Hoofdstuk 1
Hand 1:1 Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, over al hetgeen Jezus is begonnen beide te doen en te leren;
Hand 1:2 Tot de dag, waarop Hij opgenomen is, nadat Hij door de Heilige Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven.

Hand 1:3 Aan wie Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelf levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.
Hand 1:4 En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte van de Vader, die gij, zei Hij, van Mij gehoord hebt.
Hand 1:5 Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.
Hand 1:6 Zij dan, die samengekomen waren, vroegen Hem, zeggende: Heere, zult Gij in deze tijd aan Israel het Koninkrijk weer oprichten?
Hand 1:7 En Hij zei tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
Hand 1:8 Maar gij zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zowel te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.
Hand 1:9
En toen Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
Hand 1:10 En terwijl zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;
Hand 1:11 Die ook zeiden: Gij Galilesche mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, zoals gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.
Hand 1:12 Toen keerden zij terug naar Jeruzalem, van de berg, die genaamd wordt de Olijfberg, die nabij Jeruzalem is, liggende van daar een sabbatsreis.
Hand 1:13 En toen zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, BartholomeŁs en MattheŁs, Jakobus, de zoon van AlfeŁs, en Simon Zelotes, en Judas, de broer van Jakobus.
Hand 1:14 Deze allen waren eendrachtig volhardend in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broers.
Hand 1:15 En in deze dagen stond Petrus op in het midden van de discipelen, en sprak -er was nu een schare bijeen van omtrent honderd en twintig personen-:
Hand 1:16 Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door de mond van David voorzegd heeft van Judas, die de gids geweest is van hen, die Jezus gevangen namen;
Hand 1:17 Want hij was met ons gerekend, en had deel aan deze bediening verkregen.
Hand 1:18 Deze dan heeft verworven een akker, door het loon van de ongerechtigheid, en voorover gevallen zijnde, is midden open gereten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.
Hand 1:19 En het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, alzo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker des bloeds.
Hand 1:20
Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen; Zijn woonplaats worde woest, en er zij niemand die daarin woont. En: Een ander neme zijn opzienersambt.
Hand 1:21 Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al de tijd, waarin de Heere Jezus onder ons ingegaan en uitgegaan is,
Hand 1:22 Beginnende van de doop van Johannes, tot de dag toe, waarop Hij van ons opgenomen is, ťťn met ons getuige wordt van Zijn opstanding.
Hand 1:23 En zij stelden er twee, Jozef, genaamd Barsabas, die toegenaamd was Justus, en Matthias.
Hand 1:24 En zij baden en zeiden: Gij Heere! Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee ťťn aan, die Gij uitverkoren hebt;
Hand 1:25 Om te ontvangen het deel aan deze bediening en het apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, om heen te gaan in zijn eigen plaats.
Hand 1:26 En zij wierpen hun loten; en het lot viel op Matthias, en hij werd met algemene toestemming tot de elf apostelen gekozen.

Hoofdstuk 2
Hand 2:1 En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtig bijeen.
Hand 2:2 En er geschiedde plotseling uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldige, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
Hand 2:3 En aan hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een ieder van hen.
Hand 2:4 En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
Hand 2:5 En er waren Joden, te Jeruzalem wonend, godvruchtige mannen uit alle volken van hen, die onder de hemel zijn.
Hand 2:6 En toen dit geluid geschied was, kwam de menigte samen, en raakte in verwarring, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
Hand 2:7 En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkaar: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, GalileŽrs?
Hand 2:8 En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?
Hand 2:9 Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van MesopotamiŽ, en Judea, en CappadociŽ, Pontus en AziŽ.
Hand 2:10 En FrygiŽ, en PamfyliŽ, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en inwoners van Rome, beiden Joden en Jodengenoten;
Hand 2:11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.
Hand 2:12 En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de ťťn tegen de ander: Wat wil toch dit zijn?
Hand 2:13 En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoete wijn.

Hand 2:14 Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.
Hand 2:15 Want dezen zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst het derde uur van de dag.
Hand 2:16 Maar dit is het, wat gesproken is door de profeet JoŽl:
Hand 2:17
En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
Hand 2:18 En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
Hand 2:19 En Ik zal wonderen geven in de hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.
Hand 2:20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en ontzagwekkende dag des Heeren komt.
Hand 2:21 En het zal zijn, dat een ieder, die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
Hand 2:22 Gij IsraŽlitische mannen, hoort deze woorden: Jezus de Nazarener, een Man van God, onder u betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk gij ook zelf weet;
Hand 2:23 Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgeleverd, hebt gij genomen, en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
Hand 2:24 Die God opgewekt heeft, de smarten van de dood ontbonden hebbende, zodat het niet mogelijk was, dat Hij door deze dood zou gehouden worden.
Hand 2:25
Want David zegt van Hem: Ik zag de Heere alle tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen wordt.
Hand 2:26 Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;
Hand 2:27 Want Gij zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien.
Hand 2:28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
Hand 2:29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van de patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.
Hand 2:30 Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht van zijn lenden, zoveel het vlees aangaat, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
Hand 2:31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in het dodenrijk, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
Hand 2:32 Deze Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
Hand 2:33 Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de belofte van de Heilige Geest ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.
Hand 2:34
Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand.
Hand 2:35 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten.
Hand 2:36 Zo wete dan het ganse huis Israels zeker, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt.

Hand 2:37 En toen zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?
Hand 2:38 En Petrus zei tot hen: Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van zonden; en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.
Hand 2:39 Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.
Hand 2:40 En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
Hand 2:41 Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.
Hand 2:42 En zij waren volhardende in de leer der apostelen en in de gemeenschap, in het breken van het brood en in de gebeden.
Hand 2:43 En een vrees kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.
Hand 2:44 En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeenschappelijk;
Hand 2:45 En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden deze aan allen, naar dat elk nodig had.
Hand 2:46 En dagelijks eendrachtig in de tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij tezamen met blijdschap en eenvoud des harten;
Hand 2:47 En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks toe aan de gemeente, die zalig werden.

Hoofdstuk 3
Hand 3:1 Petrus nu en Johannes gingen tezamen op naar de tempel, omtrent het uur van het gebed, te weten het negende uur;
Hand 3:2 En een zeker man, die kreupel was vanaf de moederschoot, werd dagelijks gedragen en aan de poort van de tempel gezet, genaamd de Schone, om een aalmoes te begeren van degenen, die in de tempel gingen;
Hand 3:3 Die, toen hij Petrus en Johannes zag, toen zij in de tempel zouden ingaan, vroeg, dat hij een aalmoes mocht ontvangen.
Hand 3:4 En Petrus, sterk op hem ziende, met Johannes, zei: Zie op ons.
Hand 3:5 En hij hield de ogen op hen gericht, verwachtende, dat hij iets van hen zou ontvangen.
Hand 3:6 En Petrus zei: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geef ik u; in de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, sta op en wandel!
Hand 3:7 En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op, en terstond werden zijn voeten en enkels vast.
Hand 3:8 En hij, opspringende, stond en wandelde, en ging met hen in de tempel, wandelende en springende, en lovende God.
Hand 3:9 En al het volk zag hem wandelen en God loven.
Hand 3:10 En zij kenden hem, dat hij diegene was, die om een aalmoes gezeten had aan de Schone poort van de tempel; en zij werden vervuld met verbazing en ontzetting over hetgeen aan hem geschied was.
Hand 3:11 En toen de kreupele man, die gezond gemaakt was, niet van Petrus en Johannes week, liep al het volk tezamen tot hen in de voorhof, dat Salomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde.
Hand 3:12 En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het volk: Gij Israelitische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat staart gij zo naar ons, alsof wij door onze eigen kracht of godvruchtigheid deze hadden doen wandelen?
Hand 3:13 De God van Abraham, Izašk en Jakob, de God van onze vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Die gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, toen hij oordeelde, dat men Hem zou loslaten.
Hand 3:14 Maar gij hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een doodslager was, zou geschonken worden;
Hand 3:15 En de Vorst des levens hebt gij gedood, Die God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.
Hand 3:16 En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam deze gesterkt, die gij ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid.
Hand 3:17 En nu, broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten.
Hand 3:18 Maar God heeft alzo vervuld, hetgeen Hij door de mond van al Zijn profeten tevoren verkondigd had, dat de Christus lijden zou.
Hand 3:19 Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; en tijden van verkwikking tot u mogen komen van het aangezicht des Heeren,
Hand 3:20 En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is;
Hand 3:21 Die de hemel moest ontvangen tot de tijden der wederoprichting van alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw.
Hand 3:22
Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broeders, gelijk mij; Die zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal.
Hand 3:23 En het zal geschieden, dat alle ziel, die deze Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk.
Hand 3:24
En ook al de profeten, van Samuel aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen tevoren verkondigd.
Hand 3:25
Gijlieden zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.
Hand 3:26 God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Hem eerst tot u gezonden, dat Hij u zegenen zou, daarin dat Hij een ieder van u afkeert van uw boosheden.

Hoofdstuk 4
Hand 4:1 En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen dienaangaande tot hen de priesters, en de hoofdman van de tempel, en de SadduceeŽn;
Hand 4:2 In grote onvrede, omdat zij het volk leerden, en verkondigden in Jezus de opstanding uit de doden.
Hand 4:3 En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot de andere dag; want het was nu avond.
Hand 4:4 En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het aantal mannen werd omtrent vijf duizend.
Hand 4:5 En het geschiedde de andere dag, dat hun oversten en oudsten en schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden;
Hand 4:6 En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zovelen er van het hogepriesterlijk geslacht waren.
Hand 4:7 En toen zij hen in het midden geplaatst hadden, vroegen zij: Door wat voor kracht, of door wat voor naam hebt gij dit gedaan?
Hand 4:8 Toen zei Petrus, vervuld zijnde met de Heilige Geest, tot hen: Gij oversten van het volk, en gij oudsten van Israel!
Hand 4:9 Alzo wij heden rechterlijk onderzocht worden over de weldaad aan een ziek mens geschied, waardoor hij gezond geworden is;
Hand 4:10 Zo zij u allen bekend, en het ganse volk Israel, dat door de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, Die gij gekruisigd hebt, Die God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier gezond voor u.
Hand 4:11
Deze is de steen, die door u, de bouwlieden, veracht is, die tot de hoeksteen geworden is.
Hand 4:12 En de zaligheid is in geen Andere; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, waardoor wij zalig moeten worden.
Hand 4:13 Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongestudeerde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.
Hand 4:14 En ziende de mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen in te brengen.
Hand 4:15 En hun geboden hebbende uit te gaan buiten de raad, overlegden zij met elkaar,
Hand 4:16 Zeggende: Wat zullen wij deze mensen doen? Want dat er een opmerkelijk teken door hen geschied is, is duidelijk aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen.
Hand 4:17 Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen ernstig dreigen, dat zij niet meer tot enig mens in deze Naam spreken.
Hand 4:18 En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij in het geheel niet zouden spreken of leren in de Naam van Jezus.
Hand 4:19 Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt gij, of het recht is voor God, u meer te horen dan God.
Hand 4:20 Want wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben.
Hand 4:21 Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, vanwege het volk, want zij verheerlijkten allen God over hetgeen er geschied was.
Hand 4:22 Want de mens was meer dan veertig jaar oud, aan wie dit teken der genezing geschied was.
Hand 4:23 En zij, losgelaten zijnde, kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat de overpriesters en de oudsten tot hen gezegd hadden.
Hand 4:24 En toen dezen dat hoorden, hieven zij eendrachtig hun stem op tot God, en zeiden: Heere! Gij zijt de God, Die gemaakt hebt de hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die daarin zijn.
Hand 4:25
Die door de mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?
Hand 4:26 De koningen der aarde zijn tezamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen de Heere, en tegen Zijn Gezalfde.
Hand 4:27 Want waarlijk zijn tegen Uw heilig Kind Jezus, Die Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus vergaderd, met de heidenen en de volken Israels;
Hand 4:28 Om te doen al wat Uw hand en Uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou.
Hand 4:29 En nu dan, Heere, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken;
Hand 4:30 Daarin, dat Gij Uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de Naam van Uw heilig Kind Jezus.
Hand 4:31 En toen zij gebeden hadden, werd de plaats, waarin zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid.
Hand 4:32 En de menigte van hen, die geloofden, was ťťn hart en ťťn ziel; en niemand zei, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen bezit was, maar alle dingen waren hun gemeenschappelijk.
Hand 4:33 En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.
Hand 4:34 Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten de prijs van de verkochte goederen, en legden die aan de voeten der apostelen.
Hand 4:35 En aan een ieder werd uitgedeeld, naar dat elk nodig had.
Hand 4:36 En Joses, van de apostelen toegenaamd Barnabas -dat is, vertaald zijnde, een zoon der vertroosting-, een Leviet, van geboorte uit Cyprus,
Hand 4:37 Alzo hij een akker had, verkocht die, en bracht het geld, en legde het aan de voeten der apostelen.

Hoofdstuk 5
Hand 5:1 En een zeker man, met name Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een veld;
Hand 5:2 En onttrok van de prijs, ook met medeweten van zijn vrouw; en bracht een zeker deel, en legde dat aan de voeten der apostelen.
Hand 5:3 En Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij de Heilige Geest liegen zou, en onttrekken van de prijs van het land?
Hand 5:4 Was het niet in uw macht voordat u het verkocht en verkocht zijnde, was de opbrengst niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt de mensen niet gelogen, maar God.
Hand 5:5 En Ananias, deze woorden horende, viel neer en gaf de geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden.
Hand 5:6 En de jongelingen, opstaande, omwonden hem, en droegen hem uit, en begroeven hem.
Hand 5:7 En het was ongeveer drie uren daarna, dat ook zijn vrouw daar inkwam, niet wetende, wat er geschied was;
Hand 5:8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt u beiden het land voor zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel.
Hand 5:9 En Petrus zei tot haar: Wat is het, dat gij onder elkaar hebt overeengestemd de Geest des Heeren te verzoeken? Zie, de voeten van hen, die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.
Hand 5:10 En zij viel terstond neer voor zijn voeten, en gaf de geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen ze uit, en begroeven haar bij haar man.
Hand 5:11 En er kwam grote vrees over de hele gemeente, en over allen, die dit hoorden.

Hand 5:12 En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de voorhof van Salomo.
Hand 5:13 En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.
Hand 5:14 En er werden meer en meer toegedaan, die de Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen;
Hand 5:15 Alzo dat zij de zieken uitdroegen op de straten, en legden op bedden en slaapmatten, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht.
Hand 5:16 En ook de menigte uit de omringende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende zieken, en die van onreine geesten gekweld waren; welke allen genezen werden.

Hand 5:17 En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren, van de sekte der SadduceeŽn, en werden vervuld met nijd;
Hand 5:18 En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de algemene gevangenis.
Hand 5:19 Maar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, en zei:
Hand 5:20 Gaat heen, en staat, en spreekt in de tempel tot het volk al de woorden des levens.
Hand 5:21 Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen de morgenstond in de tempel, en leerden. Maar de hogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen de raad tezamen, en al de oudsten van de kinderen Israels, en zonden naar de kerker, om hen te halen.
Hand 5:22 Doch toen de dienaren daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden terug, en boodschapten dit.
Hand 5:23 Zeggende: Wij vonden wel de kerker met alle zorgvuldigheid gesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar toen wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen.
Hand 5:24 Toen nu de hogepriester en de hoofdman van de tempel, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zou.
Hand 5:25 En er kwam iemand, en boodschapte hun, zeggende: Ziet, de mannen, die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in de tempel, en leren het volk.
Hand 5:26 Toen ging de hoofdman heen, met de dienaren, en bracht hen, doch zonder geweld, want zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd zouden worden.
Hand 5:27 En toen zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor de raad; en de hogepriester vroeg hun, en zei:
Hand 5:28 Hebben wij u niet ernstig aangezegd, dat gij in deze Naam niet zou leren? En ziet, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van deze Mens over ons brengen.
Hand 5:29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet God meer gehoorzaam zijn, dan de mensen.
Hand 5:30 De God van onze vaderen heeft Jezus opgewekt, Die gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout.
Hand 5:31 Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israel te geven bekering en vergeving van zonden.
Hand 5:32 En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden; en ook de Heilige Geest, Die God gegeven heeft aan hen, die Hem gehoorzaam zijn.
Hand 5:33 Als zij nu dit hoorden, barstte hun het hart, en zij hielden raad, om hen te doden.
Hand 5:34 Maar een zekere FarizeeŽr stond op in de raad, met name GamaliŽl, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een korte poos zou doen buiten staan.
Hand 5:35 En hij zei tot hen: Gij Israelitische mannen, pas goed op, wat gij doen zult aangaande deze mensen.
Hand 5:36 Want voor deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, die een aanhang van omtrent vierhonderd mannen verwierf; welke is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden.
Hand 5:37 Na hem stond op Judas, de GalileŽr in de dagen der beschrijving, en maakte veel volk afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.
Hand 5:38 En nu zeg ik u: Laat af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het verbroken worden.
Hand 5:39 Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet verbreken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden.
Hand 5:40 En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, lieten zij hen slaan, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus; en lieten hen gaan.
Hand 5:41 Zij dan gingen heen uit de aanwezigheid van de raad, verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geweest, omwille van Zijn Naam smaad te lijden.
Hand 5:42 En zij hielden niet op, elke dag, in de tempel en bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen.

Hoofdstuk 6
Hand 6:1 En in dezelfde dagen, toen de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering van de Griekse discipelen tegen de Hebreeuwse, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden.
Hand 6:2 En de twaalven riepen de menigte van de discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet zoals het behoort, dat wij het Woord van God nalaten, en de tafelen dienen.
Hand 6:3 Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol van de Heilige Geest en van wijsheid, die wij mogen stellen over deze nodige zaak.
Hand 6:4 Maar wij zullen volharden in het gebed, en in de bediening van het Woord.
Hand 6:5 En dit woord behaagde al de menigte; en zij verkozen Stefanus, een man vol van geloof en de Heilige Geest, en Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en NicolaŁs, een Jodengenoot van AntiochiŽ;
Hand 6:6 Die zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op.
Hand 6:7 En het woord van God nam toe, en het getal van de discipelen te Jeruzalem vermenigvuldigde zeer; en een grote schare van de priesters werd het geloof gehoorzaam.

Hand 6:8 En Stefanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.
Hand 6:9 En er stonden op sommigen, die waren van de synagoge der Libertijnen, en der Cyreensen, en der Alexandrijnen, en dergenen, die van CiliciŽ en AziŽ waren, en twistten met Stefanus.
Hand 6:10 En zij konden niet weerstaan de wijsheid en de Geest, door Wie hij sprak.
Hand 6:11 Toen kochten zij mannen om, die zeiden: Wij hebben hem lasterlijke woorden horen spreken tegen Mozes en God.
Hand 6:12 En zij stookten het volk op, en de oudsten en de Schriftgeleerden; en hem aanvallende grepen zij hem, en leidden hem voor de raad;
Hand 6:13 En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.
Hand 6:14 Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.
Hand 6:15 En allen, die in de raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht van een engel.

Hoofdstuk 7
Hand 7:1 En de hogepriester zei: Zijn dan deze dingen alzo?
Hand 7:2
En hij zei: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onze vader Abraham, toen hij nog in MesopotamiŽ was, eer hij woonde in Haran;
Hand 7:3 En zei tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.
Hand 7:4 Toen ging hij uit het land der ChaldeŽn, en woonde in Haran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, waar gij nu in woont.
Hand 7:5
En Hij gaf hem geen erfdeel daarin, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het tot een bezitting geven zou, en zijn zaad na hem, toen hij nog geen kind had.
Hand 7:6
En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zou in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk behandelen, vierhonderd jaren.
Hand 7:7
En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in dit land.
Hand 7:8
En Hij gaf hem het verbond van de besnijdenis; en alzo gewon hij Izašk, en besneed hem op de achtste dag; en Izašk gewon Jakob, en Jakob de twaalf aartsvaders.
Hand 7:9
En de aartsvaders, afgunstig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; maar God was met hem,
Hand 7:10
En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, de koning van Egypte; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en zijn gehele huis.
Hand 7:11 En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en Kanašn, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen voedsel meer.
Hand 7:12
Maar toen Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit.
Hand 7:13 En tijdens de tweede reis werd Jozef zijn broeders bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.
Hand 7:14 En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande uit vijf en zeventig zielen.
Hand 7:15 En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.
Hand 7:16
En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som geld van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.
Hand 7:17
Maar toen nu de tijd van de belofte, die God aan Abraham gezworen had, naderde, groeide het volk en vermenigvuldigde in Egypte;
Hand 7:18 Totdat een andere koning opstond, die Jozef niet gekend had.
Hand 7:19 Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, door hen te dwingen hun jonge kinderen weg te werpen, opdat zij niet zouden voortbestaan.
Hand 7:20 In die tijd werd Mozes geboren, en was uitnemend schoon; die drie maanden opgevoed werd in het huis van zijn vader.
Hand 7:21
En toen hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelf op tot een zoon.
Hand 7:22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
Hand 7:23
Toen hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israels, te bezoeken.
Hand 7:24 En ziende ťťn, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte degene, die overlast geschiedde, en versloeg de Egyptenaar.
Hand 7:25 En hij meende, dat zijn broeders zouden begrijpen, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet begrepen.
Hand 7:26 En de volgende dag werd hij van hen gezien, terwijl zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom probeert u elkaar kwaad te doen?
Hand 7:27 En die zijn naaste kwaad deed, verstootte hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
Hand 7:28 Wilt gij mij ook ombrengen, zoals gij gisteren de Egyptenaar omgebracht hebt?
Hand 7:29 En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen gewon.
Hand 7:30
En toen veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van de berg SinaÔ, in een vlammend vuur van de doornstruik.
Hand 7:31 Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en toen hij daarheen ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem,
Hand 7:32 Zeggende: Ik ben de God van uw vaderen, de God van Abraham, en de God van Izašk, en de God van Jakob. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.
Hand 7:33 En de Heere zei tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats waarop gij staat, is heilig land.
Hand 7:34 Ik heb wel degelijk gezien de mishandeling van Mijn volk, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben neergedaald, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.
Hand 7:35 Deze Mozes, die zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? deze, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand van de Engel, Die hem verschenen was in de doornstruik.
Hand 7:36
Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren.
Hand 7:37
Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Die zult gij horen.
Hand 7:38
Deze is het, die in de vergadering van het volk in de woestijn met de Engel was, Die tot hem sprak op de berg SinaÔ, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven.
Hand 7:39
Die onze vaderen niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weer naar Egypte;
Hand 7:40 Zeggende tot Ašron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat deze Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is.
Hand 7:41 En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot de afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.
Hand 7:42
En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het leger des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Hebt gij ook slachtoffers en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels?
Hand 7:43 Ja, gij hebt opgenomen de tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u brengen naar gene zijde van Babylon.
Hand 7:44
De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk verordineerd had Hij, Die tot Mozes zei, dat hij deze maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;
Hand 7:45
Welke ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht van onze vaderen, tot de dagen van David toe;
Hand 7:46 Die voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft een woonplaats te vinden voor de God van Jakob.
Hand 7:47 En Salomo bouwde Hem een huis.
Hand 7:48 Maar de Allerhoogste woont niet in tempels met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
Hand 7:49
De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig een huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere, of hoedanig is de plaats van Mijn rust?
Hand 7:50 Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
Hand 7:51 Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaderen, alzo ook gij.
Hand 7:52
Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die tevoren verkondigd hebben de komst van de Rechtvaardige, van Wie gij nu verraders en moordenaars geworden zijt.
Hand 7:53 Gij, die de wet ontvangen hebt door de verordening van engelen, en hebt ze niet gehouden!
Hand 7:54 Toen zij nu dit hoorden, barstten hun harten, en zij knersten de tanden tegen hem.
Hand 7:55 Maar hij, vol zijnde van de Heilige Geest, en de ogen naar de hemel houdend, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechterhand Gods.
Hand 7:56 En hij zei: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.
Hand 7:57 Maar zij, roepende met grote stem, stopten hun oren, en vielen eendrachtig op hem aan;
Hand 7:58 En wierpen hem de stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus.
Hand 7:59 En zij stenigden Stefanus, die de Heere aanriep en zei: Heere Jezus, ontvang mijn geest.
Hand 7:60
En vallende op de knieŽn, riep hij met luide stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En toen hij dat gezegd had, ontsliep hij.

Hoofdstuk 8
Hand 8:1 En Saulus had mede een welbehagen aan zijn dood. En er werd te dien dage een grote vervolging tegen de gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samaria, behalve de apostelen.
Hand 8:2 En enige godvruchtige mannen droegen Stefanus tezamen ten grave en maakten grote rouw over hem.
Hand 8:3 En Saulus verwoestte de gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis.

Hand 8:4 Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord.
Hand 8:5 En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus.
Hand 8:6 En de scharen hielden zich eendrachtig aan hetgeen door Filippus gezegd werd, omdat zij hoorden en zagen de tekenen, die hij deed.
Hand 8:7 Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen dezen uit, roepende met luide stem; en vele geraakten en kreupelen werden genezen.
Hand 8:8 En er werd grote blijdschap in die stad.
Hand 8:9 En een zeker man, met name Simon, pleegde voordien toverij in de stad, en verrukte daarmee de zinnen van het volk van Samaria, zeggende van zichzelf, dat hij iets groots was.
Hand 8:10 Die zij allen aanhingen, van de kleine tot de grote, zeggende: Deze is de grote kracht Gods.
Hand 8:11 En zij hingen hem aan, omdat hij een lange tijd met toverijen hun zinnen verrukt had.
Hand 8:12 Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en van de Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beiden, mannen en vrouwen.
Hand 8:13 En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de tekenen en grote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich.
Hand 8:14 Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het Woord van God aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes;
Hand 8:15 Die, afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij de Heilige Geest ontvangen mochten;
Hand 8:16 want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Heere Jezus.
Hand 8:17 Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest.
Hand 8:18 En toen Simon zag, dat, door de oplegging van de handen van de apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan,
Hand 8:19 Zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat, zo wie ik de handen opleg, hij de Heilige Geest ontvangt.
Hand 8:20 Maar Petrus zei tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!
Hand 8:21 Gij hebt part noch deel in dit woord: want uw hart is niet recht voor God.
Hand 8:22 Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging van uw hart vergeven wordt.
Hand 8:23 Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping van ongerechtigheid.
Hand 8:24 Doch Simon, antwoordende, zei: Bidt gijlieden voor mij tot de Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt.
Hand 8:25 Zij dan nu, als zij het Woord des Heeren betuigd en gesproken hadden, keerden wederom naar Jeruzalem, en verkondigden het evangelie in vele dorpen van de Samaritanen.

Hand 8:26 En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen naar het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, die eenzaam is.
Hand 8:27 En hij stond op en ging heen; en ziet, een EthiopiŽr, een kamerling, en een machtig heer van Candace, de koningin van de EthiopiŽrs, die over al haar schatten was, en was gekomen om te aanbidden te Jeruzalem,
Hand 8:28 keerde terug, en zat op zijn wagen, en las de profeet Jesaja.
Hand 8:29 En de Geest zei tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij deze wagen.
Hand 8:30 En Filippus liep toe, en hoorde hem de profeet Jesaja lezen, en zei: Verstaat gij ook, wat gij leest?
Hand 8:31 En hij zei: Hoe zou ik toch kunnen, zo niemand mij onderricht? En hij vroeg Filippus, dat hij zou opkomen, en naast hem zitten.
Hand 8:32
En de plaats van de Schrift, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam dat stom is voor degene, die het scheert, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
Hand 8:33 In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen? Want Zijn leven is van de aarde weggenomen.
Hand 8:34 En de kamerling antwoordde Filippus en zei: Ik bid u, van Wie zegt de profeet dit, van zichzelf, of van iemand anders?
Hand 8:35 En Filippus deed zijn mond open en beginnend van diezelfde Schriftplaats, verkondigde hem Jezus.
Hand 8:36 En terwijl zij over de weg voortgingen, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zei: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?
Hand 8:37 En Filippus zei: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zei: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.
Hand 8:38 En hij gebood de wagen stil te houden; en zij daalden beiden af in het water, zo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.
Hand 8:39 En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.
Hand 8:40 Maar Filippus werd gevonden, te Azote; en het land doorgaande, verkondigde hij het evangelie in alle steden, totdat hij te Cesarea kwam.

Hoofdstuk 9
Hand 9:1 En Saulus, nog dreiging en moord blazende tegen de discipelen van de Heer, ging tot de hogepriester,
Hand 9:2 En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen vond, die van die weg waren, hij deze, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.
Hand 9:3 En toen hij onderweg was, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem plotseling een licht van de hemel omscheen;
Hand 9:4 En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem sprak: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?
Hand 9:5 En hij zei: Wie zijt Gij, Heer? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
Hand 9:6 En hij, bevende en verbaasd zijnde, zei: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zei tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.
Hand 9:7 En de mannen, die met hem onderweg waren, stonden verbaasd, ze hoorden wel de stem, maar zagen niemand.
Hand 9:8 En Saulus stond op van de aarde; en toen hij zijn ogen opende, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus.
Hand 9:9 En hij bracht drie dagen door, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.
Hand 9:10 En er was een zeker discipel te Damaskus, met name Ananias; en de Heere zei tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Heere!
Hand 9:11 En de Heere zei tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar iemand, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.
Hand 9:12 En hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij weer ziende werd.
Hand 9:13 En Ananias antwoordde: Heere! ik heb van velen gehoord over deze man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;
Hand 9:14 En hij heeft hier volmacht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen.
Hand 9:15 Maar de Heere zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israels.
Hand 9:16 Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.
Hand 9:17 En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg, die gij kwam, opdat gij weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zou worden.
Hand 9:18 En terstond vielen van zijn ogen af iets als schellen, en hij werd terstond weer ziende; en stond op, en werd gedoopt.
Hand 9:19 En toen hij voedsel genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was enige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren.
Hand 9:20 En hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.
Hand 9:21 En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, hen die deze Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezen gebonden zou brengen tot de overpriesters?
Hand 9:22 Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat Deze de Christus is.
Hand 9:23 En toen vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden tezamen raad, om hem te doden.
Hand 9:24 Maar hun hinderlaag werd Saulus bekend; en zij bewaakten de poorten, dag en nacht, opdat zij hem doden mochten.
Hand 9:25 Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neer langs de muur in een mand.

Hand 9:26 Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was.
Hand 9:27 Maar Barnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en vertelde hun, hoe hij op de weg de Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had; en hoe hij te Damaskus vrijmoedig gesproken had in de Naam van Jezus.
Hand 9:28 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem;
Hand 9:29 En vrijmoedig sprekende in de Naam van de Heere Jezus, sprak hij ook, en handelde tegen de Griekse Joden; maar dezen trachtten hem te doden.
Hand 9:30 Doch de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesarea, en zonden hem af naar Tarsen.

Hand 9:31 De gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting van de Heilige Geest, werden vermenigvuldigd.
Hand 9:32 En het geschiedde, toen Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden.
Hand 9:33 En aldaar vond hij een zeker mens, met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, die verlamd was.
Hand 9:34 En Petrus zei tot hem: Eneas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en maak zelf het bed op. En hij stond terstond op.
Hand 9:35 En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, en bekeerden zich tot de Heere.

Hand 9:36 En te Joppe was een zekere discipelin, met name Tabitha, hetgeen vertaald zijnde, betekent Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed.
Hand 9:37 En het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf; en toen zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal.
Hand 9:38 En alzo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zou vertoeven tot hen over te komen.
Hand 9:39 En Petrus stond op, en ging met hen; en zij, als hij daar gekomen was, leidden hem in de opperzaal. En al de weduwen stonden bij hem, wenende, en tonende de rokken en klederen, die Dorkas gemaakt had, toen zij bij hen was.
Hand 9:40 Maar Petrus, nadat hij hen allen had doen weggaan, knielde neer en bad: en zich kerende tot het lichaam, zei hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij overeind.
Hand 9:41 En hij gaf haar de hand, en richtte haar op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor hen.
Hand 9:42 En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in de Heere.
Hand 9:43 En het geschiedde, dat hij vele dagen te Joppe bleef, bij een zekere Simon, een leerlooier.

Hoofdstuk 10
Hand 10:1 En er was een zeker man te Cesarea, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit het regiment, genaamd het Italiaanse;
Hand 10:2 Godzalig en vrezende God, met geheel zijn huis, die vele aalmoezen gaf aan het volk, en God gedurig bad.
Hand 10:3 Deze zag in een gezicht duidelijk omstreeks het negende ure van de dag, een engel van God tot hem inkomen, en tot hem zeggen: Cornelius!
Hand 10:4 En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zei: Wat is het, heer? En hij zei tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.
Hand 10:5 En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die bijgenaamd wordt Petrus.
Hand 10:6 Deze verblijft bij ene Simon, een leerlooier, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen, wat gij doen moet.
Hand 10:7 En toen de engel, die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisknechten, en een vroom soldaat uit hen, die gedurig bij hem waren;
Hand 10:8 En toen hij hun alles verteld had, zond hij hen naar Joppe.
Hand 10:9 En de volgende dag, terwijl zij op reis waren, en bij de stad kwamen, klom Petrus op het dak, om te bidden, omstreeks het zesde uur.
Hand 10:10 En hij werd hongerig, en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een verrukking van zinnen:
Hand 10:11 Hij zag de hemel geopend, en een zeker vat, iets als een groot linnen laken, tot hem neerdalen, aan de vier hoeken gebonden, en neergelaten op de aarde;
Hand 10:12 Waarin al de viervoetige dieren van de aarde waren, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogels van de hemel.
Hand 10:13 En er geschiedde een stem tot hem: Sta op, Petrus! slacht en eet.
Hand 10:14 Maar Petrus zei: Geenszins, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat bevlekt of onrein was.
Hand 10:15 Maar een stem geschiedde weer voor de tweede keer tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet voor onrein houden.
Hand 10:16 En dit geschiedde tot drie maal toe; en het laken werd weer opgenomen in de hemel.
Hand 10:17 En terwijl Petrus in zichzelf twijfelde, wat toch het gezicht te betekenen had, dat hij gezien had, ziet, de mannen, die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort.
Hand 10:18 En iemand geroepen hebbende, vroegen zij, of Simon, toegenaamd Petrus, daar verbleef.
Hand 10:19 En terwijl Petrus over dat gezicht nadacht, zei de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u;
Hand 10:20 Daarom sta op, en ga af, en reis met hen, niet twijfelend; want ik heb hen gezonden.
Hand 10:21 En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zei: Ziet, ik ben het, die gij zoekt; wat is de reden, waarom gij hier zijt?
Hand 10:22 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en God vrezend, en die goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand door een heilige engel, dat hij u zou ontbieden in zijn huis, om te horen wat u zult zeggen.
Hand 10:23 Als hij hen dan binnen geroepen had, ontving hij ze in huis. Doch de volgende dag ging Petrus met hen mee, en sommigen van de broeders, die uit Joppe waren, gingen met hem.
Hand 10:24 De volgende dag kwamen zij te Cesarea. En Cornelius verwachtte hen, samengeroepen hebbende de leden van zijn familie en naaste vrienden.
Hand 10:25 En toen het geschiedde, dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en aan zijn voeten vallend, aanbad hij.
Hand 10:26 Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens.
Hand 10:27 En met hem sprekend, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren.
Hand 10:28 En hij zei tot hen: Gij weet, hoe het een Joodse man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou bevlekt of onrein heten.
Hand 10:29 Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zo vraag ik dan, om welke reden gij mij hebt ontboden.
Hand 10:30 En Cornelius zei: Vier dagen geleden terwijl ik vastte, bad ik in mijn huis op het negende uur.
Hand 10:31 En ziet, een man stond voor mij, in een blinkend kleed, en zei: Cornelius! uw gebed is verhoord, en uw aalmoezen zijn voor God gedacht geworden.
Hand 10:32 Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die bijgenaamd wordt Petrus; deze verblijft in het huis van Simon, de leerlooier, aan de zee, die, hier gekomen zijnde, tot u spreken zal.
Hand 10:33 Zo heb ik dan direct tot u gezonden, en gij hebt welgedaan, dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u door God bevolen is.
Hand 10:34 En Petrus, de mond openend, zei: Ik verneem in waarheid, dat bij God geen aanzien des persoons is;
Hand 10:35 Maar in elk volk is Hem aangenaam. die Hem vreest en gerechtigheid werkt.
Hand 10:36 Dit is het woord, dat Hij gezonden heeft aan de kinderen Israels, verkondigende vrede door Jezus Christus; deze is een Heere van allen.
Hand 10:37 Gij weet de zaak, die geschied is door geheel Judea, beginnende van Galilea, na de doop, die Johannes gepredikt heeft;
Hand 10:38 Aangaande Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht; Die het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem.
Hand 10:39 En wij zijn getuigen van al hetgeen Hij gedaan heeft, beide in het Joodse land en te Jeruzalem; Die zij gedood hebben, Hem hangende aan het hout.
Hand 10:40 Deze heeft God opgewekt ten derde dage, en gegeven, dat Hij openbaar zou worden;
Hand 10:41 Niet aan al het volk, maar aan de getuigen, die door God tevoren verkoren waren, ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was.
Hand 10:42 En heeft ons geboden het volk te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden.
Hand 10:43 Van Hem geven getuigenis al de profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangen zal door Zijn Naam.
Hand 10:44 Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden.
Hand 10:45 En de gelovigen, die uit de besnijdenis waren, zovelen als met Petrus mee gekomen waren, ontzetten zich, dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd.
Hand 10:46 Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God groot maken. Toen antwoordde Petrus:
Hand 10:47 Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, die de Heilige Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij?
Hand 10:48 En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in de Naam des Heeren. Toen vroegen zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven.

Hoofdstuk 11
Hand 11:1 De apostelen nu, en de broeders, die in Judea waren, hoorden, dat ook de heidenen het Woord van God aangenomen hadden.
Hand 11:2 En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren,
Hand 11:3 Zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen, die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten.
Hand 11:4 Maar Petrus vertelde, wat er gebeurd was, zeggende:
Hand 11:5 Ik was in de stad Joppe, biddende en zag in een verrukking van zinnen een gezicht, namelijk een voorwerp, als een groot linnen laken, neerdalend bij de vier hoeken neergelaten uit de hemel, en het kwam tot bij mij;
Hand 11:6 toen ik de ogen op dat laken hield, zo merkte ik, en zag de viervoetige dieren van de aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogels van de hemel.
Hand 11:7 En ik hoorde een stem, die tot mij zei: Sta op, Petrus, slacht en eet.
Hand 11:8 Maar ik zei: Geenszins, Heere, want nooit is iets, dat bevlekt of onrein was, in mijn mond ingegaan.
Hand 11:9 Maar de stem antwoordde mij voor de tweede maal uit de hemel: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet voor onrein houden.
Hand 11:10 En dit geschiedde tot driemaal; en alles werd weer opgetrokken in de hemel.
Hand 11:11 En ziet, op hetzelfde uur stonden er drie mannen voor het huis, waar ik verbleef, die van Cesarea tot mij afgezonden waren.
Hand 11:12 En de Geest zei tot mij, dat ik met hen gaan zou, niet twijfelend. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn het huis van de man ingegaan,
Hand 11:13 En hij heeft ons verteld, hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond, en tot hem zei: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus;
Hand 11:14 Die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en al uw huis.
Hand 11:15 En toen ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin.
Hand 11:16 En ik werd gedachtig aan het woord des Heeren, hoe Hij zei: Johannes doopte wel met water, maar gij zult gedoopt worden met de Heilige Geest.
Hand 11:17 Indien dan God hun dezelfde gave gegeven heeft, als ook ons, die in de Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God kon weren?
Hand 11:18 Toen zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering gegeven ten leven!
Hand 11:19 Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot FeniciŽ toe, en Cyprus, en AntiochiŽ, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden.
Hand 11:20 En er waren enige Cyprische en Cyreense mannen uit hen, die te AntiochiŽ aangekomen, spraken tot de Grieken en de Heere Jezus verkondigden.
Hand 11:21 En de hand des Heeren was met hen; en een groot aantal geloofde, en bekeerde zich tot de Heere.
Hand 11:22 En dit kwam ter ore van de gemeente, die te Jeruzalem was; en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot AntiochiŽ toe.
Hand 11:23 Die, daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, verblijd werd, en hen allen vermaande, dat zij met ťťn voornemen des harten bij de Heere zouden blijven.
Hand 11:24 Want hij was een goed man, en vol van de Heilige Geest en geloof; en er werd een grote schare de Heere toegevoegd.

Hand 11:25 En Barnabas ging uit naar Tarsen, om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem te AntiochiŽ.
Hand 11:26 En het is geschied, dat zij een geheel jaar samen vergaderden in de gemeente, en een grote schare leerden; en dat de discipelen voor het eerst te AntiochiŽ christenen genaamd werden.
Hand 11:27 En in diezelfde dagen kwamen enige profeten af van Jeruzalem te AntiochiŽ.
Hand 11:28 En ťťn uit hen, met name Agabus, stond op, en gaf te kennen door de Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over de hele wereld; welke ook gekomen is onder de keizer Claudius.
Hand 11:29 En zoveel als een ieder der discipelen in staat was, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste van de broeders, die in Judea woonden.
Hand 11:30 Hetgeen zij ook deden, en zonden het tot de oudsten, door de hand van Barnabas en Saulus.

Hoofdstuk 12
Hand 12:1 En omtrent dezelfde tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de gemeente, om die kwalijk te behandelen.
Hand 12:2 En hij doodde Jakobus, de broer van Johannes, met het zwaard.
Hand 12:3 En toen hij zag, dat dat de Joden aangenaam was, ging hij verder, nam hij ook Petrus gevangen -het waren de dagen van de ongezuurde broden-;
Hand 12:4 Die hij ook greep, in de gevangenis zette, en hem overgaf aan vier wachten, elk van vier soldaten, om hem te bewaren, teneinde hem na het paasfeest voor te brengen voor het volk.
Hand 12:5 Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.
Hand 12:6 Toen Herodes hem nu voor zou brengen, sliep Petrus diezelfde nacht tussen twee soldaten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaakten de gevangenis.
Hand 12:7 En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in het gebouw, en de zijde van Petrus aanrakend, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastig op. En zijn ketenen vielen af van de handen.
Hand 12:8 En de engel zei tot hem: Omgord u, en bind uw sandalen aan. En hij deed alzo. En hij zei tot hem: Doe uw mantel om en volg mij.
Hand 12:9 En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het werkelijk zo was, hetgeen door de engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.
Hand 12:10 En toen zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; die vanzelf hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij een straat voort, en terstond ging de engel van hem weg.
Hand 12:11 En Petrus, tot zichzelf gekomen zijnde, zei: Nu weet ik waarlijk dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes, en uit al de verwachting van het volk der Joden.
Hand 12:12 En toen hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd en biddende waren.
Hand 12:13 Toen Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam een dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhode.
Hand 12:14 En toen zij de stem van Petrus herkende, deed zij van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte, dat Petrus voor de poort stond.
Hand 12:15 En zij zeiden tot haar: Gij spreekt wartaal. Doch zij bleef er standvastig bij, dat het alzo was. En zij zeiden: Het is zijn engel.
Hand 12:16 Maar Petrus bleef kloppen: en toen zij opengedaan hadden, zagen zij hem, en ontzetten zich.
Hand 12:17 Toen hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, vertelde hij hun, hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zei: Boodschapt dit aan Jakobus en de broeders. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats.
Hand 12:18 En toen het dag was geworden, was er geen kleine beroering onder de soldaten, wat toch aan Petrus mocht geschied zijn.
Hand 12:19 En toen Herodes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters gerechtelijk ondervraagd had, gebood hij, dat zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judea naar Cesarea, en verbleef aldaar.

Hand 12:20 En Herodes had het plan de TyriŽrs en SidoniŽrs te beoorlogen; maar zij kwamen eendrachtig tot hem, en Blastus, die de kamerling van de koning was, overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gespijzigd werd van het land van de koning.
Hand 12:21 En op zekere dag, Herodes, een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en zittende op de rechterstoel, hield een rede tot hen.
Hand 12:22 En het volk riep hem toe: Een stem van God, en niet van een mens!
Hand 12:23 En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij God de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf de geest.

Hand 12:24 En het Woord van God groeide, en vermenigvuldigde.
Hand 12:25 Barnabas nu en Saulus keerden terug van Jeruzalem, toen zij de dienst volbracht hadden, en namen ook Johannes mee, die toegenaamd werd Markus.

Hoofdstuk 13
Hand 13:1 En er waren te AntiochiŽ, in de gemeente, die daar was, enige profeten en leraren, namelijk Barnabas, en Simeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes de viervorst opgevoed was, en Saulus.
Hand 13:2 En toen zij de Heere dienden, en vastten, sprak de Heilige Geest: Zondert Mij af beiden Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.
Hand 13:3 Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.
Hand 13:4 Dezen dan, uitgezonden door de Heilige Geest, kwamen af tot SeleuciŽ, en van daar scheepten zij af naar Cyprus.
Hand 13:5 En gekomen zijnde te Salamis, verkondigden zij het woord van God in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar.
Hand 13:6 En toen zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij een zekere tovenaar, een valse profeet, een Jood, wiens naam was Bar-jezus;
Hand 13:7 Die verbleef bij de proconsul Sergius Paulus, een verstandig man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht ijverig het Woord van God te horen.
Hand 13:8 Maar Elymas, de tovenaar -want alzo wordt zijn naam vertaald-, weerstond hen, zoekende de proconsul van het geloof af te keren.
Hand 13:9 Doch Saulus -die ook Paulus genaamd is-, vervuld met de Heilige Geest, en de ogen op hem houdende, zei:
Hand 13:10 O gij kind des duivels, vol van alle bedrog, en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verdraaien de rechte wegen des Heeren?
Hand 13:11 En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij iemand, die hem met de hand mocht leiden.
Hand 13:12 Toen de proconsul zag, hetgeen geschied was, toen geloofde hij, diep onder de indruk van de leer des Heeren.

Hand 13:13 En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in PamfyliŽ. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde terug naar Jeruzalem.
Hand 13:14 En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te AntiochiŽ, een stad in PisidiŽ; en gegaan zijnde in de synagoge op de dag van de sabbat, namen zij plaats.
Hand 13:15 En na het lezen van de wet en de profeten, zonden de oversten van de synagoge tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.
Hand 13:16 En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zei: Gij Israelitische mannen, en gij, die God vreest, hoort toe.
Hand 13:17
De God van dit volk Israel heeft onze vaderen uitverkoren, en het volk verhoogd, toen zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en heeft hen met een hoge arm daaruit geleid.
Hand 13:18
En heeft omtrent de tijd van veertig jaar hun zeden verdragen in de woestijn.
Hand 13:19
En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanašn, heeft Hij hun door het lot het land daarvan uitgedeeld.
Hand 13:20
En daarna omtrent vierhonderd en vijftig jaar, gaf Hij hun richteren, tot op Samuel, de profeet.
Hand 13:21
En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, veertig jaren.
Hand 13:22
En deze afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; van wie Hij ook getuigenis gaf, en sprak: Ik heb gevonden David, de zoon van IsaÔ; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.
Hand 13:23
Uit zijn zaad heeft God aan Israel, naar de belofte, verwekt de Zaligmaker Jezus;
Hand 13:24
Als Johannes eerst al het volk van Israel voor Zijn aankomst, gepredikt had de doop van bekering.
Hand 13:25 Maar toen Johannes zijn bediening vervulde, zei hij: Wie meent gij, dat ik ben? Ik ben de Christus niet; maar ziet, Hij komt na mij, Wie ik niet waardig ben de schoenen van Zijn voeten te ontbinden.
Hand 13:26 Mannen broeders, kinderen van het geslacht van Abraham, en die onder u God vrezen, tot u is het woord van deze zaligheid gezonden.
Hand 13:27 Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, deze Christus niet kennende, hebben ook de woorden der profeten, die op elke sabbatdag gelezen worden, vervuld, door Hem te veroordelen;
Hand 13:28 En geen reden voor de doodstraf vindend, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij zou gedood worden.
Hand 13:29
En toen zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout, en legden Hem in het graf.
Hand 13:30
Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;
Hand 13:31
Die gezien is geweest, vele dagen lang, door degenen, die met Hem van Galilea tot Jeruzalem gekomen waren, die Zijn getuigen zijn bij het volk.
Hand 13:32 En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God deze belofte vervuld heeft aan ons, hun kinderen, toen Hij Jezus verwekt heeft.

Hand 13:33
Gelijk ook in de tweede psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Hand 13:34
En dat Hij Hem uit de doden alzo heeft opgewekt, dat Hij niet meer tot verderving zal wederkeren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal u de gewisse weldadigheden van David geven;
Hand 13:35
Waarom hij ook in een andere psalm zegt: Gij zult Uw Heilige niet over geven, om verderving te zien.
Hand 13:36
Want David, toen hij in zijn tijd de wil van God gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd; en heeft wel verderving gezien;
Hand 13:37
Maar Hij, Die door God werd opgewekt, heeft geen verderving gezien.
Hand 13:38
Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Deze u vergeving van zonden verkondigd wordt;
Hand 13:39 En dat van alles, waarvan gij niet kon gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Deze een ieder, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.
Hand 13:40 Ziet dan toe, dat over u niet komt, hetgeen gezegd is in de profeten:
Hand 13:41
Ziet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat gij niet zult geloven, zo het u iemand vertelt.

Hand 13:42 En toen de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, vroegen de heidenen, dat tegen de volgende sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.
Hand 13:43 Nadat de synagoge was uitgegaan, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Barnabas; die tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods.
Hand 13:44 En op de volgende sabbat kwam bijna de hele stad samen, om het Woord van God te horen.
Hand 13:45 Doch de Joden, de scharen ziende, werden met nijd vervuld, en weerspraken, hetgeen van Paulus gezegd werd, tegensprekend en lasterend.
Hand 13:46 Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; doch daar gij het verstoot, en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.
Hand 13:47
Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zou zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.
Hand 13:48 Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er bestemd waren tot het eeuwige leven.
Hand 13:49 En het Woord des Heeren werd door het hele land uitgebreid.
Hand 13:50 Maar de Joden stookten de godsdienstige en achtbare vrouwen op, en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen ze buiten hun grenzen.
Hand 13:51 Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen hen, en kwamen te Ikonium.
Hand 13:52 En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest.

Hoofdstuk 14
Hand 14:1 En het geschiedde te Ikonium, dat zij tezamen in de synagoge der Joden gingen, en alzo spraken, dat een grote menigte, beiden van Joden en Grieken, geloofde.
Hand 14:2 Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, verwekten en verbitterden de zielen van de heidenen tegen de broeders.
Hand 14:3 Toch verkeerden zij aldaar een lange tijd, vrijmoedig sprekende in de Heere, Die getuigenis gaf aan het Woord van Zijn genade, en gaf, dat tekenen en wonderen geschiedden door hun handen.
Hand 14:4 En de menigte van de stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de apostelen.
Hand 14:5 En toen er een oploop geschiedde, beiden van heidenen en van Joden, met hun oversten, om hun smaadheid aan te doen, en hen te stenigen,
Hand 14:6 Zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van LykaoniŽ; namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land;
Hand 14:7 En verkondigden aldaar het evangelie.
Hand 14:8 En een zeker man, te Lystre, zat onmachtig aan de voeten, kreupel van zijn geboorte af, die nooit had gewandeld.
Hand 14:9 Deze hoorde Paulus spreken; die de ogen op hem houdende, en ziende, dat hij geloof had om gezond te worden,
Hand 14:10 Met luide stem zei: Sta recht op uw voeten! En hij sprong op en wandelde.
Hand 14:11 En de scharen, ziende, wat Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen, en zeiden in het Lycaonisch: De goden zijn de mensen gelijk geworden, en tot ons neergekomen.
Hand 14:12 En zij noemden Barnabas Jupiter, en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde.
Hand 14:13 En de priester van Jupiter, die voor hun stad was, toen hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebracht had, wilde offeren met de scharen.
Hand 14:14 Maar de apostelen, Barnabas en Paulus, dat horende, scheurden hun klederen, en sprongen onder de schare, roepende,
Hand 14:15 En zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen u, dat u zich van deze ijdele dingen zult bekeren tot de levende God, Die gemaakt heeft de hemel, en de aarde, en de zee, en al wat daarin is;
Hand 14:16 Die in de voorbije tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen;
Hand 14:17 Hoewel Hij nochtans Zichzelf niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van de hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevend, onze harten vervullend met spijs en vrolijkheid.
Hand 14:18 En dit zeggende, weerhielden zij de scharen nauwelijks, hun te offeren.
Hand 14:19 Maar daar kwamen Joden van AntiochiŽ en Ikonium, en overreedden de scharen, en stenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende, dat hij dood was.
Hand 14:20 Doch toen de discipelen hem omringden, stond hij op, en kwam in de stad; en de volgende dag ging hij met Barnabas uit naar Derbe.
Hand 14:21 En toen zij aan die stad het evangelie verkondigd hadden en vele discipelen gemaakt, keerden zij weer naar Lystre, en Ikonium, en AntiochiŽ;
Hand 14:22 Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God.
Hand 14:23 En toen zij in elke gemeente, met opsteken der handen, oudsten verkozen hadden, gebeden hebbende met vasten, droegen zij hen op aan de Heere, in Wie zij geloofd hadden.
Hand 14:24 En PisidiŽ doorgereisd hebbende, kwamen zij in PamfyliŽ.
Hand 14:25 En als zij te Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar AttaliŽ.
Hand 14:26 En van daar scheepten zij af naar AntiochiŽ, vanwaar zij de genade Gods waren aanbevolen geweest tot het werk, dat zij volbracht hadden.
Hand 14:27 En daar aangekomen, en de gemeente vergaderd hebbende, vertelden zij, wat voor grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij de heidenen de deur van het geloof geopend had.
Hand 14:28 En zij verkeerden aldaar geen kleine tijd met de discipelen.

Hoofdstuk 15
Hand 15:1
En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broeders zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.
Hand 15:2 Toen dan Paulus en Barnabas geen kleine discussie en twist met hen kregen, zo werd er bepaald, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan naar Jeruzalem tot de apostelen en oudsten, over deze vraag.
Hand 15:3 Zij dan, van de gemeente uitgeleid zijnde, reisden door FeniciŽ en Samaria, terwijl zij van de bekering der heidenen vertelden; en deden al de broeders grote blijdschap aan.
Hand 15:4 En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen door de gemeente, en de apostelen, en de oudsten; en zij verkondigden, wat grote dingen God met hen gedaan had.
Hand 15:5 Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van de sekte der FarizeeŽn, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden.
Hand 15:6 En de apostelen en de oudsten vergaderden tezamen, om over deze zaak te beraadslagen.
Hand 15:7 En toen daarover veel discussie ontstond, stond Petrus op en zei tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God sedert lange tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord van het evangelie zouden horen, en geloven.
Hand 15:8 En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, door hun de Heilige Geest te geven, zoals ook ons;
Hand 15:9 En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof.
Hand 15:10 Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op de hals der discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
Hand 15:11 Maar wij geloven, door de genade van de Heere Jezus Christus, zalig te worden, op dezelfde wijze als ook zij.
Hand 15:12 En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus vertellen, welke grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.
Hand 15:13 En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.
Hand 15:14 Simeon heeft verteld hoe God is begonnen uit de heidenen een volk aan te nemen door Zijn Naam.
Hand 15:15 En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, zoals geschreven is:
Hand 15:16
Na deze zal Ik weerkeren, en weer opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weer opbouwen, en Ik zal deze weer oprichten.
Hand 15:17 Opdat de overblijvende mensen de Heere zoeken, en al de heidenen, over wie Mijn Naam is aangeroepen, spreekt de Heere, Die dit alles doet.
Hand 15:18 Aan God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.
Hand 15:19 Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeren, niet belaste;
Hand 15:20 Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de verontreiniging der afgoden, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed.
Hand 15:21 Want Mozes wordt van oude tijden af in elke stad, die hem prediken, op elke sabbat in de synagogen gelezen.
Hand 15:22 Toen heeft het de apostelen en de oudsten, met de hele gemeente, goed gedacht, enige mannen uit hun midden te verkiezen, en met Paulus en Barnabas naar AntiochiŽ te zenden: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Barsabas, en Silas, mannen, die voorgangers waren onder de broeders.
Hand 15:23 En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de oudsten, en de broeders wensen de broeders uit de heidenen, die in AntiochiŽ, en SyriŽ, en CiliciŽ zijn, zaligheid.
Hand 15:24 Daar wij gehoord hebben, dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden verontrust hebben en uw zielen wankelmoedig gemaakt, zeggende, dat gij moet besneden worden, en de wet onderhouden; aan wie wij dat niet bevolen hadden;
Hand 15:25 Zo heeft het ons eendrachtig tezamen zijnde, goed gedacht, enige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus.
Hand 15:26 Mensen, die hun zielen overgegeven hebben voor de Naam van onze Heere Jezus Christus.
Hand 15:27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met de mond hetzelfde zullen verkondigen.
Hand 15:28 Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u geen grotere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:
Hand 15:29 Namelijk, dat gij u onthoudt van hetgeen de afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelf daarvan wacht, zo zult gij weldoen. Vaart wel.
Hand 15:30 Dezen dan, uitgeleid zijnde, kwamen te AntiochiŽ; en de menigte vergaderd hebbende, overhandigden zij de brief.
Hand 15:31 En zij, die gelezen hebbende, verblijdden zich over de vertroosting.
Hand 15:32 Judas nu en Silas, die ook zelf profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten hen.
Hand 15:33 En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten de broeders hen weer met vrede gaan, tot de apostelen.
Hand 15:34 Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven.

Hand 15:35 En Paulus en Barnabas onthielden zich te AntiochiŽ, lerende en verkondigende met nog vele anderen, het Woord des Heeren.
Hand 15:36 En na enige dagen zei Paulus tot Barnabas: Laat ons nu weerkeren, en onze broeders bezoeken in elke stad, waarin wij het Woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het maken.
Hand 15:37 En Barnabas opperde, dat zij Johannes, die toegenaamd wordt Markus, zouden meenemen.
Hand 15:38 Maar Paulus achtte het niet goed, dat men die zou meenemen, die van PamfyliŽ af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk.
Hand 15:39 Er ontstond dan een ernstig verschil van mening, alzo dat zij van elkaar gescheiden werden, en dat Barnabas Markus meenam, en naar Cyprus afscheepte;
Hand 15:40 Maar Paulus verkoos Silas, en reisde heen, aan de genade Gods door de broeders bevolen zijnde.
Hand 15:41 En hij doorreisde SyriŽ en CiliciŽ, versterkende de gemeenten.

Hoofdstuk 16
Hand 16:1 En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, aldaar was een zeker discipel, met name TimotheŁs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader;
Hand 16:2 Die goede getuigenis gegeven werd van de broeders te Lystre en Ikonium.
Hand 16:3 Deze wilde Paulus, dat hij met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, omwille van de Joden, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was.
Hand 16:4 En alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen over, die van de apostelen en de oudsten te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden.
Hand 16:5 De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal.
Hand 16:6 En toen zij FrygiŽ, en het land van GalatiŽ doorgereisd hadden, werden zij door de Heilige Geest verhinderd het Woord in AziŽ te spreken.
Hand 16:7 En aan MysiŽ gekomen zijnde, poogden zij naar BithyniŽ te reizen; en de Geest liet het hun niet toe.
Hand 16:8 En zij, MysiŽ voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Troas.
Hand 16:9 En door Paulus werd in de nacht een gezicht gezien: er was een Macedonische man staande, die hem vroeg en zei: Kom over in MacedoniŽ, en help ons.
Hand 16:10 Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar MacedoniŽ te reizen, omdat wij besloten, dat ons de Heere geroepen had, om daar het Evangelie te verkondigen.
Hand 16:11 Van Troas dan afgevaren zijnde, gingen wij recht naar Samothrace, en de volgende dag naar Neapolis.
Hand 16:12 En van daar naar Filippi, dat de eerste stad is van dit deel van MacedoniŽ, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen.
Hand 16:13 En op de dag van de sabbat gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die samengekomen waren.
Hand 16:14 En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; en de Heere heeft haar hart geopend, dat zij acht nam op hetgeen door Paulus gesproken werd.
Hand 16:15 En toen zij gedoopt was, en haar huis, bad zij ons, zeggende: Indien gij van mening zijt, dat ik de Heere getrouw ben, zo komt in mijn huis, en blijft er. En zij hield sterk bij ons aan.
Hand 16:16 En het geschiedde, als wij tot de dienst van het gebed heengingen, dat een zekere dienstmaagd, hebbende een waarzeggende geest, ons ontmoette, die haar meesters grote winst toebracht met waarzeggen.
Hand 16:17 Deze volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienstknechten van God de Allerhoogste, die ons de weg der zaligheid verkondigen.
Hand 16:18 En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus, daarover ontevreden zijnde, keerde zich om, en zei tot de geest: Ik gebied u in de Naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit op datzelfde uur.
Hand 16:19 Als nu haar meesters zagen, dat de hoop van hun winst weg was, grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de oversten.
Hand 16:20 En toen zij hen tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen verstoren onze stad, daar zij Joden zijn.
Hand 16:21 En zij verkondigen zeden, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, omdat wij Romeinen zijn.
Hand 16:22 En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen, hun de klederen afgescheurd hebbende, bevalen hen te geselen.
Hand 16:23 En toen zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis, en geboden de stokbewaarder, dat hij hen streng bewaken zou.
Hand 16:24 Deze, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in de binnenste kerker, en sloot hun voeten in de stok.
Hand 16:25 En omstreeks middernacht baden Paulus en Silas, en zongen lofzangen tot God en de gevangenen hoorden naar hen.
Hand 16:26 En er geschiedde plotseling een grote aardbeving, alzo dat de fundamenten van de kerker bewogen werden; en terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden losgemaakt.
Hand 16:27 En de stokbewaarder, wakker geworden zijnde, en ziende de deuren van de gevangenis geopend, trok een zwaard, en zou zichzelf omgebracht hebben, in de mening dat de gevangenen ontvlucht waren.
Hand 16:28 Maar Paulus riep met luide stem, zeggende: Doe uzelf geen kwaad; want wij zijn allen hier.
Hand 16:29 En toen hij om licht geboden had, sprong hij naar binnen, begon zeer te beven, en viel voor Paulus en Silas neer aan de voeten;
Hand 16:30 En toen hij hen buiten gebracht had, zei hij: Mijne heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig wordt?
Hand 16:31 En zij zeiden: Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
Hand 16:32 En zij spraken tot hem het woord des Heeren, en tot allen, die in zijn huis waren.
Hand 16:33 En hij nam hen tot zich in datzelfde uur van de nacht, en waste hun striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen.
Hand 16:34 En hij bracht hen in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.
Hand 16:35 En toen het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaren, zeggende: Laat die mensen los.
Hand 16:36 En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden, dat gij zou vrijgelaten worden; gaat dan nu uit, en reist heen in vrede.
Hand 16:37 Maar Paulus zei tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn, zonder veroordeling in het openbaar gegeseld, en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu heimelijk daaruit? Niet alzo; maar dat zij zelf komen, en ons uitleiden.
Hand 16:38 En de stadsdienaren boodschapten deze woorden weer aan de hoofdmannen; en dezen werden bevreesd, horende, dat zij Romeinen waren.
Hand 16:39 En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden.
Hand 16:40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis gingen zij naar Lydia; en de broeders ontmoet hebbende, vertroostten zij dezen, en gingen uit de stad.

Hoofdstuk 17
Hand 17:1 En door Amfipolis en Apollonia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, alwaar een synagoge der Joden was.
Hand 17:2 En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang sprak hij met hen vanuit de Schriften,
Hand 17:3 Deze openende, en voor ogen stellende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Christus, Die ik, zei hij, u verkondig.
Hand 17:4 En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige.
Hand 17:5 Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, nijdig hierover, namen tot zich enige kwade leeglopers, en maakten, dat het volk te hoop liep, en brachten de stad in beroering; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.
Hand 17:6 En toen zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten van de stad, roepende: Dezen, die de wereld in rep en roer hebben gebracht, zijn ook hier gekomen;
Hand 17:7 Die Jason in zijn huis genomen heeft; en alle dezen handelen tegen de geboden van de keizer, zeggende, dat er een andere Koning is, namelijk ene Jezus.
Hand 17:8 En zij beroerden de schare, en de oversten van de stad, die dit hoorden.
Hand 17:9 Doch als zij van Jason en de anderen borgtocht ontvangen hadden, lieten zij hen gaan.
Hand 17:10 En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Berea; die, daar gekomen zijnde, naar de synagoge der Joden gingen;
Hand 17:11 En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle bereidheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.
Hand 17:12 Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse achtbare vrouwen en van de mannen niet weinige.
Hand 17:13 Maar toen de Joden van Thessalonica begrepen, dat het Woord van God ook te Berea door Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en brachten de scharen in beweging.
Hand 17:14 Doch de broeders zonden toen Paulus direct weg, dat hij als naar de zee ging; maar Silas en TimotheŁs bleven aldaar.
Hand 17:15 En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe; en nadat zij opdracht gekregen hadden voor Silas en TimotheŁs, dat zij zo spoedig mogelijk tot hem zouden komen, vertrokken zij.
Hand 17:16 En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende, dat de stad zo zeer afgodisch was.
Hand 17:17 Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen, die hem ontmoetten.
Hand 17:18 En sommigen van de EpikureÔsche en StoÔsche wijsgeren discussiŽerden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze prater zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde.
Hand 17:19 En zij namen hem, en brachten hem op de plaats, genaamd Areopagus, zeggende: Mogen wij weten, wat deze nieuwe leer inhoudt, waarvan gij spreekt?
Hand 17:20 Want gij brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen dan weten, wat dit toch betekent.
Hand 17:21 Allen nu, die van Athene en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen.
Hand 17:22 En Paulus, staande in het midden van de Areopagus, zei: Gij mannen van Athene! ik bemerk, dat gij in elk opzicht zeer godsdienstig zijt.
Hand 17:23 Want de stad doorgaande, en uw heiligdommen ziende, heb ik ook een altaar gevonden, waarop een opschrift stond: De onbekende God. Deze dan, Die gij niet kennende dient, verkondig ik u.
Hand 17:24 De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heer van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt;
Hand 17:25 En wordt ook door mensenhanden niet gediend, als iets nodig hebbend, alzo Hij Zelf allen het leven, en de adem, en alle dingen geeft;
Hand 17:26 En heeft uit ťťn bloed het ganse geslacht van de mensen gemaakt, om op de gehele aardbodem te wonen, besloten hebbende de, tevoren verordineerde tijden en grenzen van hun bewoning;
Hand 17:27 Opdat zij de Heere zouden zoeken, of zij Hem ervaren en vinden mochten; hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons.
Hand 17:28 Want in Hem leven wij, en bewegen wij, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw dichters gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.
Hand 17:29 Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk is, dat door kunst en bedenksel van mensen gesneden is.
Hand 17:30 God dan, de tijden der onwetendheid voorbij gezien hebbende, verkondigt nu alle mensen alom, dat zij zich bekeren.
Hand 17:31 Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, waarop Hij de aarde rechtvaardig zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe verordineerd heeft, verzekering daarvan gevend aan allen, daar Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
Hand 17:32 Als zij nu van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmee; en sommigen zeiden: Wij zullen u hierover nog eens horen.
Hand 17:33 En alzo is Paulus uit het midden van hen weggegaan.
Hand 17:34 Doch sommige mannen voegden zich bij hem, en geloofden; onder wie ook Dionysius was, de Areopagiet, en een vrouw, met name Damaris, en anderen met hen.

Hoofdstuk 18
Hand 18:1 En hierna nam Paulus afscheid van Athene en kwam te Korinthe;
Hand 18:2 En vond een zekere Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontius, die onlangs van ItaliŽ gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, -omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden-, en hij ging tot hen;
Hand 18:3 En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en werkte; want zij waren tentenmakers van beroep.
Hand 18:4 En hij handelde op elke sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken.
Hand 18:5 En toen Silas en TimotheŁs van MacedoniŽ afgekomen waren, werd Paulus door de Geest gedrongen, de Joden te betuigen, dat Jezus is de Christus.
Hand 18:6 Maar toen zij tegenstonden en lasterden, schudde hij zijn klederen af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.
Hand 18:7 En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man, met name Justus, die God diende, wiens huis grensde aan de synagoge.
Hand 18:8 En Crispus, de overste van de synagoge, geloofde aan de Heere met geheel zijn huis; en velen van de CorinthiŽrs, hem horende, geloofden, en werden gedoopt.
Hand 18:9 En de Heere zei tot Paulus door een gezicht in de nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet.
Hand 18:10 Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volk in deze stad.
Hand 18:11 En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord van God.
Hand 18:12 Maar toen Gallio stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eendrachtig tegen Paulus op, en brachten hem voor de rechterstoel.
Hand 18:13 Zeggende: Deze raadt de mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet.
Hand 18:14 En toen Paulus zijn mond zou opendoen, zei Gallio tot de Joden: Zo er enig ongelijk, of kwaad stuk begaan was, o Joden, zo zou ik u terecht verdragen;
Hand 18:15 Maar indien er geschil is over een woord, en namen, en over de wet, die onder u is, zo zult gij zelf toezien; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn.
Hand 18:16 En hij dreef hen weg van de rechterstoel.
Hand 18:17 Maar al de Grieken namen Sosthenes, de overste van de synagoge, en sloegen hem voor de rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan.
Hand 18:18 En toen Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broeders, en scheepte zich van daar in naar SyriŽ; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te KenchreŽn geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan.
Hand 18:19 En hij kwam te Efeze aan, en liet hen aldaar; maar hij ging in de synagoge, en handelde met de Joden.
Hand 18:20 En toen zij vroegen, dat hij langer bij hen blijven zou, bewilligde hij het niet.
Hand 18:21 Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet beslist het komende feest te Jeruzalem bijwonen; doch ik zal tot u weerkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze.

Hand 18:22 En toen hij te Cesarea was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar AntiochiŽ.
Hand 18:23 Nadat hij aldaar enige tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van GalatiŽ en FrygiŽ, versterkende al de discipelen.
Hand 18:24 En een zeker Jood, met name Apollos, van geboorte een AlexandriŽr, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften.
Hand 18:25 Deze was in de weg des Heeren onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstig de zaken des Heeren, alleen bekend met de doop van Johannes.
Hand 18:26 En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En toen hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem de weg Gods uitvoeriger uit.
Hand 18:27 En toen hij naar Achaje wilde reizen, de broeders, hem vermaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; die, daar gekomen zijnde, heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden door de genade.
Hand 18:28 Want hij overtuigde de Joden met grote ernst in het openbaar, bewijzende door de Schriften, dat Jezus de Christus was.

Hoofdstuk 19
Hand 19:1 En het geschiedde, terwijl Apollos te Korinthe was, dat Paulus, de bovenste delen van het land doorgereisd hebbende, te Efeze kwam; en enige discipelen daar aantreffend,
Hand 19:2 zei hij tot hen: Hebt gij de Heilige Geest ontvangen, toen gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, dat er een Heilige Geest is.
Hand 19:3 En hij zei tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden: In de doop van Johannes.
Hand 19:4 Maar Paulus zei: Johannes heeft inderdaad gedoopt met de doop van bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Degene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.
Hand 19:5 En die hem, Paulus, hoorden, werden gedoopt in de Naam van de Heere Jezus.
Hand 19:6 En toen Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.
Hand 19:7 En deze allen waren omtrent twaalf mannen.
Hand 19:8 En hij ging in de synagoge, en sprak vrijmoedig, drie maanden lang met hen handelende, teneinde hen te overtuigen van de zaken van het Koninkrijk van God.
Hand 19:9 Maar toen sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van de weg des Heeren voor de menigte, ging hij van hen weg, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van een zekere Tyrannus.
Hand 19:10 En dit geschiedde twee jaren lang, alzo dat allen, die in AziŽ woonden, het Woord van de Heere Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken.
Hand 19:11 En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus;
Hand 19:12 Alzo dat ook de zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam op de zieken gedragen werden, en dat de ziekten van hen weken, en de boze geesten van hen uitvoeren.
Hand 19:13 En sommigen van de rondtrekkende Joden, zijnde duivelbezweerders, waren zo vrijpostig de Naam van de Heere Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, Die Paulus predikt!
Hand 19:14 Dezen nu waren zeven zonen van een zekere Sceva, een Joodse overpriester, die dit deden.
Hand 19:15 Maar de boze geest, antwoordende, zei: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij?
Hand 19:16 En de mens, in wie de boze geest was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kreeg de overhand tegen hen, alzo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvluchtten.
Hand 19:17 En dit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken, die te Efeze woonden; en er viel een vreze over hen allen, en de Naam van de Heere Jezus werd groot gemaakt.
Hand 19:18 En velen van hen, die geloofden, kwamen, belijdenis doende en hun daden bekennend.
Hand 19:19 Velen ook van hen, die magische kunsten bedreven hadden, brachten de boeken bijeen, en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid; en berekenden de waarde daarvan op vijftig duizend zilverstukken.
Hand 19:20 Alzo groeide het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand.

Hand 19:21 Nadat deze dingen gebeurd waren, nam Paulus voor in de Geest om, na MacedoniŽ en Achaje te zijn doorgereisd, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien.
Hand 19:22 En toen hij naar MacedoniŽ gezonden had twee van hen, die hem dienden, namelijk TimotheŁs en Erastus, bleef hij zelf nog een tijd lang in AziŽ.
Hand 19:23 Maar in diezelfde tijd ontstond er geen klein oproer, vanwege de weg des Heeren.
Hand 19:24 Want een man, met name Demetrius, een zilversmid, die kleine zilveren tempels van Diana maakte, bracht de mensen van die kunstnijverheid geen klein gewin aan;
Hand 19:25 Die hij samenvergaderd hebbende, met de handwerkers van dergelijke dingen, zei: Mannen, gij weet, dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben;
Hand 19:26 En gij ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk, niet alleen van Efeze, maar ook bijna van geheel AziŽ, overreed en afgekeerd heeft, zeggende, dat het geen goden zijn, die met handen gemaakt worden.
Hand 19:27 En wij zijn niet alleen in gevaar, dat ons handwerk in gevaar komt ten onder te gaan, maar dat ook de tempel van de grote godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook haar majesteit zal ten ondergaan, aan wie gans AziŽ en de gehele wereld godsdienst bewijst.
Hand 19:28 Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toorn, en riepen, zeggende: Groot is de Diana der EfeziŽrs!
Hand 19:29 En de gehele stad werd vol verwarring; en zij renden als ťťn man naar het theater, met zich trekkend Gajus en Aristarchus, MacedoniŽrs, metgezellen van Paulus op de reis.
Hand 19:30 En toen Paulus naar het volk wilde gaan, lieten het hem de discipelen niet toe.
Hand 19:31 En ook sommigen der oversten van AziŽ, die met hem bevriend waren, zonden tot hem, en vroegen, dat hij niet naar het theater zou gaan.
Hand 19:32 Zij riepen dan de ene dit, de andere wat anders; want de vergadering was verward en het merendeel wist niet, om welke reden zij samengekomen waren.
Hand 19:33 En zij deden Alexander uit de schare voortkomen, omdat de Joden hem voortduwden. En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen.
Hand 19:34 Maar toen zij begrepen, dat hij een Jood was, werd er ťťn stem van allen, roepende ongeveer twee uur lang: Groot is de Diana der EfeziŽrs!
Hand 19:35 En toen de stadsschrijver de schare gestild had, zei hij: Gij mannen van Efeze! welk mens is er toch, die niet weet, dat de stad der EfeziŽrs de tempelbewaarster is van de grote godin Diana, en van het beeld, dat uit de hemel gevallen is?
Hand 19:36 Omdat dan deze dingen onweerlegbaar zijn, is het nodig dat gij stil zijt, en niets onbedachts doet.
Hand 19:37 Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die noch tempelrovers zijn, noch uw godin lasteren.
Hand 19:38 Indien dan nu Demetrius, en die met hem van deze kunstnijverheid zijn, tegen iemand enige zaak hebben: de rechtsdagen worden gehouden, en er zijn proconsuls; laat hen elkaar aanklagen.
Hand 19:39 En indien gij iets aangaande andere dingen verzoekt, dat zal in een wettige vergadering beslecht worden.
Hand 19:40 Want wij lopen gevaar, dat wij voor oproer zullen aangeklaagd worden om de dag van heden, daar er geen reden is, waardoor wij deze oploop kunnen verantwoorden.
Hand 19:41 En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan.

Hoofdstuk 20
Hand 20:1 Nadat nu het oproer gestild was, Paulus, de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar MacedoniŽ te reizen.
Hand 20:2 En toen hij die delen doorgereisd, en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland.
Hand 20:3 Nadat hij aldaar drie maanden doorgebracht had, en hem door de Joden hinderlagen gelegd werden, toen hij naar SyriŽ zou varen, nam hij zich voor om door MacedoniŽ terug te keren.
Hand 20:4 En hem begeleidden tot in AziŽ Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en TimotheŁs en van die van AziŽ Tychikus en Trofimus.
Hand 20:5 Dezen, vooruit gegaan zijnde, wachtten ons op te Troas.
Hand 20:6 Wij nu scheepten af van Filippi na de dagen der ongezuurde broden, en kwamen in vijf dagen bij hen te Troas, alwaar wij ons zeven dagen ophielden.
Hand 20:7 En op de eerste dag van de week, toen de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, sprak Paulus met hen, met de bedoeling de volgende dag verder te reizen; en hij strekte zijn rede uit tot middernacht.
Hand 20:8 En er waren vele lichten in de opperzaal waar zij vergaderd waren.
Hand 20:9 En een jongeling, met name Eutychus, zat in het venster en met een diepe slaap overvallen zijnde, daar Paulus lang tot hen sprak, viel hij vanwege de slaap van de derde verdieping naar beneden, en werd dood opgenomen.
Hand 20:10 Doch Paulus, naar beneden gegaan, boog zich over hem, en hem omvangende, zei hij: Weest niet beroerd; want zijn ziel is in hem.
Hand 20:11 En toen hij weer naar boven gegaan was, en brood gebroken en wat gegeten had, en lang, tot de dageraad toe, met hen gesproken had, vertrok hij alzo.
Hand 20:12 En zij brachten de knecht levend, en waren bovenmate vertroost.

Hand 20:13 Maar wij, vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het alzo bevolen, en hij zelf zou te voet gaan.
Hand 20:14 En toen hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te Mitylene.
Hand 20:15 En van daar afgevaren zijnde, kwamen wij de volgende dag tegenover Chios, en de volgende dag legden wij aan te Samos, en bleven te Trogyllion, en de dag daarna kwamen wij te Milete.
Hand 20:16 Want Paulus had zich voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij geen tijd in AziŽ zou verliezen; want hij spoedde zich om, zo het hem mogelijk was, op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn.
Hand 20:17 Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de oudsten van de gemeente.
Hand 20:18 En toen zij tot hem gekomen waren, zei hij tot hen: Gij weet, van de eerste dag af, dat ik in AziŽ ben aangekomen, hoe ik bij u de hele tijd geweest ben;
Hand 20:19 Dienende de Heere met alle ootmoed, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de hinderlagen van de Joden;
Hand 20:20 Hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, maar u verkondigd en geleerd heb, in het openbaar en bij de huizen;
Hand 20:21 Betuigende, beiden Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus.
Hand 20:22 En nu ziet, ik, gebonden door de Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal;
Hand 20:23 Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn.
Hand 20:24 Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, die ik, van de Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie van de genade Gods.
Hand 20:25 En nu ziet, ik weet, dat gij allen, temidden van wie ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk van God, mijn aangezicht niet meer zien zult.
Hand 20:26 Daarom betuig ik u op deze huidige dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen.
Hand 20:27 Want ik heb niets achtergehouden, in mijn prediking aan u betreffende al de raad Gods.
Hand 20:28 Zo hebt dan acht op uzelf, en op de gehele kudde, over wie u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, die Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
Hand 20:29 Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen.
Hand 20:30 En uit uzelf zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.
Hand 20:31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een ieder met tranen te vermanen.
Hand 20:32 En nu, broeders, ik beveel u aan bij God, en het woord van Zijn genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Hand 20:33 Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd.
Hand 20:34 En gijzelf weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en van hen, die met mij waren, gediend hebben.
Hand 20:35 Ik heb u in alles getoond, dat men, alzo werkend, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden van de Heere Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen.
Hand 20:36 En toen hij dit gezegd had, heeft hij neerknielend met hen allen gebeden.
Hand 20:37 En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om de hals van Paulus, kusten hem;
Hand 20:38 Zeer bedroefd zijnde, het meest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden; en zij geleidden hem naar het schip.

Hoofdstuk 21
Hand 21:1 En nadat wij van hen afscheid hadden genomen en afgevaren waren, zo voeren wij rechtuit naar Kos, en kwamen de dag daarna te Rhodos, en van daar te Patara.
Hand 21:2 En een schip gevonden hebbende, dat naar FeniciŽ overvoer, gingen wij er in en voeren af.
Hand 21:3 En toen wij Cyprus in zicht gekregen, en dat aan de linkerhand gelaten hadden, voeren wij naar SyriŽ, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zou aldaar de lading lossen.
Hand 21:4 En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; die tot Paulus zeiden door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.
Hand 21:5 Toen nu deze zeven dagen voorbij waren, gingen wij uit, en reisden verder; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad; en aan de oever neerknielend, hebben wij gebeden.
Hand 21:6 En nadat wij elkaar gegroet hadden, gingen wij in het schip; maar zij keerden terug, elk naar het zijne.
Hand 21:7 Wij nu, de scheepvaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te PtolemaÔs, en de broeders gegroet hebbende, bleven een dag bij hen.
Hand 21:8 En de volgende dag gingen Paulus en wij, die met hem waren, van daar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in het huis van Filippus, de evangelist, die ťťn was van de zeven, bleven wij bij hem.
Hand 21:9 Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden.
Hand 21:10 En toen wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker profeet af van Judea, met name Agabus;
Hand 21:11 En hij kwam tot ons, en nam de gordel van Paulus, en zichzelf handen en voeten gebonden hebbende, zei: Dit zegt de Heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen.
Hand 21:12 Als wij nu dit hoorden, vroegen beiden wij en die van die plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.
Hand 21:13 Maar Paulus antwoordde: Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de Naam van de Heere Jezus.
Hand 21:14 En toen hij zich niet liet afraden, behielden wij vrede, zeggende: De wil des Heeren geschiede.
Hand 21:15 En na die dagen maakten wij ons gereed, en gingen op naar Jeruzalem.
Hand 21:16 En met ons gingen ook sommigen der discipelen van Cesarea, met zich nemend een zekere Mnason, van Cyprus, een vroege discipel, bij wie wij zouden verblijven.

Hand 21:17 En toen wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders met blijdschap.
Hand 21:18 En de volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus; en al de oudsten waren daar ook gekomen.
Hand 21:19 En nadat hij hen gegroet had, vertelde hij van de ene na de andere gebeurtenis, die God onder de heidenen door zijn dienst gedaan had.
Hand 21:20 En zij, dat gehoord hebbende, loofden de Heere, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, hoeveel duizenden van Joden er zijn, die geloven; en zij allen onderhouden naarstig de wet.
Hand 21:21 En zij zijn aangaande u bericht, dat gij al de Joden, die onder de heidenen zijn, leert van Mozes af te vallen, zeggende: dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijze der wet wandelen.
Hand 21:22 Wat is er dan te doen? Het is duidelijk, dat de menigte zal samenkomen, want zij zullen horen, dat gij gekomen zijt.
Hand 21:23 Doe dan hetgeen wij u zeggen: Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben.
Hand 21:24 Neem dezen tot u, en heilig u met hen, en voldoe de onkosten voor hen, opdat zij het hoofd scheren mogen; en allen mogen weten, dat er niets waar is van hetgeen zij, aangaande u, bericht zijn; maar dat gij alzo wandelt, dat gij ook zelf de wet onderhoudt.
Hand 21:25
Doch van de heidenen, die geloven, hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van hetgeen de afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij.
Hand 21:26 Toen nam Paulus de mannen met zich, en de dag daarna met hen geheiligd zijnde, ging hij in de tempel, om bekend te maken, dat de dagen der heiliging vervuld waren, daar blijvend, totdat voor een ieder van hen de offerande geofferd was.
Hand 21:27 Toen nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen de Joden van AziŽ hem in de tempel, en brachten al het volk in beroering, en sloegen de handen aan hem,
Hand 21:28 Roepende: Gij Israelitische mannen, komt te hulp! Dit is de man, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats iedereen overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in de tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd.
Hand 21:29 Want zij hadden tevoren Trofimus, de EfeziŽr, met hem in de stad gezien, waarvan zij meenden, dat Paulus hem in de tempel gebracht had.
Hand 21:30 En de gehele stad raakte in opschudding en het volk liep samen; en zij grepen Paulus, en trokken hem buiten de tempel; en terstond werden de deuren gesloten.
Hand 21:31 En terwijl zij hem zochten te doden, kwam het gerucht tot de overste van het garnizoen, dat geheel Jeruzalem in opschudding was.
Hand 21:32 Die terstond soldaten en hoofdmannen over honderd tot zich riep, en naar beneden op hen toeliep. Zij nu, de hoofdmannen en soldaten ziende, hielden op met Paulus te slaan.
Hand 21:33 Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vroeg, wie hij was, en wat hij gedaan had.
Hand 21:34 En onder de schare riep de een dit, de andere wat anders. Doch als hij geen duidelijkheid daarover kon krijgen vanwege het tumult, beval hij, dat men hem in de legerplaats zou brengen.
Hand 21:35 En toen hij bij de trappen aangekomen was, gebeurde het, dat hij door de soldaten gedragen werd vanwege het geweld van de schare.
Hand 21:36 Want de menigte van het volk volgde, al roepende: Weg met hem!
Hand 21:37 En toen Paulus nu in de legerplaats zou gebracht worden, zei hij tot de overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zei: Kent gij Grieks?
Hand 21:38 Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte, en de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde?
Hand 21:39 Maar Paulus zei: Ik ben een Joods man van Tarsen, een burger van geen onvermaarde stad in CiliciŽ, en ik bid u, sta mij toe tot het volk te spreken.
Hand 21:40 En toen hij het toegestaan had, Paulus, staande op de trappen, wenkte met de hand tot het volk; en toen er grote stilte gevallen was, sprak hij hen aan in de Hebreeuwse taal, zeggende:

Hoofdstuk 22
Hand 22:1 Mannen broeders en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik nu tot u doen zal.
Hand 22:2 Als zij nu hoorden, dat hij in de Hebreeuwse taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zei:
Hand 22:3 Ik ben een Joods man, en te Tarsen in CiliciŽ geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van GamaliŽl, onderwezen op de meest strikte wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar voor God, zoals gij allen heden zijt;
Hand 22:4 Die deze weg vervolgde, zelfs tot de dood, bindend en in de gevangenissen overleverend zowel mannen als vrouwen.
Hand 22:5 Gelijk mij ook de hogepriester getuige is, en de gehele raad der oudsten; van wie ik ook brieven genomen hebbend tot de broeders, ben naar Damaskus gereisd, om ook degenen, die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden.
Hand 22:6 Maar het geschiedde mij, toen ik reisde, en Damaskus naderde, omtrent de middag, dat plotseling uit de hemel een groot licht mij rondom omscheen.
Hand 22:7 En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem, tot mij zeggen: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?
Hand 22:8 En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zei tot mij: Ik ben Jezus, de Nazarener, Die gij vervolgt.
Hand 22:9 En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd; maar de stem van Hem, Die tot mij sprak, hoorden zij niet.
Hand 22:10 En ik zei: Heere! wat zal ik doen? En de Heere zei tot mij: Sta op, en ga heen naar Damaskus; en aldaar zal met u gesproken worden, van al hetgeen u verordineerd is te doen.
Hand 22:11 En toen ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet kon zien, zo werd ik bij de hand geleid door hen, die met mij waren, en kwam te Damaskus.
Hand 22:12 En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbend van al de Joden, die daar woonden,
Hand 22:13 Kwam tot mij, en bij mij staande, zei tot mij: Saul, broeder, word weer ziende! En in datzelfde uur werd ik ziende op hem.
Hand 22:14 En hij zei: De God van onze vaderen heeft u tevoren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en de Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen.
Hand 22:15 Want gij zult Hem tot een getuige zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.
Hand 22:16 En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam des Heeren.
Hand 22:17 En het gebeurde mij, toen ik te Jeruzalem weergekeerd was, en in de tempel bad, dat ik in een verrukking van zinnen was;
Hand 22:18 En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zei: Spoed u, en ga haastig uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen.
Hand 22:19 En ik zei: Heere, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden;
Hand 22:20 En toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond, en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde van hen, die hem doodden.
Hand 22:21 En Hij zei tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden.

Hand 22:22 Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg van de aarde met zo iemand, want het is niet behoorlijk, dat hij leeft.
Hand 22:23 En toen zij riepen, en de klederen van zich wierpen, en stof in de lucht gooiden;
Hand 22:24 Beval de overste, dat men hem in de legerplaats zou brengen, en zei, dat men hem met geseling onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht, waarom zij alzo over hem riepen.
Hand 22:25 En alzo zij hem met de riemen uitrekten, zei Paulus tot de hoofdman over honderd, die daar stond: Is het u geoorloofd een Romeinse man, en die zonder veroordeling, te geselen?
Hand 22:26 Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij heen, en boodschapte het de overste, zeggend: Zie, wat gij te doen hebt; want deze man is een Romein.
Hand 22:27 En de overste kwam toe, en zei tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zei: Ja.
Hand 22:28 En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som geld verkregen. En Paulus zei: Maar ik ben als een Romeins burger geboren.
Hand 22:29 Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden.
Hand 22:30 En de volgende dag, omdat hij zekerheid wilde hebben, waarom hij door de Joden beschuldigd werd, ontboeide hij hem, en beval, dat de overpriesters en hun hele raad zouden komen; en Paulus afgebracht hebbende, stelde hij hem voor hen.

Hoofdstuk 23
Hand 23:1 En Paulus, de ogen op de raad houdende, zei: Mannen broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag.
Hand 23:2 Maar de hogepriester Ananias beval degenen, die bij hem stonden, dat zij hem op de mond zouden slaan.
Hand 23:3 Toen zei Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand! Zit gij ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt gij, tegen de wet, dat men mij zal slaan?
Hand 23:4 En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt gij de hogepriester van God?
Hand 23:5
En Paulus zei: Ik wist niet, broeders! dat het de hogepriester was; want er is geschreven: De overste van uw volk zult gij niet vloeken.
Hand 23:6 En Paulus wetende dat het ene deel van de SadduceeŽn was, en het andere van de FarizeeŽn, riep in de raad: Mannen broeders, ik ben een FarizeeŽr, de zoon van een FarizeeŽr; ik word over de hoop en opstanding der doden geoordeeld.
Hand 23:7 En toen hij dit gezegd had, ontstond er tweedracht tussen de FarizeeŽn en de SadduceeŽn, en de menigte werd verdeeld.
Hand 23:8 Want de SadduceeŽn zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de FarizeeŽn belijden het beide.
Hand 23:9 En er geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der FarizeeŽn stonden op, en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in deze mens; en indien een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden.
Hand 23:10 En toen er grote tweedracht ontstaan was, de overste, vrezende, dat Paulus door hen verscheurd zou worden, gebood, dat de soldaten zouden afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de legerplaats brengen.
Hand 23:11 En de volgende nacht stond de Heere bij hem, en zei: Heb goede moed, Paulus, want gelijk gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt alzo moet gij ook te Rome getuigen.
Hand 23:12 En toen het dag geworden was, kwamen sommige van de Joden samen, en vervloekten zichzelf, zeggende, dat zij niet zouden eten of drinken, totdat zij Paulus zouden gedood hebben.
Hand 23:13 En zij waren meer dan veertig man, die deze eed tezamen gedaan hadden;
Hand 23:14 Dezen gingen tot de overpriesters en de oudsten, en zeiden: Wij hebben onszelf met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.
Hand 23:15 Gij dan nu, laat de overste weten met de raad, dat hij hem morgen tot u afbrengt, alsof gij nader kennis zoudt nemen van zijn zaken; en wij staan gereed hem om te brengen, eer hij bij u komt.
Hand 23:16 Toen de zoon van Paulus' zuster dit plan gehoord had, kwam hij daar, en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus.
Hand 23:17 En Paulus riep tot zich ťťn van de hoofdmannen over honderd, en zei: Breng deze jongen naar de overste; want hij heeft hem wat te boodschappen.
Hand 23:18 Deze dan nam hem en bracht hem tot de overste, en zei: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik deze jongen tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen.
Hand 23:19 De overste nu nam hem bij de hand, en terzijde gegaan zijnde, vroeg hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen?
Hand 23:20 En hij zei: De Joden zijn overeengekomen, om van u te begeren, dat u Paulus morgen in de raad zult afbrengen, alsof zij iets van hem nader willen onderzoeken.
Hand 23:21 Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem hinderlagen, die zichzelf met een vervloeking verbonden hebben te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, in afwachting van uw toezegging.
Hand 23:22 De overste dan liet de jongen gaan, hem gebiedende: Zeg niemand verder, dat gij mij zulks geopenbaard hebt.
Hand 23:23 En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zei hij: Maakt tweehonderd soldaten gereed, opdat zij naar Cesarea trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen het derde uur van de nacht;
Hand 23:24 En laat ze zadeldieren gereed maken, opdat zij Paulus daarop zetten, en behouden overbrengen naar de stadhouder Felix.
Hand 23:25 En hij schreef een brief, met deze inhoud:
Hand 23:26 Claudius Lysias aan de machtigste stadhouder Felix: groet.
Hand 23:27 Daar deze man door de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zou zijn geworden, ben ik tussenbeide gekomen met de soldaten, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde, dat hij een Romein was.
Hand 23:28 Toen ik de zaak wilde weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hun raad;
Hand 23:29 Die ik bevond beschuldigd te worden over vragen van hun wet; maar geen beschuldiging tegen hem te zijn, die de dood of de boeien verdient.
Hand 23:30 En toen mij te kennen gegeven was, dat door de Joden een hinderlaag tegen deze man gelegd zou worden, zo heb ik hem terstond aan u gezonden; gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen, hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel.

Hand 23:31 De soldaten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus, en brachten hem des nachts tot Antipatris.
Hand 23:32 En de volgende dag, lieten zij de ruiters verder met hem trekken, en keerden zij terug naar de legerplaats.
Hand 23:33 Toen zij te Caesarea gekomen waren, en de brief de stadhouder overgegeven hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gebracht.
Hand 23:34 En de stadhouder, de brief gelezen hebbende, vroeg, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van CiliciŽ was,
Hand 23:35 Zei hij: Ik zal u horen, als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat hij in het rechthuis van Herodes zou bewaard worden.

Hoofdstuk 24
Hand 24:1 En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias af met de oudsten, en een zekere redenaar, genaamd Tertullus, die verschenen voor de stadhouder tegen Paulus.
Hand 24:2 En toen hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende:
Hand 24:3 Dat wij grote vrede door u verkrijgen, en dat vele loffelijke diensten dit volk geschieden door uw regering, machtigste Felix, nemen wij geheel en al met grote dankbaarheid aan.
Hand 24:4 Maar opdat ik u niet lang ophoud, bid ik u, dat gij ons, naar uw vriendelijkheid, in het kort zult horen.
Hand 24:5 Want wij hebben deze man bevonden te zijn een pest, en ťťn, die oproer verwekt onder al de Joden, door de hele wereld, en iemand van de voornaamste voormannen van de sekte der Nazarenen,
Hand 24:6 Die ook gepoogd heeft de tempel te ontheiligen, die wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordelen.
Hand 24:7 Maar Lysias, de overste, tussenbeide gekomen zijnde, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht;
Hand 24:8 Gebiedende zijn beschuldigers tot u te komen; van wie gij zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen, waarvan wij hem beschuldigen.
Hand 24:9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende, dat deze dingen alzo waren.
Hand 24:10 Maar Paulus, toen hem de stadhouder gewenkt had, dat hij zou spreken, antwoordde: Daar ik weet, dat gij nu vele jaren over dit volk rechter zijt geweest, zo verantwoord ik mijzelf met des te meer moed.
Hand 24:11 Alzo gij kunt weten, dat het niet meer dan twaalf dagen geleden is, dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem;
Hand 24:12 En zij hebben mij noch in de tempel gevonden tot iemand sprekend, of enige oproer onder het volk makend, noch in de synagogen, noch in de stad;
Hand 24:13 En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij nu beschuldigen.
Hand 24:14 Maar dit beken ik u, dat ik naar die weg, die zij sekte noemen, de God der vaderen alzo dien, gelovend alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is;
Hand 24:15 hoop hebbend op God, die zij ook zelf verwachten, dat er een opstanding der doden wezen zal, beiden van rechtvaardigen en van onrechtvaardigen.
Hand 24:16 En hierin oefen ik mijzelf, om altijd een zuiver geweten te hebben bij God en de mensen.
Hand 24:17 Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden.
Hand 24:18 Daarmee doende, geheiligd zijnde, in de tempel, niet met volk, noch met tumult, hebben mij enige Joden uit AziŽ aangetroffen;
Hand 24:19 Welke behoorden hier voor u tegenwoordig te zijn, en mij te beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij.
Hand 24:20 Of dat dezen zelf zeggen of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, toen ik voor de raad stond;
Hand 24:21 Dan van dit ene woord, dat ik riep, staande onder hen: Over de opstanding der doden word ik heden door u geoordeeld!
Hand 24:22 Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij de zaak uit, zeggende: Als ik nader kennis van deze weg zal hebben, wanneer Lysias, de overste, zal afgekomen zijn, zo zal ik volle kennis nemen van uw zaken.
Hand 24:23 En hij beval de hoofdman over honderd, dat Paulus zou bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zou beletten hem te dienen, of tot hem te komen.
Hand 24:24 En na enige dagen, Felix, daar gekomen zijnde met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus.
Hand 24:25 En toen hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik een geschikte tijd zal hebben gevonden, zo zal ik u tot mij roepen.
Hand 24:26 En tegelijk ook hopende, dat hem door Paulus geld gegeven zou worden, opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en met hem sprak.
Hand 24:27 Maar na twee jaar kwam Porcius Festus in Felix' plaats; en Felix, die de Joden een gunst wilde bewijzen, liet Paulus gevangen.

Hoofdstuk 25
Hand 25:1 Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.
Hand 25:2 En de hogepriester, en de voornaamsten van de Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en vroegen van hem,
Hand 25:3 een gunst tegen Paulus, dat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; een hinderlaag leggende, om hem onderweg om te brengen.
Hand 25:4 Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf weldra daarheen zou reizen.
Hand 25:5 Die dan, zei hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in deze man is, dat zij hem beschuldigen.
Hand 25:6 En toen hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en de volgende dag, op de rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voorgebracht worden.
Hand 25:7 En toen hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zwaarwegende beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;
Hand 25:8 omdat hij, zich verantwoordend, zei: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd.
Hand 25:9 Maar Festus, die de Joden een gunst wilde bewijzen, antwoordde Paulus, en zei: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?
Hand 25:10 En Paulus zei: Ik sta voor de rechterstoel van de keizer, waar ik geoordeeld moet worden; de Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.
Hand 25:11 Want indien ik onrecht doe, en iets dat de dood verdient, gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets waar is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op de keizer.
Hand 25:12 Toen antwoordde Festus, nadat hij met de raad gesproken had: Hebt gij u op de keizer beroepen? Gij zult tot de keizer gaan.
Hand 25:13 En toen enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten.
Hand 25:14 En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan de koning verteld, zeggende: Hier is een zeker man door Felix gevangen achtergelaten;
Hand 25:15 Om wiens wil, toen ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de oudsten van de Joden verschenen, verlangende een vonnis tegen hem;
Hand 25:16 Aan wie ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enig mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde door de beschuldigers in zijn tegenwoordigheid is beschuldigd, en gelegenheid tot verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.
Hand 25:17 Toen zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, zonder uitstel, de volgende dag daarop op de rechterstoel gezeten, en bevolen, dat de man zou voorgebracht worden;
Hand 25:18 Over wie de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, zoals ik verwachtte;
Hand 25:19 Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van ene Jezus, Die gestorven was, van Wie Paulus zei dat Hij leeft.
Hand 25:20 En toen ik over het onderzoek van deze zaak in twijfel was, vroeg ik, of hij naar Jeruzalem wilde gaan, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.
Hand 25:21 En toen Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis van de keizer bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zou worden, tot de tijd toe, dat ik hem tot de keizer zenden zou.
Hand 25:22 En Agrippa zei tot Festus: Ik wil ook zelf die man wel horen. En hij zei: Morgen zult gij hem horen.
Hand 25:23 De volgende dag dan, toen Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten van de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voorgebracht.
Hand 25:24 En Festus zei: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet deze, van wie mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.
Hand 25:25 Maar omdat ik bevonden heb, dat hij niets dat de dood verdient, gedaan had, en daar hij ook zelf zich op de keizer beroepen heeft, heb ik besloten hem te zenden.
Hand 25:26 Van wie ik niets met zekerheid heb aan mijn heer te schrijven; daarom heb ik hem voor u gebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedaan onderzoek, wat heb te schrijven.
Hand 25:27 Want het dunkt mij onredelijk, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven.

Hoofdstuk 26
Hand 26:1 En Agrippa zei tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelf te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich aldus:
Hand 26:2 Ik acht mijzelf gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden over alles, waarover ik door de Joden beschuldigd word;
Hand 26:3 Allermeest, omdat ik weet, dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen, die onder de Joden zijn. Daarom verzoek ik u, dat gij mij lankmoedig aanhoort.
Hand 26:4 Mijn leven dan van jongs af aan, dat van het begin af onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, kennen al de Joden;
Hand 26:5 Als die mij kennen vanaf het begin, indien zij het zouden willen getuigen, dat ik, naar de striktste sekte van onze godsdienst, als een FarizeeŽr geleefd heb.
Hand 26:6 En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop van de belofte, die door God tot de vaderen geschied is;
Hand 26:7 Tot wie onze twaalf geslachten, gedurig nacht en dag God dienende, hopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, door de Joden word beschuldigd.
Hand 26:8 Waarom wordt het door u ongelooflijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?
Hand 26:9 Ik meende waarlijk bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele vijandige dingen moest doen.
Hand 26:10 Wat ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, volmacht van de overpriesters ontvangen hebbend; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe.
Hand 26:11 En in al de synagogen heb ik hen dikwijls gestraft, en gedwongen te lasteren; en bovenmate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buitenlandse steden.
Hand 26:12 Waartoe ik ook naar Damaskus reisde, met macht en last, welke ik van de overpriesters had,
Hand 26:13 Toen zag ik, o koning, in het midden van de dag, op de weg een licht, sterker dan de glans van de zon, van de hemel mij en hen, die met mij reisden, omschijnend.
Hand 26:14 En toen wij allen ter aarde neergevallen waren, hoorde ik een stem, tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
Hand 26:15 En ik zei: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zei: Ik ben Jezus, Die gij vervolgt.
Hand 26:16 Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige van de dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen;
Hand 26:17 Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot wie Ik u nu zend;
Hand 26:18 Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van satan tot God; opdat zij vergeving van zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.
Hand 26:19 Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest;
Hand 26:20 Maar heb eerst degenen, die te Damaskus waren, en te Jeruzalem, en in het hele land van Judea, en de heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, werken doende de bekering waardig.
Hand 26:21 Om deze zaken hebben mij de Joden in de tempel gegrepen en geprobeerd om te brengen.
Hand 26:22 En nu, door de hulp van God verkregen, sta ik tot op deze dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou;
Hand 26:23
Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, als Eerste, zou opstaan van de doden, en een licht zou verkondigen dit volk, en de heidenen.
Hand 26:24 En terwijl hij deze dingen tot verantwoording sprak, zei Festus met luide stem: U raast, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot dwaasheid!
Hand 26:25 Maar hij zei: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van gezond verstand;
Hand 26:26 Want de koning weet van deze dingen, tot wie ik ook vrijmoedigheid gebruikende, spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is; want dit is niet in het verborgen geschied.
Hand 26:27 Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft.
Hand 26:28 En Agrippa zei tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.
Hand 26:29 En Paulus zei: Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheel, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, zodanig werden, gelijk als ik ben, uitgenomen deze boeien.
Hand 26:30 En toen hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren;
Hand 26:31 En terzijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkaar, zeggende: Deze mens doet niets dat dood of boeien verdient.
Hand 26:32 En Agrippa zei tot Festus: Deze man kon vrijgelaten worden, indien hij zich op de keizer niet had beroepen.

Hoofdstuk 27
Hand 27:1 En toen het besloten was, dat wij naar ItaliŽ zouden afvaren, leverden zij Paulus en enige andere gevangenen, over aan een hoofdman over honderd, met name Julius van het keizerlijk cohort.
Hand 27:2 En in een Adramyttenisch schip gegaan zijnde, alzo wij de plaatsen langs AziŽ bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de MacedoniŽr van Thessalonica, was met ons.
Hand 27:3 En de volgende dag kwamen wij aan te Sidon. En Julius, vriendelijk met Paulus handelend, liet hem toe tot de vrienden te gaan, om door hen verkwikt te worden.
Hand 27:4 En van daar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus langs, omdat de winden ons tegen waren.
Hand 27:5 En de zee, die langs CiliciŽ en PamfyliŽ is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te Myra in LyciŽ.
Hand 27:6 En de hoofdman, aldaar een schip gevonden hebbende van AlexandriŽ, dat naar ItaliŽ voer, deed ons daarin overgaan.
Hand 27:7 En toen wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover Knidus gekomen waren, omdat de wind het ons niet toeliet, zo voeren wij onder Kreta langs, tegenover Salmone.
Hand 27:8 En daar nauwelijks voorbij zeilende, kwamen wij in een zekere plaats genaamd Schonehavens, waar de stad Lasea nabij was.
Hand 27:9 En toen veel tijd verlopen, en de vaart inmiddels zorgelijk was, omdat ook de vastentijd nu voorbij was, vermaande hen Paulus,
Hand 27:10 En zei tot hen: Mannen, ik zie, dat de vaart zal geschieden met hinder en grote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven.
Hand 27:11 Doch de hoofdman geloofde meer de stuurman en de schipper, dan hetgeen door Paulus gezegd werd.
Hand 27:12 En omdat de haven minder geschikt was om te overwinteren, vond het merendeel het geraden van daar af te varen, of zij enigszins te Fenice konden komen om daar te overwinteren, zijnde een haven in Kreta, gelegen naar het zuidwesten en het noordwesten.
Hand 27:13 En omdat de zuidenwind zacht waaide, meenden zij hun voornemen bereikt te hebben, en afgevaren zijnde, zeilden zij dicht langs Kreta voorbij.
Hand 27:14 Maar niet lang daarna, stak een storm op, genaamd Euroklydon.
Hand 27:15 En toen het schip daardoor uit de koers was geraakt, en niet tegen de wind kon opzeilen, gaven wij het op, en dreven weg.
Hand 27:16 En onder een zeker eilandje langs varende, genaamd Klauda, konden wij nauwelijks de sloep machtig blijven.
Hand 27:17 zij hesen toen de sloep op en gebruikten alle hulpmiddelen, om het schip te ondergorden; en omdat zij vreesden, dat zij op de zandbank Syrtis stranden zouden, streken zij het zeil, en dreven zo verder.
Hand 27:18 En omdat wij door het noodweer geweldig geslingerd werden, losten zij de volgende dag een deel van de lading;
Hand 27:19 En de derde dag wierpen wij met onze eigen handen het scheepsgereedschap uit.
Hand 27:20 En toen noch zon noch sterren verschenen in vele dagen, en geen kleine storm boven ons was, werd ons toen alle hoop van behouden te worden ontnomen.
Hand 27:21 En toen men lange tijd zonder eten geweest was, stond Paulus op in het midden van hen, en zei: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en deze hinder en deze schade verhoed te hebben;
Hand 27:22 Doch nu vermaan ik u goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u, maar alleen van het schip.
Hand 27:23 Want deze zelfde nacht heeft bij mij gestaan een engel van God, aan Wie ik toebehoor, Die ik ook dien,
Hand 27:24 Zeggende: Vrees niet, Paulus, gij moet voor de keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen.
Hand 27:25 Daarom zijt goedsmoeds, mannen, want ik geloof God, dat het alzo zijn zal, gelijk het mij gezegd is.
Hand 27:26 Doch wij moeten op een zeker eiland stranden.
Hand 27:27 Toen nu de veertiende nacht gekomen was, en wij in de Adriatische zee heen en weer gedreven werden, omtrent het midden van de nacht, vermoedden de scheepslieden, dat zij enig land naderden.
Hand 27:28 En het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vadem diepte; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vadem;
Hand 27:29 En vrezende, dat zij ergens op harde plaatsen stranden zouden, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wensten, dat het dag werd.
Hand 27:30 Maar toen de scheepslieden poogden uit het schip te vluchten, en de sloep neerlieten in de zee, onder de schijn, alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen,
Hand 27:31 Zei Paulus tot de hoofdman en tot de soldaten: Indien dezen in het schip niet blijven, kunt gij niet behouden worden.
Hand 27:32 Toen kapten de soldaten de touwen van de sloep, en lieten haar vallen.
Hand 27:33 En toen het ondertussen dag zou worden, vermaande Paulus hen allen, dat zij zouden eten, en zei: Het is heden de veertiende dag, dat gij zonder eten blijft, en niets hebt genomen.
Hand 27:34 Daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uw behoud; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen.
Hand 27:35 En nadat hij dit gezegd had en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en het gebroken hebbende, begon hij te eten.
Hand 27:36 En zij allen, bemoedigd geworden, namen ook zelf spijze.
Hand 27:37 Wij waren nu in het schip bij elkaar met tweehonderd zes en zeventig zielen.
Hand 27:38 En toen zij met spijze verzadigd waren, lichtten zij het schip, en wierpen het koren in de zee.
Hand 27:39 En toen het dag werd, kenden zij het land niet; maar zij zagen een inham, die een oever had, waarop zij van plan waren, zo zij konden, het schip te laten stranden.
Hand 27:40 En toen zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, meteen de banden van het roer losmakend; en het razeil naar de wind opgehaald hebbend, hielden zij op de oever aan.
Hand 27:41 Maar strandend op een zandbank, zetten zij het schip daarop; en het voorschip, vastzittend, bleef onbeweeglijk, maar het achterschip brak af door het geweld van de golven.
Hand 27:42 De soldaten nu waren voornemens de gevangenen te doden, opdat niemand, door weg te zwemmen, zou ontvluchten.
Hand 27:43 Maar de hoofdman, die Paulus wilde behouden, belette hun dat voornemen, en beval, dat degenen, die zwemmen konden, zich eerst in zee zouden werpen, en aan land komen;
Hand 27:44 En de anderen, sommigen op planken, en sommigen op enige stukken van het schip. En alzo is het geschied, dat zij allen behouden aan land gekomen zijn.

Hoofdstuk 28
Hand 28:1 En toen zij ontkomen waren, begrepen zij, dat het eiland Malta heette.
Hand 28:2 En de barbaren bewezen ons ongewone vriendelijkheid; want nadat zij een groot vuur ontstoken hadden, ontvingen zij ons allen, om de regen, die overkwam, en om de koude.  *)
Hand 28:3 En toen Paulus enige takkenbossen bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er een adder uit door de hitte, en beet in zijn hand.
Hand 28:4 En toen de barbaren het dier aan zijn hand zagen hangen, zeiden zij tot elkaar: Deze mens is vast en zeker een moordenaar, die de gerechtigheid niet wil laten leven, nu hij uit de zee ontkomen is.
Hand 28:5 Maar hij schudde het dier af in het vuur, en leed niets kwaads.
Hand 28:6 En zij verwachtten, dat hij zou opzwellen, of terstond dood neervallen. Maar toen zij lang gewacht hadden, en zagen, dat geen ongemak hem overkwam, veranderden zij van gedachten, en zeiden, dat hij een god was.
Hand 28:7 En in de buurt van deze plaats, had de voornaamste bewoner van het eiland, met name Publius, zijn landerijen, die ons ontving, en drie dagen vriendelijk onderdak verleende.
Hand 28:8 En het geschiedde, dat de vader van Publius, door koortsen en dysenterie bevangen, te bed lag; naar wie Paulus toeging, en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond.
Hand 28:9 Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen in het eiland, die ziekten hadden, en werden genezen.
Hand 28:10 Die ons ook eerden met veel eer, en toen wij vertrekken zouden, bezorgden zij ons hetgeen nodig was.
Hand 28:11 En na drie maanden voeren wij af in een schip van AlexandriŽ, met de Tweeling tot een teken, dat in het eiland overwinterd had.  *)
Hand 28:12 En toen wij te Syrakuse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie dagen;
Hand 28:13 Vandaar voeren wij over, en kwamen aan te Regium; en omdat, na een dag, de wind zuid werd, kwamen wij de tweede dag te Puteoli;
Hand 28:14 Alwaar wij broeders vonden, en werden gevraagd, zeven dagen bij hen te blijven; en alzo gingen wij naar Rome.
Hand 28:15 En vandaar kwamen de broeders, die van onze zaken gehoord hadden, ons tegemoet tot de Appiusmarkt, en de Drie Taveernen; en Paulus hen ziende, dankte God en greep moed.
Hand 28:16 En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van de kazerne; maar aan Paulus werd toegestaan op zichzelf te wonen met de soldaat, die hem bewaakte.
Hand 28:17 En het geschiedde na drie dagen dat Paulus de voornaamsten van de Joden samenriep. En toen zij samengekomen waren, zei hij tot hen: Mannen broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen;
Hand 28:18 Die mij, na mij onderzocht te hebben, wilden loslaten, omdat niets dat de dood verdient in mij was.
Hand 28:19 Maar toen de Joden dat tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; maar niet, alsof ik iets had waarvan ik mijn volk wilde beschuldigen.
Hand 28:20 Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want omwille van de hoop van Israel ben ik met deze keten gevangen.
Hand 28:21 Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judea ontvangen; noch iemand van de broeders, hier gekomen zijnde, heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken.
Hand 28:22 Maar wij begeren wel van u te horen, wat gij denkt; want wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt.
Hand 28:23 En toen zij hem een dag voorgesteld hadden, kwamen er velen in zijn verblijfplaats; die hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe.
Hand 28:24 En sommigen geloofden wel, hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.
Hand 28:25 En met elkaar oneens zijnde, scheidden zij; toen Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Terecht heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, de profeet, tot onze vaderen,
Hand 28:26
Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.
Hand 28:27 Want het hart van dit volk is dik geworden, en met de oren hebben zij amper gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen genees.
Hand 28:28 Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods aan de heidenen gezonden is, en die zullen horen.
Hand 28:29 En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, met veel twist onder elkaar.
Hand 28:30 En Paulus bleef twee volle jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen;
Hand 28:31 Predikende het Koninkrijk Gods, en lerende van de Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, ongehinderd.


Aantekeningen

28:2 barbaren, zie aant. Rom 1:14

28:11 Tweeling: teken uit de dierenriem.