Hoofdstuk 1
Jes 1:1 Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.

Jes 1:2 Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen grootgebracht en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.
Jes 1:3 Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib van zijn heer; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.
Jes 1:4 Wee het zondige volk, het volk zwaar van ongerechtigheid, het zaad van boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben de HEERE verlaten, zij hebben de Heilige Israels veracht, zij hebben zich achterwaarts gewend.
Jes 1:5 Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt de afval alleen maar groter maken; het hele hoofd is ziek, en het hele hart is mat.
Jes 1:6 Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets gezonds aan; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen daarvan is met olie verzacht.
Jes 1:7 Uw land is een woestenij, uw steden zijn met vuur verbrand; vreemden verteren uw land in uw tegenwoordigheid, het is verwoest, als een verwoesting door de vreemden.
Jes 1:8 En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad.
Jes 1:9 Zo niet de HEERE der legerscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.

Jes 1:10 Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sodom! neemt ter ore de wet van onze God, gij volk van Gomorra!
Jes 1:11 Waartoe zal Mij zijn de veelheid van uw slachtoffers? zegt de HEERE; Ik ben zat van de brandoffers van rammen, en het smeer van vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van varren, noch van lammeren, noch van bokken.
Jes 1:12 Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt verschijnen, wie heeft dat van uw hand geŽist, dat gij Mijn voorhoven betreden zoudt?
Jes 1:13 Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen verdraag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de hoogtijdagen.
Jes 1:14 Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen.
Jes 1:15 En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed.

Jes 1:16 Wast u, reinigt u, doet de boosheid van uw handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
Jes 1:17 Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak van de weduwe.
Jes 1:18 Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
Jes 1:19 Indien gijlieden gewillig zijt en hoort, zo zult gij het goede van dit land eten;
Jes 1:20 Maar indien gij weigert, en weerspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.

Jes 1:21 Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid verbleef daarin, maar nu doodslagers.
Jes 1:22 Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water.
Jes 1:23 Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; de wezen doen zij geen recht, en naar de twistzaak van de weduwen luisteren zij niet.
Jes 1:24 Daarom spreekt de Heere, HEERE der legerscharen, de Machtige Israels: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn tegenstanders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden.
Jes 1:25 En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim volkomen wegzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen.
Jes 1:26 En Ik zal u uw rechters weergeven, als in het eerste, en uw raadslieden als in het begin; daarna zult gij een stad der gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden.
Jes 1:27 Sion zal door recht verlost worden, en haar bekeerden door gerechtigheid.
Jes 1:28 Maar er zal verbreking zijn der overtreders, en der zondaars tezamen; en die de HEERE verlaten, zullen omkomen.
Jes 1:29 Want zij zullen beschaamd worden omwille van de gewijde bomen, die gijlieden begeerd hebt, en gij zult schaamrood worden, omwille van de hoven voor afgoderij, die gij verkoren hebt.
Jes 1:30 Want gij zult zijn als een boom, welks bladeren afvallen, en als een hof, die geen water heeft.
Jes 1:31 En de sterke zal wezen tot grof vlas, zijn werk tot een vonk, en zij zullen beiden tezamen branden, en er zal geen uitblusser wezen.

Hoofdstuk 2
Jes 2:1 Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
Jes 2:2 En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn als de top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvels, en dat alle heidenen daarheen zullen stromen.
Jes 2:3 En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg des HEEREN, tot het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons leert van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.
Jes 2:4 En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden smeden tot spaden, en hun spiesen tot sikkels; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.
Jes 2:5 Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht des HEEREN.

Jes 2:6 Maar Gij hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn waarzeggers gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden tonen zij hun behagen.
Jes 2:7 En hun land is vervuld met zilver en goud, en aan hun schatten is geen einde; ook is hun land vervuld met paarden, en aan hun wagens is geen einde.
Jes 2:8 Hun land is ook vervuld met afgoden; voor het werk van hun handen buigen zij zich neer, voor hetgeen hun vingers gemaakt hebben.
Jes 2:9 Daar bukt zich de gewone man, en vernedert zich de aanzienlijke; daarom zult Gij het hun niet vergeven.

Jes 2:10 Ga in de rots, en verberg u in het stof, vanwege de schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid van Zijn majesteit.
Jes 2:11 De hoge ogen van de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal neergebogen worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn.
Jes 2:12 Want de dag van de HEERE der legerscharen zal zijn tegen alle hovaardigen en hogen, en tegen alle verhevenen; en zij worden vernederd;
Jes 2:13 En tegen alle hoge en verheven ceders van Libanon, en tegen alle eiken van Basan;
Jes 2:14 En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verheven heuvels;
Jes 2:15 En tegen alle hoge torens, en tegen elke versterkte muur;
Jes 2:16 En tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle begeerde schilderijen.
Jes 2:17 En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn.
Jes 2:18 En elk van de afgoden zal geheel en al vergaan.
Jes 2:19 Dan zullen zij in de spelonken van de rotsen gaan, en in de holen der aarde, vanwege de schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.
Jes 2:20 In die dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, die zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neer te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vleermuizen;
Jes 2:21 Gaande in de reten der rotsen, en in de kloven der steenrotsen, vanwege de schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldig te verschrikken.
Jes 2:22 Laat af van de mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?

Hoofdstuk 3
Jes 3:1 Want ziet, de Heere, HEERE der legerscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen de stok en de staf, elke stok van brood, en elke stok van water;
Jes 3:2 De held en de krijgsman, de rechter en de profeet, en de waarzegger, en de oude;
Jes 3:3 De overste van vijftig, en de aanzienlijke, en de raadsman, en de wijze onder de werkmeesters, en degene, die wel ter tale is.
Jes 3:4 En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;
Jes 3:5 En het volk zal gedrongen worden, de ťťn zal zijn tegen de ander, en een ieder tegen zijn naaste; de jongeling zal brutaal zijn tegen de oude, de verachte tegen de achtbare.
Jes 3:6 Wanneer iemand zijn broeder uit het huis van zijn vader zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch deze ruïne onder uw bestuur zijn;
Jes 3:7 Zo zal hij in die dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste van het volk.
Jes 3:8 Want Jeruzalem is geruïneerd, en Juda is gevallen, omdat hun tong en zijn handelingen tegen de HEERE zijn, om de ogen van Zijn heerlijkheid te verbitteren.

Jes 3:9 Het gelaat van hun aangezicht getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hun ziel; want zij doen zichzelf kwaad.
Jes 3:10 Zegt de rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht van hun werken zullen eten.
Jes 3:11 Wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding van zijn handen zal hem geschieden.
Jes 3:12 De onderdrukkers van Mijn volk zijn kinderen, en vrouwen heersen er over. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en de weg van uw paden verwoesten zij.
Jes 3:13 De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.
Jes 3:14 De HEERE komt ten gerichte tegen de oudsten en de vorsten van Zijn volk, want gijlieden hebt deze wijngaard verteerd; de roof van de ellendige is in uw huizen.
Jes 3:15 Wat is u, dat gij Mijn volk verbrijzelt, en de aangezichten van de ellendigen te schande maakt? spreekt de Heere, HEERE der legerscharen.

Jes 3:16 Verder zegt de HEERE: Daarom dat de dochters van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekte nek, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarheen treden, en maken gerinkel met hun voeten.
Jes 3:17 Zo zal de HEERE de schedel van de dochters van Sion schurftig maken, en de HEERE zal haar schaamte ontbloten.
Jes 3:18 In diezelfde dag zal de HEERE wegnemen het sieraad van de kousenbanden, en de netjes, en de maantjes,
Jes 3:19 De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kleding,
Jes 3:20 De hoofdversiering, en de armversiersels, en de bindsels, en de reukballetjes, en de oorringen,
Jes 3:21 De ringen en de voorhoofdsiersels,
Jes 3:22 De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de buidels,
Jes 3:23 De spiegels, en het fijne linnen, en de hoeden, en de sluiers.
Jes 3:24 En het zal geschieden, dat er voor specerij stank zal zijn, en een touw voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechting, en omgorden met een zak in plaats van een wijde rok, en verbranding in plaats van schoonheid.
Jes 3:25 Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in de strijd.
Jes 3:26 En haar poorten zullen klagen en treuren, en zij zal troosteloos op de aarde zitten.

Hoofdstuk 4
Jes 4:1 En te dien dage zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze klederen zullen wij bekleed zijn, laat ons alleen naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg.
Jes 4:2 Te dien dage zal de Tak van de HEERE zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering van hen, die het ontkomen zullen in Israel.
Jes 4:3 En het zal geschieden, dat de overgeblevene in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheten worden, een ieder, die geschreven is ten leven te Jeruzalem;
Jes 4:4 Als de Heere zal afgewassen hebben de drek van de dochters van Sion, en de bloedschulden van Jeruzalem zal gereinigd hebben uit haar midden, door de Geest van oordeel, en door de Geest van uitbranding.
Jes 4:5 En de HEERE zal over alle woning van de berg Sion, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en de glans van een vlammend vuur des nachts; want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen.
Jes 4:6 En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen.

Hoofdstuk 5
Jes 5:1 Nu zal ik voor mijn Beminde een lied van mijn Liefste zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vette heuvel.
Jes 5:2 En Hij heeft die omheind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in het midden daarvan een toren gebouwd, en ook een wijnpersbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.
Jes 5:3 Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en Mijn wijngaard.
Jes 5:4 Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, dat Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft slechte druiven voortgebracht?
Jes 5:5 Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn omheining wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
Jes 5:6 En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet gesnoeid, noch omgespit worden, maar distels en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.
Jes 5:7 Want de wijngaard van de HEERE der legerscharen is het huis van Israel, en de mannen van Juda een tuin van zijn vreugde; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurft, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.

Jes 5:8 Wee degenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer is, en gijlieden alleen machtig zijt in het midden van het land!
Jes 5:9 Voor mijn oren heeft de HEERE der legerscharen gesproken: Zo niet vele huizen, de grote en de voortreffelijke tot verwoesting zullen worden, zonder inwoner!
Jes 5:10 Ja, tien bunders wijngaard zullen ťťn enkele bath geven, en een homer zaad zal een efa geven.
Jes 5:11 Wee degene, die, zich vroeg opmakend in de morgenstond, sterke drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!
Jes 5:12 En harpen en luiten, tamboerijnen en fluiten, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk des HEEREN niet, en zij zien niet op het maaksel van Zijn handen.
Jes 5:13 Daarom zal mijn volk gevangen weggevoerd worden, omdat het geen kennis heeft; en zijn heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst.
Jes 5:14 Daarom zal het graf zich wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat neerdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.
Jes 5:15 Dan zal de gewone man neergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen van de hoogmoedigen zullen vernederd worden.
Jes 5:16 Doch de HEERE der legerscharen zal verhoogd worden door het recht; en God, de Heilige, zal geheiligd worden door gerechtigheid.
Jes 5:17 En de lammeren zullen weiden naar hun eigen wijze, en de vreemdelingen zullen de verwoeste plaatsen der vetten eten.

Jes 5:18 Wee degenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagentouwen!
Jes 5:19 Die daar zeggen: Dat Hij Zich haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raad van de Heilige van Israel, dat wij het vernemen!
Jes 5:20 Wee degenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!
Jes 5:21 Wee degenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelf verstandig zijn!
Jes 5:22 Wee degenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterke drank te mengen!
Jes 5:23 Die de goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de rechtvaardigheid van de rechtvaardige wegnemen.
Jes 5:24 Daarom, gelijk de tong van het vuur de stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, alzo zal hun wortel als een verrotting wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet van de HEERE der legerscharen, en de rede van de Heilige Israels versmaden.
Jes 5:25 Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hen Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden van de straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
Jes 5:26 Want Hij zal een banier oprichten onder verre heidenen, en Hij zal hen hierheen toesissen van het einde der aarde; en ziet, haastig, snel zullen zij komen.
Jes 5:27 Geen moede, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimeren of slapen, de gordel van zijn lendenen zal niet ontbonden worden, de schoenriem van zijn schoenen zal niet breken.
Jes 5:28 Hun pijlen zullen scherp zijn, en al hun bogen gespannen; de hoeven van hun paarden zullen als een rots geacht zijn, en hun wielen als een wervelwind.
Jes 5:29 Hun gebrul zal zijn als van een oude leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en de roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.
Jes 5:30 En zij zullen tegen hen te dien dage bruisen, als het bruisen der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.

Hoofdstuk 6
Jes 6:1 In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heere, zittende op een hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervulden de tempel.
Jes 6:2 De serafs stonden boven Hem; een ieder had zes vleugels; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
Jes 6:3 En de ťťn riep tot de ander, en zei: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der legerscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol!
Jes 6:4 Zodat de posten van de dorpel zich bewogen door de stem van de roependen; en het huis werd vervuld met rook.

Jes 6:5 Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de HEERE der legerscharen gezien.
Jes 6:6 Maar ťťn van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had.
Jes 6:7 En hij roerde mijn mond daarmee aan, en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend.
Jes 6:8 Daarna hoorde ik de stem van de Heere, die sprak: Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons heengaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij heen.

Jes 6:9 Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.
Jes 6:10 Maak het hart van dit volk vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet ziet met zijn ogen, noch met zijn oren hoort, noch met zijn hart verstaat, noch zich bekeert, en Hij het geneest.
Jes 6: 11 Toen zei ik: Hoe lang, Heere? En Hij zei: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner is, en de huizen, dat er geen mens is, en dat het land met verwoesting verstrooid wordt.
Jes 6:12 Want de HEERE zal die mensen ver wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste van het land.
Jes 6:13 Als nog een tiende deel daarin zal zijn, zal ook dat verwoest worden; maar gelijk de terpentijnboom, en gelijk de eikenboom, waarvan na het omkappen nog een stronk overblijft, alzo zal het heilige zaad de stronk daarvan zijn.

Hoofdstuk 7
Jes 7:1 Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van SyriŽ, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israel, naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar optrokken; maar zij vermochten niet met strijden tegen haar.
Jes 7:2 Toen men het huis Davids boodschapte, zeggende: De SyriŽrs rusten op EfraÔm, zo bewoog zich zijn hart en het hart van zijn volk, gelijk de bomen van het woud bewogen worden door de wind.
Jes 7:3 En de HEERE zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van de watergang van de bovenste vijver aan de hoge weg van het veld van de voller;
Jes 7:4 En zeg tot hem: Wacht u, en wees gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten van deze rokende vuurbranden; vanwege het ontbranden van de toorn van Rezin en de SyriŽrs, en van de zoon van Remalia;
Jes 7:5 Omdat de SyriŽr kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met EfraÔm en de zoon van Remalia, zeggende:
Jes 7:6 Laat ons optrekken tegen Juda, en het verdriet aandoen, en het onder ons delen, en de zoon van Tabeal koning maken in het midden van hen.
Jes 7:7 Alzo zegt de Heere HEERE: Het zal niet bestaan, en het zal niet geschieden.
Jes 7:8 Maar Damaskus zal het hoofd van SyriŽ zijn, en Rezin het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal EfraÔm verbroken worden, dat het geen volk meer is.
Jes 7:9 Ondertussen zal Samaria hoofdstad van EfraÔm zijn, en de zoon van Remalia hoofd van Samaria. Indien gijlieden niet gelooft, zeker, gij zult niet bevestigd worden.

Jes 7:10 En de HEERE ging voort te spreken tot Achaz, zeggende:
Jes 7:11 Eis u een teken van de HEERE, uw God; eis beneden in de diepte, of eis boven uit de hoogte.
Jes 7:12 Maar Achaz zei: Ik zal het niet eisen, en ik zal de HEERE niet verzoeken.
Jes 7:13 Toen zei hij: Hoort gijlieden nu, gij, huis van David! is het ulieden te weinig, dat gij de mensen moe maakt, dat gij ook mijn God moe maakt?
Jes 7:14 Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUEL heten.
Jes 7:15 Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.
Jes 7:16 Zeker, eer dit Knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn door zijn twee koningen.

Jes 7:17 Maar de HEERE zal over u, en over uw volk, en over het huis van uw vader, dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van die dag af, dat EfraÔm van Juda is afgeweken, door de koning van AssyriŽ.
Jes 7:18 Want het zal te dien dage geschieden, dat de HEERE zal toesissen de vliegen, die aan het einde van de rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn.
Jes 7:19 En zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven der rotsen, en in al de doornhagen, en in alle weiden.
Jes 7:20 Te dien dage zal de Heere door een gehuurd scheermes, dat aan gene zijde van de rivier is, door de koning van AssyriŽ, afscheren het hoofd, en het haar der voeten; ja, het zal ook de baard geheel wegnemen.
Jes 7:21 En het zal geschieden te dien dage, dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en twee schapen;
Jes 7:22 En het zal geschieden, dat hij vanwege de hoeveelheid melk, die zij geven zullen, boter zal eten; ja, een ieder, die overgebleven zal zijn in het midden van het land, die zal boter en honing eten.
Jes 7:23 Ook zal het in diezelfde dag geschieden, dat iedere plaats, alwaar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, tot doornen en distels zal zijn;
Jes 7:24 Dat men met pijlen en met de boog aldaar zal moeten gaan; want het ganse land zal doornen en distels zijn.
Jes 7:25 Ook al de bergen, die men met houwelen pleegt te bewerken, daar zal men niet komen uit vrees voor de doornen en de distels; maar die zullen zijn om de ossen in te jagen, en door het kleinvee te laten vertreden.

Hoofdstuk 8
Jes 8:1 Verder zei de HEERE tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met de griffel van een mens: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit!
Jes 8:2 Toen nam ik mij getrouwe getuigen, Uria, de priester, en Zacharia, de zoon van Jeberechja.
Jes 8:3 En ik was tot de profetesse genaderd, die werd zwanger, en baarde een zoon; en de HEERE zei tot mij: Noem zijn naam Maher-schalal, Chazbaz.
Jes 8:4 Want eer dat knechtje zal kunnen roepen: Mijn vader! of, mijn moeder! zal men de rijkdom van Damaskus, en de buit van Samaria dragen voor het aangezicht van de koning van Assur.
Jes 8:5 En de HEERE sprak nog verder tot mij, zeggende:
Jes 8:6 Omdat dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia;
Jes 8:7 Daarom ziet, zo zal de Heere over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren der rivier, de koning van AssyriŽ en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers;
Jes 8:8 En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan de hals reiken; en de uitstrekking van zijn vleugels zullen de breedte van uw land vervullen, o Immanuel!

Jes 8:9 Trekt samen op, gij volken! doch wordt verbroken; en neemt ter ore, allen gij, die in verre landen zijt, versterkt u, doch wordt verbroken; versterkt u, doch wordt verbroken!
Jes 8:10 Maakt een voornemen, doch het zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons!
Jes 8:11 Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op de weg van dit volk, zeggende:
Jes 8:12 Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest gijlieden hun vrees niet, en verschrikt niet.
Jes 8:13 De HEERE der heirscharen, zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vrees, en Hij zij uw verschrikking.
Jes 8:14 Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rots der struikeling de twee huizen van Israel, tot een strik en tot een net de inwoners te Jeruzalem.
Jes 8:15 En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.

Jes 8:16 Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen.
Jes 8:17 Daarom zal ik de Heere verwachten, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, ik zal Hem verwachten.
Jes 8:18 Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israel, van de HEERE der heirscharen, Die op de berg Sion woont.
Jes 8:19 Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en tovenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen, zal men voor de levenden de doden vragen?
Jes 8:20 Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.
Jes 8:21 En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;
Jes 8:22 Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid.

Hoofdstuk 9
Jes 9:1 (8:23) Maar het land, dat beangstigd was, zal niet helemaal verduisterd worden; gelijk als Hij het in de eerste tijd verachtelijk gemaakt heeft, het land van Zebulon en het land van Nafthali, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, aan de weg zeewaarts gelegen over de Jordaan, Galilea van de heidenen.
Jes 9:2 (9:1) Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, over hen zal een licht schijnen.
Jes 9:3 (9:2) Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans verheugd zijn voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in de oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.
Jes 9:4 (9:3) Want het juk van hun last, en de stok van hun schouders, en de staf van hen, die hen dreef, hebt Gij verbroken, zoals ten dage der Midianieten;
Jes 9:5 (9:4) Toen de ganse strijd van hen, die streden, met gedreun geschiedde, en de klederen in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel voor het vuur.
Jes 9:6 (9:5) Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;
Jes 9:7 (9:6) Aan de grootheid van deze heerschappij en van deze vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van de HEERE der legerscharen zal zulks doen.

Jes 9:8 (9:7) De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israel.
Jes 9:9 (9:8) En al dit volk zal het gewaar worden, EfraÔm en de inwoner van Samaria; die in hoogmoed en grootsheid des harten, zeggen:
Jes 9:10 (9:9) De tichelstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in ceders veranderen;
Jes 9:11 (9:10) Want de HEERE zal Rezins tegenstanders tegen hem verheffen, en Hij zal zijn vijanden aanporren:
Jes 9:12 (9:11) De SyriŽrs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israel opeten met volle mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
Jes 9:13 (9:12) Want dit volk keert zich niet tot Hem, Die het slaat, en de HEERE der legerscharen zoeken zij niet.
Jes 9:14 (9:13) Daarom zal de HEERE afhouwen uit Israel de kop en de staart, de tak en de bieze, op ťťn dag.
Jes 9:15 (9:14) -De oude en aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die valsheid leert, die is de staart.-
Jes 9:16 (9:15) Want de leiders van dit volk zijn verleiders, en die van hen geleid wordt, wordt ingeslokt.
Jes 9:17 (9:16) Daarom zal zich de Heere niet verblijden over hun jongelingen, en over hun wezen en hun weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen tezamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
Jes 9:18 (9:17) Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distels zal zij verteren, en aansteken de dichte struiken van het woud, die zich verheven hebben als de verheffing van rook.
Jes 9:19 (9:18) Vanwege de verbolgenheid van de HEERE der legerscharen, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel voor het vuur: de ťťn zal de ander niet ontzien.
Jes 9:20 (9:19) Zo hij ter rechterhand snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; tenslotte zal een ieder het vlees van zijn arm eten;
Jes 9:21 (9:20) Manasse. EfraÔm; EfraÔm, Manasse; en zij zullen tezamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.

Hoofdstuk 10
Jes 10:1 Wee, die onrechtvaardige inzettingen instellen, en de schrijvers, die moeite voorschrijven;
Jes 10:2 Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen van Mijn volk te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!
Jes 10:3 Maar wat zult gijlieden doen ten dage van de bezoeking, en van de verwoesting, die van verre komen zal? Tot wie zult gij vluchten om hulp, en waar zult gij uw heerlijkheid laten?
Jes 10:4 Dat zij zich niet zouden buigen onder de gevangenen, en vallen onder de gedoden? Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.

Jes 10:5 Wee de Assyrier, die de roede van Mijn toorn is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand!
Jes 10:6 Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk van Mijn verbolgenheid; opdat hij de roof rooft, en de buit plundert, en het ter vertreding stelt, als het slijk der straten.
Jes 10:7 Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart alzo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en niet weinige volken uit te roeien.
Jes 10:8 Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al tezamen koningen?
Jes 10:9 Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damaskus?
Jes 10:10 Zoals mijn hand gevonden heeft de koninkrijken der afgoden, ofschoon hun gesneden beelden beter zijn, dan die van Jeruzalem, en dan die van Samaria;
Jes 10:11 Gelijk als ik gedaan heb aan Samaria en aan haar afgoden, zou ik alzo niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan haar afgoden?
Jes 10:12 Want het zal geschieden, als de HEERE Zijn werk voltooid zal hebben op de berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik straffen de vrucht van de grootsheid van het hart van de koning van AssyriŽ, en de pracht van de hoogheid van zijn ogen.
Jes 10:13 Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb de grenzen der volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen neerdalen;
Jes 10:14 En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk bijeen geraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, bijeen raapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of de bek opendeed, of piepte.
Jes 10:15 Zal een bijl zich beroemen tegen die, die daarmee hakt? Zal een zaag pochen tegen die, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout?
Jes 10:16 Daarom zal de Heere HEERE der legerscharen onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als de brand van vuur.
Jes 10:17 Want het Licht van Israel zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, die in brand steken en verteren zal zijn doornen en zijn distels, op ťťn dag.
Jes 10:18 Ook zal Hij verteren de heerlijkheid van zijn woud en zijn vruchtbaar veld; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandeldrager onmachtig wordt.
Jes 10:19 En de overgebleven bomen van zijn woud zullen weinig in getal zijn, ja, een jongen zou ze opschrijven.

Jes 10:20 En het zal geschieden te dien dage, dat het overblijfsel van Israel, en de ontkomenen van het huis Jakobs niet meer steunen zullen op diegene, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige Israels, in waarheid.
Jes 10:21 Het overblijfsel zal wederkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de sterke God!
Jes 10:22 Want ofschoon uw volk, o Israel! is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is stellig besloten, overvloeiende met gerechtigheid.
Jes 10:23 Want een verdelging, die stellig besloten is, zal de Heere HEERE der legerscharen doen in het midden van dit hele land.

Jes 10:24 Daarom zegt de Heere HEERE der legerscharen alzo: Vreest niet, gij Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen, naar de wijze der Egyptenaren;
Jes 10:25 Want nog een zeer korte tijd, zo zal volbracht worden de gramschap, en Mijn toorn tot hun vernieling.
Jes 10:26 Want de HEERE der legerscharen zal tegen hem een gesel verwekken, gelijk de slachting van Midian was aan de rots van Oreb; en gelijk Zijn staf over de zee was, zo zal Hij het verheffen, naar de wijze der Egyptenaren.
Jes 10:27 En het zal geschieden in die dag, dat zijn last zal afgenomen worden van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verbroken worden omwille van de Gezalfde.
Jes 10:28 Hij komt te Ajath, hij trekt door Migron; te Michmas slaat hij zijn uitrusting op.
Jes 10:29 Zij trekken over de pas, te Geba overnachten zij; Rama beeft, Gibea Sauls vlucht.
Jes 10:30 Roep luid met uw stem, gij dochter van Gallim! laat ze horen tot Lais toe, o ellendig Anathoth!
Jes 10:31 Madmena vlucht weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen.
Jes 10:32 Nog een dag blijft hij te Nob; hij zal er zijn hand bewegen tegen de berg van de dochter van Sion, de heuvel van Jeruzalem.
Jes 10:33 Doch ziet, de Heere HEERE der legerscharen zal met geweld de takken afkappen, en die hoog van gestalte zijn, zullen nedergehouwen worden; en de verhevenen zullen vernederd worden.
Jes 10:34 En Hij zal met ijzer de dichte struiken van het woud omkappen; en de Libanon zal vallen door de Heerlijke.

Hoofdstuk 11
Jes 11:1 Want er zal een Takje voortkomen uit de afgehouwen tronk van IsaÔ, en een Scheut uit zijn wortels zal Vrucht voortbrengen.
Jes 11:2 En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest van wijsheid en van verstand, de Geest van raad en van sterkte, de Geest van kennis en van de vreze des HEEREN.
Jes 11:3 En Zijn ademen zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht van Zijn ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor van Zijn oren niet bestraffen.
Jes 11:4 Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen van het land met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond, en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
Jes 11:5 Want gerechtigheid zal de gordel van Zijn lenden zijn; ook zal waarheid de gordel van Zijn lenden zijn.
Jes 11:6 En de wolf zal bij het lam wonen, en de luipaard bij de geitenbok nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw, en het vette vee tezamen weiden, en een kleine jongen zal ze leiden.
Jes 11:7 De koe en de berin zullen tezamen weiden, hun jongen zullen tezamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os.
Jes 11:8 En een zoogkind zal zich vermaken met het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk.
Jes 11:9 Men zal nergens leed doen noch verderven op heel Mijn heilige berg; want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken.

Jes 11:10 En het zal geschieden in die dag, dat de heidenen naar de Wortel van IsaÔ, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.
Jes 11:11 En het zal geschieden te dien dage, dat de Heere voor de tweede keer Zijn hand uitstrekken zal om weder te verwerven het overblijfsel van Zijn volk, dat overgebleven zal zijn van AssyriŽ, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee.
Jes 11:12 En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israel verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier uiteinden van het aardrijk.
Jes 11:13 En de nijd van EfraÔm zal wegwijken, en de tegenstanders van Juda zullen uitgeroeid worden; EfraÔm zal Juda niet benijden, en Juda zal EfraÔm niet benauwen.
Jes 11:14 Maar zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen tezamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn.
Jes 11:15 Ook zal de HEERE de inham van de zee van Egypte verbannen, en Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier, door de kracht van Zijn wind; en Hij zal deze slaan in de zeven stromen, en Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan.
Jes 11:16 En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israel geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optrok.

Hoofdstuk 12
Jes 12:1 En diezelfde dag zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij.
Jes 12:2 Ziet, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de Heere HEERE is mijn Sterkte en mijn Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden.
Jes 12:3 En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils;
Jes 12:4 En zult in die dag zeggen: Dankt de HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.
Jes 12:5 Psalmzingt de HEERE, want Hij heeft heerlijke dingen gedaan; dit zij bekend op de hele aarde.
Jes 12:6 Juich en zing vrolijk, gij inwoners van Sion! want de Heilige Israels is groot in het midden van u.

Hoofdstuk 13
Jes 13:1 Profetie over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
Jes 13:2 Heft een banier op, op een hoge berg; verheft een stem tot hen; beweegt de hand omhoog, dat zij intrekken door de deuren der prinsen.
Jes 13:3 Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken van Mijn hoogheid.
Jes 13:4 Er is een rumoer op de bergen, als van een groot volk; een stem van gedruis der koninkrijken, van verzamelde heidenen; de HEERE der legerscharen monstert de legermacht.
Jes 13:5 Zij komen uit een ver land, van het einde van de hemel; de HEERE en de instrumenten van Zijn gramschap, om dit hele land te verderven.

Jes 13:6 Huilt gijlieden, want de dag des HEEREN is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige.
Jes 13:7 Daarom zullen alle handen slap worden, en het hart van alle mensen zal smelten;
Jes 13:8 En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeŽn zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw; een ieder ziet zijn naaste verbaasd aan; hun aangezichten zullen rood van schrik zijn.
Jes 13:9 Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en brandende toorn, om het land te verwoesten, en zijn zondaars daaruit te verdelgen.
Jes 13:10 Want de sterren en sterrenbeelden van de hemel zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen.
Jes 13:11 Want Ik zal aan de wereld de boosheid bezoeken, en aan de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal de hoogmoed der hoogmoedigen doen ophouden, en de hovaardij der tirannen zal Ik vernederen.
Jes 13:12 Ik zal maken, dat een man kostbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir.
Jes 13:13 Daarom zal Ik de hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid van de HEERE der legerscharen, en vanwege de dag van Zijn brandende toorn.
Jes 13:14 En een ieder zal zijn als een verjaagde ree, en als een schaap zonder herder; een ieder zal naar zijn volk omzien, en een ieder zal naar zijn land vluchten.
Jes 13:15 Al wie gevonden wordt, zal doorstoken worden, en al wie daarbij hoort, zal door het zwaard vallen.
Jes 13:16 Ook zullen hun kinderen voor hun ogen verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden.
Jes 13:17 Ziet, Ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten, en in het goud zullen zij geen behagen scheppen.
Jes 13:18 Maar hun bogen zullen de jongelingen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht van de schoot; hun oog zal de kinderen niet verschonen.

Jes 13:19 Alzo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de trots der ChaldeŽn, zijn gelijk zoals God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft.
Jes 13:20 Daar zal geen woonplaats zijn in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen er niet legeren.
Jes 13:21 Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren van de woestijn, en hun huizen zullen vervuld worden met huilend gedierte, en daar zullen de jonge struisvogels wonen, en de demonen zullen er huppelen.
Jes 13:22 En wilde dieren der eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkaar toeroepen, mitsgaders de wilde honden in de weelderige paleizen; hun tijd toch is nabij om te komen, en hun dagen zullen niet verlengd worden.

Hoofdstuk 14
Jes 14:1 Want de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen, en Hij zal Israel nog verkiezen, en Hij zal hen in hun land doen wonen; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen.
Jes 14:2 En de volken zullen hen aannemen, en in hun plaats brengen; en het huis Israels zal hen erfelijk bezitten in het land des HEEREN tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers.
Jes 14:3 En het zal geschieden ten dage, wanneer u de HEERE rust geven zal van uw smart, en van uw beroering, en van de harde dienstbaarheid, waarin men u heeft doen dienen;

Jes 14:4 Dan zult gij deze spreuk opnemen tegen de koning van Babel, en zeggen: Hoe is de onderdrukker ten einde! Hoe is de goud gewaardeerde opgehouden!
Jes 14:5 De HEERE heeft de stok der goddelozen gebroken, de scepter der heersers.
Jes 14:6 Die de volken plaagde in verbolgenheid met een plaag zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerste, met niet aflatende vervolging.
Jes 14:7 De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.
Jes 14:8 Ook verheugen zich de dennen over u, en de ceders van Libanon, zeggende: Sinds dat gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwt.
Jes 14:9 Het dodenrijk onderin was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, toen u kwam; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen van de heidenen van hun tronen opstaan.
Jes 14:10 Die allen zullen antwoorden, en tot u zeggen: Gij zijt ook krachteloos geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden.
Jes 14:11 Uw hovaardij is in het dodenrijk neergestort, met het geklank van uw luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken.
Jes 14:12 Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o morgenster, gij zoon van de dageraad! hoe zijt gij ter aarde neergehouwen, gij, die de heidenen hebt gekrenkt!
Jes 14:13 En zei in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.
Jes 14:14 Ik zal boven de hoogten van de wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden.
Jes 14:15 Ja, in het dodenrijk zult gij nedergestoten worden, aan de zijden van de kuil!
Jes 14:16 Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
Jes 14:17 Die de wereld als een woestijn stelde, en haar steden verstoorde, die zijn gevangenen niet vrij naar huis liet gaan?
Jes 14:18 Al de koningen van de heidenen, zij allen liggen neder met eer, een ieder in zijn huis;
Jes 14:19 Maar gij zijt ver weggeworpen van uw graf, als een gruwelijk uitspruitsel, als een kleed der gedoden, die met het zwaard doorstoken zijn; als die neerdalen in het gesteente van de kuil, als een plat getreden dood lichaam.
Jes 14:20 Gij zult bij hen niet gevoegd worden in de begrafenis; want gij hebt uw land verdorven, en uw volk gedood; het zaad der boosdoeners zal in eeuwigheid niet genoemd worden.
Jes 14:21 Maakt de slachting voor zijn kinderen gereed, vanwege de ongerechtigheid van hun vaderen; dat zij niet opstaan, en de aarde erven, en de wereld vervullen met steden;
Jes 14:22 Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt de HEERE der legerscharen, en Ik zal van Babel uitroeien de naam en het overblijfsel, en de zoon en de kleinzoon, spreekt de HEERE.
Jes 14:23 En Ik zal hen stellen tot een erfenis der nachtuilen, en tot waterpoelen; en Ik zal hen met een bezem des verderfs uitvegen, spreekt de HEERE der legerscharen.

Jes 14:24 De HEERE der legerscharen heeft gezworen, zeggende: Gelijk Ik gedacht heb, zal het geschieden, en gelijk Ik beraadslaagd heb, zal het bestaan!
Jes 14:25 Dat Ik Assur in Mijn land zal verbreken, en hem op Mijn bergen vertreden; opdat zijn juk van hen wordt afgenomen, en zijn last van hun schouder.
Jes 14:26 Dit is het voornemen, dat beraadslaagd is over dat ganse land; en dit is de hand, die uitgestrekt is over alle volken.
Jes 14:27 Want de HEERE der legerscharen heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan verbreken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren?
Jes 14:28 In het jaar, toen de koning Achaz stierf, werd deze profetie gesproken:
Jes 14:29 Verheug u niet, gij gans Palestina! dat de roede die u sloeg, gebroken is; want uit de wortel der slang zal een basilisk voortkomen, en haar vrucht zal een wegschietende, giftige slang zijn.
Jes 14:30 Maar de eerstgeborenen der armen zullen weiden, en de nooddruftigen zullen veilig nederliggen; uw wortel daarentegen zal Ik door de honger doden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen.
Jes 14:31 Huil, gij poort, schreeuw, gij stad! gij zijt gesmolten, gij gans Palestina! want van het noorden komt een rook, en er blijft niemand achter in zijn samenkomsten.
Jes 14:32 Wat zal men dan antwoorden aan de boden van het volk? Dat de HEERE Sion gefundeerd heeft, opdat de bedrukten van Zijn volk een toevlucht daarin hebben zouden.

Hoofdstuk 15
Jes 15:1 Profetie over Moab. Omdat Ar -in de nacht- werd verwoest is Moab verloren; Omdat Kir -in de nacht- werd verwoest is Moab verloren!
Jes 15:2 Hij gaat op naar Baith en Dibon, de hoge plaatsen, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, van allen is de baard afgesneden.
Jes 15:3 In hun straten lopen zij met zakken aangegord; op hun daken en op hun straten huilen zij allen, gaan huilend weg.
Jes 15:4 Zo Hesbon als Eleale schreeuwt, hun stem wordt gehoord tot Jahaz toe; daarom maken de gewapenden van Moab een geschrei, ieders ziel in hem is kwalijk gesteld.
Jes 15:5 Mijn hart schreeuwt over Moab, haar vluchtelingen vluchten naar Zoar, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar HoronaÔm laten zij een kreet vanwege de verwoesting horen.
Jes 15:6 Want de wateren van Nimrim zullen enkel verwoesting wezen; en het gras is verdord, het tedere gras is vergaan, er is geen groente.
Jes 15:7 Daarom zullen zij de overvloed, die zij vergaderd hebben, en hetgeen zij weggelegd hebben, aan de beek der wilgen voeren.
Jes 15:8 Want dat geschreeuw zal gaan langs de grenzen van Moab, haar gehuil tot EglaÔm toe, ja, tot BeŽr-elim toe zal haar gehuil zijn.
Jes 15:9 Want de wateren van Dimon zijn vol bloed, want Ik zal nog meer over Dimon brengen: te weten leeuwen over de ontkomenen van Moab, mitsgaders over het overblijfsel van het land.

Hoofdstuk 16
Jes 16:1 Zendt de lammeren van de heerser van het land van Sela, naar de woestijn, tot de berg der dochter van Sion.
Jes 16:2 Anders zal het geschieden, dat de dochters van Moab aan de veren van Arnon zullen zijn, als een zwervende vogel, die uit het nest gedreven is.
Jes 16:3 Geef raad, houdt gericht, maakt uw schaduw op het midden van de middag, als van de nacht; verbergt de verdrevenen, en verraadt de vluchteling niet.
Jes 16:4 Laat mijn verdrevenen onder u verkeren; Moab aangaande, wees gij hun een schuilplaats voor het aangezicht van de verstoorders; want de onderdrukker heeft een einde, de verstoring is teniet geworden, de vertreders zijn van de aarde verdaan.
Jes 16:5 Want er zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid, en daarop zal bestendig iemand zitten in de tent van David, iemand, die oordeelt en het recht zoekt, en vaardig is ter gerechtigheid.

Jes 16:6 Wij hebben gehoord de hovaardij van Moab, hij is zeer hovaardig; zijn hoogmoed, en zijn hovaardij, en zijn verbolgenheid; zijn listen zullen niet slagen.
Jes 16:7 Daarom zal Moab over Moab huilen, allen zullen zij huilen; over de fundamenten van Kir-hareseth zult gij zuchten, gewis, zij zijn gebroken.
Jes 16:8 Want de velden van Hesbon verkwijnen, ook de wijnstok van Sibma, de heren der heidenen hebben zijn uitgelezen planten verpletterd; zij reiken tot Jaezer toe, zij dwalen door de woestijn; hun takken zijn uitgespreid, zijn overzee gegaan.
Jes 16:9 Daarom beween ik, in het wenen over Jaezer, de wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale! want het vreugdegeroep over uw zomervruchten en over uw oogst is ten einde;
Jes 16:10 Alzo dat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiventreder treedt geen wijn uit in de wijnpersbakken, Ik heb het vreugdegeroep doen ophouden.
Jes 16:11 Daarom klinkt mijn hart over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-heres.
Jes 16:12 En het zal geschieden, als men zien zal, dat Moab vermoeid is geworden op de hoogten, dan zal hij in zijn heiligdom gaan om te aanbidden, maar hij zal niet vermogen.
Jes 16:13 Dit is het woord, dat de HEERE tegen Moab in het verleden gesproken heeft.
Jes 16:14 Maar nu spreekt de HEERE, zeggende: Binnen drie jaren -als de jaren van een huurling-, dan zal de eer van Moab jammerlijk gemaakt worden, met heel zijn grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.

Hoofdstuk 17
Jes 17:1 Profetie over Damaskus. Ziet, Damaskus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer is, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn.
Jes 17:2 De steden van AroŽr zullen verlaten worden; voor de kudden zullen zij wezen, die zullen daar nederliggen, en niemand zal ze verschrikken.
Jes 17:3 En geen versterkte plaats zal langer een toevlucht bieden in EfraÔm, en het koninkrijk van Damaskus, en het overblijfsel der SyriŽrs; zij zullen zijn gelijk de glorie van de kinderen Israels, spreekt de HEERE der legerscharen.
Jes 17:4 En het zal geschieden te dien dage, dat de heerlijkheid van Jakob armzalig zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal.
Jes 17:5 Want hij zal zijn, zoals wanneer een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest in het dal der reuzen.
Jes 17:6 Doch een nalezing zal daarin overblijven, zoals in het afschudden van een olijfboom, twee of drie bessen in de top van de opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt de HEERE, de God van Israel.

Jes 17:7 Te dien dage zal de mens zien naar zijn Maker, en zijn ogen zullen op de Heilige Israels zien.
Jes 17:8 En hij zal niet zien naar de altaren, het werk van zijn handen; ook hetgeen zijn vingers gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen, noch de zonnebeelden.

Jes 17:9 Te dien dage zullen zijn sterke steden zijn, als een kale struik, en als een opperste tak; zoals zij ooit verlaten werden, vanwege de kinderen Israels, en daar zal verwoesting zijn.
Jes 17:10 Want gij hebt de God van uw heil vergeten, en niet gedacht aan de Rots van uw sterkte; daarom zult gij wel lieflijke planten planten, en gij zult het met buitenlandse ranken enten;
Jes 17:11 Ten dage, als gij ze zult geplant hebben, zult gij die laten groeien, en in de morgenstond zult gij uw zaad doen bloeien; doch de oogst zal maar een hoop zijn, in de dag van ziekte en pijnlijke smart.

Jes 17:12 Wee het oproer van grote volken, die daar bruisen, gelijk de zeeŽn bruisen; en wee het geruis der natiŽn, die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren ruisen!
Jes 17:13 De natiŽn zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; doch Hij zal hen berispen, ze zullen ver wegvluchten, ja, gejaagd worden, als het kaf van de bergen door de wind, en gelijk een warrelend voorwerp door de wervelwind.
Jes 17:14 Ten tijde van de avond, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel van hen die ons beroven, en het lot van degenen, die ons plunderen.

Hoofdstuk 18
Jes 18:1 Wee het land van geluid van vleugels, aan de overzijde van de rivieren van EthiopiŽ;
Jes 18:2 Dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren, zeggende: Gaat heen, gij snelle boden! tot een volk, dat uiteen getrokken is en gepeld, tot een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren bederven.
Jes 18:3 Alle gij ingezetenen der wereld, en gij inwoners der aarde! als men de banier zal oprichten op de bergen, zult gijlieden het zien, en als de bazuin zal blazen, zult gijlieden het horen.
Jes 18:4 Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ik zal stil zijn, en zien in Mijn woning, als de glinsterende hitte na de regen, als een wolk van dauw in de hitte van de oogst;
Jes 18:5 Want voor de oogst, als de knop volgroeid is, en de onrijpe druif rijp wordt na de bloesem, zo zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden, en de takken wegdoen en afkappen.
Jes 18:6 Zij zullen tezamen overgelaten worden aan de roofvogels der bergen, en de dieren der aarde; en de roofvogels zullen op hen de zomer doorbrengen, en alle dieren der aarde zullen daarop overwinteren.
Jes 18:7 Te dien tijd zal de HEERE der legerscharen een geschenk gebracht worden door het volk, dat uiteen getrokken is en gepeld, en van het volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren bederven; tot de plaats van de Naam van de HEERE der legerscharen, tot de berg Sion.

Hoofdstuk 19
Jes 19:1 Profetie over Egypte. Ziet, de HEERE rijdt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden vanwege Zijn aangezicht, en het hart der Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen.
Jes 19:2 Want Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden een ieder tegen zijn broeder, en een ieder tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk.
Jes 19:3 En de geest der Egyptenaren zal ledig worden in het binnenste van hen, en hun raad zal Ik vernietigen; dan zullen zij hun afgoden vragen, en de bezweerders, en de waarzeggers, en de tovenaars.
Jes 19:4 En Ik zal de Egyptenaren overleveren in de hand van harde heren, en een strenge koning zal over hen heersen, spreekt de Heere HEERE der legerscharen.
Jes 19:5 En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal opraken en droog worden.
Jes 19:6 De rivieren zullen stinken, lager worden en uitdrogen, en de afgedamde stromen opdrogen; riet en bieze zullen verwelken.
Jes 19:7 Het papiergewas bij de stromen, aan de oevers van de stromen, en al het gezaaide aan de stromen, zal verdorren; het zal weggedaan worden, en niet meer zijn.
Jes 19:8 En de vissers zullen treuren, en allen, die de vishaak in de stromen werpen, zullen rouwen; en die het werpnet uitbreiden op de wateren, zullen wegkwijnen.
Jes 19:9 En de werkers in het fijne vlas zullen beschaamd worden, ook de wevers van het witte linnen.
Jes 19:10 En zij zullen met hun fundamenten verbrijzeld worden, allen, die sluizen en vijvers voor vissen maken.
Jes 19:11 Gewis, de vorsten van Zoan zijn dwazen, de raad der wijzen, der raadgevers van Farao, is dwaas geworden; hoe kunt gijlieden dan zeggen tot Farao; Ik ben een zoon der wijzen, een zoon der oude koningen?
Jes 19:12 Waar zijn nu uw wijzen? Dat zij u nu te kennen geven of verklaren, wat de HEERE der legerscharen beraadslaagd heeft tegen Egypte.
Jes 19:13 De vorsten van Zoan zijn zot geworden, de vorsten van Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen, zij, die de hoeksteen van de stammen zijn.
Jes 19:14 De HEERE heeft een zeer verkeerde geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om en om wentelt in zijn braaksel.
Jes 19:15 En er zal geen werk wezen voor de Egyptenaren, dat het hoofd of de staart, de tak of de bieze kan doen.
Jes 19:16 Te dien dage zullen de Egyptenaren zijn als de vrouwen; en zij zullen beven en vrezen vanwege de beweging van de hand van de HEERE der legerscharen, die Hij tegen hen bewegen zal.
Jes 19:17 En het land van Juda zal de Egyptenaren tot een schrik zijn; ieder die er over spreken zal, die zal in zichzelf bevreesd zijn vanwege de raad van de HEERE der legerscharen, die Hij tegen hen beraadslaagd heeft.

Jes 19:18 Te dien dage zullen er vijf steden in Egypteland zijn, die de taal van Kanašn zullen spreken, en de HEERE der legerscharen zweren; ťťn zal genoemd zijn: stad van verwoesting.
Jes 19:19 Te dien dage zal de HEERE een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken voor de HEERE aan haar grenzen.
Jes 19:20 En het zal zijn tot een teken, en tot een getuigenis voor de HEERE der legerscharen in Egypteland, want zij zullen tot de HEERE roepen vanwege de onderdrukkers, en Hij zal hun een Heiland, een Machtige, zenden Die hen zal verlossen.
Jes 19:21 En de HEERE zal de Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaren zullen de HEERE kennen te dien dage; en zij zullen Hem dienen met slachtoffer en spijsoffer, en zij zullen de HEERE een gelofte beloven en betalen.
Jes 19:22 En de HEERE zal de Egyptenaren slaan, slaan en genezen; en zij zullen zich tot de HEERE bekeren, en Hij zal Zich van hen verbidden laten, en Hij zal hen genezen.
Jes 19:23 Te dien dage zal er een gebaande weg zijn van Egypte naar AssyriŽ, zodat de AssyriŽrs in Egypte, en de Egyptenaren in AssyriŽ komen zullen; en de Egyptenaren zullen met de AssyriŽrs de Heere dienen.
Jes 19:24 Te dien dage zal Israel de derde wezen met de Egyptenaren en met de AssyriŽrs, een zegen in het midden van de aarde.
Jes 19:25 Want de HEERE der legerscharen zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaren, en de AssyriŽrs, het werk van Mijn handen, en Israel, Mijn erfdeel!

Hoofdstuk 20
Jes 20:1 In het jaar, toen Tartan naar Asdod kwam, als hem Sargon, de koning van AssyriŽ gezonden had, toen hij oorlog voerde tegen Asdod, en het innam;
Jes 20:2 Te zelfder tijd sprak de HEERE, door de dienst van Jesaja, de zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind de zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed alzo, gaande onbedekt en barvoets
Jes 20:3 Toen zei de HEERE: Gelijk als Mijn knecht Jesaja onbedekt en barvoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over EthiopiŽ;
Jes 20:4 Alzo zal de koning van AssyriŽ voortdrijven de gevangenen der Egyptenaren, en de EthiopiŽrs, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, onbedekt en barvoets, en met onbedekte billen, de Egyptenaren tot schaamte.
Jes 20:5 En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de EthiopiŽrs, naar wie zij opzagen, en van de Egyptenaren, hun roem.
Jes 20:6 En de inwoners van dit kustland zullen te dien dage zeggen: Ziet, alzo is het gegaan met degenen, naar wie wij opzagen, waar wij heen vluchtten om hulp, om gered te worden van het aangezicht van de koning van AssyriŽ; hoe zullen wij dan ontkomen?

Hoofdstuk 21
Jes 21:1 Profetie over de woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land.
Jes 21:2 Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger haar, o MediŽ! Ik heb al haar zuchten doen ophouden.
Jes 21:3 Daarom zijn mijn lenden vol siddering, pijnen hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeŽn van een, die baart; ik krom mij zodat ik niet hoor, ik word ontsteld zodat ik niet zie.
Jes 21:4 Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.
Jes 21:5 Bereid de tafel, zie toe, gij wachter! eet, drink; maakt u op, gij vorsten, bestrijkt het schild!
Jes 21:6 Want aldus heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet.
Jes 21:7 En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kamelen; en hij luisterde ijverig met grote oplettendheid.
Jes 21:8 En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op de wachttoren gedurig bij dag, en op mijn hoede zet ik mij ganse nachten.
Jes 21:9 En zie nu, daar komt een stoet mannen, en ruiters twee aan twee! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden van haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde.
Jes 21:10 O mijn dorsing, en de tarwe van mijn dorsvloer! wat ik gehoord heb van de HEERE der legerscharen, de God van Israel, dat heb ik ulieden aangezegd.

Jes 21:11 Profetie voor Duma. Men roept tot mij uit SeÔr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht?
Jes 21:12 De wachter zei: De morgenstond is gekomen, en ook de nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; komt terug, komt.

Jes 21:13 Profetie over ArabiŽ. In het woud van ArabiŽ zult gijlieden overnachten, o gij karavanen van Dedanieten!
Jes 21:14 Komt de dorstige tegemoet met water; de inwoners van het land van Thema zijn de vluchtende met brood tegemoet gekomen.
Jes 21:15 Want zij vluchten voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, en voor de gespannen boog, en voor de smarten van de oorlog.
Jes 21:16 Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, zoals de jaren van een dagloner, zo zal de heerlijkheid van Kedar te gronde gaan.
Jes 21:17 En het overgebleven getal van de schutters, de helden der Kedarenen, zal klein worden, want de HEERE, de God van Israel heeft het gesproken.

Hoofdstuk 22
Jes 22:1 Profetie over het dal van het gezicht. Wat is u nu, dat gij allen op de daken klimt?
Jes 22:2 Gij, die vol van groot gedruis waart, gij woelige stad, gij, vrolijke stad, Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in de strijd.
Jes 22:3 Al uw oversten zijn tezamen weggevlucht; zij zijn door de schutters gebonden, allen, die in u gevonden zijn, zijn samengebonden; ook zij die van verre kwamen gevlucht.
Jes 22:4 Daarom zeg ik: Wendt het gezicht van mij af; laat mij bitter wenen; dringt niet aan, om mij te troosten over de verstoring van de dochter van mijn volk.
Jes 22:5 Want het is een dag van beroering, en van vertreding, en van verwarring van de Heere, de HEERE der legerscharen, in het dal van het gezicht; een dag van het neerhalen van de muur, en van geschreeuw naar het gebergte.
Jes 22:6 Want Elam heeft de pijlkoker genomen, de man is op de wagen, er zijn ruiters; en Kir ontbloot het schild.
Jes 22:7 En het zal geschieden, dat uw uitgelezen dalen vol wagens zullen zijn, en gewis dat de ruiters zich zullen opstellen aan de poort.

Jes 22:8 En hij zal het deksel van Juda ontdekken; en te dien dage zult gij zien naar de wapens in het huis van het woud.
Jes 22:9 En gijlieden zult schouwen de reten van de stad Davids, omdat zij vele zijn; en gij zult de wateren van de onderste vijver vergaderen.
Jes 22:10 Gij zult ook de huizen van Jeruzalem tellen; en gij zult huizen afbreken, om de muren te versterken.
Jes 22:11 Ook zult gij een gracht maken tussen beide muren, voor de wateren van de oude vijver, maar gij zult niet opwaarts zien naar de Maker daarvan, noch aanmerken Diegene, Die dat van verre tijden geformeerd heeft.
Jes 22:12 En te dien dage zal de Heere, de HEERE der legerscharen, oproepen tot geween, en tot rouwklacht, en tot kaalheid, en tot omgording met een zak.
Jes 22:13 Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven.
Jes 22:14 Maar de HEERE der legerscharen heeft Zich voor mijn oren geopenbaard, zeggende: Indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt, totdat gij sterft! zegt de Heere, de HEERE der legerscharen.

Jes 22:15 Alzo zegt de Heere, de HEERE der legerscharen: Ga heen, ga in tot die schatmeester, tot Sebna, de hofmeester, en spreek:
Jes 22:16 Wat hebt gij hier, of wie hebt gij hier, dat gij u hier een graf uitgehouwen hebt als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die een woning voor zich op een rotssteen laat aftekenen?
Jes 22:17 Zie, de HEERE zal u wegwerpen zoals een man werpt, en Hij zal u gans overdekken.
Jes 22:18 Hij zal u gewis voortrollen, gelijk men een bal rolt, in een groot land; aldaar zult gij sterven, en aldaar zullen uw heerlijke wagens zijn, o gij schandvlek van het huis uws heren!
Jes 22:19 En Ik zal u afstoten van uw staat, en van uw stand zal Hij u verstoren.
Jes 22:20 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Mijn knecht, Eljakim, de zoon van Hilkia, roepen zal.
Jes 22:21 En Ik zal hem met uw mantel bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal de inwoners te Jeruzalem en het huis van Juda tot een vader zijn.
Jes 22:22 En Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen.
Jes 22:23 En Ik zal hem als een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen tot een stoel ter ere voor het huis van zijn vader.
Jes 22:24 En men zal aan hem hangen al de heerlijkheid van het huis van zijn vader, het hele nageslacht van de minste tot de grootste, ook alle kleine vaten, van de vaten der bekers af, zelfs tot al de vaten der kruiken.
Jes 22:25 Te dien dage, spreekt de HEERE der legerscharen, zal die nagel, die aan een vaste plaats ingeslagen was, weggenomen worden; en hij zal afgehouwen worden, en hij zal vallen, en de last, die daaraan is, zal afgesneden worden; want de HEERE heeft het gesproken.

Hoofdstuk 23
Jes 23:1 Profetie over Tyrus. Huilt, gij schepen van Tarsis! want zij is verwoest, dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat; uit het land Chittim is het aan hen openbaar geworden.
Jes 23:2 Zwijgt, gij inwoners van het eiland! gij, die door de kooplieden van Sidon, over zee varende, werd aangevuld,
Jes 23:3 En wiens inkomst was het zaad van Sichor over de grote wateren, de oogst van de Nijl; en zij was de markt der natiŽn.
Jes 23:4 Word beschaamd, o Sidon! want de zee spreekt, ja, de vesting der zee, zeggende: Ik heb geen barensnood gehad, ik heb ook niet gebaard, en ik heb geen jongelingen grootgebracht, en geen jongedochters opgevoed.
Jes 23:5 Gelijk als het geweest is met de tijding van Egypte, zo zal men ook verschrikken, als men van Tyrus horen zal.
Jes 23:6 Vaart over naar Tarsis, huilt, gij inwoners van het eiland!
Jes 23:7 Is dit uw vrolijke stad? waarvan de oudheid wel van oude dagen af is; maar haar eigen voeten zullen haar ver wegdragen, om in vreemde landen te verkeren.
Jes 23:8 Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, waarvan de kooplieden vorsten zijn, en de handelaars de eerbiedwaardigen in het land zijn?
Jes 23:9 De HEERE der legerscharen heeft het beraadslaagd, opdat Hij ontheilige de hovaardij van de roemrijken, om al de eerbiedwaardigen van de aarde verachtelijk te maken.
Jes 23:10 Ga door naar uw land, als een rivier, gij dochter van Tarsis! er is geen gordel meer.
Jes 23:11 Hij heeft Zijn hand uitgestrekt over de zee, Hij heeft de koninkrijken beroerd; de HEERE heeft bevel gegeven tegen Kanašn, om haar sterkten te verdelgen.
Jes 23:12 En Hij heeft gezegd: Gij zult niet meer vrolijk huppelen, o gij verdrukte maagd, gij dochter van Sidon! Naar Chittim toe, maak u op, vaar over; ook zult gij aldaar geen rust hebben.
Jes 23:13 Ziet, het land der ChaldeŽn; dit volk was er niet; Assur heeft het gefundeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun versterkte plaatsen op, en bouwden hun paleizen, maar Hij heeft het tot een vervallen hoop gesteld.
Jes 23:14 Huilt, gij schepen van Tarsis! want ulieder sterkte is verstoord.

Jes 23:15 En het zal geschieden te dien dage, dat Tyrus zal vergeten worden zeventig jaren, zoals de dagen van een koning; maar na zeventig jaren zal Tyrus als een hoer zingen.
Jes 23:16 Neem de harp, ga in de stad rondom, gij vergeten hoer! speel wel, zing veel liederen, opdat men zich u zal herinneren.
Jes 23:17 Want het zal geschieden ten einde van zeventig jaren, dat de HEERE Tyrus zal bezoeken, en dat zij wederkeren zal tot haar hoerenloon, hoererij bedrijvend met alle koninkrijken der aarde, die op de aardbodem zijn.
Jes 23:18 En haar koophandel en haar hoerenloon zal de HEERE heilig zijn, het zal niet ten schat vergaderd noch opgesloten worden; maar haar koophandel zal wezen voor hen, die voor de HEERE wonen, opdat zij eten tot verzadiging, en dat zij gedurig gekleed zijn.

Hoofdstuk 24
Jes 24:1 Ziet, de HEERE maakt het land ledig, en Hij maakt het woest; en Hij keert het om, en Hij verstrooit de inwoners daarvan.
Jes 24:2 En gelijk het volk, alzo zal de priester wezen; gelijk de knecht, alzo zijn heer; gelijk de dienstmaagd, alzo haar vrouw; gelijk de koper, alzo de verkoper; gelijk de lener, alzo de uitlener; gelijk de woekeraar, alzo die, van wie hij woeker ontvangt.
Jes 24:3 Dat land zal ten enenmale leeggeroofd worden, en het zal geheel beroofd worden; want de HEERE heeft dit woord gesproken.
Jes 24:4 Het land treurt, het verwelkt; het aardrijk kwijnt, het verkwijnt; de hoogsten van het volk van het land verkwijnen.
Jes 24:5 Want het land is ontheiligd vanwege zijn inwoners; want zij overtreden de wetten, zij veranderen de inzettingen, zij vernietigen het eeuwig verbond.
Jes 24:6 Daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners van het land verbrand worden, en er zullen weinig mensen overblijven.
Jes 24:7 De most treurt, de wijnstok kwijnt, allen die blijmoedig waren, zuchten.
Jes 24:8 De vreugde van tamboerijnen verstilt; het geluid van uitgelaten mensen verstilt, de vreugde van de harp verstilt.
Jes 24:9 Zij zullen geen wijn drinken met gezang; de sterke drank zal bitter zijn voor hen, die hem drinken.
Jes 24:10 De verwoeste stad is verbroken, al de huizen staan gesloten, dat er niemand in kan komen.
Jes 24:11 Er is een klaaglijk geroep op de straten vanwege de wijn; alle blijdschap is verduisterd, de vreugde van het land is weg.
Jes 24:12 Verwoesting is in de stad overgebleven, en de poort wordt in stukken geslagen.

Jes 24:13 Want in het midden van het land, in het midden van deze volken, zal het zijn gelijk het afschudden van de olijfboom, gelijk de nalezingen, als de wijnoogst geŽindigd is.
Jes 24:14 Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid des HEEREN zullen zij juichen van de zee af.
Jes 24:15 Daarom eert de HEERE in het land van de zon; in de eilanden der zee de Naam van de HEERE, de God van Israel.

Jes 24:16 Van het uiterste einde der aarde horen wij lofzangen, tot verheerlijking van de Rechtvaardige. Doch nu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij! de trouwelozen handelen trouweloos, met trouweloosheid handelen de trouwelozen trouweloos.
Jes 24:17 De vrees, de kuil, en de valstrik over u, o inwoners van het land!
Jes 24:18 En het zal geschieden, zo wie voor de stem van de vrees vluchten zal, die zal in de kuil vallen; en die uit de kuil opklimt, die zal in de strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fundamenten der aarde zullen beven.
Jes 24:19 De aarde zal geheel en al verbroken worden, de aarde zal geheel en al vaneen gescheurd worden, de aarde zal geheel en al bewogen worden.
Jes 24:20 De aarde zal geheel en al waggelen, gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weer bewogen worden, gelijk een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weer opstaan.
Jes 24:21 En het zal geschieden te dien dage, dat de HEERE bezoeking doen zal over de legerscharen van de hoge in de hoogte, en over de koningen van de aarde op de aarde.
Jes 24:22 En zij zullen verzameld worden, gelijk de gevangenen in een put, en zij zullen opgesloten worden in een gevangenis, maar na vele dagen weer bezocht worden.
Jes 24:23 En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als de HEERE der legerscharen regeren zal op de berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijn oudsten zal heerlijkheid zijn.

Hoofdstuk 25
Jes 25:1 HEERE! Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want Gij hebt wonderen gedaan; Uw raadslagen van verre tijden zijn waarheid en vastheid.
Jes 25:2 Want Gij hebt van de stad een steenhoop gemaakt; de vaste stad tot een vervallen hoop; het paleis der vreemdelingen, dat het geen stad meer zij, in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.
Jes 25:3 Daarom zal U een machtig volk eren, de stad der tirannieke volken zal U vrezen.
Jes 25:4 Want Gij zijt de arme een Sterkte geweest, een Sterkte de nooddruftige, toen hij bevreesd was; een Toevlucht tegen de vloed, een Schaduw tegen de hitte; want het blazen van de tirannen is als een vloed tegen een wand.
Jes 25:5 Gelijk de hitte in een dorre plaats, zult Gij de onstuimigheid der vreemdelingen neerdrukken; gelijk de hitte door de schaduw van een dikke wolk, zal het gezang der tirannen vernederd worden.

Jes 25:6 En de HEERE der legerscharen zal op deze berg alle volken een vette maaltijd maken, een maaltijd van reine wijn, van vet vol merg, van reine wijnen, die gezuiverd zijn.
Jes 25:7 En Hij zal op deze berg teniet doen het omwindsel van het aangezicht, waarmee alle volken omwonden zijn, en de bedekking, dže over alle natiŽn is uitgespreid.
Jes 25:8 Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de ganse aarde wegnemen; want de HEERE heeft het gesproken.

Jes 25:9 En men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.
Jes 25:10 Want de hand des HEEREN zal op deze berg rusten; maar Moab zal onder Hem vertreden worden, gelijk het stro vertreden wordt tot mest.
Jes 25:11 En Hij zal Zijn handen uitbreiden in het midden van hen, gelijk als een zwemmer die uitbreidt om te zwemmen, en Hij zal hun hoogmoed vernederen tegelijk met de listen van hun handen.
Jes 25:12 En Hij zal de hoge versterking van uw muren neerwerpen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde werpen, in het stof.

Hoofdstuk 26
Jes 26:1 Te dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen.
Jes 26:2 Doet de poorten open, opdat het rechtvaardige volk, dat de trouw bewaart, daarin gaat.
Jes 26:3 Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.
Jes 26:4 Vertrouwt op de HEERE tot in eeuwigheid; want de HEERE is God, een eeuwige rots.

Jes 26:5 Want Hij buigt, die in de hoogte wonen, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof komen.
Jes 26:6 De voet zal ze vertreden, de voeten van de ellendigen, de treden der armen.
Jes 26:7 De weg van de rechtvaardige is geheel effen, het pad van de rechtvaardige maakt Gij recht.
Jes 26:8 Wij hebben ook in de weg van Uw gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte van onze ziel.
Jes 26:9 Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners van de wereld gerechtigheid.
Jes 26:10 Wordt de goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij bedrijft onrecht in een oprecht land, en hij ziet de majesteit des HEEREN niet aan.
Jes 26:11 HEERE! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege de ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw tegenstanders verteren.

Jes 26:12 HEERE! Gij zult ons vrede beschikken, want Gij hebt ons ook al onze zaken gewerkt.
Jes 26:13 HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen vermelden wij Uw Naam.
Jes 26:14 Dood zijnde zullen zij niet weer leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan.
Jes 26:15 Gij, o HEERE! had dit volk vermeerderd, Gij had dit volk vermeerderd; Gij zijt verheerlijkt geworden; Gij hebt al de einden van de aarde ver weggedaan.
Jes 26:16 HEERE! in benauwdheid hebben zij U gezocht; in stilheid hebben zij hun gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was.
Jes 26:17 Gelijk een zwangere vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeŽn, alzo zijn wij geweest, o HEERE! vanwege Uw aangezicht.
Jes 26:18 Wij waren zwanger, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij hebben het land niet gered, ook vielen de inwoners der wereld niet neer.
Jes 26:19 Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw van moeskruiden, en de aarde zal de doden uitwerpen.

Jes 26:20 Kom, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren achter u toe; verberg u als voor een klein ogenblik, totdat de gramschap voorbij is.
Jes 26:21 Want ziet, de HEERE zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar verslagenen niet langer bedekt houden.

Hoofdstuk 27
Jes 27:1 Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken de Leviathan, de důůrdringende slang, ja, de Leviathan, de kronkelende slang; en Hij zal het monster, dat in de zee is, doden.
Jes 27:2 Te dien dage zal er een wijngaard van rode wijn zijn; zingt ervan bij beurte.
Jes 27:3 Ik, de HEERE, bescherm die, gedurig zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoekt, zal Ik hem bewaren nacht en dag.
Jes 27:4 Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou tegen Mij doorn en distel ten oorlog stellen? Ik zou tegen hem aanvallen, en hen tezamen verbranden.
Jes 27:5 Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.
Jes 27:6 In het toekomende zal Jakob wortel schieten, Israel zal bloeien en uitbotten; en zij zullen de wereld met hun vruchten vervullen.

Jes 27:7 Heeft Hij hem geslagen, gelijk Hij die geslagen heeft, die hem sloeg? Is hij gedood, met een slachting van hen, die door Hem zijn gedood?
Jes 27:8 Met mate hebt Gij met hem getwist, toen Gij hem wegstootte; toen Hij hem wegnam door Zijn harde wind, in de dag van de oostenwind.
Jes 27:9 Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de volle vrucht, van het wegnemen van zijn zonde: wanneer hij al de stenen van het altaar maken zal als verstrooide kalkstenen, de bossen en de zonnebeelden niet bestaan zullen.
Jes 27:10 Maar de versterkte stad zal eenzaam, de woonplaats zal verstoten en verlaten worden, als een wildernis; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij nederliggen, en zullen haar takken verslinden.
Jes 27:11 Als haar takken verdord zullen zijn, zullen zij afgebroken worden, en de vrouwen, komende, zullen ze aansteken; want het is geen volk van enig verstand; daarom zal Hij, Die het gemaakt heeft, Zich daarover niet ontfermen, en Die het geformeerd heeft, zal aan hen geen genade bewijzen.
Jes 27:12 En het zal te dien dage geschieden, dat de HEERE dorsen zal, van de stroom der rivier af tot aan de rivier van Egypte; doch gijlieden zult opgelezen worden, ťťn bij ťťn, o gij kinderen Israels!
Jes 27:13 En het zal te dien dage geschieden, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen, die in het land van Assur verloren zijn, en de weggedrevenen in het land van Egypte; en zij zullen de HEERE aanbidden op de heilige berg te Jeruzalem.

Hoofdstuk 28
Jes 28:1 Wee de trotse kroon van de dronkaards van EfraÔm, hun heerlijk sieraad is een afvallende bloem, die daar is op het hoofd van de vette vallei, van de verslagenen door de wijn.
Jes 28:2 Ziet, de Heere heeft een sterke en machtige, die als een hagelstorm, als een vloed van sterke wateren overstromend, hen ter aarde zal neerwerpen met de hand.
Jes 28:3 De trotse kronen van de dronkaards van EfraÔm zullen met voeten vertreden worden.
Jes 28:4 En de afvallende bloem van zijn heerlijk sieraad, die op het hoofd van de vette vallei is, zal zijn als een vroegrijpe vrucht voor de zomer, die, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijn hand is, door hem wordt opgeslokt.
Jes 28:5 Te dien dage zal de HEERE der legerscharen tot een heerlijke kroon en tot een sierlijke krans zijn voor de overgeblevenen van Zijn volk;
Jes 28:6 En tot een Geest van oordeel die, die ten oordeel zit, en tot een kracht degenen, die de strijd van de poort afwenden.
Jes 28:7 En ook dwalen dezen door de wijn, en zij dolen door de sterke drank; de priester en de profeet dwalen door de sterke drank; zij zijn verslonden door de wijn, zij dolen door sterke drank; zij dwalen in het gezicht; zij struikelen in de rechtspraak.
Jes 28:8 Want alle tafels zijn vol van braaksel, zodat er geen plaats schoon is.

Jes 28:9 Wie zou Hij dan de kennis leren, en wie zou Hij het gehoorde te verstaan geven? de gespeenden van de melk, die weggenomen zijn van de borsten?
Jes 28:10 Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig.
Jes 28:11 Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere taal tot dit volk spreken;
Jes 28:12 Tot wie Hij gezegd heeft: Dit is de rust, geeft de vermoeiden rust, en dit is de verkwikking; doch zij hebben niet willen horen.
Jes 28:13 Zo zal hun het woord des HEEREN zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; opdat zij heengaan, en achterwaarts vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden.

Jes 28:14 Daarom, hoort des HEEREN woord, gij bespotters, gij heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is!
Jes 28:15 Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met de dood gemaakt, en met het dodenrijk hebben wij een verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.
Jes 28:16 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gefundeerd is; wie gelooft, die zal niet haasten.
Jes 28:17 En Ik zal het recht stellen als richtsnoer, en de gerechtigheid als paslood; en de hagel zal de toevlucht van de leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen.
Jes 28:18 En uw verbond met de dood zal teniet worden, en uw verdrag met het dodenrijk zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, dan zult gijlieden daardoor vertreden worden.
Jes 28:19 Van de tijd af, dat hij doortrekt, zal hij ulieden wegnemen, want elke morgen zal hij voorttrekken, bij dag en bij nacht; en het zal geschieden, dat alleen al het gerucht te verstaan, enkel beroering wezen zal.
Jes 28:20 Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kan; en het dek zal te smal wezen, als men zich daarin wikkelt.
Jes 28:21 Want de HEERE zal Zich opmaken, gelijk op de berg Perazim, Hij zal toornen, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn!
Jes 28:22 Nu dan, drijft de spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van de Heere HEERE der legerscharen gehoord van een verdelging, ja, ťťn, die vast besloten is over het ganse land.

Jes 28:23 Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
Jes 28:24 Ploegt de ploeger de gehele dag om te zaaien? Opent en egt hij zijn land de gehele dag?
Jes 28:25 Is het niet alzo? Wanneer hij het bovenste daarvan effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken, en spreidt komijn, of hij werpt er van de beste tarwe in, of uitgelezen gerst, of spelt, elk aan zijn plaats.
Jes 28:26 En zijn God onderricht hem hoe dit te doen, Hij leert hem.
Jes 28:27 Want men dorst de wikken niet met de dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok;
Jes 28:28 Het broodkoren moet verbrijzeld worden, maar hij dorst het niet altijd; ook breekt hij het niet met het wiel van zijn wagens, noch verbrijzelt hij het met zijn paarden.
Jes 28:29 Ook dat komt voort van de HEERE der legerscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.

Hoofdstuk 29
Jes 29:1 Wee AriŽl, AriŽl! de stad, waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar; laat ze feestoffers slachten.
Jes 29:2 Evenwel zal Ik AriŽl beangstigen, en er zal treurnis en droefheid wezen, en die stad zal Mij gelijk een AriŽl (3:2)=brandofferaltaar) zijn.
Jes 29:3 Want Ik zal met een leger in het rond u omsingelen, en Ik zal u belegeren met bolwerken, en Ik zal vestingen tegen u opwerpen.
Jes 29:4 Dan zult gij vernederd worden, gij zult uit de aarde spreken, en uw spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen; en uw stem zal zijn uit de aarde als van een tovenaar, en uw spraak zal uit het stof piepen.
Jes 29:5 En de menigte van de, u vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte der tirannen als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik haastig geschieden.
Jes 29:6 Gij zult van de HEERE der legerscharen bezocht worden met donder, en met aardbeving, en groot geluid, met wervelwind, en onweer, en de vlam van een verterend vuur.
Jes 29:7 En gelijk de droom van een nachtgezicht is, alzo zal de menigte der heidenen zijn, die tegen AriŽl strijden zullen; ja, van allen, die tegen haar en haar vestingen strijden, en haar beangstigen zullen.
Jes 29:8 Het zal alzo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel ledig; of, gelijk als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; alzo zal de menigte van alle heidenen zijn, die de berg Sion beoorlogen.

Jes 29:9 Zij vertoeven, daarom verwondert u; zij zijn vrolijk, derhalve roept gijlieden; zij zijn dronken, maar niet door wijn; zij waggelen, maar niet door sterke drank.
Jes 29:10 Want de HEERE heeft over ulieden uitgegoten een geest van diepe slaap, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind.
Jes 29:11 Daarom is ulieden alle gezicht geworden als de woorden van een verzegeld boek, dat men geeft aan iemand, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld.
Jes 29:12 Of men geeft het boek aan iemand, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet lezen.
Jes 29:13 Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen; en hun vrees, waarmee zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;
Jes 29:14 Daarom, ziet, Ik zal voortgaan wonderlijk te handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid van zijn wijzen zal vergaan, en het verstand van zijn verstandigen zal zich verbergen.
Jes 29:15 Wee hen, die zich diep verbergen willen voor de HEERE, hun raad verbergende; hun werken geschieden in duisternis, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons?
Jes 29:16 Oh, die verkeerdheid van u, alsof de pottenbakker geacht werd als leem, dat het maaksel zei van zijn maker: Hij heeft mij niet gemaakt; en het geformeerde vat van zijn pottenbakker zei: Hij verstaat het niet.

Jes 29:17 Is het niet nog een heel korte tijd, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het, eens zo vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden?
Jes 29:18 En te dien dage zullen de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen der blinden, vanuit de donkerheid en vanuit de duisternis, zullen zien.
Jes 29:19 En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in de HEERE; en de armen onder de mensen zullen zich in de Heilige Israels verheugen.
Jes 29:20 Wanneer de tiran een einde zal hebben, en het met de bespotter uit zal zijn, en allen, die uitzien naar ongerechtigheid, uitgeroeid zullen zijn;
Jes 29:21 Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen diegene strikken, die hen bestraft in de poort; en die de rechtvaardige verdrijven om een nietig voorwendsel.
Jes 29:22 Daarom zegt de HEERE, Die Abraham verlost heeft, tot het huis van Jakob alzo: Jakob zal nu niet meer beschaamd worden, en nu zal zijn aangezicht niet meer verbleken;
Jes 29:23 Want als hij zijn kinderen, het werk van Mijn handen, zien zal in het midden van hen, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen de Heilige Jakobs heiligen, en de God van Israel vrezen.
Jes 29:24 En die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen zich laten leren.

Hoofdstuk 30
Jes 30:1 Wee de kinderen, die afvallen, spreekt de HEERE, om zonder Mij te beraadslagen, en om zich met een bedekking te beschermen, maar niet uit Mijn Geest, om zonde tot zonde te doen;
Jes 30:2 Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte.
Jes 30:3 Want de sterkte van Farao zal ulieden tot schaamte zijn, en de toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande.
Jes 30:4 Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes;
Jes 30:5 Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal.
Jes 30:6 Last van de dieren van het zuiden: naar het land van de angst en benauwdheid, waar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende slangen; hun goederen zullen zij voeren op de rug der veulens, en hun schatten op de bulten der kamelen, tot het volk, dat hun geen nut zal doen.
Jes 30:7 Want Egypte zal ijdel en tevergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen: stilzitten is hun kracht.

Jes 30:8 Nu dan, ga heen, schrijf voor hen op een tafel, en teken het in een boek, opdat het blijve tot de laatste dag, voor altijd, tot in eeuwigheid.
Jes 30:9 Want het is een weerspannig volk; het zijn leugenachtige kinderen; kinderen, die van de wet des HEEREN niet horen willen.
Jes 30:10 Die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet; en tot de profeten: Profeteer ons niet, wat recht is; spreekt tot ons zachte dingen, profeteer ons bedriegerijen.
Jes 30:11 Ga uit de weg, opzij van de baan; laat de Heilige Israels van ons ophouden!
Jes 30:12 Daarom, zo zegt de Heilige Israels: Omdat gijlieden dit woord verwerpt, en vertrouwt op onderdrukking en verkeerdheid, en steunt daarop:
Jes 30:13 Daarom zal ulieden deze misdaad zijn als een uitstulping in een hoge muur, welks breuk haastig in een ogenblik komen zal.
Jes 30:14 Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het verbrijzelen zal Hij niet verschonen; alzo dat van haar verbrijzeling niet een scherf zal gevonden worden, om vuur uit de haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht.
Jes 30:15 Want alzo zegt de Heere HEERE, de Heilige Israels: Door terugkeer en rust zoudt gijlieden behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; doch gij hebt niet gewild.
Jes 30:16 En gij zegt: Neen, maar op paarden zullen wij vluchten; daarom zult gij vluchten! En: Op snelle paarden zullen wij rijden; daarom zullen uw vervolgers ook snel zijn!
Jes 30:17 Duizend zullen vluchten voor het schelden van ťťn, voor het schelden van vijf zult gij allen vluchten; totdat gij overgelaten wordt, gelijk een mast op de top van een berg, en als een banier op een heuvel.

Jes 30:18 En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontfermt, want de HEERE is een God van gericht; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.
Jes 30:19 Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem; gij zult zeker niet wenen; gewis zal Hij u genadig zijn op de stem van uw geroep; zodra Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden.
Jes 30:20 De Heere zal u wel brood der benauwdheid, en wateren van verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugels wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien;
Jes 30:21 En uw oren zullen horen het woord van degene, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt daarin; als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhand.
Jes 30:22 En gij zult verontreinigen het overtreksel van uw zilveren gesneden beelden, en het overtreksel van uw gouden gegoten beelden; gij zult ze wegwerpen als iets onreins, en tot elk van die zeggen: Weg er mee!
Jes 30:23 Dan zal Hij uw zaad, waarmee gij het land bezaaid hebt, regen geven, en het brood dat de aarde voortbrengt, zal vet en smoutig zijn; uw vee zal te dien dage in een wijd veld weiden.
Jes 30:24 En de ossen, en ezelveulens, die het land bewerken, zullen zuiver voer eten, dat gezuiverd is met de werpschoffel en met de wan.
Jes 30:25 En er zullen op elke hoge berg, en op elke verheven heuvel beekjes en waterstromen zijn, in de dag van de grote slachting, wanneer de torens vallen.
Jes 30:26 En het licht van de maan zal zijn als het licht van de zon, en het licht van de zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen; op de dag dat de HEERE de breuk van Zijn volk zal verbinden, en de wond, waarmee het geslagen is, genezen.

Jes 30:27 Ziet, de Naam des HEEREN komt van ver, Zijn toorn brandt, en de last is zwaar; Zijn lippen zijn vol gramschap, en Zijn tong, als een verterend vuur;
Jes 30:28 En Zijn adem is als een overstromende beek, die tot aan de hals toe reikt; om de heidenen te ziften met een zifting der ijdelheid, en als een misleidende toom in de kaakbeenderen der volken.
Jes 30:29 Er zal een lofzang bij ulieden zijn, gelijk in de avond, wanneer het feest geheiligd wordt; en blijdschap des harten, gelijk van ťťn, die met fluiten wandelt, om te komen tot de berg des HEEREN, tot de Rots van Israel.
Jes 30:30 En de HEERE zal Zijn heerlijke stem doen horen, en het neerdalen van Zijn arm doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen.
Jes 30:31 Want door de stem des HEEREN zal Assur verpletterd worden, die met de roede sloeg.
Jes 30:32 En alwaar de bestemde staf doorgegaan zal zijn die de HEERE op hem zal doen rusten, daar zal men met tamboerijnen en harpen zijn; want met een schuddende strijd zal Hij tegen hen strijden.
Jes 30:33 Want Tofeth is al lang geleden bereid; ja, hij is ook voor de koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem van de HEERE zal hem aansteken als een zwavelstroom.

Hoofdstuk 31
Jes 31:1 Wee degenen, die naar Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige Israels, en zoeken de HEERE niet.
Jes 31:2 Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis van de boosdoeners, en tegen de hulp van hen, die ongerechtigheid werken.
Jes 31:3 Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en de HEERE zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal neervallen, en zij zullen al tezamen teniet worden.
Jes 31:4 Want alzo heeft de Heere tot mij gezegd: zoals wanneer tegen een leeuw, en een jonge leeuw, die over zijn roof brult, wanneer ook een hele menigte van herders tegen hem wordt samengeroepen, verschrikt hij voor hun stem niet, en vernedert zich niet vanwege hun veelheid; alzo zal de HEERE der legerscharen neerdalen, om te strijden voor de berg Sions en voor haar heuvel.
Jes 31:5 Gelijk vliegende vogels, alzo zal de HEERE der legerscharen Jeruzalem beschutten, beschuttende zal Hij haar ook verlossen, voorbijgaand zal Hij haar ook uithelpen.
Jes 31:6 Bekeert u tot Hem, van Wie de kinderen Israels diep afgeweken zijn.
Jes 31:7 Want te dien dage zullen zij verwerpen, een ieder zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, welke u uw handen tot zonde gemaakt hadden;
Jes 31:8 En Assur zal vallen door het zwaard, niet van een man, en het zwaard, niet van een mens, zal hem verteren; en hij zal voor het zwaard vluchten, en zijn jongelingen zullen onderworpen worden.
Jes 31:9 En hij zal van vreze doorgaan naar zijn rots, en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de HEERE, die te Sion vuur, en te Jeruzalem een oven heeft.

Hoofdstuk 32
Jes 32:1 Ziet, een Koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.
Jes 32:2 En die man zal zijn als een verberging tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rots in een dorstig land.
Jes 32:3 En de ogen van hen, die zien, zullen inzien, en de oren van hen, die horen, zullen opmerken.
Jes 32:4 En het hart der onbedachtzamen zal de kennis verstaan, en de tong der stamelenden zal vaardig zijn, om duidelijk te spreken.
Jes 32:5 De dwaas zal niet meer edel genoemd worden, en de gierige zal niet meer gul geheten worden.
Jes 32:6 Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen de HEERE, om de ziel van de hongerige leeg te laten, en de dorstige drank te doen ontbreken.
Jes 32:7 De wapens van een gierigaard zijn kwaad; hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, ook als de arme spreekt naar hetgeen recht is.
Jes 32:8 Maar die edel is, beraadslaagt edele dingen, en door edele daden staat hij.

Jes 32:9 Staat op, gij geruste vrouwen, hoort mijn stem; gij dochters, die zo zeker zijt, neemt mijn redenen ter ore.
Jes 32:10 Vele dagen en een jaar zult gij verontrust zijn, gij dochters, die zo zeker zijt, want de wijnoogst zal voorbij zijn, er zal geen inzameling komen.
Jes 32:11 Beeft, gij geruste vrouwen; dochters, die zo zeker zijt, siddert; ontkleedt u en ontbloot u, en gordt zakken om uw lendenen.
Jes 32:12 Men zal rouwklagen over de borsten, over de begeerde akkers, over de vruchtbare wijnstokken.
Jes 32:13 Op het land van mijn volk zal de doorn en de distel opgaan; ja, op alle huizen van vreugde, in de vrolijke stad.
Jes 32:14 Want het paleis zal verlaten zijn, het gewoel van de stad zal ophouden; Ofel en de wachttorens zullen tot spelonken zijn, tot in eeuwigheid, een vreugde der woudezels, een weide der kudden.
Jes 32:15 Totdat over ons uitgegoten wordt de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden.
Jes 32:16 En het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven.
Jes 32:17 En het werk der gerechtigheid zal vrede zijn; en de uitwerking der gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid.
Jes 32:18 En mijn volk zal in een woonplaats van vrede wonen, en in veilige woningen, en in stille geruste plaatsen,
Jes 32:19 Als het zal hagelen, waar men afgaat in het woud, en de stad laag zal worden in de laagte.
Jes 32:20 Welgelukzalig zijt gijlieden, die aan alle wateren zaait; gij, die de voet van de os en de ezel daarheen zendt!

Hoofdstuk 33
Jes 33:1 Wee u, gij verwoester, die niet verwoest zijt, en gij, die trouweloos handelt, waar men niet trouweloos tegen u gehandeld heeft! Als gij het verwoesten zult volbracht hebben, zult gij verwoest worden; als gij het trouweloos handelen geŽindigd zult hebben, zal men trouweloos tegen u handelen.
Jes 33:2 HEERE, wees ons genadig, wij hebben op U gewacht; wees van uw volk hun arm elke morgen, daartoe ons behoud in tijd van benauwdheid.
Jes 33:3 Van het geluid van rumoer zullen de volken wegvluchten; als Gij U verheft, worden de heidenen verstrooid.
Jes 33:4 Dan zal uw buit verzameld worden, gelijk de kevers verzamelen; men zal daarin heen en weer springen, gelijk de sprinkhanen heen en weer springen.
Jes 33:5 De HEERE is verheven, want Hij woont in de hoogte; Hij heeft Sion vervuld met gericht en gerechtigheid.
Jes 33:6 Wijsheid en kennis zal de vastheid van uw tijden zijn en kracht van verlossing; de vreze des HEEREN zal zijn schat zijn.
Jes 33:7 Ziet, hun dapperen roepen daar buiten; de boden des vredes wenen bitter.
Jes 33:8 De gebaande wegen zijn verwoest, die door de paden gaat, kan niet verder; hij vernietigt het verbond, hij veracht de steden, hij acht geen mens.
Jes 33:9 Het land treurt, het kwijnt; de Libanon schaamt zich, hij verwelkt; Saron is geworden als een woestijn; zo Basan als Karmel zijn geschud.
Jes 33:10 Nu zal Ik opstaan, zegt de HEERE, nu zal Ik verhoogd worden, nu zal Ik verheven worden.
Jes 33:11 Gijlieden gaat met stro zwanger, gij zult stoppelen baren; uw geest zal u als vuur verslinden.
Jes 33:12 En de volken zullen zijn als het verbranden van kalk; als afgehouwen doornen zullen zij met het vuur verbrand worden.

Jes 33:13 Hoort gijlieden, die ver weg zijt, wat Ik gedaan heb; en gijlieden, die nabij zijt, erkent Mijn macht!
Jes 33:14 De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaars aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwige gloed wonen kan?
Jes 33:15 Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die het gewin door onderdrukking verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hoort, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanziet;
Jes 33:16 Die zal in de hoogten wonen, de vestingen der steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn; zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn gewis.
Jes 33:17 Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen een ver gelegen land zien.
Jes 33:18 Uw hart zal de verschrikking overdenken, zeggende: Waar is de schrijver? Waar is de ontvanger? Waar is hij, de vijand, die de torens telt?
Jes 33:19 Gij zult niet meer dat stuurse volk zien, het volk, dat zo diep van spraak is, dat men het niet horen kan, van belachelijke taal, die men niet verstaan kan.
Jes 33:20 Schouwt Sion aan, de stad van onze bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een geruste woonplaats, een tent, die niet neer geworpen zal worden, waarvan de pinnen in eeuwigheid niet zullen uitgetrokken worden, en waarvan geen touwen verscheurd zullen worden.
Jes 33:21 Maar de HEERE zal aldaar bij ons heerlijk zijn, het zal zijn een plaats van rivieren, van wijde stromen; geen roeigalei zal daar doorvaren, en geen trots schip zal daar varen.
Jes 33:22 Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze Koning. Hij zal ons behouden.
Jes 33:23 Uw touwen zijn slap geworden, zij konden hun mast niet recht houden, zij konden het zeil niet uitspannen; dan zal de roof van een overvloedige buit uitgedeeld worden, zelfs zullen de lammen de roof roven.
Jes 33:24 En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.

Hoofdstuk 34
Jes 34:1 Nadert, gij heidenen, om te horen, en gij volken! luistert toe; de aarde hore, en haar volheid, de wereld en al wat daaruit voortkomt.
Jes 34:2 Want de verbolgenheid des HEEREN is over al de heidenen, en grimmigheid over al hun legerscharen; Hij heeft hen verbannen, Hij heeft ze ter slachting overgegeven.
Jes 34:3 En hun verslagenen zullen weggeworpen worden, en van hun dode lichamen zal hun stank opgaan; en de bergen zullen smelten van hun bloed.
Jes 34:4 En al de legerscharen der hemelen zullen uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, gelijk een boek, en al hun legerscharen zullen afvallen, gelijk een blad van de wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van de vijgeboom.
Jes 34:5 Want Mijn zwaard is dronken geworden in de hemel; ziet, het zal ten oordeel neerdalen op Edom, en op het volk, dat Ik verbannen heb.
Jes 34:6 Het zwaard des HEEREN is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed der lammeren en bokken, van het smeer der nieren van de rammen; want de HEERE heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land der Edomieten.
Jes 34:7 En de eenhoorns zullen met hen vallen, en de varren met de stieren; en hun land zal doordrenkt zijn van het bloed, en hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden.
Jes 34:8 Want het zal zijn de dag van de wraak des HEEREN, een jaar van vergeldingen, om Sions twistzaak.

Jes 34:9 En hun beken zullen in pek verkeerd worden, en hun stof in zwavel; ja, hun aarde zal tot brandend pek worden.
Jes 34:10 Het zal des nachts of des daags niet uitgeblust worden, tot in eeuwigheid zal zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, voor altijd en eeuwig zal niemand daar doorgaan.
Jes 34:11 Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer der woestheid over hen trekken, en een paslood der ledigheid.
Jes 34:12 Hun edelen zullen zij tot het koninkrijk roepen, doch zij zijn er niet; al hun vorsten zullen niets zijn.
Jes 34:13 En in hun paleizen zullen doornen opgaan, netels en distels in hun vestingen; en het zal een woning der jakhalzen zijn, een zaal voor de jongen der struisvogels.
Jes 34:14 En de wilde dieren der woestijnen zullen de wilde dieren der eilanden daar ontmoeten, en de demon zal zijn metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich aldaar nederzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden.
Jes 34:15 Daar zal de grote uil nestelen en eieren leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkaar verzameld worden.
Jes 34:16 Zoekt in het boek des HEEREN, en leest; niet een van dezen zal er feilen, het een noch het ander zal men missen; want mijn mond zelf heeft het geboden, en Zijn Geest Zelf zal ze samenbrengen.
Jes 34:17 Want Hij Zelf heeft voor hen het lot geworpen, en Zijn hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer; tot in eeuwigheid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen.

Hoofdstuk 35
Jes 35:1 De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos.
Jes 35:2 Zij zal vrolijk bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des HEEREN, het sieraad van onze God.
Jes 35:3 Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieŽn vast.
Jes 35:4 Zegt de vreesachtigen van hart: Weest sterk, en vreest niet; ziet, uw God zal ter wrake komen met de vergelding Gods. Hij zal komen en u verlossen.

Jes 35:5 Alsdan zullen de ogen van de blinden opengedaan worden, en de oren van de doven zullen geopend worden.
Jes 35:6 Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong van de stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbreken, en beken in de wildernis.
Jes 35:7 En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders van wateren; in de plaatsen waar de jakhalzen gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn.
Jes 35:8 En aldaar zal een verheven baan, en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; de onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal voor dezen zijn; die deze weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen.
Jes 35:9 Er zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend dier zal daarop komen, noch aldaar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen.
Jes 35:10 En de vrijgekochten des HEEREN zullen wederkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchten zullen wegvluchten.

Hoofdstuk 36
Jes 36:1 En het geschiedde in het veertiende jaar van de koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van AssyriŽ, optrok tegen alle versterkte steden van Juda, en ze innam.
Jes 36:2 En de koning van AssyriŽ zond Rabsakť van Lachis naar Jeruzalem tot de koning Hizkia, met een machtig leger; en hij stond aan de watergang van de bovenste vijver, aan de hoge weg van het veld van de voller.
Jes 36:3 Toen ging tot hem uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.
Jes 36:4 En Rabsakť zei tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van AssyriŽ: Wat voor een vertrouwen is dit, waarmee gij vertrouwt;
Jes 36:5 Gij zegt, -maar het zijn ijdele woorden-: Er is raad en macht om te strijden; op wie vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?
Jes 36:6 Zie, gij vertrouwt op die gebroken rietstaf, op Egypte; wanneer iemand daarop leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; alzo is Farao, de koning van Egypte, voor allen, die op hem vertrouwen.
Jes 36:7 Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de HEERE, onze God; is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en Die tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u neerbuigen?
Jes 36:8 Nu dan, wed toch met mijn heer, de koning van AssyriŽ; en ik zal u tweeduizend paarden geven, als gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.
Jes 36:9 Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een enkele vorst, van de geringste knechten van mijn heer, doen terugdeinzen? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiters.
Jes 36:10 En ben ik nu zonder de HEERE opgetrokken tegen dit land, om dat te verderven? De HEERE heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het.
Jes 36:11 Toen zei Eljakim, en Sebna, en Joah tot Rabsakť: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek niet met ons in het Joods, voor de oren van het volk, dat op de muur is.
Jes 36:12 Maar Rabsakť zei: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op de muur zitten, dat zij met ulieden hun eigen drek eten, en hun eigen water drinken zullen?
Jes 36:13 Toen stond Rabsakť, en riep met luider stem in het Joods, en zei: Hoort de woorden van de grote koning, de koning van AssyriŽ!
Jes 36:14 Alzo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedriege, want hij zal u niet kunnen redden.
Jes 36:15 Daartoe, dat Hizkia u niet doe vertrouwen op de HEERE, zeggende: De HEERE zal ons zeker redden; deze stad zal niet in de hand van de koning van AssyriŽ gegeven worden.
Jes 36:16 Hoort naar Hizkia niet; want alzo zegt de koning van AssyriŽ: Sluit vrede met mij, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom, en drinkt een ieder van het water van zijn regenbak;
Jes 36:17 Totdat ik kom en u haal in een land, als uw land is, een land van koren en most, een land van brood en van wijngaarden.
Jes 36:18 Dat Hizkia ulieden niet verleide, zeggende: De HEERE zal ons redden; hebben de goden der volken, een ieder zijn land, gered uit de hand van de koning van AssyriŽ?
Jes 36:19 Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van SefarvaÔm? Hebben zij ook Samaria van mijn hand gered?
Jes 36:20 Wie zijn het onder al de goden van deze landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat de HEERE Jeruzalem uit mijn hand zou redden?
Jes 36:21 Doch zij zwegen stil, en antwoordden hem niet ťťn woord; want het gebod van de koning was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.
Jes 36:22 Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia met gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsakť te kennen.

Hoofdstuk 37
Jes 37:1 En het geschiedde, toen de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.
Jes 37:2 Daarna zond hij Eljakim, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, met zakken bedekt, tot Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz;
Jes 37:3 En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van benauwdheid, van schelden en lasteren; en de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.
Jes 37:4 Misschien zal de HEERE, uw God, horen de woorden van Rabsakť, die zijn heer, de koning van AssyriŽ, gezonden heeft, om de levende God te honen, en te schelden met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat over is.
Jes 37:5 En de dienaren van de koning Hizkia kwamen tot Jesaja.
Jes 37:6 En Jesaja zei tot hen: Zo zult gij tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmee Mij de dienaren van de koning van AssyriŽ gelasterd hebben.
Jes 37:7 Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en in zijn land terugkeren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.

Jes 37:8 Daarop kwam Rabsakť weer, en hij vond de koning van AssyriŽ strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.
Jes 37:9 Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetrokken, om tegen u te strijden; toen hij dat hoorde, zo zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende:
Jes 37:10 Zo zult gijlieden spreken tot Hizkia, de koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Wie gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand van de koning van AssyriŽ niet gegeven worden.
Jes 37:11 Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van AssyriŽ aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?
Jes 37:12 Hebben de goden van de volken die mijn vaders verdorven hebben, die gered, zoals Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?
Jes 37:13 Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning van de stad SefarvaÔm, Hena en Ivva?
Jes 37:14 Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden had ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN; en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.
Jes 37:15 En Hizkia bad tot de HEERE, zeggende:
Jes 37:16 O HEERE der legerscharen, Gij, God van Israel, Die tussen de cherubim woont! Gij Zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde; Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt!
Jes 37:17 O HEERE! neig Uw oor en hoor, HEERE! doe Uw ogen open, en zie; en hoor al de woorden van Sanherib, die hij gezonden heeft om de levende God te honen.
Jes 37:18 Waarlijk, HEERE! hebben de koningen van AssyriŽ al de koninkrijken, en hun landen verwoest;
Jes 37:19 En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.
Jes 37:20 Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons uit zijn hand, zo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij alleen de HEERE zijt.

Jes 37:21 Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, om te zeggen: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, de koning van AssyriŽ, heb Ik gehoord.
Jes 37:22 Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd over u.
Jes 37:23 Wie hebt gij gehoond, en gelasterd, en tegen Wie hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen de Heilige van Israel!
Jes 37:24 Door uw dienstknechten hebt gij de HEERE gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogte der bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen tot zijn verste hoogte, in het bos als een tuin.
Jes 37:25 Ik heb gegraven en de wateren gedronken; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
Jes 37:26 Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang tevoren bereid heb, en dat van de oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de versterkte steden te verstoren tot verwoeste puinhopen.
Jes 37:27 Daarom waren haar inwoners krachteloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras van het veld en de groene grasscheutjes, als het hooi van de daken, en het brandkoren, eer het overeind staat.
Jes 37:28 Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
Jes 37:29 Om uw woeden tegen Mij, en omdat uw woelen voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn bit in uw lippen, en Ik zal u doen weerkeren door die weg, door welke gij gekomen zijt.
Jes 37:30 En dat zij u een teken, dat men in dit jaar, wat vanzelf gegroeid is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weer uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.
Jes 37:31 Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en het zal opwaarts vrucht dragen.
Jes 37:32 Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van de berg Sion; de ijver van de HEERE der legerscharen zal dit doen.
Jes 37:33 Daarom, zo zegt de HEERE van de koning van AssyriŽ: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.
Jes 37:34 Door de weg, die hij gekomen is, door die zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.
Jes 37:35 Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en omwille van David, Mijn knecht.
Jes 37:36 Toen voer de engel des HEEREN uit, en sloeg in het leger van AssyriŽ honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
Jes 37:37 Zo vertrok Sanherib, de koning van AssyriŽ, en trok weg, en keerde terug; en hij bleef te Ninevť.
Jes 37:38 Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Hoofdstuk 38
Jes 38:1 In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Alzo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis; want gij zult sterven, en niet leven.
Jes 38:2 Toen keerde Hizkia zijn aangezicht om naar de wand, en hij bad tot de HEERE.
Jes 38:3 En hij zei: Och HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende zeer.
Jes 38:4 Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jesaja, zeggende:
Jes 38:5 Ga heen, en zeg tot Hizkia: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen;
Jes 38:6 En Ik zal u uit de hand van de koning van AssyriŽ verlossen, zo ook deze stad; en Ik zal deze stad beschermen.
Jes 38:7 En dit zal u een teken zijn van de HEERE, dat de HEERE het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal:
Jes 38:8 Zie, Ik zal de schaduw der graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer neerwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen keren. Zo is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij neerwaarts gegaan was.

Jes 38:9 Dit is het schrijven van Hizkia, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was.
Jes 38:10 Ik zei: Vanwege het afsnijden van mijn dagen, zal ik tot de poorten van het dodenrijk heengaan, ik word beroofd van het overige van mijn jaren.
Jes 38:11 Ik zei: Ik zal de HEERE niet meer zien, de HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld.
Jes 38:12 Mijn leven is afgebroken, en van mij weggevoerd gelijk de hut van een herder; ik heb mijn leven opgerold, gelijk een wever zijn weefsel; Hij zal mij afsnijden, als het garen; van de dag tot de nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
Jes 38:13 Ik overdacht tot de morgenstond toe: gelijk een leeuw, alzo zal Hij al mijn beenderen breken; van de dag tot de nacht zult Gij mij tot een einde gebracht hebben.
Jes 38:14 Gelijk een kraanvogel of een zwaluw, alzo sjirpte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.
Jes 38:15 Wat zal ik zeggen? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu zachtjes voortgaan al mijn jaren, vanwege de bitterheid van mijn ziel.
Jes 38:16 Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
Jes 38:17 Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel lieflijk omhelsd, dat zij in de kuil der vertering niet kwam; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
Jes 38:18 Want het dodenrijk zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in de kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.
Jes 38:19 De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal de kinderen Uw waarheid bekend maken.
Jes 38:20 De HEERE was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij bij het snarenspel zingen; al de dagen van ons leven, in het huis des HEEREN.
Jes 38:21 Jesaja nu had gezegd: Laat men een klomp vijgen nemen, en als een pleister op het gezwel leggen, en hij zal genezen.
Jes 38:22 En Hizkia had gezegd: Wat zal het teken zijn, dat ik naar het huis des HEEREN zal opgaan?

Hoofdstuk 39
Jes 39:1 Te dien tijd zond Merodach Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat hij ziek geweest en weer sterk geworden was.
Jes 39:2 En Hizkia verblijdde zich over hen, en hij toonde hun zijn schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn ganse wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn ganse heerschappij, dat Hizkia hun niet toonde.
Jes 39:3 Toen kwam de profeet Jesaja tot de koning Hizkia, en zei tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en vanwaar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zei: Zij zijn uit een ver land tot mij gekomen, uit Babel.
Jes 39:4 En hij zei: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zei: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb.

Jes 39:5 Toen zei Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord des HEEREN der legerscharen.
Jes 39:6 Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaderen opgelegd hebben tot een schat tot op deze dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt de HEERE.
Jes 39:7 Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis van de koning van Babel.
Jes 39:8 Maar Hizkia zei tot Jesaja: Het woord des HEEREN, dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zei hij: Doch het zij vrede en waarheid in mijn dagen!

Hoofdstuk 40
Jes 40:1 Troost, troost Mijn volk, zal uw God zeggen.
Jes 40:2 Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.
Jes 40:3 Een stem van de roepende in de wildernis: Bereidt de weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God!

Jes 40:4 Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvels zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelig is, dat zal effen gemaakt worden.
Jes 40:5 En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees tegelijk zal zien, dat de mond des HEEREN het gesproken heeft.
Jes 40:6 Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld.
Jes 40:7 Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.
Jes 40:8 Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord van onze God bestaat in eeuwigheid.

Jes 40:9 O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God!
Jes 40:10 Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
Jes 40:11 Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
Jes 40:12 Wie heeft de wateren met de holte van Zijn hand gemeten, en van de hemelen met een spanbreedte de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde gemeten, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvels in een weegschaal?   *)
Jes 40:13 Wie heeft de Geest des HEEREN bestuurd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
Jes 40:14 Met wie heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad van het recht, en Hem kennis zou leren, en Hem zou bekend maken de weg van het veelvuldige verstand?
Jes 40:15 Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden heen als dun stof!
Jes 40:16 En de Libanon is niet genoeg om te branden, en zijn gedierte is niet genoeg ten brandoffer.
Jes 40:17 Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en ijdelheid.

Jes 40:18 Bij wie dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?
Jes 40:19 De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketens voor.
Jes 40:20 Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrot; hij zoekt zich een wijze werkmeester, om een beeld te maken, dat niet wankelt.
Jes 40:21 Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van het begin aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de fundamenten der aarde niet gelet?
Jes 40:22 Hij is het, Die daar zit boven het rond van de aarde, en haar inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunne doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen;
Jes 40:23 Die de vorsten teniet maakt; de heersers der aarde maakt Hij tot ijdelheid.
Jes 40:24 Ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; Hij zal ook op hen blazen, en zij zullen verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel wegnemen.
Jes 40:25 Bij wie dan zult gij Mij vergelijken, die Ik gelijk ben? zegt de Heilige.
Jes 40:26 Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in hun aantallen hun legerscharen voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid van Zijn krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet ťťn gemist.
Jes 40:27 Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor de HEERE verborgen, en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?

Jes 40:28 Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Zijn verstand is ondoorgrondelijk.
Jes 40:29 Hij geeft de vermoeiden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte die, die geen krachten heeft.
Jes 40:30 De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen zeker vallen;
Jes 40:31 Maar die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugels, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moe worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.

Hoofdstuk 41
Jes 41:1 Zwijgt voor Mij, gij eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen rechten.
Jes 41:2 Wie heeft uit het oosten die rechtvaardige verwekt? stelde hem op zijn voet? heeft de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen heerste? wiens zwaard hen maakte tot stof, zijn boog als een dwarrelende stoppel?
Jes 41:3 Dat hij ze najoeg en ongehinderd over een pad ging, dat hij met zijn voeten niet eerder gegaan had?
Jes 41:4 Wie heeft dit gedaan en tot stand gebracht, roepende de geslachten vanaf het begin? Ik, de HEERE, Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde.
Jes 41:5 De eilanden zagen het, en zij vreesden; de einden der aarde beefden; zij naderden en kwamen toe;
Jes 41:6 De ťťn hielp de ander, en zei tot zijn metgezel: Wees sterk!
Jes 41:7 En de werkmeester versterkte de goudsmid; die met de hamer glad maakt, hem die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met spijkers, dat het niet wankelt.
Jes 41:8 Maar gij, Israel, Mijn knecht! gij Jakob, die Ik verkoren heb! het zaad van Abraham, Mijn vriend!
Jes 41:9 U, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde, uit haar uithoeken geroepen heb; en zei tot u: Gij zijt Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen.

Jes 41:10 Vrees niet, want Ik ben met u; zijt niet ontzet, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand van Mijn gerechtigheid.
Jes 41:11 Ziet, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die met u twisten, zullen vergaan.
Jes 41:12 Gij zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; zij, die met u twisten, zullen worden als niets, en zij, die met u oorlogen, als een nietigheid.
Jes 41:13 Want Ik, de HEERE, uw God, grijp uw rechterhand, Die tot u zegt: Vrees niet, Ik help u.
Jes 41:14 Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israel! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israels!
Jes 41:15 Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; gij zult bergen dorsen en vermalen, en heuvels zult gij stellen gelijk kaf.
Jes 41:16 Gij zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar gij zult u verheugen in de HEERE; in de Heilige Israels zult gij u roemen.
Jes 41:17 De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen, hun tong versmacht van dorst; Ik, de HEERE zal hen verhoren, Ik, de God van Israel, zal hen niet verlaten.
Jes 41:18 Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterplas maken, en het dorre land tot waterbronnen.
Jes 41:19 Ik zal in de woestijn de cederboom, de sittimboom, de mirteboom, en de wilde olijfboom geven; Ik zal in de wildernis planten de cypres, de plataan, en de lariks tegelijk;
Jes 41:20 Opdat zij zien, en bekennen, en overleggen, en tegelijk verstaan, dat de hand des HEEREN dit gedaan, en dat de Heilige Israels dit geschapen heeft.

Jes 41:21 Brengt ulieder rechtszaak voor, zegt de HEERE; en uw sterke bewijsredenen, zegt de Koning van Jakob.
Jes 41:22 Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen.
Jes 41:23 Verkondigt dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat gij goden zijt; ja, doet goed, of doet kwaad, dat wij ontzet staan, en tezamen toezien.
Jes 41:24 Ziet, gijlieden zijt minder dan niet, en uw werk is erger dan een adder; hij is een gruwel, die ulieden verkiest.
Jes 41:25 Ik verwek ťťn uit het noorden, en hij zal opkomen van de opgang van de zon; hij zal Mijn Naam aanroepen; en hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het slijk treedt.
Jes 41:26 Wie heeft iets verkondigd van het begin af, dat wij het weten mogen, of van tevoren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die uw woorden hoort.
Jes 41:27 Ik, de Eerste zeg tot Sion: Zie, zie hen daar! en tot Jeruzalem: Ik zal een blijde boodschapper geven.
Jes 41:28 Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.
Jes 41:29 Ziet, zij zijn allen ijdelheid, hun werken zijn een nietig ding, hun gegoten beelden zijn wind, en een ijdel ding.

Hoofdstuk 42
Jes 42:1 Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen.
Jes 42:2 Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten.
Jes 42:3 Het geknakte riet zal Hij niet verbreken, en het smeulende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
Jes 42:4 Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.

Jes 42:5 Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen, en die uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die het volk, dat daarop is, de adem geeft, en de geest degenen, die daarop wandelen:
Jes 42:6 Ik, de HEERE, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond van het volk, tot een Licht van de heidenen.
Jes 42:7 Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.
Jes 42:8 Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen andere geven, noch Mijn lof de gesneden beelden.
Jes 42:9 Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; eer dat zij uitspruiten, doe Ik ulieden die horen.
Jes 42:10 Zingt de HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners.
Jes 42:11 Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsen wonen, en van de top der bergen af schreeuwen.
Jes 42:12 Laat ze de HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.

Jes 42:13 De HEERE zal uittrekken als een held; Hij zal de ijver opwekken als een krijgsman; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot geluid maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
Jes 42:14 Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als ťťn, die baart, Ik zal ze verwoesten, en tezamen opslokken.
Jes 42:15 Ik zal bergen en heuvels woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de plassen uitdrogen.
Jes 42:16 En Ik zal de blinden leiden op de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden op de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht tot licht maken, en wat hobbelig is effen; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.
Jes 42:17 Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden; die zullen achterwaarts keren, en met schaamte beschaamd worden.

Jes 42:18 Hoort, gij doven! en ziet, gij blinden! om te zien.
Jes 42:19 Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, die Ik zend? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?  *)
Jes 42:20 Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; ofschoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.
Jes 42:21 De HEERE had lust aan hem, om Zijn gerechtigheid; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.
Jes 42:22 Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstoken in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geeft ze terug.
Jes 42:23 Wie onder ulieden neemt deze dingen ter ore? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal?
Jes 42:24 Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israel de rovers? Is het niet de HEERE, Hij, tegen Wie wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.
Jes 42:25 Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid van Zijn toorn en het geweld van de oorlog; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, doch zij merken het niet; en Hij heeft ze in brand gestoken, doch zij nemen het niet ter harte.

Hoofdstuk 43
Jes 43:1 Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israel! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.
Jes 43:2 Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.
Jes 43:3 Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland; Ik heb Egypte, EthiopiŽ en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.
Jes 43:4 Van toen af, dat gij kostbaar zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw ziel.
Jes 43:5 Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van de opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van de ondergang van de zon.
Jes 43:6 Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde;
Jes 43:7 Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en die Ik geschapen heb tot Mijn eer, die Ik geformeerd heb, die Ik ook gemaakt heb.

Jes 43:8 Breng voort het blinde volk, dat ogen heeft, en de doven, die oren hebben.
Jes 43:9 Laat al de heidenen samen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hoort en zegt: Het is de waarheid.
Jes 43:10 Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, die Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Die ben, dat voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.
Jes 43:11 Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland buiten Mij.
Jes 43:12 Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen, en geen vreemd god was onder ulieden; en gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, dat Ik God ben.
Jes 43:13 Ook eer de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken, en wie zal het keren?

Jes 43:14 Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Om ulieder wil heb Ik naar Babel gezonden, en heb hen allen als vluchtelingen doen neerdalen, te weten de ChaldeŽn, in de schepen, waarop zij juichten.
Jes 43:15 Ik ben de HEERE, uw Heilige; de Schepper van Israel, ulieder Koning.
Jes 43:16 Alzo zegt de HEERE, Die in de zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte;
Jes 43:17 Die wagens en paarden, leger en macht voortbracht; tezamen liggen zij terneder, zij zullen niet weer opstaan, zij zijn uitgeblust, gelijk een vlaswiek zijn zij uitgegaan.
Jes 43:18 Gedenkt de vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet.
Jes 43:19 Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis.
Jes 43:20 Het gedierte van het veld zal Mij eren, de jakhalzen en de jonge struisvogels; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.
Jes 43:21 Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.

Jes 43:22 Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob! toen gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israel!
Jes 43:23 Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee van uw brandoffers, en met uw slachtoffers hebt gij Mij niet geŽerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
Jes 43:24 Mij hebt gij geen kalmus gekocht voor geld, en met het vette van slachtoffers hebt gij Mij niet verzadigd; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
Jes 43:25 Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet.
Jes 43:26 Maakt Mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertelt gij uw redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden.
Jes 43:27 Uw eerste vader heeft gezondigd, en uw leraren hebben tegen Mij overtreden.
Jes 43:28 Daarom zal Ik de oversten van het heiligdom ontheiligen, en Jakob tot banvloek overgeven, en Israel tot beschimpingen.

Hoofdstuk 44
Jes 44:1 Maar hoor nu Mijn knecht Jakob, en Israel, die Ik verkoren heb!
Jes 44:2 Zo zegt de HEERE, uw Maker, en uw Formeerder van de moederschoot af, Die u helpt: Vrees niet, o Jakob, Mijn knecht, en gij, Jeschurun, die Ik uitverkoren heb!
Jes 44:3 Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.
Jes 44:4 En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken.
Jes 44:5 Deze zal zeggen: Ik ben des HEEREN; en die zal zich noemen met de naam van Jakob; en gene zal met zijn hand schrijven: Ik ben des HEEREN, en zich toenoemen met de naam van Israel.
Jes 44:6 Zo zegt de HEERE, de Koning van Israel, en zijn Verlosser, de HEERE der legerscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God.
Jes 44:7 En wie zal, gelijk als Ik, roepen en het verkondigen, en het ordelijk voor Mij stellen, sedert dat Ik van oudsher een volk gesteld heb? en laat ze de toekomstige dingen, en die komen zullen, hun verkondigen.
Jes 44:8 Verschrikt niet, en vreest niet; heb Ik het u van toen af niet doen horen en verkondigd? Want gijlieden zijt Mijn getuigen: is er ook een God buiten Mij? Immers, er is geen andere rots: Ik ken er geen.

Jes 44:9 De makers van gesneden beelden zijn allemaal ijdelheid, en hun gewenste dingen doen geen nut; ja, zij zelf zijn hun getuigen; zij zien niet, en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden.
Jes 44:10 Wie maakt een god, en giet een beeld, dat geen nut doet?
Jes 44:11 Ziet, al hun vakbroeders zullen beschaamd worden, want de werkmeesters zijn uit de mensen; dat zij zich allen vergaderen, dat zij opstaan, zij zullen verschrikken, zij zullen tezamen beschaamd worden.
Jes 44:12 De ijzersmid maakt een bijl, en werkt in de gloed, en formeert het met hamers, en bewerkt het met zijn sterke arm; ook lijdt hij honger, totdat hij krachteloos wordt, hij drinkt geen water, totdat hij amechtig wordt.
Jes 44:13 De timmerman trekt het richtsnoer uit, hij tekent het af met de draad, hij maakt het effen met de schaven, en tekent het met de passer, en maakt het naar de gelijkenis van een man, naar de schoonheid van een mens, om in het huis te wonen.
Jes 44:14 Als hij zich ceders afhouwt, zo neemt hij ook een cypres of een eik, en hij laat die voor zich opgroeien onder de bomen van het woud; hij plant een olm, en de regen maakt die groot.
Jes 44:15 Dan is het voor de mens om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij; dan maakt hij er ook een god van, en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van, en knielt er voor neer.
Jes 44:16 Zijn helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vlees; hij braadt een gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zichzelf, en hij zegt: Ha, ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien!
Jes 44:17 Het overige nu daarvan maakt hij tot een god, tot zijn gesneden beeld; hij knielt er voor neer, en buigt zich, en bidt het aan, en zegt: Red mij, want gij zijt mijn god!
Jes 44:18 Zij weten niet, en verstaan niet, want hun ogen zijn bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan.
Jes 44:19 En niemand van hen brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zou: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja, ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vlees daarbij gebraden, en heb het gegeten; en zou ik het overblijfsel daarvan tot een gruwel maken, zou ik neerknielen voor hetgeen van een boom gekomen is?
Jes 44:20 Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem misleid; zodat hij zijn ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet een leugen in mijn rechterhand?

Jes 44:21 Gedenk aan deze dingen, o Jakob, en Israel! Want gij zijt Mijn knecht, Ik heb u geformeerd; gij zijt Mijn knecht, Israel, gij zult door Mij niet vergeten worden.
Jes 44:22 Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer terug tot Mij, want Ik heb u verlost.
Jes 44:23 Zingt met vreugde, gij hemelen! want de HEERE heeft het gedaan; juicht, gij benedenste delen der aarde! gij bergen! maakt een groot gedreun met vreugdegezang, gij bossen, en alle geboomte daarin! Want de HEERE heeft Jakob verlost, en Zich heerlijk gemaakt in Israel.
Jes 44:24 Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, en Die u geformeerd heeft van de buik af: Ik ben de HEERE, Die alles doet, Die de hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelf;
Jes 44:25 Die de tekenen van de leugendichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; Die de wijzen achterwaarts doet keren, en Die hun kennis verdwaast;
Jes 44:26 Die het woord van Zijn knecht bevestigt, en de raad van Zijn boden volbrengt; Die tot Jeruzalem zegt: Gij zult bewoond worden; en tot de steden van Juda: Gij zult herbouwd worden, en Ik zal haar verwoeste plaatsen oprichten.
Jes 44:27 Die tot de diepte zegt: Verdroog, en uw rivieren zal Ik verdrogen.
Jes 44:28 Die van Kores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot de tempel: Word gevestigd.   *)

Hoofdstuk 45
Jes 45:1 Alzo zegt de HEERE tot Zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht terneer te werpen; en Ik zal de lendenen der koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:
Jes 45:2 Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendels zal Ik in stukken slaan.
Jes 45:3 En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgen rijkdommen; opdat gij moogt weten, dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israel;
Jes 45:4 Omwille van Jakob, Mijn knecht, en omwille van Israel, Mijn uitverkorene; ja, Ik riep u bij uw naam, Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kende.

Jes 45:5 Ik ben de HEERE, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u omgorden, hoewel gij Mij niet kent.
Jes 45:6 Opdat men zal weten, van de opgang van de zon en van de ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben de HEERE, er is geen andere.
Jes 45:7 Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
Jes 45:8 Druipt, gij hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil opgroeie, en met gerechtigheid tezamen uitspruiten; Ik, de HEERE, heb ze geschapen.
Jes 45:9 Wee degene, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met de potscherven der aarde! Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt gij? of uw werk: Hij heeft geen handen?
Jes 45:10 Wee diegene, die tot de vader zegt: Wat verwekt gij? en tot de vrouw: Wat baart gij?

Jes 45:11 Alzo zegt de HEERE, de Heilige Israels, Die het geformeerd heeft: Zij hebben Mij van toekomende dingen gevraagd over Mijn kinderen, wilt gij Mij aangaande het werk van Mijn handen bevelen geven?
Jes 45:12 Ik heb de aarde gemaakt, en Ik heb de mens daarop geschapen; Ik ben het! Mijn handen hebben de hemelen uitgebreid, en Ik heb heel hun legerschaar bevel gegeven.

Jes 45:13 Ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik recht maken; hij zal Mijn stad bouwen, en hij zal Mijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt de HEERE der legerscharen.
Jes 45:14 Alzo zegt de HEERE: De arbeid der Egyptenaren en de koophandel der EthiopiŽrs en der SabeŽrs, der mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u volgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewis, God is in u, en er is verder geen God meer.

Jes 45:15 Voorwaar, Gij zijt een God, Die Zich verborgen houdt, de God van Israel, de Heiland.
Jes 45:16 Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; tezamen zullen zij met schande heengaan, die de afgoden maken.
Jes 45:17 Maar Israel wordt verlost door de HEERE, met een eeuwige verlossing; gijlieden zult niet beschaamd noch tot schande worden, tot in alle eeuwigheden.
Jes 45:18 Want alzo zegt de HEERE, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft, Hij heeft ze bevestigd; Hij heeft ze niet geschapen, dat zij ledig zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben de HEERE, er is geen andere.
Jes 45:19 Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats van de aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs; Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt.

Jes 45:20 Verzamelt u, en komt, treedt hiertoe samen, gijlieden, die van de heidenen ontkomen zijt! Zij weten niets, die hun houten gesneden beelden dragen, en een god aanbidden, die niet verlossen kan.
Jes 45:21 Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van oudsher? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, de HEERE? en er is geen God buiten Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik.
Jes 45:22 Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, er is geen andere.
Jes 45:23 Ik heb gezworen bij Mijzelf, er is een woord der gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet wederkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren.
Jes 45:24 Men zal van Mij zeggen: Gewis, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen; maar zij zullen beschaamd worden allen, die tegen Hem ontstoken zijn.
Jes 45:25 Maar in de HEERE zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van Israel.

Hoofdstuk 46
Jes 46:1 Bel is gekromd, Nebo wordt neergebogen, hun afgoden zijn geladen op de dieren en op het vee; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten.
Jes 46:2 Samen zijn zij neergebogen, zij zijn gekromd, zij hebben de last niet kunnen redden, maar zijn zelf in de gevangenis gegaan.
Jes 46:3 Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israels! die van Mij gedragen zijt van de buik aan, en opgenomen van de moederschoot af.
Jes 46:4 En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.

Jes 46:5 Op wie wilt gij Mij doen gelijken, en evengelijk maken? en met Mij vergelijken, dat wij elkaar gelijken zouden?
Jes 46:6 Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de waag; zij huren een goudsmid, en die maakt het tot een god, zij knielen neer, ook buigen zij zich daarvoor.
Jes 46:7 Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn plaats niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
Jes 46:8 Onthoudt dit, en weest een man, brengt het weer in het hart, o gij overtreders!
Jes 46:9 Gedenkt de vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, en er is geen andere God, en er is niet gelijk Ik;
Jes 46:10 Die van het begin aan verkondigt het einde, en van oudsaf die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.
Jes 46:11 Die een roofvogel roept van het oosten, een man naar Mijn raad uit een ver land; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik heb het geformeerd, Ik zal het ook doen.
Jes 46:12 Hoort naar Mij, gij harden van hart, gij, die verre van de gerechtigheid zijt!
Jes 46:13 Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet ver wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israel Mijn heerlijkheid.

Hoofdstuk 47
Jes 47:1 Daal af, en zit in het stof, gij jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, gij dochter der ChaldeŽn! want gij zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige.
Jes 47:2 Neem de molenstenen, en maal meel; doe uw sluier af, ook uw sleep, trek uw rok omhoog, ga door de rivieren.
Jes 47:3 Uw naaktheid zal ontdekt worden, ook zal uw schaamte gezien worden; Ik zal wraak nemen, Ik zal geen mens tussenbeide laten komen.
Jes 47:4 Aangaande onze Verlosser: Zijn Naam is HEERE der legerscharen, de Heilige Israels.
Jes 47:5 Zit stilzwijgend, en ga in de duisternis, gij dochter der ChaldeŽn! want gij zult niet meer genoemd worden meesteres der koninkrijken.
Jes 47:6 Ik was op Mijn volk zeer toornig, Ik ontheiligde Mijn erfenis, en Ik gaf hen over in uw hand; doch gij bewees hun geen barmhartigheden, ja, zelfs over de bejaarde maakte gij uw juk zeer zwaar.
Jes 47:7 En gij zei: Ik zal meesteres zijn in eeuwigheid; tot nog toe hebt gij deze dingen niet ter harte genomen, gij hebt aan het einde daarvan niet gedacht.
Jes 47:8 Nu dan, hoor dit, gij weelderige! die zo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand is meer dan ik: ik zal niet als een weduwe zitten, noch de beroving van kinderen kennen.
Jes 47:9 Doch deze beide dingen zullen u in een ogenblik overkomen, op ťťn dag, de beroving van kinderen en weduwschap; volkomen zullen zij u overkomen, vanwege de veelheid van uw toverijen, vanwege de menigte van uw bezweringen.
Jes 47:10 Want gij hebt op uw verdorvenheid vertrouwd; gij hebt gezegd: Niemand ziet mij; uw wijsheid en uw kennis heeft u afkerig gemaakt; en gij hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand is meer dan ik.
Jes 47:11 Daarom zal er over u een kwaad komen, gij zult de dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen, dat gij niet zult kunnen verzoenen; want er zal snel een onstuimige verwoesting over u komen, voordat gij het weten zult.
Jes 47:12 Sta nu met uw bezweringen, en met de veelheid van uw toverijen, waarin gij gearbeid hebt van uw jeugd af; misschien zijn die u nuttig, misschien kunnen die u sterken.
Jes 47:13 Gij zijt vermoeid geworden in de veelheid van uw raadslagen; laat nu opstaan, die de hemel waarnemen, die in de sterren kijken, die naar de nieuwe manen voorspellen; en laat ze u verlossen van die dingen, die over u komen zullen.
Jes 47:14 Ziet, zij zullen zijn als stoppels, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zichzelf niet kunnen rukken uit de macht van de vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neer te zitten.
Jes 47:15 Alzo zullen zij u zijn, waarmee gij gearbeid hebt, uw handelaars van uw jeugd aan, elk zal zijns weegs dwalen, geen zal u verlossen.

Hoofdstuk 48
Jes 48:1 Hoort dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met de naam van Israel, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij de Naam des HEEREN, en vermeldt de God van Israel, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.
Jes 48:2 Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op de God van Israel; HEERE der legerscharen is Zijn Naam.
Jes 48:3 De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snel, onverwacht gedaan en zij zijn gekomen;
Jes 48:4 Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper;
Jes 48:5 Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, eer dat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.
Jes 48:6 Gij hebt het gehoord, aanziet dat alles; zult gij het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt.
Jes 48:7 Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en eerder dan deze dag hebt gij ze ook niet gehoord; opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Ziet, ik heb ze geweten.
Jes 48:8 Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat gij gans trouweloos handelen zoudt, en dat gij van de buik af een overtreder genaamd zijt.

Jes 48:9 Omwille van Mijn Naam zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en omwille van Mijn eer zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.
Jes 48:10 Ziet, Ik heb u gelouterd, niet als zilver, maar u heb Ik gekeurd in de smeltkroes der ellende.
Jes 48:11 Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.
Jes 48:12 Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israel, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste.
Jes 48:13 Ook heeft Mijn hand de aarde gefundeerd, en Mijn rechterhand heeft de hemelen uitgespannen; wanneer Ik ze roep, staan zij daar tezamen.
Jes 48:14 Vergadert u, gij allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De HEERE heeft hem lief, Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de ChaldeŽn zijn.
Jes 48:15 Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg.

Jes 48:16 Nadert gijlieden tot Mij, hoort dit: Ik heb vanaf het begin niet in het verborgene gesproken, maar van die tijd af, dat het geschied is, ben Ik daar; en nu, de Heere HEERE, en Zijn Geest heeft Mij gezonden.
Jes 48:17 Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert, wat nuttig is, Die u leidt op de weg, die gij gaan moet.
Jes 48:18 Och, dat gij naar Mijn geboden geluisterd had! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee.
Jes 48:19 Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, en uw nageslacht uit uw ingewanden als het grind daarvan; wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch verdelgd van voor Mijn aangezicht.
Jes 48:20 Gaat uit van Babel, vlucht van de ChaldeŽn, verkondigt met een stem van gejuich, doet het horen, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De HEERE heeft Zijn knecht Jakob verlost!
Jes 48:21 En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit de rots stromen; toen Hij de rots kliefde, vloeiden de wateren daaruit.
Jes 48:22 Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.

Hoofdstuk 49
Jes 49:1 Hoort naar Mij, gij eilanden! en luistert toe, gij volken van verre! De HEERE heeft Mij geroepen van de buik af, vanaf de schoot van Mijn moeder heeft Hij Mijn Naam gemeld.
Jes 49:2 En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuivere pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.
Jes 49:3 En Hij heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Knecht, Israel (3:2)lett. strijder van God), door Wie Ik verheerlijkt zal worden.
Jes 49:4 Toen zei Ik: Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht voor niets aangewend; maar gewis, Mijn recht is bij de HEERE, en Mijn arbeidsloon is bij Mijn God.
Jes 49:5 En nu zegt de HEERE, Die Mij Zich vanaf moederschoot tot een Knecht geformeerd heeft, dat Ik Jakob tot Hem wederbrengen zou; en Israel zich tot Hem zou laten verzamelen; nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen des HEEREN, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn.
Jes 49:6 Verder zei Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om terug te brengen de bewaarden in Israel; Ik heb U ook gegeven tot een Licht van de heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.

Jes 49:7 Alzo zegt de HEERE, de Verlosser van Israel, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Die, aan Wie het volk een gruwel heeft, tot de Knecht van hen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om des HEEREN wil, Die getrouw is, om de Heilige Israels, Die U verkoren heeft.
Jes 49:8 Alzo zegt de HEERE: In een tijd van welbehagen heb Ik U verhoord, en ten dage des heils heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond van het volk, om het aardrijk op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beŽrven;
Jes 49:9 Om te zeggen tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt tevoorschijn; zij zullen op Gods wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen.
Jes 49:10 Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen zachtjes leiden naar de waterbronnen.
Jes 49:11 En Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd zijn.
Jes 49:12 Zie, dezen zullen van verre komen; en zie, dezen van het noorden en van het westen, en dezen uit het land van Sinim.

Jes 49:13 Juicht, gij hemelen! en verheug u, gij aarde! en gij bergen! maakt gedreun met gejuich; want de HEERE heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
Jes 49:14 Doch Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, en de HEERE heeft mij vergeten.
Jes 49:15 Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermt over de zoon van haar schoot? Ofschoon deze zou vergeten, zo zal Ik toch u niet vergeten.
Jes 49:16 Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij.
Jes 49:17 Uw zonen zullen zich haasten; maar uw verstoorders en uw verwoesters zullen van u uitgaan.

Jes 49:18 Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze vergaderen zich, zij komen tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, zeker, gij zult u met alle dezen als met een sieraad bekleden, en gij zult ze u aanbinden, gelijk een bruid.
Jes 49:19 Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewis, gij zult benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken.
Jes 49:20 Nog zullen de kinderen, waarvan gij beroofd was, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij, dat ik wonen mag.
Jes 49:21 En gij zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij dezen voortgebracht, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was in ballingschap, en weggetrokken; wie heeft mij dan dezen opgevoed? Ziet, ik was alleen overgelaten, waar waren dezen?
Jes 49:22 Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden.
Jes 49:23 En koningen zullen uw oppassers zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten lekken; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
Jes 49:24 Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zou de rechtmatige gevangene ontkomen?
Jes 49:25 Doch alzo zegt de HEERE: Ja, de gevangenen van de machtige zullen hem ontnomen worden, en de vangst van de tiran zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen.
Jes 49:26 En Ik zal uw verdrukkers spijzigen met hun eigen vlees, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoete wijn; en alle vlees zal gewaar worden, dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.

Hoofdstuk 50
Jes 50:1 Alzo zegt de HEERE: Waar is de scheidbrief van uw moeder, waarmee Ik haar weggezonden heb? Of wie is er van Mijn schuldeisers, aan wie Ik u verkocht heb? Ziet, om uw ongerechtigheden hebt gij uzelf verkocht, en om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.
Jes 50:2 Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus zo kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn bestraffing maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst.
Jes 50:3 Ik bekleed de hemel met zwartheid, en stel een zak tot zijn deksel.

Jes 50:4 De Heere HEERE heeft Mij een tong der geleerden gegeven, opdat Ik met de moede een woord ter rechter tijd weet te spreken; Hij wekt elke morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hoor, gelijk die geleerd worden.
Jes 50:5 De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend, en Ik ben niet weerspannig, Ik wijk niet achterwaarts.
Jes 50:6 Ik geef Mijn rug degenen, die Mij slaan, en Mijn wangen degenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.
Jes 50:7 Want de Heere HEERE helpt Mij, daarom word Ik niet te schande; daarom heb Ik Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden.
Jes 50:8 Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons tezamen staan; wie heeft een rechtszaak tegen Mij? Laat hij hier tot Mij komen.
Jes 50:9 Ziet, de Heere HEERE helpt Mij, wie is het, die Mij zal veroordelen? Ziet, zij zullen allen als een kleed verouderen, de mot zal hen opeten.

Jes 50:10 Wie is er onder u, die de HEERE vreest, die naar de stem van Zijn Knecht hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, laat hem vertrouwen op de Naam des HEEREN, en steunen op zijn God.
Jes 50:11 Ziet, gij allen, die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt! wandelt in de vlam van uw vuur, en in de spranken, die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt u van Mijn hand, in smart zult gijlieden liggen.

Hoofdstuk 51
Jes 51:1 Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid najaagt, gij, die de HEERE zoekt! aanschouwt de rots, waaruit gijlieden gehouwen zijt, en de holte van de bornput, waaruit gij gegraven zijt.
Jes 51:2 Aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die ulieden gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem.
Jes 51:3 Want de HEERE zal Sion troosten, Hij zal troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal haar woestijn maken als Eden, en haar wildernis als de hof des HEEREN; vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem van gezang.

Jes 51:4 Luistert naar Mij, Mijn volk! en Mijn natie, neigt naar Mij het oor! want een wet zal van Mij uitgaan, en Ik zal Mijn recht doen rusten tot een licht der volken.
Jes 51:5 Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit, en Mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de eilanden wachten, en op Mijn arm zullen zij hopen.
Jes 51:6 Heft uw ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouderen, en haar inwoners zullen sterven als muggen; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
Jes 51:7 Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van de mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.
Jes 51:8 Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslacht.

Jes 51:9 Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, Gij arm des HEEREN! ontwaak als in de dagen van weleer, als in de geslachten van ouds; zijt Gij het niet, Die de trotsen van hart hebt neergeslagen, Die de zeedraak verwond hebt?
Jes 51:10 Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren van de grote afgrond, droog gemaakt hebt? Die de diepten van de zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?
Jes 51:11 Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treurnis en zuchten zullen wegvluchten.
Jes 51:12 Ik, Ik ben het, Die u troost; wie zijt gij, dat gij vreest voor de mens, die sterven zal? en voor een mensenkind, dat zal zijn als het gras?
Jes 51:13 En vergeet de HEERE, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgespannen, en de aarde gefundeerd heeft, en vreest gedurig de ganse dag, vanwege de grimmigheid van de benauwer, wanneer hij zich opmaakt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid van de benauwer?
Jes 51:14 De gevangene in ballingschap zal haastig los gelaten worden; en hij zal in de kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken.
Jes 51:15 Want Ik ben de HEERE, uw God, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen; HEERE der legerscharen is Zijn Naam.
Jes 51:16 En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw van Mijn hand; om de hemelen uit te strekken, en om de aarde te funderen, en om te zeggen tot Sion: Gij zijt Mijn volk.

Jes 51:17 Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! gij, die gedronken hebt van de hand des HEEREN de beker van Zijn grimmigheid; de droesem van de beker der siddering hebt gij gedronken, ja, leeggezogen.
Jes 51:18 Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt.
Jes 51:19 Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wie zal Ik u troosten?
Jes 51:20 Uw kinderen zijn bezwijmd, zij liggen vooraan op alle straten, als een wilde os in het net; zij zijn vol van de grimmigheid des HEEREN, van de bestraffing van uw God.
Jes 51:21 Daarom hoort nu dit, gij bedrukten! en gij bedronkenen, maar niet van wijn!
Jes 51:22 Alzo zegt de Heere, de HEERE en uw God, Die de zaak van Zijn volk twisten zal: Zie, Ik neem de beker der siddering uit uw hand, de droesem van de beker van Mijn grimmigheid; gij zult die voortaan niet meer drinken.
Jes 51:23 Maar Ik zal hem die, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neer, dat wij over u gaan; en gij hebt uw lichaam op de grond gelegd, als een straat voor hen, die daarover gaan.

Hoofdstuk 52
Jes 52:1 Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad; want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.
Jes 52:2 Schud het stof van u, maak u op, zet u neder, o Jeruzalem! maak u los van de banden van uw hals, gij gevangene, dochter van Sion!
Jes 52:3 Want zo zegt de HEERE; Gijlieden zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden.
Jes 52:4 Want zo zegt de Heere HEERE: In vorige tijden trok Mijn volk af in Egypte, om als vreemdeling aldaar te verkeren; en Assur heeft het om niet onderdrukt.
Jes 52:5 En nu, wat heb Ik hier te doen? spreekt de HEERE, omdat Mijn volk om niet weggenomen is, en degenen die er over heersen, het doen huilen, spreekt de HEERE, en Mijn Naam gedurig de ganse dag gelasterd wordt;
Jes 52:6 Daarom zal Mijn volk, daarom zal het Mijn Naam in die dag kennen, dat Ik het Zelf ben, Die spreekt: Zie, hier ben Ik.

Jes 52:7 Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van hem, die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; die tot Sion zegt: Uw God is Koning.
Jes 52:8 Er is een stem van uw wachters; zij verheffen de stem, zij juichen tezamen; want zij zullen oog aan oog zien, als de HEERE Sion wederbrengen zal.
Jes 52:9 Maakt een geschal, juicht tezamen, gij woeste plaatsen van Jeruzalem! want de HEERE heeft Zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost.
Jes 52:10 De HEERE heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle heidenen; en al de einden der aarde zullen zien het heil van onze God.
Jes 52:11 Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, gij, die de vaten des HEEREN draagt!
Jes 52:12 Maar niet met haast zult gijlieden uitgaan, noch op de vlucht gaan; want de HEERE zal voor uw aangezicht heentrekken, en de God van Israel zal uw achterhoede wezen.

Jes 52:13 Ziet, Mijn Knecht zal verstandig handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden.
Jes 52:14 Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, alzo misvormd was Zijn voorkomen, meer dan van iemand anders, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen;
Jes 52:15 Alzo zal Hij vele heidenen besprengen, ja, de koningen zullen hun mond over Hem dicht houden; want die het niet verkondigd was, die zullen het zien, en die het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.

Hoofdstuk 53
Jes 53:1 Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard?
Jes 53:2
Want Hij is als een Takje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.
Jes 53:3 Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en vertrouwd met ziekte; en een ieder was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.

Jes 53:4 Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
Jes 53:5 Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
Jes 53:6 Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn weg; doch de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem gelegd.
Jes 53:7 Hij werd verdrukt en gekweld, doch Hij deed Zijn mond niet open; Hij werd als een lam ter slachting geleid; en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
Jes 53:8 Hij is uit de angst en uit de verdrukking weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding van Mijn volk is de plaag op Hem geweest.
Jes 53:9 Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gedacht, maar Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.

Jes 53:10 Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem ziek gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand voorspoedig voortgaan.
Jes 53:11 Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
Jes 53:12 Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de buit van de machtigen verdelen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij de zonden van velen gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.

Hoofdstuk 54
Jes 54:1 Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen van de eenzame zijn meer, dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE.
Jes 54:2 Vergroot de plaats van uw tenten en de gordijnen van uw woningen, verhinder het niet; maak uw koorden lang, en steek uw pinnen vast in.
Jes 54:3 Want gij zult uitbreken ter rechterhand en ter linkerhand; en uw zaad zal de heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen.
Jes 54:4 Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, en word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; maar gij zult de schaamte van uw jeugd vergeten, en de smaad van uw weduwschap zult gij niet meer gedenken.
Jes 54:5 Want uw Maker is uw Man, HEERE der legerscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israels is uw Verlosser; Hij zal de God van de hele aardbodem genaamd worden.

Jes 54:6 Want de HEERE heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God.
Jes 54:7 Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen.
Jes 54:8 In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser.
Jes 54:9 Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u bestraffen zal.
Jes 54:10 Want bergen zullen wijken, en heuvels wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.

Jes 54:11 Gij verdrukte, door onweer voortgedrevene, ongetrooste! zie, Ik zal uw plaveisel met kostelijke stenen leggen, en Ik zal u op saffieren funderen.
Jes 54:12 En uw glasvensters zal Ik van kristal maken, en uw poorten van robijnen, en heel uw grens van aangename stenen.
Jes 54:13 En al uw kinderen zullen van de HEERE geleerd zijn, en de vrede van uw kinderen zal groot zijn.
Jes 54:14 Gij zult door gerechtigheid bevestigd worden; wees niet beangst, want gij behoeft niet te vrezen; en ver van verschrikking, want zij zal tot u niet naderen.
Jes 54:15 Ziet, zij zullen zich zeker vergaderen, doch niet uit Mij; wie zich tegen u vergaderen zal, die zal om uwentwil vallen.
Jes 54:16 Zie, Ik heb de smid geschapen, die de kolen in het vuur aanblaast, en die met zijn werk een wapen smeedt; ook heb Ik de verderver geschapen, om te vernielen.
Jes 54:17 Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij veroordelen; dit is de erfenis van de knechten des HEEREN, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE.

Hoofdstuk 55
Jes 55:1 O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!
Jes 55:2 Waarom weegt gij geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel zich verlustigen in overvloed.
Jes 55:3 Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David.
Jes 55:4 Ziet, Ik heb hem als een getuige tot de volken gegeven, een vorst en gebieder van de volken.
Jes 55:5 Ziet, gij zult een volk roepen, dat gij niet kende, en het volk, dat u niet kende, zal tot u lopen, omwille van de HEERE uw God, en omwille van de Heilige Israels, want Hij heeft u verheerlijkt.

Jes 55:6 Zoekt de HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.
Jes 55:7 De goddeloze verlate zijn weg, en de onrechtvaardige zijn gedachten; en hij bekere zich tot de HEERE, zo zal Hij Zich ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldig.
Jes 55:8 Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.
Jes 55:9 Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan uw gedachten.
Jes 55:10 Want gelijk de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt, en daarheen niet weerkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrengt en uitspruit, en zaad geeft de zaaier, en brood de eter;
Jes 55:11 Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij weerkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zend.
Jes 55:12 Want in blijdschap zult gij uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvels zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle bomen van het veld zullen in de handen klappen.
Jes 55:13 Voor een doornstruik zal een cypres opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan; en het zal de HEERE wezen tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden.

Hoofdstuk 56
Jes 56:1 Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.
Jes 56:2 Welgelukzalig is de mens, die dit doet, en het mensenkind, dat daaraan vasthoudt; die de sabbat houdt, zodat gij die niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.

Jes 56:3 En de vreemde, die zich tot de HEERE gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De HEERE heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom.
Jes 56:4 Want alzo zegt de HEERE van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond;
Jes 56:5 Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan van zonen en dochters; een eeuwige naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.
Jes 56:6 En de vreemden, die zich tot de HEERE voegen, om Hem te dienen, en om de Naam des HEEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie de sabbat houdt, dat hij die niet ontheiligt, en die aan Mijn verbond vasthouden;
Jes 56:7 Die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.
Jes 56:8 De Heere HEERE, Die de verdrevenen van Israel vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, behalve hen, die tot hem vergaderd zijn.

Jes 56:9 Al gij dieren van het veld, komt om te eten, ja, al gij dieren in het woud!
Jes 56:10 Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet blaffen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.
Jes 56:11 En deze honden zijn zeer begerig, zij kunnen niet verzadigd worden; het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elk is uit op winstbejag, ieder van hen.
Jes 56:12 Komt hier, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterke drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, ja, groter, nog voortreffelijker.

Hoofdstuk 57
Jes 57:1 De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige mensen worden weggeraapt, zonder dat iemand er op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad dat komt.
Jes 57:2 Hij zal ingaan in de vrede; zij zullen rusten op hun bedden, een ieder, die in zijn oprechtheid gewandeld heeft.

Jes 57:3 Doch nadert gijlieden hier toe, gij kinderen van een waarzegster! gij overspelig zaad, en gij, die hoererij bedrijft!
Jes 57:4 Over wie maakt gij u vrolijk, over wie spert gij de mond wijd open en steekt de tong ver uit? Zijt gij niet kinderen van overtreding, een zaad van valsheid?
Jes 57:5 Die verhit zijt in de eikebossen, onder elke groene boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de overhangende rotsen.
Jes 57:6 Aan de gladde stenen der beken is uw deel, dit, dit is uw lot; ook stort gij daarover drankoffer uit, gij offert hun spijsoffer; zou Ik Mij over deze dingen troosten laten?
Jes 57:7 Gij stelt uw bed op een hoge en verheven berg; ook klimt gij daarheen op, om slachtoffer te offeren.
Jes 57:8 En achter de deur en posten zet gij uw gedenkteken; gij hebt u ontdekt aan een ander en klimt op, weg van Mij; gij maakt uw bed breed, en maakt u een verbond met enigen van hen, gij hebt hun bed lief in elke plaats, die gij ziet.
Jes 57:9 En gij trekt met olie tot de koning, en gij vermenigvuldigt uw welriekende zalven; en gij zendt uw gezanten ver heen, en vernedert u tot het dodenrijk toe.
Jes 57:10 Gij zijt vermoeid door uw grote reis, maar gij zegt niet: Het is zonder hoop; gij hebt vernieuwing van uw kracht gevonden, daarom raakt gij niet uitgeput.
Jes 57:11 Maar voor wie hebt gij geschroomd of gevreesd, dat gij hebt gelogen, en aan Mij niet gedacht hebt; gij hebt het niet ter harte genomen. Is het niet, omdat Ik zwijg, en dat van ouds af, dat gij Mij niet vreest?
Jes 57:12 Ik zal uw gerechtigheid bekend maken, en uw werken, dat zij u geen nut doen zullen.

Jes 57:13 Wanneer gij roepen zult, zo laat die, die gij vergadert hebt, u redden; doch de wind zal hen allen wegvoeren, de ijdelheid zal hen wegnemen. Maar die op Mij vertrouwt, die zal het aardrijk erven, en Mijn heilige berg erfelijk bezitten.
Jes 57:14 En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt de weg, verwijdert de aanstoot uit de weg van Mijn volk.
Jes 57:15 Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij degene, die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend maak de geest der nederigen, en opdat Ik levend maak het hart der verbrijzelden.
Jes 57:16 Want Ik zal niet eeuwig twisten, en Ik zal niet altijd verbolgen zijn; want de geest van de mens zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.
Jes 57:17 Ik was verbolgen over de ongerechtigheid van hun hebzucht, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was verbolgen; evenwel gingen zij afkerig verder in de weg van hun hart.
Jes 57:18 Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen leiden, en weer vertroosten, namelijk hun treurenden.
Jes 57:19 Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede voor hen, die verre zijn, en voor hen, die nabij zijn, zegt de HEERE, en Ik zal hen genezen.
Jes 57:20 Doch de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op.
Jes 57:21 De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.

Hoofdstuk 58
Jes 58:1 Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden.
Jes 58:2 Toch zoeken zij Mij dagelijks, en hebben lust aan de kennis van Mijn wegen, als een volk, dat gerechtigheid heeft gedaan en het recht van zijn God niet verliet, zij vragen Mij naar de rechten der gerechtigheid; zij hebben lust tot God te naderen;   *)

Jes 58:3 Zeggende: Waarom vasten wij, en Gij ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziel, en Gij weet het niet? Ziet, ten dage, wanneer gijlieden vast, zo overdenkt gij uw zaken, en gij eist gestreng al uw arbeid op.
Jes 58:4 Ziet, tot twist en gekijf vast gijlieden, en om goddeloos met de vuist te slaan; vast niet gelijk heden, om uw stem te doen horen in de hoogte.
Jes 58:5 Zou het zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijn ziel een dag kwelt, dat hij zijn hoofd kromt als een bieze, en een zak en as onder zich spreidt? Zoudt gij dat een vasten heten, en een dag de HEERE aangenaam?
Jes 58:6 Is niet dit het vasten, dat Ik verkies: dat gij losmaakt de knopen der goddeloosheid, en de banden van het juk, en dat gij vrij loslaat de verpletterden, en alle juk verscheurt?
Jes 58:7 Is het niet, dat gij met de hongerige uw brood deelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als gij een naakte ziet, dat gij hem kleedt, en dat gij u voor uw vlees niet verbergt?

Jes 58:8 Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uw genezing zal spoedig uitspruiten; en uw gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en de heerlijkheid des HEEREN zal uw achtertocht wezen.
Jes 58:9 Dan zult gij roepen, en de HEERE zal antwoorden; gij zult schreeuwen, en Hij zal zeggen: Ziet, hier ben Ik. Zo gij uit het midden van u wegdoet het juk, het uitsteken van de vinger, en het spreken van ongerechtigheid;
Jes 58:10 En zo gij uw ziel opent voor de hongerige, en de bedrukte ziel verzadigt; dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uw donkerheid zal zijn als de middag.
Jes 58:11 En de HEERE zal u gedurig leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen versterken; en gij zult zijn als een bewaterde hof, en als een springader van wateren, waarvan de wateren niet ontbreken.
Jes 58:12 En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fundamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten; en gij zult genaamd worden: Die de bressen dicht, die de paden herstelt, om bewoonbaar te maken.
Jes 58:13 Indien gij uw voet weerhoudt op de sabbat, om niet uw lust te doen op Mijn heilige dag; en indien gij de sabbat een welbehagen noemt, opdat de HEERE geheiligd worde, Die te eren is; en indien gij die eert, dat gij uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch ijdele woorden spreekt;
Jes 58:14 Dan zult gij u verblijden in de HEERE, en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en Ik zal u spijzigen met de erfenis van uw vader Jakob; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.

Hoofdstuk 59
Jes 59:1 Ziet, de hand des HEEREN is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen.
Jes 59:2 Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen u en uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van u, dat Hij niet hoort.
Jes 59:3 Want uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingers met ongerechtigheid; uw lippen spreken valsheid, uw tong dicht onrecht.
Jes 59:4 Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid zich in het gericht begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid.
Jes 59:5 Zij broeden basiliskus-eieren uit, en zij weven spinnewebben; die van hun eieren eet, moet sterven, en als het in stukken gedrukt wordt, barst er een adder uit.
Jes 59:6 Hun webben deugen niet tot klederen, en zij zullen zichzelf niet kunnen bedekken met hun werken; hun werken zijn werken der ongerechtigheid, en een daad van geweld is in hun handen.
Jes 59:7 Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten zich om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten van ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun paden.
Jes 59:8 de weg des vredes kennen zij niet; en er is geen recht in hun wegen; zij hebben zich kromme paden gemaakt, al wie daarop gaat, die kent de vrede niet.

Jes 59:9 Daarom is het recht ver van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een grote glans, maar wij wandelen in duisternissen.
Jes 59:10 Wij tasten naar de wand, gelijk de blinden, en, gelijk die geen ogen hebben, tasten wij; wij stoten ons op de middag, als in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de doden.
Jes 59:11 Wij brullen allen gelijk als de beren, en wij koeren als treurende duiven; wij wachten naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is ver van ons.
Jes 59:12 Want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij;
Jes 59:13 Het overtreden en het liegen tegen de HEERE, en het achterwaarts wijken van onze God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart.
Jes 59:14 Daarom is het recht achterwaarts geweken, en de gerechtigheid staat van ver; want de waarheid struikelt op de straat, en wat recht is, kan er niet ingaan.
Jes 59:15 Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie zich van het boze afkeert, stelt zich tot een roof; en de HEERE zag het, en het was kwaad in Zijn ogen, dat er geen recht was.

Jes 59:16 En Hij zag, dat er niemand was, en Hij ontzette Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem.
Jes 59:17 Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en de helm des heils zette Hij op Zijn hoofd, en de klederen der wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed de ijver aan als een mantel.
Jes 59:18 Even naar de werken, even daarnaar zal Hij vergelden, grimmigheid aan Zijn tegenstanders, vergelding aan Zijn vijanden; de eilanden zal Hij het loon vergelden.
Jes 59:19 Dan zullen zij de Naam des HEEREN vrezen van de ondergang, en Zijn heerlijkheid van de opgang van de zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des HEEREN de banier tegen hen oprichten.
Jes 59:20 En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt de HEERE.
Jes 59:21 Mij aangaande, dit is Mijn Verbond met hen, zegt de HEERE: Mijn Geest, Die op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van de mond van uw kinderen, noch van de mond van de kinderen van uw kinderen, zegt de HEERE, van nu aan tot in eeuwigheid.

Hoofdstuk 60
Jes 60:1 Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op.
Jes 60:2 Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.
Jes 60:3 En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan.
Jes 60:4 Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van ver komen, en uw dochters op de armen gedragen worden.
Jes 60:5 Dan zult gij, dat ziende, u verheugen, en uw hart zal ontroerd zijn en verwijd worden; want de menigte der kooplieden van de zee zal tot u gekeerd worden, de kracht der heidenen zal tot u komen.
Jes 60:6 Een hoop kamelen zal u bedekken, de snelle kamelen van Midian en Hefa; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen de overvloedige lof des HEEREN boodschappen.
Jes 60:7 Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis van Mijn heerlijkheid heerlijk maken.
Jes 60:8 Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?

Jes 60:9 Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooraan, om uw kinderen van ver te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de Naam van de HEERE uw God, en tot de Heilige Israels, omdat Hij u heerlijk gemaakt heeft.
Jes 60:10 En vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd.
Jes 60:11 En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen des daags of des nachts niet gesloten worden; opdat men tot u in zal brengen de rijkdom der heidenen, en hun koningen tot u geleid worden.
Jes 60:12 Want het volk en het koninkrijk, die u niet zullen dienen, zullen vergaan; en die volken zullen geheel en al verwoest worden.
Jes 60:13 De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de cypres, de plataan en de lariks tegelijk, om te versieren de plaats van Mijn heiligdom, en Ik zal de plaats van Mijn voeten heerlijk maken.
Jes 60:14 Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen van hen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich neerbuigen aan uw voetzolen; en zij zullen u noemen de stad des HEEREN, het Sion van de Heilige Israels.

Jes 60:15 In plaats dat gij verlaten en gehaat zijt geweest, waar niemand doorheen trok, zo zal Ik u stellen tot een eeuwige heerlijkheid, tot een vreugde van geslacht tot geslacht.
Jes 60:16 En gij zult de melk der heidenen zuigen, en gij zult de borsten der koningen zuigen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.
Jes 60:17 Voor koper zal Ik goud brengen, en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor stenen ijzer; en zal vrede tot uw opzieners maken, en gerechtigheid tot uw drijvers.
Jes 60:18 Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking binnen uw grenzen; maar uw muren zult gij Heil heten, en uw poorten Lof.
Jes 60:19 De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar de HEERE zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid.
Jes 60:20 Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want de HEERE zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen van uw treurigheid zullen een einde nemen.
Jes 60:21 En uw volk zullen allen tezamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een loot door Mij geplant, een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt worde.
Jes 60:22 De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik, de HEERE, zal het te zijner tijd haastig doen komen.

Hoofdstuk 61
Jes 61:1 De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis;
Jes 61:2 Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, en de dag der wraak van onze God; om alle treurigen te troosten;
Jes 61:3 Om de treurigen van Sion te beschikken dat hun gegeven wordt sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad van lof voor een benauwde geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt wordt.

Jes 61:4 En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weer oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht.
Jes 61:5 En vreemdelingen zullen staan, en uw kudden weiden; en vreemden zullen uw akkerbouwers en uw wijngaardeniers zijn.
Jes 61:6 Maar gijlieden zult priesters des HEEREN heten, men zal u dienaren van onze God noemen; gij zult het vermogen der heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult gij u roemen.
Jes 61:7 Voor uw schande zult gij dubbel ontvangen en in plaats van hun smaad zullen zij juichen over hun deel; daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten; zij zullen eeuwige vreugde hebben.
Jes 61:8 Want Ik, de HEERE, heb het recht lief, Ik haat de roof in het brandoffer, en Ik zal geven, dat hun werk in waarheid zal zijn; en Ik zal een eeuwig verbond met hen maken.
Jes 61:9 En hun zaad zal onder de heidenen bekend worden, en hun nakomelingen in het midden der volken; allen, die hen zien zullen, zullen hen kennen, dat zij zijn een zaad, dat de HEERE gezegend heeft.

Jes 61:10 Ik ben zeer vrolijk in de HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen van heil, de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; zoals een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en zoals een bruid zich versiert met haar juwelen.
Jes 61:11 Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt, en zoals een hof, hetgeen in hem gezaaid is, voortbrengt; alzo zal de Heere HEERE gerechtigheid en lof voortbrengen voor al de volken.

Hoofdstuk 62
Jes 62:1 Om Sions wil zal ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal ik niet stil zijn; totdat haar gerechtigheid doorbreekt als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt.
Jes 62:2 En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwe naam genoemd worden, die door de mond des HEEREN uitdrukkelijk genoemd zal worden.
Jes 62:3 En gij zult een sierlijke kroon zijn in de hand des HEEREN, en een koninklijke tulband in de hand van uw God.
Jes 62:4 Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: Mijn welbehagen aan haar! en uw land: Het getrouwde; want de HEERE heeft een welbehagen aan u, en uw land zal getrouwd worden.
Jes 62:5 Want zoals een jongeling een maagd trouwt, alzo zullen uw zonen u trouwen; en zoals de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn.
Jes 62:6 O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die gedurig al de dag en al de nacht niet zullen zwijgen. O gij, die de HEERE zult gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen!
Jes 62:7 En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestigt, en totdat Hij Jeruzalem stelt tot een lof op aarde.
Jes 62:8 De HEERE heeft gezworen bij Zijn rechterhand, en bij de arm van Zijn sterkte: Ik zal uw koren niet meer geven tot spijs voor uw vijanden, en de vreemden zullen niet meer drinken van uw most, waaraan gij gearbeid hebt!
Jes 62:9 Maar die het inzamelen zullen, die zullen het eten, en zij zullen de HEERE prijzen; en die hem vergaderen zullen, zullen hem drinken in de voorhoven van Mijn heiligdom.
Jes 62:10 Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt het volk de weg; verhoogt, verhoogt een baan, ruimt de stenen weg, steekt een banier omhoog tot de volken!
Jes 62:11 Ziet, de HEERE heeft doen horen, tot aan het einde der aarde: zegt de dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
Jes 62:12 En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten des HEEREN; en gij zult genoemd worden de gezochte, de stad, die niet verlaten is.

Hoofdstuk 63
Jes 63:1 Wie is Deze, Die van Edom komt met bespatte klederen, van Bozra? Deze, Die voortgaat in Zijn prachtig gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.
Jes 63:2 Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van iemand, die in de wijnpers treedt?
Jes 63:3 Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gespat op Mijn klederen, en heel Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
Jes 63:4 Want de dag der wraak was in Mijn hart, en het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
Jes 63:5 En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund,
Jes 63:6 En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid; en Ik heb hun kracht ter aarde doen neerdalen.

Jes 63:7 Ik zal de goedertierenheden des HEEREN vermelden, de veelvoudige lof des HEEREN, naar alles, wat de HEERE ons heeft bewezen, en de grote goedheid aan het huis van Israel, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid van Zijn goedertierenheden.
Jes 63:8 Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen, die niet liegen zullen? Alzo is Hij hun geworden tot een Heiland.
Jes 63:9 In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel van Zijn aangezicht heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds.
Jes 63:10 Maar zij zijn weerspannig geworden, en zij hebben Zijn Heilige Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand veranderd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
Jes 63:11 Nochtans dacht Hij aan de dagen vanouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders van Zijn kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heilige Geest in het midden van hen stelde?
Jes 63:12 Die de arm van Zijn heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hun aangezichten kliefde, opdat Hij Zich een eeuwige Naam maakte?
Jes 63:13 Die hen leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn, struikelden zij niet.
Jes 63:14 Gelijk een beest, dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest des HEEREN rust gegeven. Alzo hebt Gij Uw volk geleid, opdat Gij U een heerlijke Naam zoudt maken.

Jes 63:15 Zie van de hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel van Uw ingewand en Uw barmhartigheden, die zich tegen mij inhouden?
Jes 63:16 Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israel kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.
Jes 63:17 HEERE! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer terug omwille van Uw knechten, de stammen van Uw erfdeel.
Jes 63:18 Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijd bezeten; onze tegenstanders hebben Uw heiligdom vertreden.
Jes 63:19 Wij zijn geworden als degenen, over wie Gij van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd.

Hoofdstuk 64
Jes 64:1 Och, dat Gij de hemelen zoudt scheuren, dat Gij zoudt neerdalen, dat de bergen zouden schudden door Uw aanwezigheid;
Jes 64:2 Gelijk een smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opborrelen, om Uw Naam aan Uw tegenstanders bekend te maken! Laat alzo de heidenen voor Uw aangezicht beven.
Jes 64:3 Toen Gij vreselijke dingen deed, die wij niet verwachtten; toen Gij neerdaalde en de bergen voor Uw aangezicht beefden.
Jes 64:4 Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met de oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal diegene, die op Hem wacht.
Jes 64:5 Gij ontmoet degene die in blijdschap gerechtigheid doet; degenen, die U gedenken op Uw wegen; zie, U was verbolgen, omdat wij gezondigd hebben; lang zijn wij daarin gebleven, opdat wij behouden zouden worden.

Jes 64:6 Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons weg als een wind.
Jes 64:7 En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opmaakt om zich aan U vast te houden; want Gij verbergt Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten, door middel van onze ongerechtigheden.
Jes 64:8 Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn het werk van Uw handen.
Jes 64:9 HEERE! wees niet zo zeer verbolgen, en gedenk niet eeuwig de ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk.
Jes 64:10 Uw heilige steden zijn een wildernis geworden, Sion is een wildernis geworden, Jeruzalem een verwoesting.
Jes 64:11 Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden.
Jes 64:12 HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij zwijgen, en ons zozeer bedrukken?

Hoofdstuk 65
Jes 65:1 Ik ben gevonden door hen, die naar Mij niet vroegen; Ik ben gevonden door degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.
Jes 65:2 Ik heb Mijn handen uitgespreid, de hele dag tot een wederstrevend volk, die wandelen op een weg, die niet goed is, naar hun eigen gedachten.
Jes 65:3 Een volk, dat Mij gedurig tergt in Mijn aangezicht, in hoven offerende, en wierokende op tichelstenen;
Jes 65:4 Die verblijven bij de graven en overnachten in spelonken, zwijnenvlees etend, en er is soep van gruwelijke dingen in hun vaten.
Jes 65:5 Die daar zeggen: Blijf waar u bent, en nader tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij. Deze zijn een rook in Mijn neus, een vuur, de ganse dag brandend.
Jes 65:6 Ziet, het is voor Mijn aangezicht geschreven; Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja, in hun boezem zal Ik vergelden:
Jes 65:7 beide uw ongerechtigheden en de ongerechtigheden van uw vaderen, zegt de HEERE, die gewierookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvels; Ik zal hun vorig werkloon in hun boezem toemeten.

Jes 65:8 Alzo zegt de HEERE: Gelijk wanneer men most in een tros druiven vindt, en men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in; alzo zal Ik het omwille van Mijn knechten doen, dat Ik hen niet allen verderven zal.
Jes 65:9 En Ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda een erfelijk bezitter van Mijn bergen; en Mijn uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en Mijn knechten zullen aldaar wonen.
Jes 65:10 En Saron zal tot een schaapskooi worden, en het dal van Achor tot een runderleger, voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft.

Jes 65:11 Maar gij, die de Heere verlaat, die Mijn heilige berg vergeet, die een tafel dekt voor de god van het geluk, en een drankoffer bereidt voor de god van het noodlot!
Jes 65:12 Ik zal u voor het zwaard bestemmen, dat gij allen u ter slachting zult krommen, omdat Ik geroepen heb, maar gij hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar gij hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen, en hebt verkoren hetgeen, waaraan Ik geen welgevallen heb.
Jes 65:13 Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Mijn knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren; ziet, Mijn knechten zullen drinken, doch gijlieden zult dorsten; ziet, Mijn knechten zullen blij zijn, doch gij zult beschaamd zijn.
Jes 65:14 Ziet, Mijn knechten zullen juichen omdat hun hart vrolijk is, maar gij zult schreeuwen omdat uw hart vol smart is, en vanwege de verslagenheid van uw geest zult gij huilen.
Jes 65:15 En gij zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vloekwoord laten; en de Heere HEERE zal ulieden doden, maar Zijn knechten zal Hij met een andere naam noemen;
Jes 65:16 Zodat, wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in de God der waarheid; en wie zal zweren op aarde, die zal zweren bij de God der waarheid, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor Mijn ogen verborgen zijn.

Jes 65:17 Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen.
Jes 65:18 Maar weest gijlieden vrolijk, en verheugt u tot in eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem een blijdschap, en haar volk een vrolijkheid.
Jes 65:19 En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem van geween, noch de stem van geschreeuw.
Jes 65:20 Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden.
Jes 65:21 En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en de vrucht daarvan eten.
Jes 65:22 Zij zullen niet bouwen, dat een ander het bewoont; zij zullen niet planten, dat een ander het eet, want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom, en Mijn uitverkorenen zullen zich lang verheugen in het werk van hun handen.
Jes 65:23 Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch voortbrengen tot onheil; want zij zijn het zaad der gezegenden van de HEERE, en hun nakomelingen met hen.
Jes 65:24 En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen.
Jes 65:25 De wolf en het lam zullen tezamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal het voedsel van de slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijn ganse heilige berg, zegt de HEERE.

Hoofdstuk 66
Jes 66:1 Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank van Mijn voeten; waar zou dat huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats van Mijn rust?
Jes 66:2 Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE; maar op zodanigen zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.
Jes 66:3 Wie een os slacht, is als die een man doodslaat; wie een lam offert, is als die een hond de hals breekt; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod prijst. Dezen verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeisels.
Jes 66:4 Ik zal ook verkiezen het loon van hun daden, en hun vrees zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijn ogen, en verkozen hetgeen waartoe Ik geen lust had.

Jes 66:5 Hoort des HEEREN woord, gij, die voor Zijn woord beeft! Uw broeders, die u haten, die u verre afzonderen, omwille van Mijn Naam, zeggen: Dat de HEERE heerlijk worde! Doch Hij zal verschijnen tot uw vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.
Jes 66:6 Er zal een stem van een groot rumoer uit de stad zijn, een stem uit de tempel, de stem des HEEREN, Die Zijn vijanden vergelding doet.
Jes 66:7 Eer zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost.
Jes 66:8 Wie heeft ooit zoiets gehoord? Wie heeft iets dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op ťťn enkele dag? Zou een volk kunnen geboren worden op ťťn enkele reis? Maar Sion heeft weeŽn gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard.
Jes 66:9 Zou Ik de moederschoot openen, en niet voortbrengen? zegt de HEERE; zou Ik, Die voortbreng, voortaan toesluiten? zegt uw God.
Jes 66:10 Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, allen die haar liefhebben! Weest vrolijk over haar met vreugde, gij allen, die over haar zijt treurig geweest!
Jes 66:11 Opdat gij moogt zuigen, en verzadigd worden door de borsten van haar vertroostingen; opdat gij moogt uitzuigen, en u verlustigen aan de glans van haar heerlijkheid.
Jes 66:12 Want alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de vrede over haar uitstrekken als een rivier, en de heerlijkheid der heidenen als een overstromende beek; dan zult gij zuigen; gij zult op de armen gedragen worden, en op de knieŽn zeer vriendelijk vertroeteld worden.
Jes 66:13 Als iemand, die zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden.
Jes 66:14 En gij zult het zien, en uw hart zal vrolijk zijn, en uw beenderen zullen groenen als het tedere gras; dan zal de hand des HEEREN bekend worden aan Zijn knechten, en Zijn grimmigheid aan Zijn vijanden.

Jes 66:15 Want ziet, de HEERE zal met vuur komen, en met Zijn wagens als een wervelwind; om met grimmigheid Zijn toorn aan te wenden, en Zijn bestraffing met vuurvlammen.
Jes 66:16 Want met vuur, en met Zijn zwaard zal de HEERE in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen des HEEREN zullen menigvuldig zijn.
Jes 66:17 Die zichzelf heiligen, en zichzelf reinigen in de hoven, achter een afgod in het midden daarvan, die zwijnenvlees eten, en verfoeisel, en muizen; tezamen zullen zij verteerd worden, spreekt de HEERE.
Jes 66:18 Hun werken en hun gedachten! Het komt, dat Ik vergaderen zal alle heidenen en talen, en zij zullen komen, en zij zullen Mijn heerlijkheid zien.
Jes 66:19 En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.
Jes 66:20 En zij zullen al uw broeders uit alle heidenen de HEERE ten spijsoffer brengen, op paarden, en op wagens, en op draagbaren, en op muildieren, en op snelle lopers, naar Mijn heilige berg toe, naar Jeruzalem, zegt de HEERE, gelijk als de kinderen Israels het spijsoffer in een rein vat brengen in het huis des HEEREN.
Jes 66:21 En ook zal Ik uit hen priesters en Levieten aanstellen, zegt de HEERE.
Jes 66:22 Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de HEERE, alzo zal ook uw zaad en uw naam staan.
Jes 66:23 En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om te aanbidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.
Jes 66:24 En zij zullen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen zien van de mensen, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen alle vlees een afgrijzen zijn.


Aantekeningen
40:12 drieling: oude inhoudsmaat
42:19 z ook Psa 38:13-14
44:28 Kores: z 2Kron 36:23
58:2 z Jes 1:11-15