt en het er nu op lijkt, dat aan Rusland door de Krimoorlog een halt wordt toegeroepen aan zijn verdere machtsuitbreiding, wil ik hier opmerken, dat profetie niet op het heden, maar op de toekomst ziet. En hier hŤbben wij met de toekomst te maken. Alle profetieŽn zijn overeenkomstig hun aard (betreffende de toekomende dingen) vaak verborgen en niet helder, in het bijzonder zulke nog onvervulde profetieŽn van een dergelijke reikwijdte als de behandelde, waarin ook nog meerdere grote gebeurtenissen in de geschiedenis met elkaar versmolten zijn, alsof het ťťn gebeurtenis betrof. Daarom is het moeilijk om uit te maken of in het voorbeeld ieder detail in haar tegenbeeld van de werkelijkheid zal worden teruggevonden, wel echter dient dat in grote lijnen zo te zijn, anders zou het geen afschaduwing of afbeelding van de toekomstige dingen betreffen. Zo zou ook het doel van de huidige oorlog kunnen zijn, de macht van Rusland zo in te perken, dat het hem niet zal gelukken, de overhand over de, in deze profetie vermelde volkeren te verkrijgen, die hij begeert te bezitten. Voor ons is het minder belangrijk of deze landen al een werkelijk onderdeel zullen zijn van het Russische rijk of niet, nog voor de uiteindelijke inlijving in het komende, veel grotere anti-christelijke rijk.
Mogelijk is ook, dat Ruslands strijd om de heerschappij over deze landen alles is wat het als zijn bestemming moet volbrengen, als voorbeeld van een veel verschrikkelijker macht, nl. die van de anti-christ, die deze landen in bezit zal nemen.
Het is niet Gods bedoeling om met het profetisch woord de nieuwsgierigheid van mensen te bevredigen, noch ook om allerlei gebeurtenissen door de geest van de profeten voortijdig aan de kerk tot in details te onthullen, maar om Zijn volk en knechten voor de komende gebeurtenissen te waarschuwen, opdat zij daardoor niet als door een valstrik verrast zullen worden. Want het betreft een gericht van God, over dezulken die niet naar Zijn woord horen. Omdat wij echter kinderen des lichts en des daags zijn, zouden wij ook genoeg inzicht moeten hebben om naar Zijn geopenbaarde wil en bedoelingen te wandelen, zodat wij noch onverschillige toeschouwers zijn betreffende hetgeen God op aard werkt, noch tot dezulken zullen behoren die de anti-christ bewonderend, door Gods gerichten zullen omkomen. Zij echter, die Gods raadsbesluiten kennen, kunnen zich verheugen over Zijn volkomen doeleinden, in plaats dat zij zich ertegen verzetten.
Veeleer zullen zij met Zijn hulp proberen de broeders in de verdrukking bij te staan. Zoals een DaniŽl, die toen hij uit de boeken begreep dat de gevangenschap van zijn volk ten einde liep, door gebed en voorbede God smeekte Zijn belofte van herstel van Zijn volk in hun eigen land te vervullen en zijn hele invloed bij de koning aanwendde om dit doel te bereiken. Deze profetie van EzechiŽl omvat de geschiedenis en het lot van drie grote rijken of van de drievoudige afval van God.
Een daarvan zal voor de opstanding van de ontslapenen zichtbaar worden, hoewel deze eerste afval niet voor deze gebeurtenis zal zijn voltooid. Een tweede afval zal er zijn nadat de ontslapenen zijn opgestaan en de eerstelingsvrucht van de aarde is verzameld. De derde afval tenslotte nadat de Heer met Zijn heiligen duizend jaren op de aarde zal hebben geregeerd. Iedere afval zal weer groter zijn dan de vorige. Evenzo als deze profetie de wijze van gerichtvoering voorzegt, evenzo vinden wij daarin ook de uitdrukkingen, die uitvoerig de oordelen van God beschrijven en in beperktere vorm ook worden gevonden bij de beschrijving van andere oordelen Gods. Wij vinden dit bij andere profetieŽn van de Schrift, in het bijzonder ook in Matt. 24, waar de Heere de verwoesting van Jeruzalem voorzegt en die van het christendom aan het einde van deze bedeling.
Hetzelfde is van toepassing op de omvang, dat ieder van deze rijken zal bereiken. De afval aan het einde van het 1000-jarig vrederijk zal de gehele wereld omvatten, met uitzondering van het heilige land, de legerplaatsen van de heiligen en de geliefde stad. Het rijk van de anti-christ onder het beest uit de afgrond omvat niet de hele aarde, maar dat deel dat steeds christelijk was, maar van de geloofswaarheid is afgevallen.
Binnen dit begrensde deel zou zelfs Engeland de onderdrukking door de anti-christ niet kunnen ontkomen. Toch heeft God altijd een toevluchtsoord gehad voor Zijn volk in de uren van Zijn gerichten. In dit land, waarin God Zijn verlossingswerk is begonnen, zal naar alle waarschijnlijkheid een toevluchtsark voor Zijn volk zijn, als Zijn toornschalen over de overige christenheid worden uitgegoten, het Zoar en Gosen, temidden van het geestelijke Sodom en Egypte, waarin het overblijfsel van Zijn rechtvaardig zaad een toevlucht zal vinden.
Het Russische rijk zal niet dezelfde omvang hebben als zijn tegenbeeld, het anti-christelijke wereldrijk. Omdat dit voorbeeld echter het fundament is van de gehele profetie, zowel van het anti-christelijke rijk, als van de algemene afval van het geloof aan het einde van het duizendjarig vrederijk, dienen wij wel alle gebieden tot dit rijk te rekenen, die letterlijk in de profetie worden vermeld. Anders zou het geen schaduw of voorbeeld van het komende rijk van de anti-christ kunnen zijn. Voordat deze macht echter tot die omvang zal komen, zal naar wij geloven, Europa een (voorbijgaande) vredestijd en een schijnbare veiligheid kennen, zij het echter als slapend bij de mond van een vulkaan, die elk ogenblik tot uitbarsting kan komen. Want van het oordeel is gezegd, dat het de afvallige stad plotseling zal overvallen en als een valstrik over de gehele aarde zal komen. Voordat het verderf komt, zal echter een inzameling van de eerstelingsvruchten plaats vinden, een garve voor de oogst rijp is. De oogst zal overeenkomstig het profetisch woord, niet rijp zijn voor de verwoesting is begonnen. Niet voor het vuur zal gekomen zijn dat al het werk van de mensen zal beproeven. Die verdrukking, die ondergaan zal worden door hen, die niet verzegeld zijn met het zegel van de levende God, of het teken van de Geest van God niet dragen, waardoor zij voor deze oordelen in veiligheid gebracht hadden kunnen worden. Hetzij bij de Heer in de lucht als toevluchtsoord, hetzij op aarde in een opstandingslichaam, d.i. in dezelfde hoedanigheid als de Heer op aarde voor Zijn hemelvaart, toen Hij onder Zijn discipelen 40 dagen in- en uitging om hen alle dingen betreffende Zijn Koninkrijk te verklaren.
Zo zou deze toestand kunnen zijn, verbonden met de opgestane heiligen om gedurende 40 jaren te arbeiden om het onkruid af te zonderen van het koren en het te busselen en te verbranden. Als dan Babel vernietigd en beroofd zal zijn van alle uiterlijke schijn en zogenaamde kerkgemeenschap, als een andere dienst der aanbidding zal zijn opgericht met een andere naam dan die van Christus, dan zullen de op aarde Christus-gelovige overgeblevenen ten dode toe getuigenis afleggen. Voor dit getrouwe getuigenis zullen zij de, aan de gemeente Laodicea gedane belofte ontvangen met Hem op Zijn troon te zitten nadat zij overwonnen hebben.
Wat ook onze plaats moge zijn, het is onze hoop te zullen ontvlieden aan deze vervolgingen en verdrukkingen, door onze standvastigheid, bereidheid en overtuiging dit werk van God te geloven. Het werk van God, dat door de een betwijfeld en door de ander afgewezen wordt als fanatiek of dwaas, door hun onkunde aangaande de woorden en wegen des Heeren.

1) Treffend dat sedert 1917 het Russische tsarenrijk verwoest is en vervangen door het communisme en het tsaristische Rusland niet alleen een voorbeeld, maar ook een voorloper bleek te zijn van het anti-christelijke rijk. Maar ook dit communistische, anti-christelijke rijk heeft sinds 1987-1989 (voorlopig?) weer plaats moeten maken voor een andere structuur.
vert. 2) Hoe verschrikkelijk dit vervuld is, zal de goed-geÔnformeerde lezer niet onbekend zijn.
vert.