Hoofdstuk 1

Joz 1:1 Het geschiedde nu, na de dood van Mozes, de knecht des HEEREN, dat de HEERE tot Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, sprak, zeggende:
Joz 1:2 Mijn knecht Mozes is gestorven; zo maak u nu op, trek over deze Jordaan, gij en al dit volk, tot het land, dat Ik hun, de kinderen Israels, geef.
Joz 1:3 Alle plaats, waarop uw voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, gelijk als Ik tot Mozes gesproken heb.
Joz 1:4 Van de woestijn en deze Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Eufraath, het gehele land der Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen de ondergang van de zon, zal uw grens zijn.
Joz 1:5 Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen van uw leven; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten.
Joz 1:6 Wees sterk en heb goede moed! want gij zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hun vaderen heb gezworen hun te geven.
Joz 1:7 Alleen wees sterk en heb zeer goede moed, dat gij waarneemt te doen naar de gehele wet, die Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechterhand noch ter linkerhand, opdat gij verstandig handelt overal, waar gij zult gaan;
Joz 1:8 Dat het boek van deze wet niet wijke van uw mond; overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandig handelen.
Joz 1:9 Heb Ik het u niet bevolen? wees sterk en heb goede moed, en schrik niet, en ontzet u niet; want de HEERE, uw God, is met u overal, waar gij heengaat.

Joz 1:10 Toen gebood Jozua de hoofdmannen van het volk, zeggende:
Joz 1:11 Gaat door het midden van het leger, en beveelt het volk, zeggende: Bereidt proviand voor ulieden; want binnen nog drie dagen zult gij over deze Jordaan gaan, dat gij ingaat, om te veroveren het land, dat de HEERE, uw God, u geeft tot een bezitting.
Joz 1:12 En Jozua sprak tot de Rubenieten en Gadieten, en de halve stam van Manasse, zeggende:
Joz 1:13 Gedenkt aan het woord, dat Mozes, de knecht des HEEREN, u geboden heeft, zeggende: De HEERE, uw God, geeft ulieden rust, en Hij geeft u dit land;
Joz 1:14 Laat uw vrouwen, uw kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes u aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft; maar gij zult gewapend optrekken, voor het aangezicht van uw broeders, alle strijdbare helden, en zult hen helpen;
Joz 1:15 Totdat de HEERE uw broeders rust geeft, gelijk u, en dat zij ook erfelijk bezitten het land, dat de HEERE, uw God, hun geeft; alsdan zult gij weerkeren tot het land van uw erfenis, en het bezitten, dat Mozes, de knecht des HEEREN, u gegeven heeft, aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon.

Joz 1:16 Toen antwoordden zij Jozua, zeggende: Al wat gij ons geboden hebt, zullen wij doen, en overal, waar gij ons zenden zult, zullen wij gaan.
Joz 1:17 Gelijk wij in alles naar Mozes hebben gehoord, alzo zullen wij naar u horen; en moge de HEERE, uw God, met u zijn gelijk als Hij met Mozes geweest is!
Joz 1:18 Alle man, die uw mond weerspannig wezen zal, en uw woorden niet horen zal in alles, wat gij hem gebieden zult, die zal gedood worden, maar wees sterk en heb goede moed!

Hoofdstuk 2
Joz 2:1 Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die tersluiks verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar.
Joz 2:2 Toen werd de koning te Jericho medegedeeld, zeggende: Zie, in deze nacht zijn hier mannen gekomen van de kinderen Israels, om dit land te verkennen.
Joz 2:3 Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit, die tot u gekomen zijn, die in uw huis gekomen zijn; want zij zijn gekomen, om het hele land te verkennen.
Joz 2:4 Maar die vrouw had die beide mannen genomen, en zij had hen verborgen; en zei aldus: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, vanwaar zij waren.
Joz 2:5 En het geschiedde, toen men de poort zou sluiten, toen het donker was, dat die mannen weggingen; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn; jaagt hen haastig na, want gij zult ze achterhalen.
Joz 2:6 Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen verborgen onder de vlasstengels, die door haar op het dak uitgespreid waren.
Joz 2:7 Die mannen nu joegen hen na op de weg van de Jordaan, tot aan de veerplaatsen; en men sloot de poort, nadat zij uitgegaan waren, die hen najoegen.

Joz 2:8 Eer zij nu sliepen, zo klom zij tot hen op, op het dak.
Joz 2:9 En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat de HEERE u dit land gegeven heeft, en dat de schrik voor u op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land voor uw aangezicht als gesmolten zijn.
Joz 2:10 Want wij hebben gehoord, dat de HEERE de wateren van de Schelfzee uitgedroogd heeft voor uw aangezicht, toen gij uit Egypte trok; en wat gij aan de twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die aan gene zijde van de Jordaan waren, die gij met de ban geslagen hebt.
Joz 2:11 Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand van ons, vanwege uw tegenwoordigheid; want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel, en beneden op de aarde.
Joz 2:12 Nu dan, zweert mij toch bij de HEERE, omdat ik weldadigheid aan u gedaan heb, dat gij ook weldadigheid doen zult aan het huis van mijn vader, en geeft mij een waarmerk,
Joz 2:13 Dat gij mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, als ook mijn broeders en mijn zusters, met alles, wat zij hebben; en dat gij onze zielen van de dood redden zult.
Joz 2:14 Toen spraken die mannen tot haar: Ons leven voor het uwe, indien gij deze onze zaak niet bekend zult maken; het zal dan geschieden, wanneer de HEERE ons dit land geeft, zo zullen wij aan u weldadigheid en trouw bewijzen.
Joz 2:15 Zij liet hen dan neer met een koord door het venster; want haar huis stond op de stadsmuur; en zij woonde op de muur.
Joz 2:16 En zij zei tot hen: Gaat naar het gebergte, opdat niet misschien de vervolgers u ontmoeten, en verbergt u aldaar drie dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd zullen zijn; en gaat daarna uw weg.
Joz 2:17 Ook zeiden die mannen tot haar: Wij zullen als volgt ontslagen zijn van deze eed, die gij ons hebt doen zweren;
Joz 2:18 Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult gij dit koord van scharlaken draad aan het venster binden, waardoor gij ons zult neergelaten hebben; en gij zult tot u in het huis vergaderen uw vader, en uw moeder, en uw broeders, en het hele huisgezin van uw vader.
Joz 2:19 Zo zal het geschieden, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan zal, diens bloed zij op zijn hoofd, en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, indien een hand tegen hem zijn zal!
Joz 2:20 Maar indien gij deze onze zaak bekend zult maken, zo zullen wij ontslagen zijn van uw eed, die gij ons hebt doen zweren.
Joz 2:21 Zij nu zei: Het zij alzo naar uw woorden. Toen liet zij hen gaan; en zij gingen heen; en zij bond het scharlaken snoer aan het venster.

Joz 2:22 Zij dan gingen heen, en kwamen op het gebergte, en bleven aldaar drie dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd waren; want de vervolgers hadden hen al de weg gezocht, maar niet gevonden.
Joz 2:23 Alzo keerden die twee mannen weer, en gingen af van het gebergte, en voeren over, en kwamen tot Jozua, de zoon van Nun; en zij vertelden hem al wat hun wedervaren was.
Joz 2:24 En zij zeiden tot Jozua: Voorzeker, de HEERE heeft dat ganse land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners van het land voor onze aangezichten versmolten.

Hoofdstuk 3
Joz 3:1 Jozua dan maakte zich vroeg in de morgen op en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de kinderen Israels; en zij overnachtten aldaar, eer zij over trokken.
Joz 3:2 En het geschiedde, dat de hoofdmannen, na het einde van drie dagen, door het midden van het legerkamp gingen;
Joz 3:3 En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer gij de ark van het verbond van de HEERE, uw God, ziet, gedragen door de Levietische priesters, vertrekt gij dan ook van uw plaats, en volgt haar na;
Joz 3:4 Dat er nochtans een ruimte zij tussen u en deze, van twee duizend gewone ellen; en kom niet dichterbij; opdat gij de weg weet, die gij gaan zult; want gij zijt door die weg niet gegaan gisteren en eergisteren.
Joz 3:5 Jozua zei ook tot het volk: Heiligt u! want morgen zal de HEERE wonderen in het midden van u doen.
Joz 3:6 Desgelijks sprak Jozua tot de priesters, zeggende: Neemt de ark van het verbond op, en gaat door voor het aangezicht van dit volk. Zij dan namen de ark des verbonds op, en zij gingen voor het aangezicht van het volk.

Joz 3:7 Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Deze dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de ogen van gans Israel, opdat zij weten, dat Ik met u zijn zal, gelijk als Ik met Mozes geweest ben.
Joz 3:8 Gij dan zult de priesters, die de ark van het verbond dragen, gebieden, zeggende: Wanneer gij komt tot aan de rand van het water van de Jordaan, staat stil in de Jordaan.
Joz 3:9 Toen zei Jozua tot de kinderen Israels: Nadert hier, en hoort de woorden van de HEERE, uw God.
Joz 3:10 En Jozua zei: Hieraan zult gij weten, dat de levende God in het midden van u is, en dat Hij de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Hevieten, en de Ferezieten, en de Girgazieten, en de Amorieten en de Jebusieten, geheel voor uw aangezicht uitdrijven zal:
Joz 3:11 Ziet, de ark van het verbond van de Heere der ganse aarde gaat door voor uw aangezicht in de Jordaan.
Joz 3:12 Nu dan, neemt gij u twaalf mannen uit de stammen Israels, uit iedere stam een man;
Joz 3:13 Want het zal geschieden, zodra de voetzolen van de priesters, die de ark van de HEERE, de Heere der ganse aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen staan, zo zullen de wateren van de Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren, die van boven afkomen, en zij zullen als één hoop blijven staan.

Joz 3:14 En het geschiedde, toen het volk vertrok uit zijn tenten, om over de Jordaan te gaan, zo droegen de priesters de ark des verbonds voor het aangezicht van het volk.
Joz 3:15 En toen zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten van de priesters, dragende de ark, nat werden in de rand van het water -de Jordaan nu was vol al de dagen van de oogst tot aan al haar oevers-;
Joz 3:16 Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op een hoop van grote lengte, tot bij de stad Adam, die terzijde van Sarthan ligt; en de wateren die naar de zee van de vlakte afvloeiden, te weten de Zoutzee, verdroogden, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.
Joz 3:17 Maar de priesters, die de ark van het verbond des HEEREN droegen, bleven staan op het droge, in het midden van de Jordaan; en heel Israel ging over op het droge, totdat al het volk geëindigd had door de Jordaan te trekken.

Hoofdstuk 4
Joz 4:1 Het geschiedde nu, toen al het volk geëindigd had over de Jordaan te trekken, dat de HEERE tot Jozua sprak, zeggende:
Joz 4:2 Neemt gij u twaalf mannen uit het volk, uit elke stam een man.
Joz 4:3 En gebiedt hun, zeggende: Neemt voor ulieden op, van hier uit het midden van de Jordaan, uit de standplaats van de voeten van de priesters twaalf stenen, en brengt ze met ulieden over, en stelt ze in het kamp, waar gij deze nacht zult overnachten.
Joz 4:4 Jozua dan riep die twaalf mannen, die hij daartoe gesteld had, van de kinderen Israels, uit elke stam een man.
Joz 4:5 En Jozua zei tot hen: Gaat over voor de ark van de HEERE, uw God, midden in de Jordaan; en heft u een ieder een steen op zijn schouder, naar het getal der stammen van de kinderen Israels;
Joz 4:6 Opdat dit een teken zij onder u; wanneer uw kinderen morgen vragen zullen, zeggende: Wat betekenen deze stenen voor u?
Joz 4:7 Zo zult gij tot hen zeggen: Omdat de wateren van de Jordaan zijn afgesneden geweest voor de ark van het verbond des HEEREN; toen zij trok door de Jordaan, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; zo zullen deze stenen de kinderen Israels tot gedachtenis zijn tot in eeuwigheid.
Joz 4:8 De kinderen Israels nu deden alzo, gelijk als Jozua geboden had; en zij namen twaalf stenen op midden uit de Jordaan, gelijk als de HEERE tot Jozua gesproken had, naar het getal der stammen van de kinderen Israels en zij brachten ze met zich over naar het kamp, en plaatsten ze aldaar.
Joz 4:9 Jozua richtte ook twaalf stenen op, midden in de Jordaan, ter standplaats van de voeten van de priesters, die de ark van het verbond droegen; en zij zijn daar tot op deze dag.

Joz 4:10 De priesters nu, die de ark droegen, stonden midden in de Jordaan, totdat alle ding volbracht was, dat de HEERE Jozua geboden had het volk aan te zeggen, naar al wat Mozes Jozua geboden had. En het volk haastte zich, en het trok over.
Joz 4:11 En het geschiedde, toen al het volk geŽindigd had over te gaan, dat de ark des HEEREN overging, en de priesters voor het aangezicht van het volk.
Joz 4:12 En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, alsook de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht van de kinderen Israels, gelijk als Mozes tot hen gesproken had.
Joz 4:13 Omtrent veertig duizend man, klaar voor het gevecht trokken er voor het aangezicht des HEEREN ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.
Joz 4:14 Te dien dage maakte de HEERE Jozua groot voor de ogen van het ganse Israel; en zij hadden ontzag voor hem, gelijk als zij voor Mozes hadden gehad, al de dagen van zijn leven.
Joz 4:15 De HEERE dan sprak tot Jozua, zeggende:
Joz 4:16 Gebied de priesters, die de ark der getuigenis dragen, dat zij uit de Jordaan opklimmen.
Joz 4:17 Toen gebood Jozua de priesters, zeggende: Klimt op uit de Jordaan.
Joz 4:18 En het geschiedde, toen de priesters, die de ark van het verbond des HEEREN droegen, uit het midden van de Jordaan opgeklommen waren, en de voetzolen van de priesters het droge hadden betreden; zo keerden de wateren van de Jordaan weer in hun plaats, en stroomden als voorheen in hun bedding.
Joz 4:19 Het volk nu was de tiende van de eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich te Gilgal, aan de oostgrens van Jericho.

Joz 4:20 En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden.
Joz 4:21 En hij sprak tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer uw kinderen morgen hun vaders vragen zullen, zeggende: Wat betekenen deze stenen?
Joz 4:22 Zo zult gij het uw kinderen te kennen geven, zeggende: Op het droge is Israel door deze Jordaan gegaan.
Joz 4:23 Want de HEERE, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat gij er waart doorgegaan; gelijk als de HEERE, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daardoor gegaan waren;
Joz 4:24 Opdat alle volken van de aarde de hand des HEEREN kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gij de HEERE, uw God, zult vrezen te allen dage.

Hoofdstuk 5
Joz 5:1 En het geschiedde, toen al de koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan westwaarts, en al de koningen der Kanaänieten, die aan de zee waren, hoorden, dat de HEERE de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht van de kinderen Israels, totdat zij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht van de kinderen Israels.
Joz 5:2 Toen sprak de HEERE tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd wederom de kinderen Israels ten tweede male.
Joz 5:3 Toen maakte zich Jozua stenen messen, en besneed de kinderen Israels op de heuvel der voorhuiden.
Joz 5:4 Dit nu was de oorzaak, waarom hen Jozua besneed: al het volk, dat uit Egypte getrokken was, de mannen, allen die gereed waren voor de strijd, waren onderweg gestorven in de woestijn, nadat zij uit Egypte getrokken waren.
Joz 5:5 Want al het volk, dat er uittoog, was besneden; maar al het volk, dat geboren was in de woestijn onderweg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden.
Joz 5:6 Want de kinderen Israels wandelden veertig jaren in de woestijn, totdat vergaan was het ganse volk van hen die gereed waren voor de strijd, die uit Egypte gegaan waren; die de stem van de HEERE niet gehoorzaam geweest waren, aan wie de HEERE gezworen had, dat Hij hun niet zou laten zien het land, dat de HEERE hun vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honing.
Joz 5:7 Maar hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld; die heeft Jozua besneden, omdat zij de voorhuid hadden; want zij hadden hen onderweg niet besneden.
Joz 5:8 En het geschiedde, toen men geŽindigd had al dat volk te besnijden, zo bleven zij in hun plaats in het kamp, totdat zij genezen waren.
Joz 5:9 Verder sprak de HEERE tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld; daarom noemde men de naam van die plaats Gilgal, tot op deze dag.

Joz 5:10 Terwijl de kinderen Israels te Gilgal gelegerd lagen, zo hielden zij het pascha op de veertiende dag van diezelfde maand, in de avond, op de vlakke velden van Jericho.
Joz 5:11 En zij aten van het overjarige koren van het land, de dag na het pascha, ongezuurde broden en geroosterd graan, juist op diezelfde dag.
Joz 5:12 En het Manna hield de volgende dag op, nadat zij van het overjarige koren van het land gegeten hadden; en de kinderen Israels hadden geen Manna meer, maar zij aten in datzelfde jaar van de inkomst van het land Kanaän.

Joz 5:13 Voorts geschiedde het, toen Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetrokken zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging naar Hem toe, en zei tot Hem: Behoort Gij bij ons, of bij onze vijanden?
Joz 5:14 En Hij zei: Neen, maar Ik ben de Vorst van het leger des HEEREN: Ik ben nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zei tot Hem: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht?
Joz 5:15 Toen zei de Vorst van het leger des HEEREN tot Jozua: Doe uw sandalen van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed alzo.

Hoofdstuk 6
Joz 6:1 Jericho nu sloot de poorten toe, en was gesloten, voor het aangezicht van de kinderen Israels; er ging niemand uit, en er ging niemand in.
Joz 6:2 Toen zei de HEERE tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven.
Joz 6:3 Gij allen dan, die gereed zijt voor de strijd, zult éénmaal rondom de stad gaan; alzo zult gij doen zes dagen lang.
Joz 6:4 En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en gijlieden zult op de zevende dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen.
Joz 6:5 En het zal geschieden, als men langzaam met de ramshoorn blaast, als gijlieden het geluid van de bazuin hoort, zo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zal de stadsmuur ineen storten, en het volk zal daarover klimmen, een ieder recht voor zich uigaand.

Joz 6:6 Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters, en zei tot hen: Draagt de ark van het verbond, en dat zeven priesters zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark des HEEREN.
Joz 6:7 En tot het volk zei hij: Trekt door en gaat rondom deze stad; en wie gereed is voor de strijd, die ga door voor de ark des HEEREN.
Joz 6:8 En het geschiedde, toen Jozua tot het volk gesproken had, zo gingen de zeven priesters, dragende zeven ramsbazuinen, voor het aangezicht des HEEREN; zij trokken door en bliezen met de bazuinen; en de ark van het verbond des HEEREN volgde hen na;
Joz 6:9 En wie gereed was voor de strijd, ging voor het aangezicht van de priesters, die de bazuinen bliezen; en de achterhoede volgde de ark na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.
Joz 6:10 Jozua nu had het volk geboden, zeggende: Gij zult niet juichen, ja, gij zult uw stem niet laten horen, en geen woord zal er uit uw mond gaan, tot op de dag, wanneer ik tot ulieden zeggen zal: Juicht! dan zult gij juichen.
Joz 6:11 En hij deed de ark des HEEREN rondom de stad gaan, dezelve omgaande eenmaal; toen kwamen zij weer in de legerplaats, en overnachtten in de legerplaats.
Joz 6:12 Daarna stond Jozua des morgens vroeg op, en de priesters droegen de ark des HEEREN.
Joz 6:13 En de zeven priesters, dragende de zeven ramsbazuinen voor de ark des HEEREN, gingen voort, en bliezen met de bazuinen; en die gereed waren voor de strijd gingen voor hun aangezicht, en de achterhoede volgde de ark des HEEREN na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.
Joz 6:14 Alzo gingen zij eenmaal rondom de stad op de tweede dag; en zij keerden terug in de legerplaats. Alzo deden zij zes dagen lang.
Joz 6:15 En het geschiedde op de zevende dag, dat zij zich vroeg opmaakten, met het aanbreken van de dageraad, en zij gingen rondom de stad, op dezelfde wijze, zevenmaal; alleen op die dag gingen zij zevenmaal rondom de stad.
Joz 6:16 En het geschiedde de zevende keer, toen de priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juicht, want de HEERE heeft ulieden de stad gegeven!
Joz 6:17 Doch deze stad zal de HEERE ten offer gewijd zijn, zij en al wat daarin is; alleen zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft.
Joz 6:18 Alleen dat gij u wacht van hetgeen ten offer gewijd is, opdat gij uzelf niet plaatst onder een vloek, door te nemen van het gewijde, en de legering van Israel stelt tot een vloek; ja, dat zelfs niet beroert.  *)
Joz 6:19 Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen de HEERE heilig zijn; tot de schatkamer des HEEREN zullen zij komen.

Joz 6:20 Het volk dan juichte, toen zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde, toen het volk het geluid van de bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur stortte ineen, en het volk klom in de stad, een ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in.
Joz 6:21 En zij lieten niets in leven, wat in de stad was, van de man tot de vrouw toe, van het kind tot de oude, en tot de os, en het klein vee, en de ezel, door de scherpte van het zwaard.
Joz 6:22 Jozua nu zei tot de twee mannen, de verspieders van het land: Gaat in het huis van de vrouw, de hoer, en brengt die vrouw van daar uit, met al wat zij heeft, gelijk als gij haar gezworen hebt.
Joz 6:23 Toen gingen de jongemannen, de verspieders, daarin en brachten er Rachab uit, en haar vader, en haar moeder, en haar broers, en al wat zij had; ook brachten zij uit al haar huisgezinnen, en zij stelden hen buiten het leger van Israel.
Joz 6:24 De stad nu verbrandden zij met vuur, en al wat daarin was; alleen het zilver en goud, alsook de koperen en ijzeren vaten, gaven zij tot de schatkamer van het huis des HEEREN.
Joz 6:25 Dus liet Jozua de hoer Rachab leven, en het huisgezin van haar vader, en al wat zij had; en zij heeft gewoond in het midden van Israel tot op deze dag, omdat zij de boden verborgen had, die Jozua gezonden had, om Jericho te verspieden.
Joz 6:26
En in diezelfde tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht des HEEREN, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze fundere op zijn eerstgeboren zoon, en haar poorten stelle op zijn jongste zoon!
Joz 6:27 Alzo was de HEERE met Jozua; en zijn faam verspreidde zich door het ganse land.

Hoofdstuk 7
Joz 7:1 Maar de kinderen Israels overtraden door overtreding met het ten offer gewijde; want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, nam van het gewijde. Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen de kinderen Israels.
Joz 7:2 Toen Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-aven ligt, aan het oosten van Beth-el, sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.
Joz 7:3 Daarna keerden zij terug naar Jozua, en zeiden tot hem: Laat het ganse volk niet optrekken, maar laat omtrent twee duizend mannen, of omtrent drie duizend mannen optrekken, om Ai te verslaan; vermoei daarheen al het volk niet; want zij zijn weinig talrijk.
Joz 7:4 Alzo trokken daarheen op van het volk omtrent drie duizend man; die vluchtten voor het aangezicht van de mannen van Ai.
Joz 7:5 En de mannen van Ai versloegen van hen omtrent zes en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot Schebarim toe, en sloegen hen in een afdaling. Toen versmolt het hart van het volk, en het werd tot water.

Joz 7:6 Toen verscheurde Jozua zijn klederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des HEEREN, tot de avond toe, hij en de oudsten van Israel; en zij wierpen stof op hun hoofd.
Joz 7:7 En Jozua zei: Ach, Heere HEERE! waarom hebt Gij dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde van de Jordaan!
Joz 7:8 Och, HEERE! wat zal ik zeggen, nu Israel voor het aangezicht van zijn vijanden hen de nek heeft toegekeerd?
Joz 7:9 Als het de Kanaänieten, en alle inwoners van het land horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen, en onze naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan voor Uw grote Naam doen?

Joz 7:10 Toen zei de HEERE tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij dus neer op uw aangezicht?
Joz 7:11 Israel heeft gezondigd; en zij hebben ook Mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het gewijde genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun vaten gelegd.
Joz 7:12 Daarom zullen de kinderen Israels niet kunnen bestaan voor het aangezicht van hun vijanden; zij zullen de nek het aangezicht van hun vijanden toekeren; want zij zijn onder de vloek. Ik zal voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij de vloek uit het midden van ulieden verdelgt.
Joz 7:13 Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt u tegen morgen; want alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Er is een vloek in het midden van u, Israel! gij zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht van uw vijanden, totdat gij de vloek wegdoet uit het midden van u.
Joz 7:14 Gij zult dan in het morgenuur aankomen naar uw stammen; en het zal geschieden, de stam, die de HEERE geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en het geslacht dat de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen naar de huisgezinnen, en het huisgezin dat de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man.  *)
Joz 7:15 En het zal geschieden, die gevonden zal worden met het ten offer gewijde, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond des HEEREN overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israel gedaan heeft.

Joz 7:16 Toen stond Jozua vroeg in de morgen op, en deed Israel aankomen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd geraakt.
Joz 7:17 Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zo raakte hij het geslacht van Zarchi. Toen hij het geslacht van Zarchi deed aankomen, man voor man, zo werd Zabdi geraakt;
Joz 7:18 Waarvan hij het huisgezin deed aankomen, man voor man; zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda.
Joz 7:19 Toen zei Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch de HEERE, de God van Israel, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat gij gedaan hebt, verberg het voor mij niet.
Joz 7:20 Achan nu antwoordde Jozua, en zei: Voorwaar, ik heb tegen de HEERE, de God van Israel, gezondigd, en heb zo en zo gedaan.
Joz 7:21 Want ik zag onder de roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkels zilver, en een gouden wig met een gewicht van vijftig sikkels; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de grond, in het midden van mijn tent, en het zilver daaronder.
Joz 7:22 Toen zond Jozua boden, die naar de tent liepen; en ziet, het lag verborgen in zijn tent, en het zilver daaronder.
Joz 7:23 Zij dan namen die voorwerpen uit het midden van de tent, en zij brachten ze tot Jozua en tot al de kinderen Israels; en zij stortten ze uit voor het aangezicht des HEEREN.
Joz 7:24 Toen nam Jozua, en gans Israel met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden wig, en zijn zonen, en zijn dochters, en zijn ossen, en zijn ezels, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor.
Joz 7:25 En Jozua zei: Hoe hebt gij ons verstoord? De HEERE zal u deze dag verstoren! En gans Israel stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij stenigden hen met stenen.
Joz 7:26 En zij richtten over hem een grote steenhoop op, zijnde tot op deze dag. Alzo keerde zich de HEERE van de hitte van Zijn toorn. Daarom noemde men de naam van die plaats het dal van Achor, tot deze dag toe.

Hoofdstuk 8
Joz 8:1 Toen zei de HEERE tot Jozua: Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb de koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven.
Joz 8:2 Gij nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als gij aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat gij haar buit en haar vee voor ulieden roven zult; stel u een hinderlaag tegen de stad, achter haar.
Joz 8:3 Toen maakte zich Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En Jozua koos dertig duizend mannen uit, strijdbare helden, en hij zond hen bij nacht uit,
Joz 8:4 En gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult de stad hinderlagen leggen, achter de stad; houdt u niet zeer ver van de stad, en weest gij allen bereid.
Joz 8:5 Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen; en het zal geschieden, wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, zoals de eerste keer, zo zullen wij voor hun aangezicht vluchten.
Joz 8:6 Laat hen dan ons achterna komen, totdat wij hen van de stad hebben weggelokt; want zij zullen zeggen: Zij vluchten voor onze aangezichten, zoals de eerste keer; zo zullen wij vluchten voor hun aangezichten.
Joz 8:7 Dan zult gij opstaan uit de hinderlaag, en gij zult de stad innemen; want de HEERE, uw God, zal ze in uw hand geven.
Joz 8:8 En het zal geschieden, wanneer gij de stad ingenomen hebt, zo zult gij de stad in brand steken; naar het woord des HEEREN zult gijlieden doen; ziet, ik heb het ulieden geboden.
Joz 8:9 Alzo zond Jozua hen heen, en zij legden zich in hinderlaag, en bleven tussen Beth-el en Ai, tegen het westen van Ai; en Jozua overnachtte die nacht in het midden van het volk.
Joz 8:10 En Jozua maakte zich des morgens vroeg op, en monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israel, voor het aangezicht van het volk, naar Ai.
Joz 8:11 Ook trok al het krijgsvolk op, dat bij hem was; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en Ai.
Joz 8:12 Hij nam ook omtrent vijf duizend man, en hij stelde hen tot een hinderlaag tussen Beth-el en Ai, ten westen van de stad.
Joz 8:13 En zij stelden het volk op, het ganse leger, dat ten noorden van de stad was, en de hinderlaag was ten westen van de stad. En Jozua ging in die nacht in het midden van het dal.
Joz 8:14 En het geschiedde, toen de koning van Ai dat zag, zo haastten zij zich en maakten zich vroeg op, en de mannen van de stad kwamen uit, Israel tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, op de afgesproken tijd, voor het vlakke veld; want hij wist niet, dat hem een hinderlaag was gelegd achter de stad.
Joz 8:15 Jozua dan, en gans Israel, werd geslagen voor hun aangezichten; en zij vluchtten langs de weg van de woestijn.
Joz 8:16 Daarom werd al het volk samengeroepen, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden zo van de stad weggelokt.
Joz 8:17 En er werd niet één man overgelaten, in Ai, noch in Beth-el, die niet uittrok, Israel na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israel achterna.
Joz 8:18 Toen sprak de HEERE tot Jozua: Strek de spies uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de spies, die in zijn hand was, naar de stad toe.
Joz 8:19 Toen stonden de mannen van de hinderlaag haastig op van haar plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijn hand uitgestrekt had, en kwamen tot de stad, en zij namen ze in, en zij haastten zich, en staken de stad in brand.
Joz 8:20 Toen de mannen van Ai achterom keken, zo zagen zij, en ziet, de rook van de stad ging op naar de hemel; en zij hadden geen ruimte, om her- of derwaarts te vluchten; want het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die hen najoegen.
Joz 8:21 En Jozua en gans Israel, ziende, dat de mannen van de hinderlaag de stad ingenomen hadden, en dat de rook der stad opging, zo keerden zij zich om, en versloegen de mannen van Ai.
Joz 8:22 Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zodat zij in het midden van de Israelieten waren, deze van hier en gene van daar; en zij sloegen hen, totdat geen onder hen overbleef, noch die ontkwam.

Joz 8:23 Doch de koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua.
Joz 8:24 En het geschiedde, toen de Israelieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, waarin zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte van het zwaard gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich gans Israel naar Ai, en sloeg het met de scherpte van het zwaard.
Joz 8:25 En het geschiedde, dat allen, die te dien dage vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al tezamen mensen van Ai.
Joz 8:26 Jozua trok ook zijn hand niet terug, die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij al de inwoners van Ai geslagen had.
Joz 8:27 De Israelieten roofden voor zichzelf alleen het vee en de buit van die stad, naar het woord des HEEREN, dat Hij Jozua geboden had.
Joz 8:28 Jozua nu verbrandde Ai, en hij stelde haar tot een eeuwige hoop, een verwoesting, tot op deze dag.
Joz 8:29 En de koning van Ai gedood hebbende, hing hij aan een hout, tot aan de avond; en omtrent de ondergang van de zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout zou afnemen; en zij wierpen het aan de deur van de stadspoort, en richtten daar een grote steenhoop op, die daar is tot op deze dag.

Joz 8:30 Toen bouwde Jozua een altaar voor de HEERE, de God van Israel, op de berg Ebal;
Joz 8:31 Gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, de kinderen Israels geboden had, volgens hetgeen geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van hele stenen, waarvoor men geen ijzeren gereedshap gebruikt had; en daarop offerden zij de HEERE brandoffers; ook offerden zij dankoffers.
Joz 8:32 Aldaar schreef hij ook op stenen een afschrift van de wet van Mozes, dat hij geschreven heeft voor het aangezicht van de kinderen Israels.
Joz 8:33 En gans Israel met zijn oudsten, en hoofdmannen, en zijn rechters, stonden aan deze en aan gene zijde van de ark, voor de Levietische priesters, die de ark van het verbond des HEEREN droegen, zowel vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover de berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover de berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, voorheen bevolen had; om het volk van Israel te zegenen.
Joz 8:34 En daarna las hij overluid al de woorden van de wet, de zegening en de vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat.
Joz 8:35 Daar was niet één woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las voor de gehele gemeente van Israel, en de vrouwen, en de kleine kinderen, en de vreemdelingen, die in het midden van hen wandelden.

Hoofdstuk 9
Joz 9:1 En het geschiedde, toen dit hoorden al de koningen, die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in het laagland, en aan alle havens van de grote zee, tegenover de Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanašnieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten;
Joz 9:2 Zo vergaderden zij zich samen, om tegen Jozua en tegen Israel te strijden, als één man.

Joz 9:3 Toen de inwoners te Gibeon hoorden, wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had,
Joz 9:4 Zo handelden zij ook, maar listig en enigen van hen gingen heen, en gaven voor gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en samengebonden leren wijnzakken;
Joz 9:5 Ook oude en bevlekte sandalen aan hun voeten, en zij hadden oude kleren aan, en al het brood, dat zij op hun reis hadden, was droog en beschimmeld.
Joz 9:6 En zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal, en zij zeiden tot hem en tot de mannen van Israel: Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons.
Joz 9:7 Toen zeiden de mannen van Israel tot de Hevieten: Misschien woont gijlieden in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken?
Joz 9:8 Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten. Toen zei Jozua tot hen: Wie zijt gijlieden, en vanwaar komt gij?
Joz 9:9 Zij nu zeiden tot hem: Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om de Naam van de HEERE, uw God; want wij hebben Zijn roem gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft;
Joz 9:10 En alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen der Amorieten die aan gene zijde van de Jordaan waren, Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, die te Astharoth woonde.
Joz 9:11 Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners van ons land, zeggende: Neemt proviand met u in uw handen op de reis, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn uw knechten, zo maakt nu een verbond met ons.
Joz 9:12 Dit ons brood hebben wij warm als ons proviand uit onze huizen meegenomen, ten dage, toen wij heengingen om naar ulieden te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld;
Joz 9:13 En deze leren wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn gescheurd; en deze onze kleren, en onze sandalen zijn oud geworden, vanwege deze zeer lange reis.
Joz 9:14 Toen zagen de mannen van Israel hun proviand; en zij vroegen het de mond des HEEREN niet.

Joz 9:15 En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen in het leven behouden zou; en de oversten van de vergadering zwoeren hun.
Joz 9:16 En het geschiedde drie dagen, nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, dat zij hoorden, dat zij hun buren waren, en dat zij in het midden van hen woonden.
Joz 9:17 Want toen de kinderen Israels voorttrokken, zo kwamen zij op de derde dag bij hun steden; hun steden nu waren Gibeon, en Chefira, en BeŽroth, en Kirjath-jearim.
Joz 9:18 En de kinderen Israels sloegen ze niet, omdat de oversten van de vergadering hun gezworen hadden bij de HEERE, de God van Israel; daarom murmureerde de ganse vergadering tegen de oversten.
Joz 9:19 Toen zeiden al de oversten tot de ganse vergadering: Wij hebben hun gezworen bij de HEERE, de God van Israel; daarom kunnen wij hen niet aanraken.
Joz 9:20 Dit zullen wij hun doen, dat wij hen bij het leven behouden, opdat geen grote toorn over ons zij, omwille van de eed, die wij hun gezworen hebben.
Joz 9:21 Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven; zo werden zij houthakkers en waterputters van de ganse vergadering, gelijk de oversten tot hen gezegd hebben.

Joz 9:22 En Jozua riep hen, en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt gijlieden ons bedrogen, zeggende: Wij wonen zeer ver van u verwijderd, terwijl gij in het midden van ons woont?
Joz 9:23 Nu dan, vervloekt zijt gijlieden! en onder ulieden zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthakkers, noch waterputters voor het huis van mijn God.
Joz 9:24 Zij dan antwoordden Jozua, en zeiden: Omdat het aan uw knechten stellig te kennen gegeven was, dat de HEERE, uw God, Zijn knecht Mozes geboden heeft, dat Hij ulieden al dit land geven zou, en al de inwoners van het land voor uw aangezicht verdelgen, zo vreesden wij zeer voor ons leven voor uw aangezichten; daarom hebben wij deze zaak gedaan.
Joz 9:25 En nu, zie, wij zijn in uw hand; doe, gelijk het goed en gelijk het recht is in uw ogen ons te doen.
Joz 9:26 Zo deed hij hun alzo, en hij verloste hen van de hand der kinderen Israels, dat zij hen niet doodsloegen.
Joz 9:27 Alzo gaf Jozua hen diezelfde dag over tot houthakkers en waterputters voor de vergadering, en tot het altaar des HEEREN, tot deze dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zou.

Hoofdstuk 10
Joz 10:1 Het geschiedde nu, toen Adoni-zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen, en haar tot een vloek gesteld had, en aan Ai en haar koning alzo gedaan had, gelijk als hij aan Jericho en haar koning gedaan had; en dat de inwoners van Gibeon vrede met Israel gemaakt hadden, en in hun midden waren;
Joz 10:2 Zo vreesden zij zeer; want Gibeon was een grote stad, als een der koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren sterk.
Joz 10:3 Daarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, de koning van Hebron, en tot Piram, de koning van Jarmuth, en tot Jafia, de koning van Lachis, en tot Debir, de koning van Eglon, zeggende:
Joz 10:4 Komt op tot mij, en helpt mij, dat wij Gibeon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de kinderen van Israel.
Joz 10:5 Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en streden tegen haar.
Joz 10:6 De mannen nu van Gibeon zonden tot Jozua, in het leger van Gilgal, zeggende: Trek uw handen niet af van uw knechten, kom haastig tot ons op, en verlos ons, en help ons; want al de koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons vergaderd.

Joz 10:7 Toen toog Jozua op van Gilgal, hij en allen, die voor de strijd gereed waren, met hem, en alle strijdbare helden.
Joz 10:8 Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan.
Joz 10:9 Alzo kwam Jozua plotseling tot hen; want hij was de hele nacht door, van Gilgal opgetrokken.
Joz 10:10 En de HEERE verschrikte hen voor het aangezicht van Israel; en hij, Jozua, versloeg hen met een grote slag te Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.
Joz 10:11 Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israel vluchtten, zijnde in de afdaling van Beth-horon, zo wierp de HEERE grote stenen op hen van de hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die door de vurige stenen stierven, dan die de kinderen Israels met het zwaard doodden.
Joz 10:12 Toen sprak Jozua tot de HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht van de kinderen Israels overgaf, en zei in tegenwoordigheid der Israelieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon!
Joz 10:13 En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten? De zon nu stond stil in het midden van de hemel, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.
Joz 10:14 En er was geen dag aan deze gelijk, voor hem noch na hem, dat de HEERE de stem van een man alzo verhoorde; want de HEERE streed voor Israel.

Joz 10:15 Toen keerde Jozua weer, en gans Israel met hem, naar het leger te Gilgal.
Joz 10:16 Maar die vijf koningen waren gevlucht, en hadden zich verborgen in de spelonk bij Makkeda.
Joz 10:17 En aan Jozua werd dat bericht met de woorden: Die vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de spelonk bij Makkeda.
Joz 10:18 Zo zei Jozua: Wentelt grote stenen voor de ingang van de spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren.
Joz 10:19 Maar blijf er niet staan, jaagt uw vijanden achterna, en slaat hen in de achterhoede; laat hen in hun steden niet komen; want de HEERE, uw God, heeft ze in uw hand gegeven.
Joz 10:20 En het geschiedde, toen Jozua en de kinderen Israels geŽindigd hadden hen met een zeer grote slag te slaan, totdat zij geheel verslagen waren, en dat de overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de versterkte steden gekomen waren;
Joz 10:21 Zo keerde al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkeda, in vrede; niemand had een woord tegen de kinderen Israels durven spreken.
Joz 10:22 Daarna zei Jozua: Opent de spelonk, en brengt tot mij uit die vijf koningen, uit die spelonk.
Joz 10:23 Zij nu deden alzo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de spelonk: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon.
Joz 10:24 En het geschiedde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israel, en hij zei tot de oversten van het leger, die met hem getrokken waren: Treedt toe, zet uw voeten op de nek van deze koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun nekken.
Joz 10:25 Toen zei Jozua tot hen: Vreest niet en ontzet u niet, weest sterk en hebt goede moed; want alzo zal de HEERE aan al uw vijanden doen, tegen wie gij strijdt.
Joz 10:26 En Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf houten; en zij hingen aan de houten tot de avond.
Joz 10:27 En het geschiedde, ten tijde als de zon onderging, zo beval Jozua, dat men hen van de houten af zou nemen, en zij wierpen hen in de spelonk, waar zij verborgen geweest waren; en zij plaatsten grote stenen voor de mond van de spelonk, die daar zijn tot op deze dag.

Joz 10:28 Op deze dag nam Jozua ook Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte van het zwaard; ook hun koning, henlieden en alle ziel die daarin was; hij liet niemand overblijven; en hij deed de koning van Makkeda, gelijk als hij de koning van Jericho gedaan had.
Joz 10:29 Toen toog Jozua verder, en gans Israel met hem, van Makkeda naar Libna, en hij streed tegen Libna.
Joz 10:30 En de HEERE gaf ook die in de hand van Israel, met haar koning; en hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was; hij liet daarin niemand overblijven; en hij deed de koning van Libna, gelijk als hij de koning van Jericho gedaan had.
Joz 10:31 Toen toog Jozua voort, en gans Israel met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en streed tegen haar.
Joz 10:32 En de HEERE gaf Lachis in de hand van Israel; en hij nam haar in op de tweede dag, en hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was, naar alles, wat hij Libna gedaan had.
Joz 10:33 Toen trok Horam, de koning van Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua versloeg hem en zijn volk, totdat hij hem niemand overliet.
Joz 10:34 En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gans Israel met hem; en zij belegerden haar en streden tegen haar.
Joz 10:35 En zij namen haar in diezelfde dag, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was, sloeg hij met de ban op diezelfde dag, naar alles, wat hij aan Lachis gedaan had.
Joz 10:36 Daarna toog Jozua op, en gans Israel met hem; van Eglon naar Hebron, en zij streden tegen haar.
Joz 10:37 En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, zo haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in leven overblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was.
Joz 10:38 Toen keerde Jozua, en gans Israel met hem, naar Debir, en hij streed tegen haar.
Joz 10:39 En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en sloegen met de ban alle ziel, die daarin was; hij liet niemand overblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzo deed hij aan Debir en haar koning, en gelijk als hij aan Libna en haar koning gedaan had;
Joz 10:40 Alzo sloeg Jozua het ganse land, het gebergte, en het zuiden, en het laagland, en de afdalingen van de wateren, en al hun koningen; hij liet niemand overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God van Israel, geboden had.
Joz 10:41 En Jozua sloeg hen van Kades-barnea en tot Gaza toe; ook het ganse land Gosen, en tot Gibeon toe.
Joz 10:42 En Jozua versloeg al deze koningen en hun land op één veldtocht; want de HEERE, de God van Israel, streed voor Israel.
Joz 10:43 Toen keerde Jozua weder, en gans Israel met hem, naar het leger te Gilgal.

Hoofdstuk 11
Joz 11:1 Het geschiedde daarna, toen Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, de koning van Madon, en tot de koning van Simron, en tot de koning van Achsaf,
Joz 11:2 En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op de vlakte, ten zuiden van Cinneroth, en in het laagland, en in Nafoth-dor, aan de zee waren;
Joz 11:3 Tot de Kanašnieten in het oosten en in het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa.
Joz 11:4 Dezen nu trokken uit, en al hun legers met hen; veel volk, als het zand, dat aan de oever der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens.
Joz 11:5 Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israel te strijden.
Joz 11:6 En de HEERE zei tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent deze tijd zal Ik hen allen verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagens met vuur verbranden.
Joz 11:7 En Jozua, en allen, die tot de strijd gereed waren, kwam plotseling over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen.
Joz 11:8 En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maÔm, en tot het dal Mizpa oostwaarts; en zij sloegen hen, totdat zij niemand onder hen overlieten.
Joz 11:9 Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagens verbrandde hij met vuur.

Joz 11:10 En Jozua keerde weer in die tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was tevoren het hoofd van al deze koninkrijken.
Joz 11:11 En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte van het zwaard, die verbannend; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.
Joz 11:12 En Jozua nam al de steden van deze koningen in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte van het zwaard, hen verbannend, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN geboden had.
Joz 11:13 Alleen verbrandden de Israelieten geen steden, die op heuvels stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.
Joz 11:14 En al de roof van deze steden, en het vee, roofden de kinderen Israels voor zich; alleen sloegen zij al de mensen met de scherpte van het zwaard, totdat zij hen verdelgd hadden; zij lieten niet overblijven dat adem had.

Joz 11:15 Gelijk als de HEERE Mozes, Zijn knecht, geboden had, alzo gebood Mozes aan Jozua; en alzo deed Jozua; hij deed niet één woord af van alles, wat de HEERE Mozes geboden had.
Joz 11:16 Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land Gosen, en het laagland, en de vlakte, en het gebergte Israels, en zijn laagland.
Joz 11:17 Van de kale berg, die opwaarts naar SeÔr gaat, tot Bašl-gad toe, in het dal van de Libanon, onder aan de berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen.
Joz 11:18 Vele dagen voerde Jozua strijd tegen al deze koningen.
Joz 11:19 Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door strijd.
Joz 11:20 Want het was van de HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israel met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zou, dat hun geen genade zou geschieden, maar opdat hij hen verdelgen zou, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
Joz 11:21 In die tijd nu kwam Jozua, en liet niemand in leven van de Enakieten; van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden.
Joz 11:22 Er bleef niemand van de Enakieten over in het land van de kinderen Israels; behalve die woonden te Gaza, te Gath, en te Asdod.
Joz 11:23 Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel als een erfenis, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van de strijd.

Hoofdstuk 12
Joz 12:1 Dit nu zijn de koningen van het land, die door de kinderen Israels geslagen waren en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon; van de beek Arnon af tot de berg Hermon, en het ganse vlakke land tegen het oosten:
Joz 12:2 Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroër af heerste, dat aan de oever van de beek Arnon is, en over het midden van de beek en de helft van Gilead, tot aan de beek Jabbok, de grens van de kinderen Ammons;
Joz 12:3 En over het vlakke land tot aan het meer van Kinnereth aan de kant van het oosten, en tot aan de zee van het vlakke land, de Zoutzee, tegen het oosten, op de weg naar Beth-jesimoth; en van het zuiden tot aan de hellingen van de Pisga.
Joz 12:4 Daartoe de grens van Og, de koning van Basan, die van het overblijfsel der reuzen was, wonende te Astharoth en te Edrei.
Joz 12:5 En heerste over de berg Hermon, en over Salcha, en over geheel Basan, tot aan de grens der Gezurieten, en der Mašchathieten; en de helft van Gilead, de grens van Sihon, de koning van Hesbon.
Joz 12:6 Mozes, de knecht des HEEREN, en de kinderen Israels sloegen hen, en Mozes, de knecht des HEEREN, gaf aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan de halve stam van Manasse, dat land tot een erfelijke bezitting.

Joz 12:7 Dit nu zijn de koningen van het land, die Jozua versloeg, en de kinderen Israels, aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, van Bašl-gad aan, in het dal van de Libanon, en tot aan de kale berg, die naar SeÔr opgaat; en Jozua gaf het aan de stammen Israels tot een erfelijke bezitting, naar hun afdelingen.
Joz 12:8 Wat op het gebergte, en in het laagland, en in het vlakke land, en in de afdalingen van de wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanašnieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten.
Joz 12:9 De koning van Jericho, één; de koning van Ai, dat terzijde van Beth-el ligt, één;
Joz 12:10 De koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één;
Joz 12:11 De koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één;
Joz 12:12 De koning van Eglon, één; de koning van Gezer, één;
Joz 12:13 De koning van Debir, één; de koning van Geder, één;
Joz 12:14 De koning van Horma, één; de koning van Harad, één;
Joz 12:15 De koning van Libna, één; de koning van Adullam, één;
Joz 12:16 De koning van Makkeda, één; de koning van Beth-el, één;
Joz 12:17 De koning van Tappuah, één; de koning van Hefer, één;
Joz 12:18 De koning van Afek, één; de koning van Lassaron, één;
Joz 12:19 De koning van Madon, één; de koning van Hazor, één;
Joz 12:20 De koning van Simron-meron, één; de koning van Achsaf, één;
Joz 12:21 De koning van Tašnach, één; de koning van Megiddo, één;
Joz 12:22 De koning van Kedes, één; de koning van Jokneam, aan de Karmel, één;
Joz 12:23 De koning van Dor, tot Nafath-dor, één; de koning der heidenen te Gilgal, één;
Joz 12:24 De koning van Thirza, één. Al deze koningen zijn één en dertig.

Hoofdstuk 13
Joz 13:1 Jozua nu was oud, welbedaagd; en de HEERE zei tot hem: Gij zijt oud geworden, welbedaagd, en er is zeer veel land overgebleven, om dat erfelijk te bezitten.
Joz 13:2 Dit is het land, dat overgebleven is; al de grenzen der Filistijnen en het ganse Gesuri.
Joz 13:3 Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de grens van Ekron tegen het noorden, dat de Kanašnieten toegerekend wordt; vijf vorsten der Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten.
Joz 13:4 Van het zuiden, het ganse land der Kanašnieten, en Meara, dat van de SidoniŽrs is, tot Afek toe, tot aan de grens der Amorieten.
Joz 13:5 Daartoe het land der Giblieten, en de ganse Libanon tegen de opgang van de zon, van Bašl-gad, onderaan de berg Hermon, tot aan de ingang van Hamath.
Joz 13:6 Allen, die op het gebergte wonen van de Libanon aan tot Misrefoth-maÔm toe, al de Sidoniërs; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht der kinderen Israels; maak alleen, dat het Israel ten erfdeel valt, gelijk als Ik u geboden heb.

Joz 13:7 En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan de halve stam van Manasse,
Joz 13:8 Met welke de Rubenieten en Gadieten hun erfenis ontvangen hebben; dat Mozes hun gaf aan gene zijde van de Jordaan tegen het oosten, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, hun gegeven had:
Joz 13:9 Van Aroër aan, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die in het midden van de beek is, en al het vlakke land van Medeba tot Dibon toe;
Joz 13:10 En al de steden van Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de grens van de kinderen Ammons;
Joz 13:11 En Gilead, en de grens der Gezurieten, en der Mašchathieten, en de ganse berg Hermon, en gans Basan, tot Salcha toe;
Joz 13:12 Het ganse koninkrijk van Og, in Basan, die geregeerd heeft te Astharoth, en te Edrei; deze is over gebleven uit het overblijfsel der reuzen, die Mozes heeft verslagen, en heeft ze verdreven.
Joz 13:13 Doch de kinderen Israels verdreven de Gezurieten en de Mašchathieten niet; maar Gezur en Mašchath hebben in het midden van Israel gewoond tot op deze dag.
Joz 13:14 Alleen de stam Levi gaf hij geen erfenis. De offers voor God, de HEERE van Israel, zijn zijn erfenis, gelijk als Hij tot hem gesproken had.
Joz 13:15 Alzo gaf Mozes aan de stam der kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen,
Joz 13:16 Dat hun grens was van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die in het midden van de beek is, en al het vlakke land tot Medeba toe;
Joz 13:17 Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Bašl, en Beth-Bašl-meon,
Joz 13:18 En Jahza, en Kedemoth, en Mefašth,
Joz 13:19 En KirjathaÔm, en Sibma, en Zeret-hassahar op de berg van het dal,
Joz 13:20 En Beth-peor, en Asdoth-pisga, en Beth-jesimoth;
Joz 13:21 En alle steden van het vlakke land, en het ganse koninkrijk van Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon regeerde, die door Mozes geslagen is, alsook de vorsten van Midian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, prinsen van Sihon, inwoners van het land.
Joz 13:22 Daartoe hebben de kinderen Israels met het zwaard gedood Bileam, de zoon van Beor, de waarzegger, temidden van hen, die door hen verslagen zijn.
Joz 13:23 De grens nu der kinderen van Ruben was de Jordaan, en haar grens; dat is het erfdeel der kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
Joz 13:24 En aan de stam van Gad, aan de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen, gaf Mozes,
Joz 13:25 Dat hun gebied was Jaezer, en al de steden van Gilead, en het halve land der kinderen Ammons, tot Aroër toe, dat voor aan Rabba is;
Joz 13:26 En van Hesbon af tot Ramath-mizpa en Betonim; en van MahanaÔm tot aan de grens van Debir;
Joz 13:27 En in het dal, Beth-haram, en Beth-nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, de koning te Hesbon, de Jordaan en haar grens, tot aan het einde van het meer van Kinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten.
Joz 13:28 Dit is het erfdeel der kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen: de steden en haar dorpen.
Joz 13:29 Verder had Mozes aan de halve stam van Manasse een erfenis gegeven, die aan de halve stam der kinderen van Manasse bleef, naar hun huisgezinnen;
Joz 13:30 Zodat hun gebied was van MahanaÔm af, het ganse Basan, het ganse koninkrijk van Og, de koning van Basan, en al de plaatsen van JaÔr, die in Basan zijn, zestig steden.
Joz 13:31 En het halve Gilead, en Astharoth, en Edrei, steden van het koninkrijk van Og in Basan, waren van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, namelijk de helft van de kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen.
Joz 13:32 Dat is het, wat Mozes als erfenis verdeelde in de vlakten van Moab, aan gene zijde van de Jordaan van Jericho, tegen het oosten.
Joz 13:33 Maar aan de stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel; de HEERE, de God van Israel, is Zelf hun Erfdeel, gelijk als Hij tot hen gesproken heeft.

Hoofdstuk 14
Joz 14:1 Dit is nu hetgeen de kinderen Israels geërfd hebben in het land Kanaän; dat de priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der geslachten van de stammen der kinderen Israels, hun hebben doen erven;
Joz 14:2 Door het lot van hun erfenis, gelijk als de HEERE door de dienst van Mozes geboden had, aangaande de negen stammen en de halve stam.
Joz 14:3 Want aan de twee stammen en de halve stam had Mozes een erfdeel gegeven aan gene zijde van de Jordaan; maar aan de Levieten had hij geen erfdeel onder hen gegeven.
Joz 14:4 Want de kinderen van Jozef waren twee stammen, Manasse en EfraÔm; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en de voorsteden daarvan voor hun vee en voor hun bezitting.
Joz 14:5 Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de kinderen Israels, en zij deelden het land.

Joz 14:6 Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te Gilgal, en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zei tot hem: Gij weet het woord, dat de HEERE tot Mozes, de man Gods, gesproken heeft te Kades-barnea, betreffende mij en u.
Joz 14:7 Ik was veertig jaar oud, toen Mozes, de knecht des HEEREN, mij uitgezonden heeft van Kades-barnea, om het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht, gelijk als het in mijn hart was.
Joz 14:8 Maar mijn broeders, die met mij gegaan waren, deden het hart van het volk smelten; doch ik volhardde de HEERE, mijn God, na te volgen.
Joz 14:9 Toen zwoer Mozes op die dag, zeggende: Indien niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, omdat gij volhard hebt de HEERE, mijn God, na te volgen.
Joz 14:10 En nu, zie, de HEERE heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert dat de HEERE dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israel in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben heden vijf en tachtig jaar oud.
Joz 14:11 Ik ben nog heden zo sterk, gelijk als ik was ten dage, toen Mozes mij uitzond; gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht tot de strijd, en om uit te gaan en om in te gaan.
Joz 14:12 En nu, geef mij dit gebergte, waarvan de HEERE op die dag gesproken heeft; want gij hebt het op die dag ook gehoord, dat de Enakieten aldaar zijn, en dat er grote vaste steden zijn; als de HEERE met mij is, zal ik hen verdrijven, gelijk als de HEERE gesproken heeft.
Joz 14:13 Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, de zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel.
Joz 14:14 Daarom werd Hebron aan Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, ten erfdeel tot op deze dag; omdat hij volhard had de HEERE, de God van Israel, na te volgen.
Joz 14:15 De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-arba, die een groot man geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van de strijd.

Hoofdstuk 15
Joz 15:1 En het gebied dat door het lot aan de stam van de kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was toebedeeld:
aan de grens van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, het uiterste gebied tegen het zuiden;
Joz 15:2 Zodat hun grens, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was; van de landtong af, die tegen het zuiden ziet;
Joz 15:3 En zij gaat uit naar het zuiden tot de opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaa;
Joz 15:4 En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en deze grens zal eindigen aan de zee. Dit zal uw grens tegen het zuiden zijn.
Joz 15:5 De grens nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de grens, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de landtong der zee, van het uiterste van de Jordaan.
Joz 15:6 En deze grens zal opgaan tot Beth-hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-araba; en deze grens zal opgaan tot de steen van Bohan, de zoon van Ruben.
Joz 15:7 Verder zal deze grens opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze grens doorgaan tot het water van En-semes, en eindigen te En-rogel.
Joz 15:8 En deze grens zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zuidzijde van de Jebusieten, dat is Jeruzalem; en deze grens zal opwaarts gaan tot de top van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, ten westen, die in het uiterste van het dal der Refaieten is, naar het noorden.
Joz 15:9 Daarna zal deze grens strekken van de hoogte van de berg tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze grens strekken naar Bašla; dat is Kirjath-jearim.
Joz 15:10 Daarna zal deze grens zich omkeren van Bašla tegen het westen, naar het gebergte SeÔr, en zal doorgaan aan de zijde van de berg Jearim van het noorden; dat is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-semes, en door Timna gaan.
Joz 15:11 Verder zal deze grens uitgaan aan de zijde van Ekron, noordwaarts, en deze grens zal strekken tot Sichron aan, en over de berg Bašla gaan, en uitgaan te JabneŽl; en deze grens zal eindigen aan de zee.
Joz 15:12 De grens nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en de grens daarvan. Dit is de grens der kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen.

Joz 15:13 Doch Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda -naar de mond des HEEREN tot Jozua- de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.
Joz 15:14 En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak.
Joz 15:15 En vandaar trok hij opwaarts tot de inwoners van Debir -de naam van Debir nu was tevoren Kirjath-sefer-.
Joz 15:16 En Kaleb zei: Wie Kirjath-sefer zal slaan, en haar innemen, die zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.
Joz 15:17 OthniŽl nu, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
Joz 15:18 En het geschiedde, als zij tot hem kwam, zo drong zij bij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en toen zij van de ezel af sprong sprak Kaleb tot haar: Wat is u?
Joz 15:19 En zij zei: Geef mij een zegen; waar gij mij een droog land gegeven hebt, geef mij ook waterbronnen. Toen gaf hij haar hoge waterbronnen en lage waterbronnen.

Joz 15:20 Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen.
Joz 15:21 De steden nu, van het uiterste van de stam van de kinderen van Juda tot de grens van Edom, tegen het zuiden, zijn: KabzeŽl, en Eder, en Jagur,
Joz 15:22 En Kina, en Dimona, en Adada,
Joz 15:23 En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
Joz 15:24 Zif, en Telem, en Bealoth,
Joz 15:25 En Hazor-hadattha, en Kerioth-hezron, -dat is Hazor-.
Joz 15:26 Amam, en Sema, en Molada,
Joz 15:27 En Hazar-gadda, en Hesmon, en Beth-palet,
Joz 15:28 En Hazar-sual, en BeŽr-Seba, en Biz-jotheja,
Joz 15:29 Bašla, en Ijim, en Azem,
Joz 15:30 En Eltholad, en Chesil, en Horma,
Joz 15:31 En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
Joz 15:32 En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
Joz 15:33 In het laagland zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
Joz 15:34 En Zanoah, en En-gannim, Tappuah, en Enam,
Joz 15:35 Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
Joz 15:36 En SašraÔm, en AdithaÔm, en Gedera, en GederothaÔm; veertien steden en haar dorpen.
Joz 15:37 Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
Joz 15:38 En Dilan, en Mizpa, en JokteŽl,
Joz 15:39 Lachis, en Bozkath, en Eglon,
Joz 15:40 En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis,
Joz 15:41 En Gederoth, Beth-dagon, en Našma, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
Joz 15:42 Libna, en Ether, en Asan,
Joz 15:43 En Jiftah, en Asna, en Nezib,
Joz 15:44 En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen;
Joz 15:45 Ekron, en zijn bijbehorende plaatsen, en haar dorpen.
Joz 15:46 Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en zijn dorpen;
Joz 15:47 Asdod, zijn bijbehorende plaatsen en zijn dorpen; Gaza, zijn bijbehorende plaatsen en zijn dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en zijn grens.
Joz 15:48 Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,
Joz 15:49 En Danna, en Kirjath-sanna, dat is Debir,
Joz 15:50 En Anab, en Estemo, en Anim,
Joz 15:51 En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en hun dorpen.
Joz 15:52 Arab, en Duma, en Esan,
Joz 15:53 En Janum, en Beth-tappuah, en Afeka,
Joz 15:54 En Humta, en Kirjath-arba, dat is Hebron, en Zior; negen steden en hun dorpen.
Joz 15:55 Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
Joz 15:56 En JizreŽl, en Jokdeam, en Zanoah,
Joz 15:57 KaÔn, Gibea, en Timna; tien steden en hun dorpen.
Joz 15:58 Halhul, Beth-zur, en Gedor,
Joz 15:59 En Mašrath, en Beth-anoth, en Eltekon; zes steden en hun dorpen.
Joz 15:60 Kirjath-Bašl, dat is Kirjath-jearim, en Rabba; twee steden en hun dorpen.
Joz 15:61 In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,
Joz 15:62 En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en hun dorpen.
Joz 15:63 Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; alzo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot deze dag toe.

Hoofdstuk 16
Joz 16:1 En de grens van het gebied dat door het lot aan de kinderen van Jozef was toebedeeld:
van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-el;
Joz 16:2 En het komt van Beth-el uit naar Luz; en het gaat door tot de grens der Architen, tot Ataroth toe;
Joz 16:3 En het daalt af tegen het westen naar de grens Jafleti, tot aan de grens van Laag-Bethhoron, en tot Gezer; en haar uiteinden zijn aan de zee.
Joz 16:4 Alzo hebben de kinderen van Jozef, Manasse en EfraÔm, hun erfdeel bekomen.

Joz 16:5 De grens nu der kinderen van EfraÔm, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de grens van hun erfdeel was oostwaarts Atroth-addar tot aan Hoog-Bethhoron.
Joz 16:6 En deze grens gaat uit naar het westen bij Michmetath, aan het noorden, en deze grens gaat oostwaarts rond Thašnath-silo, en gaat van daar oostwaarts naar Janoah;
Joz 16:7 En daalt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en reikt tot Jericho, en gaat uit aan de Jordaan.
Joz 16:8 Van Tappuah gaat deze grens westwaarts naar de beek Kana, en reikt tot aan de zee. Dit is het erfdeel van de stam der kinderen van EfraÔm, naar hun huisgezinnen.
Joz 16:9 En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van EfraÔm, waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, al die steden en hun dorpen.
Joz 16:10 En zij verdreven de Kanašnieten niet, die te Gezer woonden; alzo woonden die Kanašnieten in het midden van de EfraÔmieten tot op deze dag; maar zij waren onderworpen aan schatplicht.

Hoofdstuk 17
Joz 17:1 De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten voor Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een strijdbaar man was, zo had hij Gilead en Basan.
Joz 17:2 Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiëzer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, de zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen.
Joz 17:3 Zelafead nu, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen van zijn dochters: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
Joz 17:4 Dezen dan traden toe voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van Jozua, de zoon van Nun, en voor het aangezicht van de oversten, zeggende: De HEERE heeft Mozes geboden, dat men ons een erfdeel geven zou in het midden van onze broeders. Daarom gaf hij hun, naar de mond des HEEREN, een erfdeel in het midden van de broeders van hun vader.
Joz 17:5 Zodat het gebied van Manasse in tien delen werd verdeeld, behalve het land Gilead en Basan, dat aan gene zijde van de Jordaan is.
Joz 17:6 Want de dochters van Manasse erfden een erfdeel in het midden van zijn zonen; en het land Gilead viel aan de overige kinderen van Manasse ten deel.

Joz 17:7 Zodat de grens van Manasse was van Aser af tot Michmetath, dat voor aan Sichem is; en deze grens gaat naar rechts tot aan de inwoners van En-tappuah.
Joz 17:8 Manasse had wel het land van Tappuah, maar Tappuah zelf, aan de grens van Manasse, viel toe aan de kinderen van EfraÔm.
Joz 17:9 Daarna daalt de grens af naar de beek Kana tegen het zuiden van de beek. Deze steden zijn van EfraÔm in het midden der steden van Manasse; en de grens van Manasse is aan het noorden van de beek, en eindigt aan de zee.
Joz 17:10 Het was van EfraÔm tegen het zuiden, en tegen het noorden was het van Manasse, en de zee was zijn grens; en noordwaarts raakten zij aan Aser, en oostwaarts aan Issaschar.
Joz 17:11 Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-sean en zijn bijbehorende plaatsen, en Jibleam en zijn bijbehorende plaatsen, en de inwoners van Dor en zijn bijbehorende plaatsen, en de inwoners van En-dor en zijn bijbehorende plaatsen, en de inwoners van Thašnach en zijn bijbehorende plaatsen, en de inwoners van Megiddo en zijn bijbehorende plaatsen: drie landstreken.
Joz 17:12 En de kinderen van Manasse konden de inwoners van die steden niet verdrijven; want de Kanašnieten wilden in het land blijven wonen.
Joz 17:13 En het geschiedde, als de kinderen Israels sterk werden, zo maakten zij de Kanašnieten schatplichtig; maar zij verdreven hen niet geheel.

Joz 17:14 Toen spraken de kinderen van Jozef tot Jozua, zeggende: Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar één lot en één deel gegeven, daar ik toch een groot volk ben, en de HEERE mij aldus tot nu toe gezegend heeft?
Joz 17:15 Jozua nu zei tot hen: Omdat gij een groot volk zijt, zo ga op naar het woud, en kap daar voor u in het land der Ferezieten en der Refaieten, daar het gebergte van EfraÔm u te klein is.
Joz 17:16 Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoeg zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanašnieten, die in het lage land wonen, bij die te Beth-sean en zijn bijbehorende plaatsen, en die in het dal van JizreŽl zijn.
Joz 17:17 Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot EfraÔm en tot Manasse, zeggende: Gij zijt een groot volk, en gij hebt grote kracht, gij zult niet nog een lot hebben;
Joz 17:18 Maar het gebergte zal het uwe zijn; en daar het een woud is, zo kap het, zo zullen zijn uitlopers de uwe zijn; want gij zult de Kanašnieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk.

Hoofdstuk 18
Joz 18:1 En de hele vergadering van de kinderen Israels verzamelde zich te Silo, en zij richtten aldaar op de tent der samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.

Joz 18:2 En er bleven zeven stammen over onder de kinderen Israels, aan wie zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden.
Joz 18:3 En Jozua zei tot de kinderen Israels: Hoe lang blijft gij zo laks, om verder te gaan, om het land te beërven, dat de HEERE, de God van uw vaderen, u gegeven heeft?
Joz 18:4 Geeft namens elke stam drie mannen, dat ik ze wegzend, en zij zich opmaken, en het land doorwandelen, en dat beschrijven naar hun erfdelen, en tot mij terugkeren.
Joz 18:5 Zij nu zullen het delen in zeven delen; Juda zal blijven op zijn grens van het zuiden, en het huis van Jozef zal blijven op zijn grens van het noorden.
Joz 18:6 En gij zult het land beschrijven in zeven delen, en die beschrijving hier tot mij brengen, dat ik voor u het lot hier werpe voor het aangezicht van de HEERE, onze God.
Joz 18:7 Maar de Levieten hebben geen deel in het midden van ulieden; want het priesterschap des HEEREN is hun erfdeel. Gad nu, en Ruben, en de halve stam van Manasse, hebben hun erfdeel genomen aan gene zijde van de Jordaan, oostwaarts, dat hun Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft.
Joz 18:8 Toen maakten zich die mannen op, en gingen heen. En Jozua gebood hun, die heengingen om het land te beschrijven, zeggende: Gaat, en doorwandelt het land, en beschrijft het; komt dan weer tot mij, zo zal ik voor ulieden hier het lot werpen, voor het aangezicht des HEEREN, te Silo.
Joz 18:9 De mannen dan gingen heen, en trokken het land door en beschreven het naar de steden, in zeven delen, in een boek; en kwamen weer tot Jozua in de legerplaats te Silo.
Joz 18:10 Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo, voor het aangezicht des HEEREN. En Jozua deelde daar aan de kinderen Israels het land, naar hun afdelingen.

Joz 18:11 En het lot viel op de stam van de kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen; en de grens van het gebied van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda, en de kinderen van Jozef.
Joz 18:12 En hun grens was aan de noordzijde vanaf de Jordaan; en deze grens gaat opwaarts aan de noordzijde van Jericho, en gaat op door het gebergte westwaarts, en zal eindigen aan de woestijn van Beth-aven.
Joz 18:13 En van daar gaat de grens door naar Luz, aan de zuidzijde van Luz -dat is Beth-el-; en deze grens daalt af naar Atroth-addar, aan de berg, die aan de zuidzijde van Laag-Bethhoron is.
Joz 18:14 En die grens gaat verder en draait, naar de westzijde zuidwaarts van de berg, die tegenover Beth-horon zuidwaarts is, en loopt tot aan Kirjath-Bašl (dat is Kirjath-jearim), een stad van de kinderen van Juda. Dit is de westzijde.
Joz 18:15 De zuidzijde nu is aan het uiterste van Kirjath-jearim; en deze grens gaat uit westwaarts, en zij komt uit aan de fontein der wateren van Neftoah.
Joz 18:16 En deze grens daalt af tot aan het uiterste van de berg, die tegenover het dal van de zoon van Hinnom is, die in het dal der Refaieten is, noordwaarts; en gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde van de Jebusieten zuidwaarts, en daalt af naar de fontein van En-Rogel;
Joz 18:17 Gaat noordwaarts verder, en gaat uit te En-semes; van daar gaat zij uit naar Geliloth, dat is tegenover de opgang naar Adummim, en zij daalt af naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben;
Joz 18:18 En gaat door aan de noordzijde tegenover de Arabah, en gaat af naar de Arabah.
Joz 18:19 En de grens gaat verder aan de noordzijde van Beth-hogla, en eindigt bij de landtong van de Zoutzee noordwaarts, aan het uiterste zuiden van de Jordaan. Dit is de zuidgrens.
Joz 18:20 De Jordaan nu vormde de oostgrens. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, in hun gebieden rondom, naar hun huisgezinnen.
Joz 18:21 De steden nu van de stam der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-keziz,
Joz 18:22 En Beth-araba, en ZemaraÔm, en Beth-el,
Joz 18:23 En Hašvvim, en Para, en Ofra,
Joz 18:24 Chefar-hašmmonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en zijn dorpen.
Joz 18:25 Gibeon, en Rama, en BeŽroth,
Joz 18:26 En Mizpe, en Chefira, en Moza,
Joz 18:27 En Rekem, en JirpeŽl, en Tharala,
Joz 18:28 En Zela, Elef en Jebusi -dat is Jeruzalem-, Gibath, Kirjath: veertien steden met hun dorpen. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen.

Hoofdstuk 19
Joz 19:1 Daarna viel het tweede lot op Simeon, voor de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel van de kinderen van Juda.
Joz 19:2 En zij hadden in hun erfdeel: BeŽr-seba, en Seba, en Molada,
Joz 19:3 En Hazar-sual, en Bala, en Azem,
Joz 19:4 En Eltholad, en Bethul, en Horma,
Joz 19:5 En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-suza,
Joz 19:6 En Beth-lebaoth, en Saruhen; dertien steden en hun dorpen.
Joz 19:7 Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en hun dorpen;
Joz 19:8 En al de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Bašlath-beŽr, dat is Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen.
Joz 19:9 Het erfdeel van de kinderen van Simeon is onder het deel van de kinderen van Juda; want het erfdeel van de kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel.

Joz 19:10 Daarna viel het derde lot op de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; en de grens van hun erfdeel was tot aan Sarid.
Joz 19:11 En hun grens gaat omhoog naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt daarna tot aan de beek, die voor aan Jokneam is.
Joz 19:12 En zij draait van Sarid oostwaarts naar de opgang van de zon, tot de grens van Chisloth-thabor, en zij komt uit te Dobrath, en gaat omhoog naar Jafia.
Joz 19:13 En vandaar gaat zij oostwaarts, naar Gath-hefer, te Eth-kazin, en zij komt uit te Rimmon-methoar, dat is Nea.
Joz 19:14 En deze grens draait naar het noorden naar Hannathon, en eindigt in het dal van Jiftah-el.
Joz 19:15 En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en hun dorpen.
Joz 19:16 Dit is het erfdeel van de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; deze steden en hun dorpen.

Joz 19:17 Het vierde lot viel op Issaschar, voor de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen.
Joz 19:18 En hun grens was JizreŽla, en Chesulloth, en Sunem,
Joz 19:19 En HafaraÔm, en Sion, en Anacharath,
Joz 19:20 En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,
Joz 19:21 En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-pazzez.
Joz 19:22 En deze grens reikt aan Thabor, en Sahazima, en Beth-semes; en eindigt aan de Jordaan; zestien steden en hun dorpen.
Joz 19:23 Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en hun dorpen.

Joz 19:24 Toen viel het vijfde lot op de stam van de kinderen van Aser, naar hun huisgezinnen.
Joz 19:25 En hun grens was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf,
Joz 19:26 En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-libnath;
Joz 19:27 En draait naar de opgang van de zon naar Beth-dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-el noordwaarts naar Beth-emek, en NehiŽl, en komt uit tot Kabul ter linkerzijde;
Joz 19:28 En Ebron, en Rehob, en Hammon, en Kana, tot aan groot Sidon.
Joz 19:29 En deze grens draait naar Rama, en tot aan de versterkte stad Tyrus; dan keert deze grens naar Hosa, en eindigt aan de zee, in het gebied van Achzib,
Joz 19:30 En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en hun dorpen.
Joz 19:31 Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Aser, naar hun huisgezinnen, deze steden en hun dorpen.

Joz 19:32 Het zesde lot viel op de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen.
Joz 19:33 En hun grens is van Helef, van Allon tot Zašnannim, en Adami-nekeb, en JabneŽl, tot Lakkum; en reikt tot aan de Jordaan.
Joz 19:34 En deze grens draait westwaarts naar Asnoth-thabor, en van daar gaat zij verder naar Hukkok, en zij reikt aan Zebulon ten zuiden, en aan Aser reikt zij tegen het westen, en aan Juda aan de Jordaan tegen de opgang van de zon.
Joz 19:35 De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnereth,
Joz 19:36 En Adama, en Rama, en Hazor,
Joz 19:37 En Kedes, en Edrei, en En-hazor,
Joz 19:38 En Jiron, en Migdal-el, Horem en Beth-anath, en Beth-semes; negentien steden en hun dorpen.
Joz 19:39 Dit is het erfdeel van de stam der kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en hun dorpen.

Joz 19:40 Het zevende lot viel op de stam der kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen.
Joz 19:41 En de grens van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-semes,
Joz 19:42 En Sašlabbin, en Ajalon, en Jithla,
Joz 19:43 En Elon, en Timnatha, en Ekron,
Joz 19:44 En Elteke, en Gibbethon, en Bašlath,
Joz 19:45 En Jehud, en Bene-berak, en Gath-rimmon,
Joz 19:46 En Me-jarkon, en Rakkon, met de grens tegenover Jafo.
Joz 19:47 Doch de grens was de kinderen van Dan te klein uitgekomen; daarom trokken de kinderen van Dan op, en streden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen het met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan.
Joz 19:48 Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen, deze steden en zijn dorpen.

Joz 19:49 Toen zij nu geŽindigd hadden het land erfelijk te verdelen, naar zijn grenzen, zo gaven de kinderen Israels aan Jozua, de zoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen.
Joz 19:50 Naar de mond des HEEREN gaven zij hem die stad, die hij begeerde, Thimnath-serah, op het gebergte van EfraÔm; en hij bouwde die stad, en woonde daarin.
Joz 19:51 Dit zijn de erfdelen, welke Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der geslachten van de stammen, door het lot aan de kinderen Israels erfelijk uitdeelden te Silo, voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst. Aldus beŽindigden zij het uitdelen van het land.

Hoofdstuk 20
Joz 20:1 Verder sprak de HEERE tot Jozua, zeggende:
Joz 20:2 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wijs voor u de vrijsteden aan, waarvan Ik met u gesproken heb door de dienst van Mozes.
Joz 20:3 Dat daarheen vluchte de doodslager, die iemand door dwaling, niet met voorbedachte rade, doodslaat; opdat zij ulieden zijn tot een vluchtplaats voor de bloedwreker.
Joz 20:4 Als hij vlucht tot één van die steden, zo zal hij staan aan de deur van de stadspoort, en hij zal zijn zaak verklaren voor de oren van de oudsten van die stad; dan zullen zij hem tot zich in de stad nemen, en hem plaats geven, dat hij bij hen zal wonen.
Joz 20:5 En als de bloedwreker hem najaagt, zo zullen zij de doodslager in zijn hand niet overgeven, omdat hij zijn naaste niet met voorbedachte rade dood geslagen heeft, en hem gisteren en eergisteren niet heeft gehaat.
Joz 20:6 En hij zal in die stad wonen, totdat hij zal staan voor het stadsgericht voor het gerechtelijk onderzoek, en bij gebleken onschuld totdat de hogepriester sterft, die in die dagen zijn zal; dan zal de doodslager terugkeren, en komen tot zijn stad, en tot zijn huis, tot de stad, vanwaar hij gevlucht is.

Joz 20:7 Toen zonderden zij af Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van EfraÔm, en Kirjath-arba, dat is Hebron, op het gebergte van Juda.
Joz 20:8 En aan gene zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het vlakke land, van de stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van de stam van Gad; en Golan in Basan, van de stam van Manasse.
Joz 20:9 Dit nu zijn de steden, die bestemd werden voor al de kinderen Israels, en voor de vreemdeling, die in het midden van hen verkeert, opdat daarheen vluchte al wie een ziel doodslaat door dwaling; opdat hij niet sterve door de hand van de bloedwreker, totdat hij voor het stadsgericht gestaan zal hebben.

Hoofdstuk 21
Joz 21:1 Toen naderden de hoofden der geslachten van de Levieten tot Eleazar, de priester, en tot Jozua, de zoon van Nun, en tot de hoofden der geslachten van de stammen der kinderen Israels;
Joz 21:2 En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanašn, zeggende: De HEERE heeft geboden door de dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en zijn voorsteden voor onze dieren.
Joz 21:3 Dus gaven de kinderen Israels aan de Levieten van hun erfdeel, naar de mond des HEEREN, deze steden en de voorsteden daarvan.
Joz 21:4 Toen viel het lot op de huisgezinnen van de Kohathieten; en de kinderen van Ašron, de priester, uit de Levieten, verkregen van de stam van Juda, en van de stam van Simeon, en van de stam van Benjamin, door het lot, dertien steden.
Joz 21:5 En de overgebleven kinderen van Kohath verkregen, door het lot, van de huisgezinnen van de stam van EfraÔm, en van de stam van Dan, en van de halve stam van Manasse, tien steden.
Joz 21:6 En de kinderen van Gerson verkregen, van de huisgezinnen van de stam van Issaschar, en van de stam van Aser, en van de stam van Nafthali, en van de halve stam van Manasse, in Basan, door het lot, dertien steden.
Joz 21:7 De kinderen van Merari verkregen, naar hun huisgezinnen, van de stam van Ruben, en van de stam van Gad, en van de stam van Zebulon, twaalf steden.
Joz 21:8 Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en hun voorsteden, door het lot, gelijk de HEERE geboden had door de dienst van Mozes.

Joz 21:9 Uit de stam der kinderen van Juda, en de stam der kinderen van Simeon, gaven zij deze steden, die men bij name noemde;
Joz 21:10 Dat zij kwamen aan de kinderen van Ašron, van de huisgezinnen der Kohathieten, uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was voor hen.
Joz 21:11 Zo gaven zij hun de stad van Arba, de vader van Anok -dat is Hebron-, op de berg van Juda, en zijn voorsteden rondom.
Joz 21:12 Maar het veld van de stad en zijn dorpen, gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne, tot zijn bezitting.
Joz 21:13 Alzo gaven zij aan de kinderen van de priester Ašron de vrijstad voor de doodslager, Hebron en zijn voorsteden, en Libna en zijn voorsteden;
Joz 21:14 En Jatthir en zijn voorsteden, en Esthemoa en zijn voorsteden;
Joz 21:15 En Holon en zijn voorsteden, en Debir en zijn voorsteden;
Joz 21:16 En Ain en zijn voorsteden, en Jutta en zijn voorsteden, en Beth-semes en zijn voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
Joz 21:17 En uit de stam van Benjamin, Gibeon en zijn voorsteden, Geba en zijn voorsteden;
Joz 21:18 Anathoth en zijn voorsteden, en Almon en zijn voorsteden: vier steden.
Joz 21:19 Al de steden van de kinderen van Ašron, de priesters, waren dertien steden en zijn voorsteden.
Joz 21:20 De huisgezinnen nu van de kinderen van Kohath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kohath, die verkregen de steden door hun lot uit de stam van EfraÔm.
Joz 21:21 En zij gaven hun Sichem, een vrijstad voor de doodslager, en zijn voorsteden, op de berg EfraÔm, en Gezer en zijn voorsteden;
Joz 21:22 En KibzaÔm en zijn voorsteden, en Beth-horon en zijn voorsteden: vier steden.
Joz 21:23 En uit de stam van Dan, Elteke en zijn voorsteden, Gibbethon en zijn voorsteden;
Joz 21:24 Ajalon en zijn voorsteden, Gath-rimmon en zijn voorsteden: vier steden.
Joz 21:25 En uit de halve stam van Manasse, Thašnach en zijn voorsteden, en Gath-rimmon en zijn voorsteden: twee steden.
Joz 21:26 Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kohath zijn tien, met zijn voorsteden.
Joz 21:27 En de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van de Levieten, verkregen uit de halve stam van Manasse, de vrijstad voor de doodslager, Golan in Basan, en zijn voorsteden, en BeŽsthera en zijn voorsteden: twee steden.
Joz 21:28 En uit de stam van Issaschar, Kisjon en zijn voorsteden, en Dobrath en zijn voorsteden;
Joz 21:29 Jarmuth en zijn voorsteden, En-gannim en zijn voorsteden: vier steden.
Joz 21:30 En uit de stam van Aser, Misal en zijn voorsteden, Abdon en zijn voorsteden;
Joz 21:31 En Helkath en zijn voorsteden, en Rehob en zijn voorsteden: vier steden.
Joz 21:32 En uit de stam van Nafthali, de vrijstad voor de doodslager, Kedes in Galilea, en zijn voorsteden, en Hammoth-dor en zijn voorsteden, en Karthan en zijn voorsteden: drie steden.
Joz 21:33 Al de steden van de Gersonieten, naar hun huisgezinnen, zijn dertien steden en zijn voorsteden.
Joz 21:34 Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merari, de overige Levieten, werd gegeven uit de stam van Zebulon, Jokneam en zijn voorsteden, Kartha en zijn voorsteden;
Joz 21:35 Dimna en zijn voorsteden, Nahalal en zijn voorsteden: vier steden.
Joz 21:36 En van de stam van Ruben, Bezer en zijn voorsteden, en Jahza en zijn voorsteden;
Joz 21:37 Kedemoth en zijn voorsteden, en Mefašth en zijn voorsteden: vier steden.
Joz 21:38 Uit de stam van Gad nu, de vrijstad voor de doodslager, Ramoth in Gilead, en zijn voorsteden, en MahanaÔm en zijn voorsteden;
Joz 21:39 Hesbon en zijn voorsteden, Jaezer en zijn voorsteden: al die steden zijn vier.
Joz 21:40 Al die steden kwamen aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, die nog overig waren van de huisgezinnen van de Levieten; en hun lot was twaalf steden.
Joz 21:41 Al de steden van de Levieten, temidden van de erfenis van de kinderen Israels, waren acht en veertig steden en hun voorsteden.
Joz 21:42 Deze steden waren elk met zijn voorsteden rondom; alzo was het met al die steden.

Joz 21:43 Alzo gaf de HEERE aan Israel het ganse land, dat Hij gezworen had hun vaderen te geven, en zij beërfden het, en woonden daarin.
Joz 21:44 En de HEERE gaf hun rust rondom, naar alles, wat Hij hun vaderen gezworen had; en niemand van al hun vijanden kon bestaan voor hun aangezicht; al hun vijanden gaf de HEERE in hun hand.
Joz 21:45 Er viel niet een woord uit van al de goede woorden, die de HEERE gesproken had tot het huis van Israel; het werd alles vervuld.

Hoofdstuk 22
Joz 22:1 Toen riep Jozua de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse,
Joz 22:2 En hij zei tot hen: Gij hebt onderhouden alles, wat u Mozes, de knecht des HEEREN, geboden heeft; en gij zijt aan mijn stem gehoorzaam geweest in alles, wat ik u geboden heb.
Joz 22:3 Gij hebt uw broeders niet verlaten nu lange tijd, tot op deze dag toe; maar gij hebt de geboden van de HEERE, uw God, onderhouden.
Joz 22:4 En nu, de HEERE, uw God, heeft uw broeders rust gegeven, gelijk Hij hun toegezegd had; keert dan nu terug, en gaat gij naar uw tenten, naar het land van uw bezitting, dat u Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft aan gene zijde van de Jordaan.
Joz 22:5 Alleen, neemt ijverig waar te doen het gebod en de wet, die u Mozes, de knecht des HEEREN, geboden heeft, dat gij de HEERE, uw God, liefhebt, en dat gij wandelt in al Zijn wegen, en Zijn geboden houdt, en Hem aanhangt, en dat gij Hem dient met geheel uw hart en met geheel uw ziel.
Joz 22:6 Alzo zegende hen Jozua, en hij liet hen gaan; en zij gingen naar hun tenten.
Joz 22:7 Want aan de helft van de stam van Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Basan; maar aan de andere helft gaf Jozua een erfdeel bij hun broeders, aan deze zijde van de Jordaan westwaarts. Verder ook als Jozua hen liet trekken naar hun tenten, zo zegende hij hen.
Joz 22:8 En hij sprak tot hen, zeggende: Keert weer tot uw tenten met veel rijkdom, en met zeer veel vee, met zilver, en met goud, en met koper, en met ijzer, en met zeer veel klederen; deelt de roof van uw vijanden met uw broeders.
Joz 22:9 Alzo keerden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse terug, en trokken weg van de kinderen Israels, van Silo, dat in het land Kanašn is, om te gaan naar het land van Gilead, naar het land van hun bezitting, waarin zij hun bezitting hadden vekregen, naar de mond des HEEREN, door de dienst van Mozes.

Joz 22:10 Toen zij kwamen aan het gebied van de Jordaan, in het land Kanašn, zo bouwden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse aldaar een altaar aan de Jordaan, een altaar groot van aanzien.
Joz 22:11 En de kinderen Israels hoorden zeggen: Ziet, de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd, vooraan het land Kanašn, aan het gebied van de Jordaan, aan de kant van de kinderen Israels.
Joz 22:12 Als de kinderen Israels dit hoorden, zo verzamelde zich de hele vergadering van de kinderen Israels te Silo, dat zij tegen hen optrokken met een legermacht.
Joz 22:13 En de kinderen Israels zonden tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de halve stam van Manasse, in het land Gilead, Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester;
Joz 22:14 En tien vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis een vorst, uit al de stammen van Israel; zij waren, elk het hoofd van het huis hunner vaderen, over de duizenden van Israel.
Joz 22:15 Toen zij tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de halve stam van Manasse kwamen, in het land Gilead, zo spraken zij met hen, zeggende:
Joz 22:16 Alzo spreekt de gehele gemeente des HEEREN: Wat een overtreding is dit, waarmee gijlieden overtreden hebt tegen de God van Israel, heden afkerende van achter de HEERE, daar gij voor u een altaar gebouwd hebt, om heden tegen de HEERE weerspannig te zijn?
Joz 22:17 Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig, waarvan wij niet gereinigd zijn tot op deze dag, hoewel de plaag in de vergadering des HEEREN geweest is?
Joz 22:18 Omdat gij u heden van achter de HEERE afkeert, het zal dan geschieden, als gij heden weerspannig zijt tegen de HEERE, zo zal Hij Zich morgen zeer vertoornen tegen de gehele gemeente van Israel.
Joz 22:19 Maar toch, indien het land van uw bezitting onrein is, komt over in het land van de bezitting des HEEREN, waar de tabernakel des HEEREN woont, en neemt bezitting in het midden van ons; maar zijt niet weerspannig tegen de HEERE, en zijt ook niet weerspannig tegen ons, door nog een altaar voor u te bouwen, naast het altaar van de HEERE, onze God.
Joz 22:20 Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het God gewijde, en kwam er niet een toorn over de hele vergadering van Israel? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid.

Joz 22:21 Toen antwoordden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse, en zij spraken met de hoofden der duizenden van Israel:
Joz 22:22 De God der goden, de HEERE, de God der goden, de HEERE, Die weet het; Israel zelf zal het ook weten! Is het door weerspannigheid, of is het door overtreding tegen de HEERE, zo behoudt ons heden niet;
Joz 22:23 Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben, om ons van achter de HEERE af te keren, of om brandoffer en spijsoffer daarop te offeren, of om dankoffer daarop te doen, Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben, om ons van achter de HEERE af te keren, of om brandoffer en spijsoffer daarop te offeren, of om dankoffer daarop te doen: dat de HEERE rekenschap van ons zal vragen!
Joz 22:24 En zo wij dit niet uit zorg vanwege deze zaak gedaan hebben, zeggende: Morgen mochten uw kinderen tot onze kinderen spreken, zeggende: Wat hebt gij met de HEERE, de God van Israel, te doen?
Joz 22:25 De HEERE heeft immers de Jordaan tot grens gezet tussen ons en tussen u, gij, kinderen van Ruben, en gij, kinderen van Gad! gij hebt geen deel aan de HEERE. Zo mochten uw kinderen onze kinderen doen ophouden, om de HEERE te vrezen.
Joz 22:26 Daarom zeiden wij: Laat ons toch voor ons een altaar maken, niet ten brandoffer of andere offers.
Joz 22:27 Maar dat het een getuige zij tussen ons en u, en tussen onze geslachten na ons, opdat wij de dienst des HEEREN voor Zijn aangezicht dienen mochten met onze brandoffers, en met onze slachtoffers, en met onze dankoffers; en dat uw kinderen tot onze kinderen morgen niet zeggen: Gijlieden hebt geen deel aan de HEERE.
Joz 22:28 Daarom zeiden wij: Wanneer het geschiedt, dat zij morgen tot ons en tot onze geslachten alzo zeggen zullen; zo zullen wij zeggen: Ziet de gedaante van het altaar des HEEREN, dat onze vaderen gemaakt hebben, niet voor brandoffer of andere offers; maar als een getuige tussen ons en u.
Joz 22:29 Het zij verre van ons, dat wij zouden weerspannig zijn tegen de HEERE, of dat wij deze dag ons van achter de HEERE afkeren zouden, bouwende nog een altaar ten brandoffer, ten spijsoffer, of ten slachtoffer, naast het altaar van de HEERE, onze God, dat voor Zijn tabernakel is.

Joz 22:30 Toen de priester Pinehas, en de oversten der vergadering, de hoofden der duizenden van Israel, die bij hem waren, de woorden hoorden, die de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de kinderen van Manasse gesproken hadden, zo was het goed in hun ogen.
Joz 22:31 En Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, zei tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de kinderen van Manasse: Heden weten wij, dat de HEERE in het midden van ons is, omdat gij deze overtreding tegen de HEERE niet begaan hebt; zo dan hebt gij de kinderen Israels verlost uit de hand des HEEREN.
Joz 22:32 En Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, keerde terug met de oversten van de kinderen van Ruben, en van de kinderen van Gad, uit het land Gilead, naar het land Kanašn, tot de kinderen Israels; en zij brachten hun antwoord weer;
Joz 22:33 Het antwoord nu was goed in de ogen van de kinderen Israels, en de kinderen Israels loofden God, en spraken er niet meer van tegen hen op te trekken met een legermacht, om het land te verderven, waarin de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad woonden.
Joz 22:34 En de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad noemden dat altaar: Dat het een getuige zij tussen ons, dat de HEERE God is.

Hoofdstuk 23
Joz 23:1 En het geschiedde na vele dagen, nadat de HEERE Israel rust gegeven had van al zijn vijanden rondom, en Jozua oud geworden was en welbedaagd;
Joz 23:2 Dat Jozua gans Israel bijeen riep, hun oudsten, en hun hoofden, en hun rechters, en hun hoofdmannen, en hij zei tot hen: Ik ben oud geworden, en welbedaagd;
Joz 23:3 En gijlieden hebt gezien alles, wat de HEERE, uw God, gedaan heeft aan al deze volken voor uw aangezicht; want de HEERE, uw God, Zelf, is het, Die voor u gestreden heeft.
Joz 23:4 Ziet, ik heb u deze overige volken door het lot doen toevallen, ten erfdeel voor uw stammen, van de Jordaan af, met al de volken, die ik alreeds verdelgd heb, en tot de grote zee, tegen de ondergang van de zon.
Joz 23:5 En de HEERE, uw God, Zelf zal hen uitstoten voor uw aangezicht, en Hij zal hen van voor uw aangezicht verdrijven; en gij zult hun land erfelijk bezitten, gelijk als de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft.
Joz 23:6 Zo weest zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles, wat geschreven is in het wetboek van Mozes; opdat gij daarvan niet afwijkt ter rechter-, noch ter linkerhand;
Joz 23:7 Dat gij niet ingaat tot deze volken: tot deze, die overgebleven zijn bij ulieden; gedenkt ook niet aan de naam van hun goden, en doet er niet bij zweren, en dient hen niet, en buigt u voor die niet;
Joz 23:8 Maar de HEERE, uw God, zult gij aanhangen, gelijk als gij tot op deze dag gedaan hebt.
Joz 23:9 Want de HEERE heeft van uw aangezicht verdreven grote en machtige volken; en u aangaande, niemand heeft voor uw aangezicht bestaan, tot op deze dag toe.
Joz 23:10 Eén enig man onder u zal er duizend jagen; want het is de HEERE, uw God, Zelf, Die voor u strijdt, gelijk als Hij tot u gesproken heeft.
Joz 23:11 Daarom bewaart uw zielen ijverig, dat gij de HEERE, uw God, liefhebt.
Joz 23:12 Want zo gij maar iets afkeert, en het overige van deze volken aanhangt, van deze, die bij u overgebleven zijn, en u met hen verzwagert, en gij tot hen zult ingaan, en zij tot u;
Joz 23:13 Weet voorzeker, dat de HEERE, uw God, niet verder zal gaan deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen u zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat gij omkomt van dit goede land, dat u de HEERE, uw God, gegeven heeft.
Joz 23:14 En ziet, ik ga heden de weg van de ganse aarde; en gij weet met uw ganse hart en met uw ganse ziel, dat er niet één enig woord gefaald heeft van al die goede woorden, die de HEERE, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u alle vervuld; er is daarvan niet een enig woord onvervuld.
Joz 23:15 En het zal geschieden, gelijk als al die goede dingen over u gekomen zijn, die de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft, alzo zal de HEERE over u komen laten al die kwade dingen, totdat Hij u verdelge van dit goede land, dat u de HEERE, uw God gegeven heeft.
Joz 23:16 Namelijk als gij het verbond van de HEERE, uw God, overtreedt, dat Hij u geboden heeft, en gij heengaat en dient andere goden, en u voor die neerbuigt, zo zal de toorn des HEEREN over u ontsteken, en gij zult spoedig omkomen van het goede land, dat Hij u gegeven heeft.

Hoofdstuk 24
Joz 24:1 Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israel te Sichem, en hij riep de oudsten van Israel, en de hoofden, en rechters, en hoofdmannen van het volk; en zij stelden zich voor het aangezicht van God.
Joz 24:2 Toen zei Jozua tot het gehele volk: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Aan gene zijde van de rivier hebben uw vaders van oudsher gewoond, namelijk Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.
Joz 24:3 Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde van de rivier, en deed hem wandelen door het hele land Kanašn; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak.
Joz 24:4 En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte SeÔr, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen trokken af in Egypte.
Joz 24:5 Toen zond Ik Mozes en Ašron, en Ik plaagde Egypte, gelijk als Ik in het midden ervan gedaan heb; en daarna leidde Ik u daar uit.
Joz 24:6 Toen Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, en zij aan de zee kwamen, en de Egyptenaren uw vaders najoegen met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee.
Joz 24:7 Toen riepen zij tot de HEERE, en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaren, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt gij vele dagen in de woestijn gewoond.
Joz 24:8 Toen bracht Ik u in het land der Amorieten, die aan gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en gij nam hun land erfelijk in bezit, en Ik verdelgde hen voor uw aangezicht.
Joz 24:9 Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, en hij streed tegen Israel; en hij zond heen, en liet Bileam, de zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou.
Joz 24:10 Maar Ik wilde Bileam niet horen; daarom zegende hij u steeds, en Ik verloste u uit zijn hand.
Joz 24:11 Toen u over de Jordaan getrokken bent, en te Jericho kwam, zo streden de burgers van Jericho tegen u, gelijk ook de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanašnieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; doch Ik gaf hen in uw hand.
Joz 24:12 En Ik zond horzels voor u uit; die verdreven hen van uw aangezicht, gelijk de beide koningen der Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog.
Joz 24:13 Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan gij niet gewerkt hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont daarin; gij eet van de wijngaarden en olijfbomen, die gij niet geplant hebt.
Joz 24:14 En nu, vreest de HEERE, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan gene zijde van de rivier, en in Egypte; en dient de HEERE.

Joz 24:15 Doch zo het kwaad is in uw ogen de HEERE te dienen, kiest u heden, wie gij dienen zult; hetzij de goden, die uw vaders, die aan de andere zijde van de rivier waren, gediend hebben, of de goden van de Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen de HEERE dienen!
Joz 24:16 Toen antwoordde het volk en zei: Het zij verre van ons, dat wij de HEERE verlaten zouden, om andere goden te dienen.
Joz 24:17 Want de HEERE is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaderen uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft geleid, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft de hele weg, waarlangs wij gegaan zijn, en onder alle volken, waar wij midden door getrokken zijn.
Joz 24:18 En de HEERE heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs de Amorieten, die in het land woonden. Wij zullen ook de HEERE dienen, want Hij is onze God.
Joz 24:19 Toen zei Jozua tot het volk: Gij zult de HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een jaloers God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven.
Joz 24:20 Indien gij de HEERE verlaten en vreemde goden dienen zult, zo zal Hij Zich afwenden, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u wegdoen, zoals Hij u goed gedaan zal hebben.
Joz 24:21 Toen zei het volk tot Jozua: Neen, maar wij zullen de HEERE dienen.
Joz 24:22 Jozua nu zei tot het volk: Gij zijt getuigen tegen uzelf, dat gij u de HEERE verkoren hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen.
Joz 24:23 En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot de HEERE, de God van Israel.
Joz 24:24 En het volk zei tot Jozua: Wij zullen de HEERE, onze God, dienen, en wij zullen Zijn stem gehoorzamen.
Joz 24:25 Alzo maakte Jozua op diezelfde dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem.
Joz 24:26 En Jozua schreef deze woorden in het wetboek van God; en hij nam een grote steen, en hij richtte die daar op onder de eik, die bij het heiligdom des HEEREN was.
Joz 24:27 En Jozua zei tot het ganse volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de woorden des HEEREN, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen u zijn, opdat gij uw God niet liegt.
Joz 24:28 Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel.

Joz 24:29 En het geschiedde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, stierf, honderd en tien jaar oud.
Joz 24:30 En zij begroeven hem binnen de grens van zijn erfdeel, te Timnath-serah, dat is op een berg van EfraÔm, aan het noorden van de berg Gašsh.
Joz 24:31 Israel nu diende de HEERE al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die van al het werk des HEEREN wisten, dat Hij aan Israel gedaan had.
Joz 24:32 Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen Israels uit Egypte meegenomen hadden, te Sichem, in dat stuk veld, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken, want zij waren aan de kinderen van Jozef tot een erfenis geworden.
Joz 24:33 Ook stierf Eleazar, de zoon van Ašron; en zij begroeven hem op de heuvel van Pinehas, zijn zoon, die hem gegeven was op het gebergte van EfraÔm.


Aantekeningen

6:17-18 het (ten offer) gewijde: met de ban geslagen, het verbannene
7:14 door de Heere geraakt: d.w.z. door de Heere aangewezen. bijv door het raadplegen d.m.v. Urim en Tummim of door het lot.