Hoofdstuk 1
Kgl 1:1 Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die zo vol mensen was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is schatplichtig geworden.
Kgl 1:2 Beth. Zij weent steeds des nachts, en haar tranen lopen over haar kin; zij heeft geen trooster onder al haar minnaars; al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden.
Kgl 1:3 Gimel. Juda is in gevangenschap gegaan vanwege de ellende, en vanwege de vele dienstbaarheid; zij woont onder de heidenen, zij vindt geen rust; al haar vervolgers achterhalen haar onontkoombaar.
Kgl 1:4 Daleth. De wegen Sions treuren, omdat niemand op het feest komt; al haar poorten zijn verwoest, haar priesters zuchten; haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en zijzelf is in bitterheid.
Kgl 1:5 He. Haar tegenstanders zijn haar meesters geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar de HEERE bedroefd heeft, vanwege de veelheid van haar overtredingen; haar kinderen gaan heen in de gevangenis voor de tegenstanders uit.
Kgl 1:6 Vau. En van de dochter Sions is al haar sieraad weggegaan; haar vorsten zijn als de herten, die geen weide vinden, en zij gaan krachteloos heen voor het aangezicht van de vervolger.
Kgl 1:7 Zain. Jeruzalem is, in de dagen van haar ellende en haar veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar kostbaarheden, die zij van oude dagen af gehad heeft; omdat haar volk door de hand van de tegenstanders valt, en zij geen helper heeft; de tegenstanders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen.
Kgl 1:8 Cheth. Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaardig, omdat zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en heeft zich omgedraaid.
Kgl 1:9 Teth. Haar onreinheid is in haar zomen, zij heeft niet gedacht aan haar toekomst, daarom is zij wonderbaarlijk gezonken; zij heeft geen trooster. HEERE, zie mijn ellende aan, want de vijand maakt zich groot.
Kgl 1:10 Jod. De tegenstander heeft zijn hand naar al haar kostbaarheden uitgebreid; immers heeft zij aangezien, dat de heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan Gij geboden had, dat zij in Uw gemeente niet komen zouden.
Kgl 1:11 Caph. Al haar volk zucht, brood zoekend, zij hebben hun kostbaarheden voor voedsel gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, HEERE, en aanschouw, dat ik veracht geworden ben.

Kgl 1:12 Lamed. Gaat het u niet aan, gij allen, die voorbij gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart is zoals mijn smart, die mij aangedaan is, waarmee de HEERE mij bedroefd heeft ten dage van de hitte van Zijn toorn.
Kgl 1:13 Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, die Hij onderworpen heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt de ganse dag.
Kgl 1:14 Nun. Het juk van mijn overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn nek gekomen; Hij heeft mijn kracht doen bezwijken; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.
Kgl 1:15 Samech. De Heere heeft al mijn machtigen in het midden van mij vertreden; Hij heeft een bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijn jongelingen te verbreken; de Heere heeft de jonkvrouw, de dochter van Juda, getreden als in een wijnpers.
Kgl 1:16 Ain. Om deze dingen ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af met water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, ver van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.
Kgl 1:17 Pe. Sion breidt haar handen uit, daar is geen trooster voor haar; de HEERE heeft van Jakob geboden, dat die rondom hem zijn, zijn tegenstanders zouden zijn; Jeruzalem is als een afgezonderde vrouw onder hen.
Kgl 1:18 Tsade. De HEERE is rechtvaardig, want ik ben Zijn mond weerspannig geweest; hoort toch, alle gij volken, en ziet mijn smart; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn in de gevangenis gegaan.
Kgl 1:19 Koph. Ik riep tot mijn minnaars, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad de geest gegeven, toen zij voedsel voor zich zochten, opdat zij hun ziel mochten verkwikken.
Kgl 1:20 Resch. Aanzie, HEERE, want ik ben bang; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer weerspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.
Kgl 1:21 Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij de dag zult voortgebracht hebben, die Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.
Kgl 1:22 Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.

Hoofdstuk 2
Kgl 2:1 Aleph. Hoe heeft de Heere de dochter Sions in Zijn toorn bewolkt? Hij heeft de heerlijkheid van Israel van de hemel op de aarde neergeworpen; en Hij heeft aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht in de dag van Zijn toorn.
Kgl 2:2 Beth. De Heere heeft al de woningen van Jakob verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de versterkingen van de dochter van Juda afgebroken in Zijn verbolgenheid, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.
Kgl 2:3 Gimel. Hij heeft, in ontsteking van toorn, de gehele hoorn Israels afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand teruggetrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert.
Kgl 2:4 Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand; Hij heeft zich met Zijn rechterhand gesteld als een tegenstander, dat Hij doodde al wat een lust was voor het oog; Hij heeft Zijn grimmigheid in de tent van de dochter Sions uitgestort als een vuur.
Kgl 2:5 He. De Heere is geworden als een vijand; Hij heeft Israel verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden. Hij heeft haar versterkingen verdorven; en Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd.
Kgl 2:6 Vau. En Hij heeft Zijn woning met geweld weggerukt, als een hoftuin, Hij heeft Zijn vergaderplaats verdorven; de HEERE heeft in Sion doen vergeten de feestdag en de sabbatdag, en Hij heeft in de gramschap van Zijn toorn de koning en de priester smadelijk verworpen.
Kgl 2:7 Zain. De Heere heeft Zijn altaar verstoten. Hij heeft Zijn heiligdom teniet gedaan, Hij heeft de muren van haar paleizen in de hand van de vijand overgegeven; zij hebben in het huis des HEEREN een stem verheven als op een feestdag.
Kgl 2:8 Cheth. De HEERE heeft gedacht te verderven de muur van de dochter Sions; Hij heeft het richtsnoer daarover uitgestrekt, Hij heeft Zijn hand niet afgewend totdat Hij haar verwoest had; en Hij heeft de voorwal en de muur tezamen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt.
Kgl 2:9 Teth. Haar poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft haar grendels verdorven en gebroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen; er is geen wet; haar profeten schouwen ook geen gezicht van de HEERE.
Kgl 2:10 Jod. De oudsten van de dochter Sions zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jongedochters van Jeruzalem laten hun hoofd ter aarde hangen.
Kgl 2:11 Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de verwoesting van de dochter van mijn volk; omdat het kind en de zuigeling op de straten der stad in onmacht zinken;
Kgl 2:12 Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten der stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in de schoot van hun moeders.
Kgl 2:13 Mem. Welke getuigen zal ik u brengen, wat zal ik bij u vergelijken, gij dochter van Jeruzalem? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u troost, gij jonkvrouw, dochter Sions, want uw verbrokenheid is zo groot als de zee, wie kan u genezen?
Kgl 2:14 Nun. Uw profeten hebben voor u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en verstotingen.
Kgl 2:15 Samech. Allen, die voorbij gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde der ganse aarde?
Kgl 2:16 Pe. Al uw vijanden sperren hun mond open over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, waar wij naar uitzagen, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.
Kgl 2:17 Ain. De HEERE heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft de vijand over u verblijd, Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders verhoogd.
Kgl 2:18 Tsade. Hun hart schreeuwde tot de Heere. Muur van de dochter Sions, laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelf geen rust, laat uw oogappel niet ophouden!
Kgl 2:19 Koph. Maak u op, maak geween des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel van uw kinderen, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.
Kgl 2:20 Resch. Zie, HEERE, aanschouw toch, aan wie Gij alzo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderen, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom des HEEREN gedood worden?
Kgl 2:21 Schin. De jongen en de ouden liggen op de aarde op de straten; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn door het zwaard gevallen; Gij hebt ze in de dag van Uw toorn gedood, Gij hebt ze geslacht en niet verschoond.
Kgl 2:22 Thau. Gij hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een feestdag; en er is niemand aan de dag van de toorn des HEEREN ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en grootgebracht heb, heeft mijn vijand omgebracht.

Hoofdstuk 3
Kgl 3:1 Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede van Zijn verbolgenheid.
Kgl 3:2 Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.
Kgl 3:3 Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand steeds weer veranderd.
Kgl 3:4 Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
Kgl 3:5 Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met gal en moeite omringd.
Kgl 3:6 Beth. Hij heeft mij geplaatst in duistere plaatsen, als degenen, die sedert lang dood zijn.
Kgl 3:7 Gimel. Hij heeft mij met een muur omringd, dat ik er niet kan uitgaan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
Kgl 3:8 Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
Kgl 3:9 Gimel. Hij heeft mijn wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden onbegaanbaar gemaakt.
Kgl 3:10 Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.
Kgl 3:11 Daleth. Hij heeft mijn wegen versperd; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij tot een woestenij gemaakt.
Kgl 3:12 Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij voor de pijl als een doel gesteld.
Kgl 3:13 He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.
Kgl 3:14 He. Ik ben al mijn volk tot belachelijkheid geworden, hun snarenspel de ganse dag.
Kgl 3:15 He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
Kgl 3:16 Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as neergedrukt.
Kgl 3:17 Vau. En Gij hebt mijn ziel ver van de vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
Kgl 3:18 Vau. Toen zei ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van de HEERE.
Kgl 3:19 Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan de alsem en gal.
Kgl 3:20 Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.

Kgl 3:21 Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;
Kgl 3:22 Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;
Kgl 3:23 Cheth. Zij zijn elke morgen nieuw, Uw trouw is groot.
Kgl 3:24 Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.
Kgl 3:25 Teth. De HEERE is goed voor, die Hem verwachten, voor de ziel, die Hem zoekt.
Kgl 3:26 Teth. Het is goed, dat men stil is en hoopt op het heil des HEEREN.
Kgl 3:27 Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.
Kgl 3:28 Jod. Laat hem eenzaam zitten, en stil zwijgen, omdat Hij het hem opgelegd heeft.
Kgl 3:29 Jod. Laat hem zijn mond in het stof steken en zeggen: Misschien is er verwachting.
Kgl 3:30 Jod. Laat hem zijn wang geven aan die, die hem slaat, hij worde zat van smaad.
Kgl 3:31 Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.
Kgl 3:32 Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid van Zijn goedertierenheden.
Kgl 3:33 Caph. Want Hij plaagt of bedroeft de mensenkinderen niet van harte.
Kgl 3:34 Lamed. Dat men al de gevangenen van de aarde met de voeten treedt,
Kgl 3:35 Lamed. Dat men het recht van een man buigt voor het aangezicht van de Allerhoogste;
Kgl 3:36 Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?

Kgl 3:37 Mem. Wie zegt iets, dat geschiedt, zonder dat het de Heere bevolen heeft?
Kgl 3:38 Mem. Gaat niet uit de mond van de Allerhoogste het kwade en het goede?
Kgl 3:39 Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.
Kgl 3:40 Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons weerkeren tot de HEERE.
Kgl 3:41 Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in de hemel, zeggende:
Kgl 3:42 Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn weerspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.
Kgl 3:43 Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood. Gij hebt niet verschoond.
Kgl 3:44 Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed door kwam.
Kgl 3:45 Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.
Kgl 3:46 Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opengesperd.
Kgl 3:47 Pe. De vrees en de valkuil zijn ons ontmoet, de verwoesting en de verbreking.
Kgl 3:48 Pe. Mijn oog vergiet waterbeken, vanwege de verwoesting van de dochter van mijn volk.
Kgl 3:49 Ain. Mijn oog stroomt over, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;
Kgl 3:50 Ain. Totdat het de HEERE van de hemel aanschouwt, en het ziet.
Kgl 3:51 Ain. Mijn oog doet mijn ziel moeite aan, vanwege al de dochters van mijn stad.
Kgl 3:52 Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje gejaagd.
Kgl 3:53 Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil bijna omgebracht, en zij hebben een steen op mij geworpen.
Kgl 3:54 Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zei: Ik ben afgesneden!

Kgl 3:55 Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit de onderste kuil.
Kgl 3:56 Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
Kgl 3:57 Koph. U bent genaderd ten dage, toen ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet!
Kgl 3:58 Resch. HEERE! Gij hebt de twistzaken van mijn ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.
Kgl 3:59 Resch. HEERE! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtszaak.
Kgl 3:60 Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.
Kgl 3:61 Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;
Kgl 3:62 Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun listen tegen mij de ganse dag.
Kgl 3:63 Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.
Kgl 3:64 Thau. HEERE! geef hun vergelding, naar het werk van hun handen.
Kgl 3:65 Thau. Geef hun een verharding van het hart; Uw vloek zij over hen!
Kgl 3:66 Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder de hemel des HEEREN.

Hoofdstuk 4
Kgl 4:1 Aleph. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn de stenen van het heiligdom vooraan op alle straten weggeworpen!
Kgl 4:2 Beth. De kostelijke kinderen van Sion, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend met de aarden kruiken, het werk van de handen van een pottenbakker!
Kgl 4:3 Gimel. Zelfs de jakhalzen spenen hun welpen; maar de dochter van mijn volk is wreed geworden, gelijk de struisen in de woestijn.
Kgl 4:4 Daleth. De tong van het zoogkind kleeft aan zijn gehemelte van dorst; de kinderen eisen brood, er is niemand, die het hun geeft.
Kgl 4:5 He. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn zijn opgegroeid, omhelzen de drek.
Kgl 4:6 Vau. En de ongerechtigheid van de dochter van mijn volk is groter dan de zonden van Sodom, dat als in een ogenblik omgekeerd werd zonder handenwerk.
Kgl 4:7 Zain. Haar vorsten waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk; zij waren roder van lichaam dan robijnen, gladder dan een saffier.
Kgl 4:8 Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als hout.
Kgl 4:9 Teth. De verslagenen van het zwaard zijn gelukkiger dan de verslagenen van de honger; want die kwijnen weg, als doorstoken, door gebrek aan vruchten van het veld.
Kgl 4:10 Jod. De handen der barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot spijze geworden in de ondergang van de dochter van mijn volk.
Kgl 4:11 Caph. De HEERE heeft Zijn grimmigheid volbracht, Hij heeft de hitte van Zijn toorn uitgestort; en Hij heeft te Sion een vuur aangestoken, dat haar fundamenten verteerd heeft.
Kgl 4:12 Lamed. De koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch al de inwoners der wereld, dat de tegenstander en vijand tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan.

Kgl 4:13 Mem. Het is vanwege de zonden van haar profeten, en de misdaden van haar priesters, die in het midden van haar het bloed der rechtvaardigen vergoten hebben.
Kgl 4:14 Nun. Zij zwierven als blinden op de straten, zij waren met bloed besmet, zodat men hun klederen niet kon aanraken.
Kgl 4:15 Samech. Zij riepen tot hen: Weg, hier is een onreine, weg, weg, roert niet aan! Toen zij wankelend wegvluchtten, zei men onder de heidenen: Zij zullen er niet langer wonen.
Kgl 4:16 Pe. Des HEEREN aangezicht heeft hen verdeeld. Hij zal hen voortaan niet meer aanzien; zij hebben het aangezicht der priesters niet geŽerd, zij hebben de ouden geen genade bewezen.
Kgl 4:17 Ain. Nog bezweken ons onze ogen, uitziende naar onze ijdele hulp; wij vergaapten ons met ons gapen op een volk, dat niet kon verlossen.
Kgl 4:18 Tsade. Zij hebben onze gangen nagegaan, zodat wij op onze straten niet gaan konden; ons einde is genaderd, onze dagen zijn vervuld, ja, ons einde is gekomen.
Kgl 4:19 Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden van de hemel; zij hebben ons op de bergen heftig vervolgd, in de woestijn hebben zij ons hinderlagen gelegd.
Kgl 4:20 Resch. De adem van onze neuzen, de gezalfde des HEEREN, is gevangen in hun kuilen; van wie wij zeiden: Wij zullen onder zijn schaduw leven onder de heidenen!

Kgl 4:21 Schin. Wees vrolijk, en verblijd u, gij dochter Edoms, die in het land Uz woont! doch de beker zal ook tot u komen, gij zult dronken worden, en ontbloot worden.
Kgl 4:22 Thau. Uw ongerechtigheid heeft een einde, o gij dochter Sions! Hij zal u niet meer gevangen doen wegvoeren; maar uw ongerechtigheid, o gij dochter Edoms! zal Hij bezoeken; Hij zal uw zonden ontdekken.

Hoofdstuk 5
Kgl 5:1 Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onze smaad aan.
Kgl 5:2 Ons erfdeel is de vreemdelingen geworden, onze huizen de buitenlanders.
Kgl 5:3 Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.
Kgl 5:4 Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout moeten wij betalen.
Kgl 5:5 Wij lijden vervolging, het juk op onze nek; zijn wij moe, men laat ons geen rust.
Kgl 5:6 Wij hebben de Egyptenaar de hand gegeven, en de Assyrier, om met brood verzadigd te worden.
Kgl 5:7 Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hun ongerechtigheden.
Kgl 5:8 Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukt.
Kgl 5:9 Wij moeten ons brood met gevaar voor ons leven halen, vanwege het zwaard der woestijn.
Kgl 5:10 Onze huid is zwart geworden als een oven, vanwege de geweldige honger.
Kgl 5:11 Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jongedochters in de steden van Juda.
Kgl 5:12 De vorsten zijn door hun hand opgehangen; de aangezichten der ouden zijn niet geŽerd geweest.
Kgl 5:13 Zij hebben de jongelingen weggenomen, om graan te malen, en de jongens struikelen onder het hout.
Kgl 5:14 De ouden houden op van de poort, de jongelingen van hun snarenspel.
Kgl 5:15 De vreugde van onze harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd.
Kgl 5:16 De kroon van ons hoofd is gevallen; o wee nu ons, dat wij zo gezondigd hebben!

Kgl 5:17 Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden.
Kgl 5:18 Vanwege de berg Sion, die verwoest is, waar de vossen op lopen.
Kgl 5:19 Gij, o HEERE, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht.
Kgl 5:20 Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo lange tijd verlaten?
Kgl 5:21 HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.
Kgl 5:22 Want zoudt Gij ons geheel verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?