Hoofdstuk 1
Lev 1:1 En de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende:
Lev 1:2 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als iemand uit u de HEERE een offer zal offeren, zo zult gij uw offers offeren van het vee, van runderen en van schapen.

Lev 1:3 Indien zijn offer een brandoffer van runderen is, zo zal hij een mannetje zonder gebrek bij de ingang van de tent der samenkomst aanbieden, welgevallig voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 1:4 En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, en dat zal in zijn plaats aanvaard worden als een verzoening voor hem.
Lev 1:5 Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de ingang van de tent der samenkomst is.
Lev 1:6 Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.
Lev 1:7 En de zonen van Aron, de priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.
Lev 1:8 Ook zullen de zonen van Aron, de priesters, de stukken, het hoofd en het vet, schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is.
Lev 1:9 Maar zijn ingewanden en zijn poten zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een lieflijke reuk voor de HEERE.

Lev 1:10 Ook als zijn offer van klein vee is, van schapen of van geiten, tot een brandoffer, zal hij een mannetje zonder gebrek offeren.
Lev 1:11 En hij zal dat slachten aan de noordelijke zijde van het altaar, voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.
Lev 1:12 Daarna zal hij het in zijn stukken delen, alsook zijn hoofd en zijn vet; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is.
Lev 1:13 Maar het ingewand en de poten zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een lieflijke reuk voor de HEERE.
Lev 1:14 En indien zijn offer voor de HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offer van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
Lev 1:15 En de priester zal die tot het altaar brengen, zijn kop verwijderen en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden.
Lev 1:16 En zijn krop met zijn veren zal hij wegdoen, en zal het bij het altaar werpen, oostwaarts, aan de plaats van de as.
Lev 1:17 Verder zal hij de vleugels klieven, maar niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een lieflijke reuk voor de HEERE.

Hoofdstuk 2
Lev 2:1 Als nu iemand een offer van spijsoffer de HEERE zal offeren, zijn offer zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
Lev 2:2 En hij zal het brengen tot de zonen van Aron, de priesters, n van hen zal een handvol nemen uit de meelbloem daarvan, en uit de olie, met al het wierook; en de priester zal het gedenkoffer daarvan aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een lieflijke reuk de HEERE.
Lev 2:3 Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid der heiligheden van de vuuroffers des HEEREN.
Lev 2:4 En als gij offeren zult een offer van spijsoffer, gebakken in de oven; het zullen zijn ongezuurde koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde wafels, met olie bestreken.
Lev 2:5 En indien uw offer een spijsoffer is, in de pan bereid, zij zal zijn van ongezuurde meelbloem, met olie gemengd.
Lev 2:6 Breekt ze in stukken, en giet olie daarop; het is een spijsoffer.
Lev 2:7 En zo uw offer een spijsoffer uit de bakpan is, het zal van meelbloem met olie gemaakt worden.
Lev 2:8 Dan zult gij dat spijsoffer, dat daarvan zal gemaakt worden, naar de HEERE brengen; men zal het de priester brengen, die het naar het altaar dragen zal.
Lev 2:9 En de priester zal van dat spijsoffer het gedenkoffer opnemen, en op het altaar aansteken, het is een vuuroffer, tot een lieflijke reuk voor de HEERE.
Lev 2:10 En wat overblijft van het spijsoffer, zal voor Aron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid der heiligheden van de vuuroffers des HEEREN.

Lev 2:11 Geen spijsoffer, dat gij de HEERE zult offeren, zal met desem gemaakt worden; want van geen zuurdesem, en van geen honing zult gijlieden de HEERE vuuroffer aansteken.
Lev 2:12 De offers der eerstelingen zult gij de HEERE offeren; maar op het altaar zullen zij niet komen tot een lieflijke reuk.
Lev 2:13 En al uw spijsoffers zult gij met zout zouten, en het zout van het verbond van uw God aan uw spijsoffer niet onthouden; met al uw offers zult gij zout offeren.
Lev 2:14 En zo gij de HEERE een spijsoffer van de eerste vruchten offert, zult gij het spijsoffer van uw eerste vruchten van groene aren, als klein gebroken graan van volle groene aren, bij het vuur geroosterd, offeren.
Lev 2:15 En gij zult olie daarop doen, en wierook daarop leggen; het is een spijsoffer.
Lev 2:16 Zo zal de priester het gedenkoffer daarvan aansteken van zijn klein gebroken graan en van zijn olie, met al het wierook; het is een vuuroffer de HEERE.

Hoofdstuk 3
Lev 3:1 En indien zijn offer een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannelijk of vrouwelijk, een dier zonder gebrek zal hij offeren, voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 3:2 En hij zal zijn hand op het hoofd van zijn offer leggen, en zal ze slachten voor de deur van de tent der samenkomst; en de zonen van Aron, de priesters, zullen het bloed rondom op het altaar sprengen.
Lev 3:3 Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer de HEERE offeren; het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, dat aan het ingewand is.
Lev 3:4 Dan zal hij beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de lenden is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.
Lev 3:5 En de zonen van Aron zullen dat aansteken op het altaar, op het brandoffer, dat op het hout zal zijn, dat op het vuur is; het is een vuuroffer, tot een lieflijke reuk de HEERE.

Lev 3:6 En indien zijn offer van klein vee is, de HEERE tot een dankoffer, hetzij mannetje of wijfje, een dier zonder gebrek zal hij offeren.
Lev 3:7 Indien hij een lam tot zijn offer offert, zo zal hij het offeren voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 3:8 En hij zal zijn hand op het hoofd van zijn offer leggen, en hij zal die slachten voor de tent der samenkomst; en de zonen van Aron zullen het bloed daarvan sprengen op het altaar rondom.
Lev 3:9 Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer de HEERE offeren; zijn vet, de gehele staart, die hij dicht aan de ruggegraat zal afnemen, en het vet dat de ingewanden bedekt, en al het vet, dat aan de ingewanden is;
Lev 3:10 Ook beide nieren, en het vet, dat daaraan is, bij de lenden; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen.
Lev 3:11 En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is voedsel van het vuuroffer voor de HEERE.
Lev 3:12 Indien nu zijn offer een geit is, zo zal hij die offeren voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 3:13 En hij zal zijn hand op haar hoofd leggen, en hij zal haar slachten voor de tent der samenkomst; en de zonen van Aron zullen haar bloed op het altaar sprengen rondom.
Lev 3:14 Dan zal hij daarvan zijn offer offeren, een vuuroffer voor de HEERE; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;
Lev 3:15 Alsook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, bij de lenden; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.
Lev 3:16 En de priester zal die aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer, tot een lieflijke reuk; al het vet zal van de HEERE zijn.
Lev 3:17 Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult gij eten.

Hoofdstuk 4
Lev 4:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 4:2 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Als iemand onopzettelijk zal gezondigd hebben, tegen enige geboden des HEEREN, dat niet gedaan behoort te worden, en tegen n van die zal gedaan hebben;
Lev 4:3 Indien de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, waardoor het volk schuldig wordt, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een jong rund zonder gebrek, de HEERE tot zondoffer.
Lev 4:4 En hij zal die var brengen tot de ingang van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; en hij zal zijn hand op het hoofd van die var leggen, en hij zal die var slachten voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 4:5 Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de var nemen, en hij zal dat tot de tent der samenkomst brengen.
Lev 4:6 En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht des HEEREN, voor het voorhangsel van het heilige.
Lev 4:7 Ook zal de priester van dat bloed doen op de hoornen van het reukofferaltaar der welriekende specerijen, voor het aangezicht des HEEREN, dat in de tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed van de var uitgieten aan de bodem van het brandofferaltaar, dat zich bij de opening van de tent der samenkomst bevindt.
Lev 4:8 Verder, al het vet van de var van het zondoffer zal hij opnemen; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;
Lev 4:9 Daartoe de twee nieren, en het vet, dat daaraan is, dat bij de lenden is, en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen,
Lev 4:10 Zoals het van de os van het dankoffer opgenomen wordt; en de priester zal die aansteken op het brandofferaltaar.
Lev 4:11 Maar de huid van die var, en al zijn vlees, met zijn hoofd en met zijn poten, en zijn ingewand, en zijn mest;
Lev 4:12 Die gehele var zal hij tot buiten de legerplaats uitbrengen, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgestorte as zal hij verbrand worden.

Lev 4:13 Indien nu de gehele vergadering van Israel afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van alle geboden des HEEREN, dat niet gedaan behoorde te worden, en schuldig zijn geworden;
Lev 4:14 En die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden; zo zal de gemeente een var, een jong rund, tot zondoffer offeren, en die voor de tent der samenkomst brengen;
Lev 4:15 En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht des HEEREN; en de var zal geslacht worden voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 4:16 Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de var tot de tent der samenkomst brengen.
Lev 4:17 En de priester zal zijn vinger indopen, nemende van dat bloed; en hij zal het zevenmaal sprengen voor het aangezicht des HEEREN, voor het voorhangsel.
Lev 4:18 En van dat bloed zal hij doen op de hoornen van het altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN is, dat in de tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten, aan de bodem van het brandofferaltaar, dat zich voor de ingang van de tent der samenkomst bevindt.
Lev 4:19 Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen, en op het altaar aansteken.
Lev 4:20 En hij zal met deze var doen, zoals hij met de var van het zondoffer gedaan heeft, alzo zal hij met hem doen; en de priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden.
Lev 4:21 Daarna zal hij die var tot buiten de legerplaats uitbrengen, en zal hem verbranden, zoals hij de eerste var verbrand heeft; het is een zondoffer der gemeente.

Lev 4:22 Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen een van de geboden van de HEERE zijn God, onopzettelijk gedaan zal hebben, dat niet zou gedaan worden, zodat hij schuldig is;
Lev 4:23 Als men zijn zonde, die hij daartegen gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offer brengen een geitenbok, een mannetje zonder gebrek.
Lev 4:24 En hij zal zijn hand op het hoofd van de bok leggen, en zal hem slachten in de plaats, waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht des HEEREN; het is een zondoffer.
Lev 4:25 Daarna zal de priester van het bloed van het zondoffer met zijn vinger nemen, en dat op de hoornen van het brandofferaltaar doen; dan zal hij zijn bloed aan de bodem van het brandofferaltaar uitgieten.
Lev 4:26 Hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken, zoals het vet van het dankoffer; zo zal de priester voor hem verzoening doen van zijn zonden, en het zal hem vergeven worden.

Lev 4:27 En zo enig mens van het volk van het land onopzettelijk zal gezondigd hebben, omdat hij iets deed tegen een van de geboden des HEEREN, dat niet gedaan behoorde te worden, zodat hij schuldig is;
Lev 4:28 Als men zijn zonde, die hij gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offer brengen een jonge geit, een vrouwtje, zonder gebrek, voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft.
Lev 4:29 En hij zal zijn hand op het hoofd van het zondoffer leggen; en men zal dat zondoffer slachten in de plaats waar het brandoffer wordt geslacht.
Lev 4:30 Daarna zal de priester van haar bloed met zijn vinger nemen, en doen het op de hoornen van het brandofferaltaar; daarna zal hij al het bloed daarvan aan de bodem van dat altaar uitgieten.
Lev 4:31 En al haar vet zal hij afnemen, zoals het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal het aansteken op het altaar, tot een lieflijke reuk de HEERE; en de priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.
Lev 4:32 Maar zo hij een lam voor zijn offer tot zondoffer brengt, het zal een vrouwtje zijn zonder gebrek, dat hij brengt.
Lev 4:33 En hij zal zijn hand op het hoofd van het zondoffer leggen, en hij zal dat slachten tot een zondoffer, in de plaats, waar men het brandoffer slacht.
Lev 4:34 Daarna zal de priester van het bloed van het zondoffer met zijn vinger nemen, en zal het doen op de hoornen van het brandofferaltaar; daarna zal hij al het bloed daarvan aan de bodem van dat altaar uitgieten.
Lev 4:35 En al het vet daarvan zal hij afnemen, zoals het vet van het lam van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal dat aansteken op het altaar, op de vuuroffers des HEEREN; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden.

Hoofdstuk 5
Lev 5:1 Als nu iemand zal gezondigd hebben, dat hij heeft horen vloeken, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; indien hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
Lev 5:2 Of wanneer iemand enig onrein ding zal aangeraakt hebben, hetzij het dode aas van een wild onrein gedierte, of het dode aas van onrein vee, of het dode aas van onrein kruipend gedierte; al is het voor hem verborgen geweest, nochtans is hij onrein en schuldig.
Lev 5:3 Of als hij zal aangeraakt hebben de onreinheid van een mens, naar al zijn onreinheid, waarmee hij onrein wordt; en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zo is hij schuldig.
Lev 5:4 Of als iemand zal gezworen hebben, onbedacht met zijn lippen sprekende, om kwaad te doen, of om goed te doen; naar al wat de mens in de eed onbedacht uitspreekt, en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zo is hij aan een van die schuldig.
Lev 5:5 Het zal dan geschieden, als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal, waarin hij gezondigd heeft;
Lev 5:6 En tot zijn schuldoffer de HEERE voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, brengen zal een vrouwtje van klein vee, een lam of een jonge geit, voor de zonde; zo zal de priester voor hem vanwege zijn zonde verzoening doen.

Lev 5:7 Maar indien hij niet opbrengen kan, dat genoeg is voor een stuk klein vee, zo zal hij tot zijn offer voor de schuld, die hij gezondigd heeft, de HEERE brengen twee tortelduiven, of twee jonge duiven, n tot zondoffer, en n tot brandoffer.
Lev 5:8 En hij zal die tot de priester brengen, welke eerst die zal offeren, die tot het zondoffer is; en zal haar kop bij haar nek klieven, maar niet afscheiden.
Lev 5:9 En van het bloed van het zondoffer zal hij aan de wand van het altaar sprengen; maar de rest van dat bloed zal uitgeduwd worden aan de bodem van het altaar; het is een zondoffer.
Lev 5:10 En de andere zal hij offeren als brandoffer, volgens het voorschrift; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.
Lev 5:11 Maar indien hij twee tortelduiven of twee jonge duiven niet kan opbrengen, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offer brengen het tiende deel van een efa meelbloem tot zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.
Lev 5:12 En hij zal dat tot de priester brengen, en de priester zal daarvan een handvol nemen, als gedachtenis daarvan, en dat aansteken op het altaar, op de vuuroffers van de HEERE; het is een zondoffer.
Lev 5:13 Zo zal de priester voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft tegen n van deze, en het zal hem vergeven worden; en het zal voor de priesters zijn, zoals het spijsoffer.

Lev 5:14 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 5:15 Als iemand onwetend door overtreding gezondigd zal hebben, in de heilige dingen des HEEREN, zo zal hij tot zijn schuldoffer de HEERE brengen een ram zonder gebrek uit de kudde, door u gewaardeerd in zilveren sikkels, naar de sikkel van het heiligdom, tot schuldoffer.
Lev 5:16 Zo zal hij, de waarde van datgene van de heilige dingen waar hij onwetend tegen heeft gezondigd, wedergeven, en zal het vijfde deel daarvan daarenboven toedoen, dat hij de priester geven zal; alzo zal de priester met de ram van het schuldoffer voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.
Lev 5:17 En indien iemand zal gezondigd hebben, en gedaan tegen n van alle geboden des HEEREN, dat niet zou gedaan worden, al is het dat hij het niet geweten heeft, nochtans is hij schuldig, en zal zijn ongerechtigheid dragen.
Lev 5:18 En hij zal een ram zonder gebrek uit de kudde tot de priester brengen, naar uw schatting, tot schuldoffer; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn afdwaling, door welke hij afgedwaald is, die hij niet geweten had; zo zal het hem vergeven worden.
Lev 5:19 Het is een schuldoffer; hij heeft zich voorzeker schuldig gemaakt aan de HEERE.

Hoofdstuk 6
Lev 6:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 6:2 Als een mens gezondigd, en tegen de HEERE door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijn naaste zal gelogen hebben van hetgeen hem in bewaring gegeven, of ter hand gesteld was, of van roof, of dat hij zijn naaste afperst;
Lev 6:3 Of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen, en met valsheid gezworen zal hebben; over iets van alles, dat de mens zijn naaste doet, daarin zondigende.
Lev 6:4 Het zal dan geschieden, omdat hij gezondigd heeft, en schuldig geworden is, dat hij teruggeven zal de roof, die hij geroofd, of het afgeperste, dat hij met geweld afperste, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft;
Lev 6:5 Of van alles, waarover hij vals gezworen heeft, dat hij het volle bedrag teruggeeft, en nog het vijfde deel daarenboven toedoen zal; van wie dat is, die zal hij dat geven op de dag van zijn schuld.
Lev 6:6 En hij zal de HEERE zijn schuldoffer brengen tot de priester, een gave ram uit de kudde, naar uw schatting, tot schuldoffer.
Lev 6:7 Dan zal de priester voor hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN, en het zal hem vergeven worden; over iets van al, wat hij doet, waar hij schuld aan heeft.

Lev 6:8 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 6:9 Gebied Aron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het brandoffer; betreffende hetgeen, wat op het altaar de hele nacht tot aan de morgen brandt; alwaar het vuur van het altaar zal brandende gehouden worden.
Lev 6:10 En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen.
Lev 6:11 Daarna zal hij zijn klederen uittrekken, en zal andere klederen aandoen, en zal de as tot buiten het leger uitdragen naar een reine plaats.
Lev 6:12 Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elke morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet van de dankoffers daarop aansteken.
Lev 6:13 Het vuur zal gedurig op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden.

Lev 6:14 Dit nu is de wet van het spijsoffer; n van de zonen van Aron zal dat voor het aangezicht des HEEREN offeren, voor het altaar.
Lev 6:15 En hij zal daarvan opnemen een handvol, uit de meelbloem van het spijsoffer, en van de olie daarvan, en al de wierook, die op het spijsoffer is; dan zal hij het aansteken op het altaar; het is een lieflijke reuk tot gedachtenis daarvan voor de HEERE.
Lev 6:16 En de rest daarvan zullen Aron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent der samenkomst zullen zij dat eten.
Lev 6:17 Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuuroffers; het is een heiligheid der heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk het schuldoffer.
Lev 6:18 Al wat mannelijk is onder de zonen van Aron zal het eten; het zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten van de vuuroffers des HEEREN; al wat dat zal aanraken, zal heilig zijn.
Lev 6:19 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 6:20 Dit is het offer van Aron en van zijn zonen, die zij de HEERE offeren zullen, ten dage als hij zal gezalfd worden: het tiende deel van een efa meelbloem, als een gedurig spijsoffer; de helft daarvan op de morgen, en de helft daarvan op de avond.
Lev 6:21 Het zal in een pan met olie gebakken worden; gebakken zult gij het brengen; en de gebakken stukken van het spijsoffer zult gij offeren, tot een lieflijke reuk de HEERE.
Lev 6:22 Ook zal de priester, die uit zijn zonen in zijn plaats de gezalfde zal worden, hetzelfde doen; het zij een eeuwige inzetting; het zal voor de HEERE in zijn geheel aangestoken worden.
Lev 6:23 Alzo zal alle spijsoffer van de priester in zijn geheel worden geofferd; het zal niet gegeten worden.

Lev 6:24 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 6:25 Spreek tot Aron en tot zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het zondoffer: in de plaats, waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht des HEEREN geslacht worden; het is een heiligheid der heiligheden.
Lev 6:26 De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in de voorhof van de tent der samenkomst.
Lev 6:27 Al wat het vlees daarvan zal aanraken, zal heilig zijn; zo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult gij in de heilige plaats wassen.
Lev 6:28 En het aarden vat, waarin het gekookt is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gekookt is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden.
Lev 6:29 Al wat mannelijk is onder de priesters, zal dat eten; het is een heiligheid der heiligheden.
Lev 6:30 Maar geen zondoffer, waarvan het bloed in de tent der samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden.

Hoofdstuk 7
Lev 7:1 Dit nu is de wet van het schuldoffer; het is een heiligheid der heiligheden.
Lev 7:2 In de plaats, waar zij het brandoffer slachten, zullen zij het schuldoffer slachten; en men zal het bloed daarvan rondom op het altaar sprengen.
Lev 7:3 En daarvan zal men al zijn vet offeren, de staart, en het vet, dat het ingewand bedekt;
Lev 7:4 Ook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat bij de lenden is; en het net over de lever, met de nieren, zal men afnemen.
Lev 7:5 En de priester zal die aansteken op het altaar, tot vuuroffer de HEERE; het is een schuldoffer.
Lev 7:6 Al wat mannelijk is onder de priesters zal dat eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden; het is een heiligheid der heiligheden.
Lev 7:7 Zoals het zondoffer, alzo zal ook het schuldoffer zijn; enerlei wet zal voor die beiden zijn; het zal van de priester zijn, die daarmede verzoening gedaan zal hebben.
Lev 7:8 Ook de priester, die iemands brandoffer offert, die priester zal de huid van het brandoffer hebben, dat hij geofferd heeft.
Lev 7:9 Daartoe al het spijsoffer, dat in de oven gebakken wordt, en al wat in de pan en in de bakpan bereid wordt, zal van de priester zijn, die dat offert.
Lev 7:10 Ook alle spijsoffer met olie gemengd, of droog, zal voor alle zonen van Aron zijn, voor de ene evenveel als voor de andere.

Lev 7:11 Dit nu is de wet van het dankoffer, dat men de HEERE offeren zal.
Lev 7:12 Indien hij dat tot een lofoffer offert, zo zal hij, nevens het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde wafels met olie bestreken, offeren; en die koeken zullen met olie gemengd van geroosterd meelbloem zijn.
Lev 7:13 Benevens de koeken zal hij tot zijn offer gedesemd brood offeren, met het lofoffer van zijn dankoffer.
Lev 7:14 En n daarvan uit het hele offer zal hij de HEERE tot hefoffer offeren; het zal voor de priester zijn, die het bloed van het dankoffer sprengt.
Lev 7:15 Maar het vlees van het lofoffer van zijn dankoffer zal op de dag van dat offer gegeten worden; daarvan zal men niet tot de morgen overlaten.
Lev 7:16 En zo het slachtoffer van zijn offer een gelofte of vrijwillig offer is, dat zal ten dage als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook de andere dag gegeten worden.
Lev 7:17 Wat nog van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, zal op de derde dag met vuur verbrand worden;
Lev 7:18 Want zo enigszins van dat vlees van zijn dankoffer op de derde dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet aangenomen zijn; het zal hem niet als gerechtigheid toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn; en degene, die daarvan eet, zal zijn ongerechtigheid dragen.
Lev 7:19 En het vlees, dat iets onreins aangeraakt zal hebben, zal niet gegeten worden; met vuur zal het verbrand worden; maar aangaande het andere vlees, dat vlees zal een ieder, die rein is, mogen eten.
Lev 7:20 Doch als iemand het vlees van het dankoffer, dat des HEEREN is, gegeten zal hebben, en zijn onreinheid aan hem is, zo zal die ziel uit zijn volken uitgeroeid worden.
Lev 7:21 En wanneer een mens iets onreins zal aangeraakt hebben, zoals de onreinheid van de mens, of het onreine vee, of enig onrein verfoeisel, en zal van het vlees van het dankoffer, dat des HEEREN is, gegeten hebben, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.

Lev 7:22 Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 7:23 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Geen vet van een os, of schaap, of geit, zult gij eten.
Lev 7:24 Maar het vet van een dood aas, en het vet van het verscheurde, mag tot alle werk gebruikt worden; doch gij zult het geenszins eten.
Lev 7:25 En al wie het vet van vee eten zal, waarvan men de HEERE een vuuroffer zal geofferd hebben, die ziel, die het gegeten zal hebben, zal uit haar volken uitgeroeid worden.
Lev 7:26 Ook zult gij in uw woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee.
Lev 7:27 Alle ziel, die enig bloed eten zal, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden.

Lev 7:28 Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 7:29 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wie zijn dankoffer de HEERE offert, zal zijn offer van zijn dankoffer de HEERE toebrengen.
Lev 7:30 Zijn handen zullen de vuuroffers des HEEREN brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN te bewegen.
Lev 7:31 En de priester zal dat vet op het altaar aansteken; doch de borst zal voor Aron en zijn zonen zijn.
Lev 7:32 Gij zult ook de rechterschouder tot een hefoffer de priester geven, uit uw dankoffers.
Lev 7:33 Wie uit de zonen van Aron het bloed van het dankoffer en het vet offert, voor die zal de rechterschouder het deel zijn.
Lev 7:34 Want de beweegborst en de hefschouder heb Ik van de kinderen Israels uit hun dankoffers genomen, en heb die aan Aron, de priester, en aan zijn zonen, tot een eeuwige inzetting gegeven, van de kinderen Israels.

Lev 7:35 Dit is het recht van de zalving van Aron en de zalving van zijn zonen, op de vuuroffers des HEEREN; ten dage als Hij hen deed naderen, om het priesterschap de HEERE te bedienen;
Lev 7:36 Dat de HEERE hun van de kinderen Israels te geven geboden heeft, ten dage als Hij hen zalfde; het zij een eeuwige inzetting voor hun geslachten.
Lev 7:37 Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het inzegeningsoffer en van het dankoffer;
Lev 7:38 Die de HEERE Mozes op de berg Sina geboden heeft, ten dage als Hij de kinderen Israels gebood, dat zij hun offers de HEERE, in de woestijn van Sina, zouden offeren.

Hoofdstuk 8
Lev 8:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 8:2 Neem Aron en zijn zonen met hem, en de klederen, en de zalfolie, daartoe de var van het zondoffer, en de twee rammen, en de korf van de ongezuurde broden;
Lev 8:3 En verzamel de ganse vergadering aan de deur van de tent der samenkomst.
Lev 8:4 Mozes nu deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; en de vergadering werd verzameld aan de deur van de tent der samenkomst.
Lev 8:5 Toen zei Mozes tot de vergadering: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft te doen.
Lev 8:6 En Mozes deed Aron en zijn zonen naderen, en waste hen met water.
Lev 8:7 Daar deed hij hem het onderkleed aan, en gordde hem met de gordel, en trok hem de mantel aan; en deed hij hem de efod aan, en gordde die met de kunstige riem van de efod, en ombond hem daarmee.
Lev 8:8 Voorts deed hij hem de borstlap aan, en voegde aan de borstlap de Urim en de Thummim.
Lev 8:9 En hij zette de tulband op zijn hoofd; en aan de tulband boven zijn aangezicht zette hij de gouden plaat, de kroon der heiligheid, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
Lev 8:10 Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde die.
Lev 8:11 En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, mitsgaders het wasvat en zijn voet, om die te heiligen.
Lev 8:12 Daarna goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen.
Lev 8:13 Ook deed Mozes de zonen van Aron naderen, en trok hun mantels aan, en gordde hen met een gordel, en bond hun mutsen op, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

Lev 8:14 Toen bracht hij de var van het zondoffer; en Aron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de var van het zondoffer;
Lev 8:15 En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om daar verzoening voor te doen.
Lev 8:16 Voorts nam hij al het vet, dat aan het ingewand is, en het net van de lever, en de twee nieren en hun vet; en Mozes stak het aan op het altaar.
Lev 8:17 Maar de var met zijn huid, en zijn vlees, en zijn mest, heeft hij buiten het leger met vuur verbrand, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
Lev 8:18 Daarna liet hij de ram van het brandoffer brengen; en Aron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de ram.
Lev 8:19 En men slachtte hem; en Mozes sprengde het bloed op het altaar rondom.
Lev 8:20 Hij deelde ook de ram in zijn delen; en Mozes stak het hoofd aan, en die delen, en het vet;
Lev 8:21 Doch het ingewand en de poten waste hij met water; en Mozes stak de hele ram aan op het altaar; het was een brandoffer tot een lieflijke reuk, een vuuroffer was het voor de HEERE, zoals de HEERE Mozes geboden had.
Lev 8:22 Daarna liet hij de andere ram, de ram van het offer voor de inzegening, brengen; en Aron met zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de ram.
Lev 8:23 En men slachtte hem; en Mozes nam van zijn bloed, en deed het op de oorlel van Aarons rechteroor, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet.
Lev 8:24 Hij deed ook de zonen van Aron naderen; en Mozes deed van dat bloed op de oorlel van hun rechteroor, en op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet; daarna sprengde Mozes dat bloed rondom op het altaar.
Lev 8:25 En hij nam het vet, en de staart, en al het vet, dat aan het ingewand is, en het net van de lever, en de beide nieren, en hun vet, daartoe de rechterschouder.
Lev 8:26 Ook nam hij uit de korf van de ongezuurde broden, die voor het aangezicht des HEEREN was, een ongezuurde koek, en een broodkoek met olie bestreken, en een wafel; en hij legde ze op dat vet, en op de rechterschouder.
Lev 8:27 En hij gaf dat alles in de handen van Aron, en in de handen van zijn zonen; en bewoog die tot beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 8:28 Daarna nam Mozes ze uit hun handen, en stak ze aan op het altaar, op het brandoffer; zij waren offers der inzegening tot een lieflijke reuk; het was een vuuroffer de HEERE.
Lev 8:29 Voorts nam Mozes de borst, en bewoog ze tot beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; die werd Mozes tot deel van de ram van het offer der inzegening, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
Lev 8:30 Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed, dat op het altaar was, en sprengde het op Aron, op zijn klederen, en op zijn zonen, en op de klederen van zijn zonen met hem; en hij heiligde Aron, zijn klederen, en zijn zonen, en de klederen van zijn zonen met hem.

Lev 8:31 En Mozes zei tot Aron en tot zijn zonen: Kookt dat vlees voor de deur van de tent der samenkomst, en eet het daar, alsook het brood, dat in de korf van het offer der inzegening is; gelijk als ik geboden heb, zeggende: Aron en zijn zonen zullen dat eten.
Lev 8:32 Maar het overige van het vlees en van het brood zult gij met vuur verbranden.
Lev 8:33 Ook zult gij uit de deur van de tent der samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan de dag, dat vervuld worden de dagen van uw inzegening; want zeven dagen zal de inzegening duren.
Lev 8:34 Gelijk men gedaan heeft op deze dag, heeft de HEERE te doen geboden, om voor u verzoening te doen.
Lev 8:35 Gij zult dan aan de deur van de tent der samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht des HEEREN waarnemen, opdat gij niet sterft; want alzo is het mij geboden.
Lev 8:36 Aron nu en zijn zonen deden alles, wat de HEERE door de dienst van Mozes geboden had.

Hoofdstuk 9
Lev 9:1 En het geschiedde op de achtste dag, dat Mozes Aron en zijn zonen riep, en de oudsten van Israel;
Lev 9:2 En hij zei tot Aron: Neem u een kalf, een jong rund, tot zondoffer, en een ram tot brandoffer, die geheel zonder gebrek zullen zijn; en breng ze voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 9:3 Daarna spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Neemt een geitenbok tot zondoffer, en een kalf, en een lam, eenjarig, geheel zonder gebrek, tot brandoffer;
Lev 9:4 Ook een os en ram tot dankoffer, om voor het aangezicht des HEEREN te offeren; en spijsoffer met olie gemengd; want heden zal de HEERE u verschijnen.
Lev 9:5 Toen namen zij hetgeen Mozes geboden had, brengende dat tot voor aan de tent der samenkomst; en de gehele vergadering naderde, en stond voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 9:6 En Mozes zei: Deze zaak, die de HEERE geboden heeft, zult gij doen; en de heerlijkheid des HEEREN zal u verschijnen.
Lev 9:7 En Mozes zei tot Aron: Nader tot het altaar, en bereid uw zondoffer, en uw brandoffer; en doe verzoening voor u en voor het volk; bereid daarna het offer van het volk, en doe de verzoening voor hen, zoals de HEERE geboden heeft.

Lev 9:8 Toen naderde Aron tot het altaar, en slachtte het kalf van het zondoffer, dat voor hem was.
Lev 9:9 En de zonen van Aron brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen van het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar.
Lev 9:10 Maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaar aangestoken, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
Lev 9:11 Doch het vlees, en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger.
Lev 9:12 Daarna slachtte hij het brandoffer; en de zonen van Aron brachten hem het bloed; en hij sprengde dat rondom op het altaar.
Lev 9:13 Ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijn delen, met het hoofd; en hij stak het aan op het altaar.
Lev 9:14 En hij waste het ingewand en de poten; en hij stak ze aan op het brandoffer, op het altaar.
Lev 9:15 Daarna liet hij de offerande van het volk brengen; en nam de bok van het zondoffer, die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem tot zondoffer, gelijk het eerste.
Lev 9:16 Verder liet hij het brandoffer brengen, en bereidde dat volgens het voorschrift.
Lev 9:17 En hij liet het spijsoffer brengen, nam daarvan een handvol, en stak het aan op het altaar, evenals het morgenbrandoffer.
Lev 9:18 Daarna slachtte hij de os, en de ram tot dankoffer, dat voor het volk was; en de zonen van Aron brachten hem het bloed, dat hij rondom op het altaar sprengde;
Lev 9:19 En het vet van de os, en van de ram, de staart, en wat het ingewand bedekt, en de nieren, en het net van de lever;
Lev 9:20 En zij legden het vet op de borsten; en hij stak dat vet aan op het altaar.
Lev 9:21 Maar de borsten en de rechterschouder bewoog Aron tot beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als Mozes geboden had.
Lev 9:22 Daarna hief Aron zijn handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gebracht had.

Lev 9:23 Toen ging Mozes met Aron in de tent der samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen al het volk.
Lev 9:24 Want een vuur ging uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Toen het ganse volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten.

Hoofdstuk 10
Lev 10:1 En de zonen van Aron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en legden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN, dat hij hen niet geboden had.
Lev 10:2 Toen ging een vuur uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht des HEEREN.

Lev 10:3 En Mozes zei tot Aron: Dat is het, wat de HEERE gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Doch Aron zweeg stil.
Lev 10:4 En Mozes riep Misael en Elzafan, de zonen van Uzzil, de oom van Aron, en zei tot hen: Treedt toe, draagt uw broeders weg, van voor het heiligdom tot buiten de legerplats.
Lev 10:5 Toen traden zij toe, en droegen hen, in hun mantels, tot buiten de legerplaats, zoals Mozes gesproken had.
Lev 10:6 En Mozes zei tot Aron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn zonen: Gij zult uw hoofden niet ontbloten, noch uw klederen verscheuren, opdat gij niet sterft, en grote toorn over de ganse vergadering komt; maar uw broeders, het ganse huis van Israel, zullen deze brand, die de HEERE aangestoken heeft, bewenen.
Lev 10:7 Gij zult ook uit de deur van de tent der samenkomst niet uitgaan, opdat gij niet sterft; want de zalfolie des HEEREN is op u. En zij deden naar het woord van Mozes.

Lev 10:8 En de HEERE sprak tot Aron, zeggende:
Lev 10:9 Wijn en sterke drank zult gij niet drinken, gij, noch uw zonen met u, als gij gaan zult in de tent der samenkomst, opdat gij niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten;
Lev 10:10 En om onderscheid te maken tussen het heilige en het onheilige, en tussen het onreine en het reine;
Lev 10:11 En om de kinderen Israels te leren al de inzettingen, die de HEERE door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft.

Lev 10:12 En Mozes sprak tot Aron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het spijsoffer, dat van de vuuroffers des HEEREN overgebleven is, en eet dat ongezuurd bij het altaar; want het is een heiligheid der heiligheden.
Lev 10:13 Daarom zult gij dat eten in de heilige plaats, omdat het uw bescheiden deel en het bescheiden deel van uw zonen uit de vuuroffers des HEEREN is; want alzo is mij geboden.
Lev 10:14 Ook de beweegborst en de hefschouder zult gij in een reine plaats eten, gij, en uw zonen, en uw dochters met u; want tot uw bescheiden deel, en het uw zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankoffers van de kinderen Israels gegeven.
Lev 10:15 De hefschouder en de beweegborst zullen zij naast de vuuroffers van het vet brengen, om als beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN te bewegen; dat, voor u en uw zonen met u, tot een eeuwige inzetting zijn zal, zoals de HEERE geboden heeft.
Lev 10:16 En Mozes zocht ijverig naar de bok van het zondoffer; en ziet, hij was verbrand. Daarom was hij op Eleazar en op Ithamar, de overgebleven zonen van Aron, zeer toornig, zeggende:
Lev 10:17 Waarom hebt gij dat zondoffer niet gegeten in de heilige plaats? Want het is een heiligheid der heiligheden, en Hij heeft u dat gegeven, opdat gij de ongerechtigheid van de vergadering zoudt dragen, om over die verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 10:18 Ziet, dat bloed is niet binnen in het heiligdom gedragen; gij zoudt dat hebben moeten eten in het heiligdom, zoals ik geboden heb.
Lev 10:19 Toen sprak Aron tot Mozes: Zie, heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezicht des HEEREN geofferd, en zulke dingen zijn mij overkomen; en had ik heden het zondoffer gegeten, zou dat goed geweest zijn in de ogen des HEEREN?
Lev 10:20 Toen Mozes dit hoorde, zo was het goed in zijn ogen.

Hoofdstuk 11
Lev 11:1 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aron, zeggende tot hen:
Lev 11:2 Spreekt tot de kinderen Israels, zeggende: Dit is het gedierte, dat gij eten zult van alle dieren, die op de aarde zijn.
Lev 11:3 Al wat onder de dieren de hoef verdeelt, en de kloof van de hoeven geheel klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.
Lev 11:4 Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de hoeven alleen verdelen: de kameel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt de hoef niet; die zal u onrein zijn;
Lev 11:5 En het konijn, want het herkauwt wel, maar verdeelt de hoef niet; dat zal u onrein zijn;
Lev 11:6 En de haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt de hoef niet; die zal u onrein zijn.
Lev 11:7 Ook het varken, want dat verdeelt wel de hoef, en klieft de kloof van de hoeven helemaal, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.
Lev 11:8 Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn.

Lev 11:9 Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeen en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;
Lev 11:10 Maar al wat in de zeen en in de rivieren, en van al het gewemel der wateren, van alle levende ziel, die in de wateren is, dat geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:11 Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood lichaam zult gij verfoeien.
Lev 11:12 Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:13 En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,
Lev 11:14 En de gier, en de kraai, naar haar aard;
Lev 11:15 Alle raaf naar haar aard;
Lev 11:16 En de struisvogel, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
Lev 11:17 En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
Lev 11:18 En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
Lev 11:19 En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vleermuis.

Lev 11:20 Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:21 Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, dat boven zijn voeten poten heeft, om daarmee op de aarde te springen;
Lev 11:22 Van die zult gij deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en de hargol naar zijn aard, en de hagab naar zijn aard.   *)
Lev 11:23 En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:24 En aan deze zult gij verontreinigd worden; zo wie hun dood lichaam zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan de avond.
Lev 11:25 Zo wie iets van hun dood lichaam gedragen zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 11:26 Elk dier, dat de hoef verdeelt, maar de hoef niet helemaal klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie die aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn.
Lev 11:27 En al wat op zijn poten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun dood lichaam aangeraakt zal hebben, zal onrein zijn tot aan de avond.
Lev 11:28 Ook die hun dood lichaam zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan de avond; zij zullen u onrein zijn.
Lev 11:29 Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: de wezel, en de muis, en de schildpad, naar haar aard;
Lev 11:30 En de gekko, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;
Lev 11:31 Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeraakt hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan de avond.
Lev 11:32 Daartoe al hetgeen, waarop iets daarvan vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij van alle houten vat, of kleed, of vel, of zak, of alle vat, waarmee enig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden, en onrein zijn tot aan de avond; daarna zal het rein zijn.
Lev 11:33 En elk aarden vat, waarin iets daarvan zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult dat breken.
Lev 11:34 Alle spijs, dat gegeten wordt, waarop dat water zal gekomen zijn, zal onrein zijn; en alle drank, die gedronken wordt, maar uit zo een vat, zal onrein zijn.
Lev 11:35 En waarop iets van hun dood lichaam zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zullen gebroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn.
Lev 11:36 Doch een fontein, of put met verzameling van wateren, zal rein zijn; maar wie dood aas daarin zal aangeraakt hebben, zal onrein zijn.
Lev 11:37 En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn op enig zaaibaar zaad, dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn.
Lev 11:38 Maar als water op het zaad gedaan zal worden, en iets van hun dood lichaam daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn.
Lev 11:39 En wanneer van de dieren, die u tot spijze zijn, iets zal gestorven zijn, wie het dood lichaam daarvan zal aangeraakt hebben, zal onrein zijn tot aan de avond.
Lev 11:40 Ook die iets van hun dood lichaam gegeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan de avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 11:41 Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een verfoeisel zijn; het zal niet gegeten worden.
Lev 11:42 Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijn vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel.

Lev 11:43 Maakt uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden.
Lev 11:44 Want Ik ben de HEERE, uw God; daarom zult gij u heiligen, en heilig zijn, omdat Ik heilig ben; en gij zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert.
Lev 11:45 Want Ik ben de HEERE, die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u tot een God zij, en opdat gij heilig zijt, omdat Ik heilig ben.
Lev 11:46 Dit is de wet van de dieren, en van het gevogelte, en van elk levend schepsel, dat zich roert in de wateren, en van elk levend schepsel, dat kruipt op de aarde;
Lev 11:47 Om te onderscheiden tussen het onreine en het reine, en tussen het gedierte, dat men eten, en het gedierte, dat men niet eten zal.

Hoofdstuk 12
Lev 12:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 12:2 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een zoon gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; zoals de dagen van afzondering wegens haar ongesteldheid zal zij onrein zijn.
Lev 12:3 En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden.
Lev 12:4 Daarna zal zij drie en dertig dagen blijven in haar reiniging van het bloedverlies; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen van haar reiniging vervuld zijn.
Lev 12:5 Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zo zal zij twee weken onrein zijn, volgens haar afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in haar reiniging van het bloedverlies.

Lev 12:6 En als de dagen van haar reiniging voor de zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zo zal zij een eenjarig lam tot brandoffer, en een jonge duif, of tortelduif, tot zondoffer brengen, voor de deur van de tent der samenkomst, tot de priester.
Lev 12:7 Die zal dat offeren voor het aangezicht des HEEREN, en zal voor haar verzoening doen, zo zal zij rein zijn van de vloed van haar bloed. Dit is de wet voor degene, die een jongetje of meisje gebaard heeft.
Lev 12:8 Maar indien haar hand niet genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, n tot brandoffer, en n tot zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zo zal zij rein zijn.

Hoofdstuk 13
Lev 13:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aron, zeggende:
Lev 13:2 Als van iemand in de huid van zijn vlees een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, dat in de huid van zijn vlees tot een plaag van melaatsheid zou kunnen worden, hij zal dan tot de priester Aron, of tot n uit zijn zonen, de priesters, gebracht worden.
Lev 13:3 En de priester zal de plaag in de huid van het vlees bezien; zo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien van de plaag dieper is dan de huid van zijn vlees, het is de plaag van melaatsheid; als de priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren.
Lev 13:4 Maar zo de blaar in de huid van zijn vlees wit is, en haar aanzien niet dieper is dan de huid, en het haar niet in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten.
Lev 13:5 Daarna zal de priester op de zevende dag hem bezien; indien, ziet, de plaag, naardat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in de huid niet uitgebreid is, zo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten.
Lev 13:6 En de priester zal hem andermaal op de zevende dag bezien; indien, ziet, de plaag ingetrokken, en de plaag in de huid niet uitgebreid is, zo zal de priester hem rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn klederen wassen, zo is hij rein.
Lev 13:7 Maar zo de verzwering in de huid duidelijk uitgebreid is, nadat hij zich aan de priester tot zijn reiniging zal vertoond hebben, zo zal hij zich andermaal aan de priester tonen.
Lev 13:8 Indien de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in de huid uitgebreid is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
Lev 13:9 Wanneer de plaag van melaatsheid in een mens zal zijn, zo zal hij tot de priester gebracht worden.
Lev 13:10 Indien de priester merken zal, dat, ziet, een wit gezwel in de huid is, dat het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid van levend vlees in dat gezwel is;
Lev 13:11 Dat is een verouderde melaatsheid in de huid van zijn vlees; daarom zal hem de priester onrein verklaren; hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein.
Lev 13:12 En zo de melaatsheid in de huid duidelijk uitbreidt, en de melaatsheid de hele huid van degene, die de plaag heeft, van zijn hoofd tot zijn voeten, bedekt heeft, zoveel als de priester kan zien;
Lev 13:13 En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein.   *)
Lev 13:14 Maar op de dag dat levend vlees daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn.
Lev 13:15 Als dan de priester dat levende vlees gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vlees is onrein; het is melaatsheid.
Lev 13:16 Of als dat levende vlees weer in wit veranderd zal worden, zo zal hij tot de priester komen.
Lev 13:17 Als de priester hem bezien zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein.

Lev 13:18 Het vlees, als in de huid daarvan een zweer zal geweest zijn, zo het genezen is;
Lev 13:19 En in de plaats van die zweer een wit gezwel, of een witte roodachtige blaar ontstaan zal, zo zal het aan de priester vertoond worden.
Lev 13:20 Indien de priester merken zal, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan de huid, en het haar daarvan in wit veranderd is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid, zij is door de zweer heen uitgebreid.
Lev 13:21 Wanneer nu de priester die bezien zal hebben, dat, ziet, geen wit haar daaraan is, en die niet dieper dan de huid, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.
Lev 13:22 Zo zij daarna gans in de huid uitgebreid zal zijn, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag.
Lev 13:23 Maar indien de blaar in haar plaats zal staande blijven, niet uitgebreid zijnde, het is het litteken van die zweer, zo zal de priester hem rein verklaren;
Lev 13:24 Of wanneer in de huid van het vlees een verbrande plek zal geweest zijn, en het rauwe vlees van die plek een witte roodachtige of witte blaar is;
Lev 13:25 En de priester die gezien zal hebben, dat, ziet, het haar op de blaar in wit veranderd is, en haar aanzien dieper is dan de huid; het is melaatsheid, door de verbranding is zij uitgebreid; daarom zal hem de priester onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.
Lev 13:26 Maar indien de priester zal bemerken, dat, ziet, op de blaar geen wit haar is, en zij niet dieper dan de huid, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.
Lev 13:27 Daarna zal de priester hem op de zevende dag bezien; indien zij duidelijk uitgebreid is in de huid, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.
Lev 13:28 Maar indien de blaar in haar plaats staande zal blijven, noch in de huid uitgebreid, maar ingetrokken zal zijn, het is een gezwel van de verbranding; daarom zal de priester hem rein verklaren, want het is een litteken van de verbranding.
Lev 13:29 Verder, als in een man of vrouw een plaag zal zijn aan het hoofd, of in de baard;
Lev 13:30 En de priester de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan de huid, en geelachtig dun haar daarop is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is schurft, het is melaatsheid van het hoofd of van de baard.
Lev 13:31 Maar als de priester de plaag der schurft zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien niet dieper is dan de huid, en geen zwart haar daarop is, zo zal de priester hem, die de plaag van schurft heeft, zeven dagen doen opsluiten.
Lev 13:32 Daarna zal de priester die plaag op de zevende dag bezien; indien, ziet, de schurft niet uitgebreid, en daarop geen geelachtig haar is, noch het aanzien der schurft dieper dan de huid is;
Lev 13:33 Zo zal hij zich scheren laten; maar de schurft zal hij niet scheren; en de priester zal hem, die de schurft heeft, andermaal zeven dagen doen opsluiten.
Lev 13:34 Daarna zal de priester die schurft op de zevende dag bezien; indien, ziet, de schurft in de huid niet uitgebreid is, en haar aanzien niet dieper is dan de huid, zo zal de priester hem rein verklaren; en hij zal zijn klederen wassen, en rein zijn.
Lev 13:35 Maar indien de schurft in de huid duidelijk uitgebreid is, na zijn reiniging;
Lev 13:36 En de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, de schurft in de huid uitgebreid is, de priester zal naar het geelachtig haar niet zoeken; hij is onrein.
Lev 13:37 Maar indien die schurft, in zoverre hij dat zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gegroeid is, die schurft is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren.

Lev 13:38 Verder als een man, of vrouw, aan de huid van hun vlees plekjes zullen hebben, witte plekjes;
Lev 13:39 En de priester zal gemerkt hebben, dat, ziet, ingetrokken witte plekjes in de huid van hun vlees zijn; het is een witte uitslag in de huid uitgebreid, hij is rein.
Lev 13:40 En als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein.
Lev 13:41 En zo van de zijde van zijn aangezicht het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, het is een kale plek, hij is rein.
Lev 13:42 Maar zo in de kaalheid, een witte roodachtige plaag is, dat is melaatsheid, uitbreidend in zijn kaalheid.
Lev 13:43 Als de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, het gezwel van die plaag in zijn kaalheid, wit roodachtig is, gelijk het aanzien van melaatsheid van de huid van het vlees;
Lev 13:44 Die man is melaats, hij is onrein; de priester zal hem geheel onrein verklaren, zijn plaag is op zijn hoofd.
Lev 13:45 Voorts zullen de klederen van de melaatse, in wie die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenlip bedekken; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein!
Lev 13:46 Al de dagen, waarin deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten de legerplaats zal zijn woning wezen.

Lev 13:47 Verder als aan een kleed de plaag der melaatsheid zal zijn, aan een wollen kleed, of aan een linnen kleed,
Lev 13:48 Of aan de scheerdraad, of aan de inslag van linnen, of van wol, of aan leer, of aan enig lederwerk;
Lev 13:49 En die plaag aan het kleed, of aan het leer, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig lederwerk, groenachtig of roodachtig is; het is de plaag der melaatsheid; daarom zal zij de priester getoond worden.
Lev 13:50 En de priester zal de plaag bezien; en hij zal dat wat de plaag heeft, zeven dagen doen opsluiten.
Lev 13:51 Daarna zal hij op de zevende dag de plaag bezien; zo de plaag uitgebreid is aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan het leer, tot wat voor werk dat leer ook zou mogen gemaakt zijn, die plaag is een kwade melaatsheid, het is onrein.
Lev 13:52 Daarom zal hij dat kleed, of die schering, of die inslag van wol, of van linnen, of alle lederwerk, waarin die plaag zal zijn, verbranden; want het is een kwade melaatsheid; het zal met vuur verbrand worden.
Lev 13:53 Doch indien de priester zal zien, dat, ziet, de plaag aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig lederwerk niet uitgebreid is;
Lev 13:54 Zo zal de priester gebieden, dat men datgene, waaraan die plaag is, zal wassen, en hij zal dat andermaal zeven dagen doen opsluiten.
Lev 13:55 Als de priester, nadat het gewassen is, de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, de plaag haar gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgebreid is, het is onrein, gij zult het met vuur verbranden; het is aangevreten aan zijn achter- of aan zijn voorzijde.
Lev 13:56 Indien nu de priester merken zal, dat, ziet, die plaag, nadat zij zal gewassen zijn, ingetrokken is; dan zal hij ze van het kleed, of van het leer, of van de scheerdraad, of van de inslag afscheuren.
Lev 13:57 Maar zo zij nog aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig lederwerk, gezien wordt, het is uitbreidende melaatsheid; gij zult datgene, waaraan de plaag is, met vuur verbranden.
Lev 13:58 Maar het kleed, of de schering, of de inslag, of al het lederwerk, dat gij gewassen zult hebben, als de plaag daarvan geweken zal zijn, dat zal andermaal gewassen worden, en het zal rein zijn.
Lev 13:59 Dit is de wet van de plaag der melaatsheid, van een wollen of linnen kleed, of een schering, of een inslag, of alle lederwerk, om dat rein te verklaren, of onrein te verklaren.

Hoofdstuk 14
Lev 14:1 Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 14:2 Dit zal de wet van de melaatse zijn, ten dage van zijn reiniging: dat hij tot de priester zal gebracht worden.
Lev 14:3 En de priester zal buiten de legerplaats gaan; als de priester bemerken zal, dat, ziet, die plaag van melaatsheid van de melaatse genezen is;
Lev 14:4 Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogels neemt, mitsgaders cederhout, en scharlaken, en hysop.
Lev 14:5 De priester zal ook gebieden, dat men de ene vogel slacht, in een aarden vat, boven levend water.
Lev 14:6 De levende vogel zal hij nemen, en het cederhout, en het scharlaken, en de hysop; en zal die, en de levende vogel dopen in het bloed van de vogel, die boven het levende water geslacht is.
Lev 14:7 En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en de levende vogel in het open veld vliegen laten.
Lev 14:8 Die nu te reinigen is, zal zijn klederen wassen, en al zijn haar afscheren, en zich in het water afwassen, zo zal hij rein zijn; daarna zal hij in de legerplaats komen, maar zal zeven dagen buiten zijn tent blijven.
Lev 14:9 En op de zevende dag zal het geschieden, dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijn baard, en de wenkbrauwen van zijn ogen; ja, al zijn haar zal hij afscheren, en al zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden, zo zal hij rein zijn.

Lev 14:10 En op de achtste dag zal hij twee gave lammeren zonder gebrek, en een eenjarig schaap zonder gebrek nemen, mitsgaders drie tienden meelbloem tot spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.
Lev 14:11 De priester nu, die de reiniging doet, zal de man, die te reinigen is, en die offergaven, stellen voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst.
Lev 14:12 En de priester zal dat ene lam nemen, en dat offeren tot een schuldoffer met de log olie; en zal die tot beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen.
Lev 14:13 Daarna zal hij dat lam slachten in de plaats, waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in de heilige plaats; want het schuldoffer, gelijk het zondoffer, is voor de priester; het is een heiligheid der heiligheden.
Lev 14:14 En de priester zal van het bloed van het schuldoffer nemen, dat de priester doen zal op de oorlel van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet.
Lev 14:15 De priester zal ook uit de log olie nemen, en dat op de linkerhand van de priester gieten.
Lev 14:16 Dan zal de priester zijn rechtervinger indopen, nemende van die olie, die in zijn linkerhand is, en zal met zijn vinger van die olie zevenmaal sprengen, voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 14:17 En van het overige van die olie, die in zijn hand zal zijn, zal de priester doen op de oorlel van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet, boven op het bloed van het schuldoffer.
Lev 14:18 Dat nog overgebleven zal zijn van die olie, die in de hand van de priester geweest is, zal hij doen op het hoofd van degene, die te reinigen is; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 14:19 De priester zal ook het zondoffer bereiden, en voor hem, die van zijn onreinheid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het brandoffer slachten.
Lev 14:20 En de priester zal dat brandoffer en dat spijsoffer op het altaar offeren; zo zal de priester de verzoening voor hem doen, en hij zal rein zijn.

Lev 14:21 Maar indien hij arm is, en hij zich dat niet kan veroorloven, zo zal hij een lam tot schuldoffer, ter beweging nemen, om voor hem verzoening te doen; daartoe een tiende meelbloem, met olie gemengd, tot spijsoffer, en een log olie;
Lev 14:22 Alsook twee tortelduiven, of twee jonge duiven, die hij zich kan veroorloven, waarvan n tot zondoffer, en n tot brandoffer zijn zal.
Lev 14:23 En hij zal die, op de achtste dag van zijn reiniging, tot de priester brengen, aan de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 14:24 En de priester zal het lam van het schuldoffer, en de log olie nemen; en de priester zal die tot beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen.
Lev 14:25 Daarna zal hij het lam van het schuldoffer slachten, en de priester zal van het bloed van het schuldoffer nemen, en doen op de rechter oorlel van degene, die te reinigen is, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet.
Lev 14:26 Ook zal de priester van die olie op de linkerhand van de priester gieten.
Lev 14:27 Daarna zal de priester met zijn rechtervinger van die olie, die op zijn linkerhand is, sprengen, zevenmaal, voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 14:28 En de priester zal van de olie, die op zijn hand is, doen aan de oorlel van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en aan de duim van zijn rechterhand, en aan de grote teen van zijn rechtervoet, op de plaats van het bloed van het schuldoffer.
Lev 14:29 En het overgeblevene van de olie, die in de hand van de priester is, zal hij doen op het hoofd van degene, die te reinigen is, om de verzoening voor hem te doen, voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 14:30 Daarna zal hij n van de tortelduiven, of van de jonge duiven bereiden, van hetgeen hij zich kon veroorloven
Lev 14:31 Van hetgeen hij zich kon veroorloven, zal het n tot zondoffer, en het andere tot brandoffer zijn, boven het spijsoffer; zo zal de priester voor hem, die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 14:32 Dit is de wet van degene, in wie de plaag der melaatsheid geweest zal zijn, die zich het vereiste voor zijn reiniging niet kan veroorloven.

Lev 14:33 Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aron, zeggende:
Lev 14:34 Als gij zult gekomen zijn in het land van Kanan, dat Ik u tot bezitting geven zal, en Ik de plaag van melaatsheid aan een huis van dat land van uw bezitting zal gegeven hebben;
Lev 14:35 Zo zal hij, van wie dat huis is, komen, en de priester te kennen geven, zeggende: Het lijkt mij, dat er een plaag in het huis is.
Lev 14:36 En de priester zal gebieden, dat zij dat huis ruimen, aleer de priester komt, om die plaag te bezien, opdat niet al wat in dat huis is, onrein worde; en daarna zal de priester komen, om dat huis te bezien.
Lev 14:37 Als hij die plaag bezien zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis is met groenachtige of roodachtige kuiltjes, en hun aanzien dieper is dan die wand;
Lev 14:38 De priester zal uit dat huis uitgaan, aan de deur van het huis, en hij zal dat huis zeven dagen doen toesluiten.
Lev 14:39 Daarna zal de priester op de zevende dag terugkeren; indien hij merken zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis uitgebreid is;
Lev 14:40 Zo zal de priester gebieden, dat zij de stenen, waarin die plaag is, uitbreken, en die tot buiten de stad werpen, aan een onreine plaats;
Lev 14:41 En dat huis zal hij rondom van binnen doen afschrapen, en zij zullen het stof, dat zij afgeschraapt hebben, tot buiten de stad aan een onreine plaats uitstorten.
Lev 14:42 Daarna zullen zij andere stenen nemen, en in de plaats van gene stenen brengen; en men zal ander leem nemen, en dat huis bestrijken.
Lev 14:43 Maar indien die plaag terugkeert, en in dat huis uitbreidt, nadat men de stenen uitgebroken heeft, en na het afschrapen van het huis, en nadat het zal bestreken zijn;
Lev 14:44 Zo zal de priester komen; als hij nu zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis uitgebreid is, het is een kwaadaardige melaatsheid in dat huis, het is onrein.
Lev 14:45 Daarom zal men dat huis, zijn stenen, en zijn hout afbreken, ook al het leem van het huis, en men zal het tot buiten de stad uitvoeren, aan een onreine plaats.
Lev 14:46 En die in dat huis gaat te enige dage, nadat men het zal toegesloten hebben, zal onrein zijn tot aan de avond.
Lev 14:47 Die ook in dat huis te slapen ligt, zal zijn klederen wassen; insgelijks, die in dat huis eet, zal zijn klederen wassen.
Lev 14:48 Maar als de priester weer zal ingegaan zijn, en zal bemerken, dat, ziet, die plaag aan dat huis niet uitgebreid is, nadat het huis zal bestreken zijn; zo zal de priester dat huis rein verklaren, omdat die plaag genezen is.
Lev 14:49 Daarna zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogeltjes nemen, alsook cederhout, en scharlaken, en hysop.
Lev 14:50 En hij zal de ene vogel slachten in een aarden vat, boven levend water.
Lev 14:51 Dan zal hij dat cederhout, en die hysop, en het scharlaken, en de levende vogel nemen, en zal die in het bloed van de geslachte vogel en in het levende water dopen; en hij zal dat huis zevenmaal besprengen.
Lev 14:52 Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed van de vogel, en met dat levend water, en met de levende vogel, en met dat cederhout, en met de hysop, en met het scharlaken.
Lev 14:53 De levende vogel nu zal hij buiten de stad, in het open veld, laten vliegen; zo zal hij over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn.

Lev 14:54 Dit is de wet voor alle plaag der melaatsheid, en voor schurft;
Lev 14:55 En voor melaatsheid van klederen, en van huizen;
Lev 14:56 Ook voor gezwel, en voor gezweer, en voor blaren;
Lev 14:57 Om te onderwijzen, wanneer iets onrein, en wanneer iets rein is. Dit is de wet der melaatsheid.

Hoofdstuk 15
Lev 15:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aron, zeggende:
Lev 15:2 Spreekt tot de kinderen Israels, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn.
Lev 15:3 Dit nu zal zijn onreinheid om zijn vloed zijn: zo zijn vlees zijn vloed laat lopen, of zijn vlees zijn vloed weerhoudt, dat is zijn onreinheid.
Lev 15:4 Elk bed, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en elk voorwerp, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn.
Lev 15:5 Een ieder ook, die zijn bed zal aanraken, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:6 En die op iets zit, waarop hij, die de vloed heeft, gezeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:7 En die het vlees van degene, die de vloed heeft, aanraakt, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:8 Als ook hij, die de vloed heeft, op een reine zal gespuwd hebben, dan zal die reine zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:9 Insgelijks elk zadel, waarop hij, die de vloed heeft, zal gereden hebben, zal onrein zijn.
Lev 15:10 En al wie iets aanraakt, dat onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan de avond; en die dat draagt, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:11 Daartoe een ieder, die door hem, die de vloed heeft, zal aangeraakt zijn met ongewassen handen, die zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:12 Ook het aarden vat, dat hij, die de vloed heeft, zal aangeraakt hebben, zal gebroken worden; maar elk houten vat zal met water gespoeld worden.
Lev 15:13 Als hij nu, die de vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn klederen wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn.
Lev 15:14 En op de achtste dag zal hij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen; en zal voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst komen, en zal ze de priester geven.
Lev 15:15 En de priester zal die bereiden, n tot zondoffer, en n tot brandoffer; zo zal de priester over hem voor het aangezicht des HEEREN, vanwege zijn vloed, verzoening doen.
Lev 15:16 Verder een man, als hem een zaaduitstorting zal geschied zijn, die zal zijn gehele vlees met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:17 Ook elk kleed, en elk stuk leer, waaraan het zaad wezen zal, dat zal met water gewassen worden, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:18 Mitsgaders de vrouw, als een man een zaaduitstorting bij haar zal hebben; daarom zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.

Lev 15:19 Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanraakt, zal onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:20 En al hetgeen, waarop zij in haar afzondering zal gelegen hebben, zal onrein zijn; en ook alles, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn.
Lev 15:21 En al wie haar bed aanroert, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:22 Ook al wie enig tuig, waarop zij gezeten zal hebben, aanraakt, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:23 Indien het op het bed geweest zal zijn, of op het tuig, waarop zij zat, als hij dat aanraakt, hij zal onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:24 Insgelijks zo iemand bij haar gelegen heeft, dat haar onreinheid aan hem komt, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe al het bed, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn.
Lev 15:25 Wanneer ook een vrouw, vele dagen, buiten de tijd van haar afzondering, van de vloed van haar bloed vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal langer dan gebruikelijk, zij zal al de dagen van de vloed van haar onreinheid, als in de dagen van haar afzondering onrein zijn.
Lev 15:26 Elk bed, waarop zij al de dagen van haar vloed gelegen zal hebben, zal haar zijn als het bed van haar afzondering; en alle tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de onreinheid van haar afzondering.
Lev 15:27 En zo wie die dingen aanraakt, zal onrein zijn; daarom zal hij zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
Lev 15:28 Maar als zij van haar vloed rein wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen tellen, daarna zal zij rein zijn.
Lev 15:29 En op de achtste dag zal zij voor zich twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, en zij zal die tot de priester brengen, aan de deur van de tent der samenkomst.
Lev 15:30 Dan zal de priester n tot zondoffer en n tot brandoffer bereiden; en de priester zal voor haar, vanwege de vloed van haar onreinheid, verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 15:31 Alzo zult gij de kinderen Israels afzonderen van hun onreinheid; opdat zij in hun onreinheid niet sterven, als zij Mijn tabernakel, die in het midden van hen is, verontreinigen zouden.
Lev 15:32 Dit is de wet voor degene, die de vloed heeft, en voor wie een zaaduitstorting heeft; zodat hij daardoor onrein wordt;
Lev 15:33 Mitsgaders van een vrouw in haar afzondering, en voor degene, die een vloed heeft, voor een man, en voor een vrouw; en voor een man, die bij een onreine vrouw zal gelegen hebben.

Hoofdstuk 16
Lev 16:1 En de HEERE sprak tot Mozes, nadat de twee zonen van Aron gestorven waren, toen zij genaderd waren voor het aangezicht des HEEREN, en gestorven waren;
Lev 16:2 De HEERE dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broer Aron, dat hij niet te allen tijde ga in het heilige, binnen de voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterft; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel.
Lev 16:3 Hiermede zal Aron in het heiligdom gaan: met een var, een jong rund tot zondoffer, en een ram tot brandoffer.
Lev 16:4 Hij zal de heilige linnen lijfrok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen tulband zich bedekken; dit zijn heilige klederen; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.

Lev 16:5 En van de vergadering van de kinderen Israels zal hij nemen twee geitenbokken tot zondoffer, en een ram tot brandoffer.
Lev 16:6 Daarna zal Aron de var van het zondoffer, die voor hem zal zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen.
Lev 16:7 Hij zal ook beide bokken nemen, en hij zal die stellen voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst.
Lev 16:8 En Aron zal loten over die twee bokken werpen: een lot voor de HEERE, en een lot voor de weggaande bok.
Lev 16:9 Dan zal Aron de bok, waarop het lot voor de HEERE zal gekomen zijn, voorbrengen, en zal hem tot zondoffer maken.
Lev 16:10 Maar de bok, waarop het lot zal gekomen zijn, om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht des HEEREN gesteld worden, om door hem verzoening te doen; opdat men hem als een weggaande bok naar de woestijn uitlaat.
Lev 16:11 Aron dan zal de var van het zondoffer, die voor hemzelf zal zijn, voorbrengen, en voor zichzelf en voor zijn huis verzoening doen, en zal de var van het zondoffer, die voor hemzelf zal zijn, slachten.
Lev 16:12 Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht des HEEREN, en zijn handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen het voorhangsel dragen.
Lev 16:13 En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht des HEEREN, opdat de nevel van het reukwerk het verzoendeksel, dat op de getuigenis is, bedekke, en dat hij niet sterve.
Lev 16:14 En hij zal van het bloed van de var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen.

Lev 16:15 Daarna zal hij de bok van het zondoffer, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen het voorhangsel dragen, en zal met zijn bloed doen, gelijk als hij met het bloed van de var gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel.
Lev 16:16 Zo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinheden van de kinderen Israels, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en alzo zal hij doen aan de tent der samenkomst, dat onder hen verblijft in het midden van hun onreinheden.
Lev 16:17 En geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, als hij zal ingaan, om in het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen; alzo zal hij verzoening doen, voor zichzelf, en voor zijn huis, en voor de gehele gemeente van Israel.
Lev 16:18 Daarna zal hij tot het altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN is, gaan, en er verzoening voor doen; en hij zal van het bloed van de var, en van het bloed van de bok nemen, en het doen rondom op de hoornen van het altaar.
Lev 16:19 En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprengen, en hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinheden van de kinderen Israels.

Lev 16:20 Als hij nu zal geindigd hebben het heilige, en de tent der samenkomst, en het altaar te verzoenen, zo zal hij die levende bok voorbrengen.
Lev 16:21 En Aron zal zijn beide handen op het hoofd van de levende bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden van de kinderen Israels, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd van de bok leggen, en zal hem door de hand van een man, daarvoor aangewezen, naar de woestijn uitlaten.
Lev 16:22 Alzo zal die bok op zich al hun ongerechtigheden in een afgezonderd land wegdragen; en hij zal die bok in de woestijn uitlaten.
Lev 16:23 Daarna zal Aron komen in de tent der samenkomst, en zal de linnen klederen uitdoen, die hij aangedaan had, toen hij in het heilige ging, en hij zal ze daar laten.
Lev 16:24 En hij zal zijn vlees in de heilige plaats met water baden, en zijn klederen aandoen; dan zal hij uitgaan, en zijn brandoffer, en het brandoffer van het volk bereiden, en voor zich en voor het volk verzoening doen.
Lev 16:25 Ook zal hij het vet van het zondoffer op het altaar aansteken.
Lev 16:26 En hij die de bok, voor Azazel, zal uitgelaten hebben, zal zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen.
Lev 16:27 Maar de var van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; en hun huiden, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.
Lev 16:28 Die nu dit verbrandt, zal zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in de legerplaats komen.

Lev 16:29 En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: gij zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, ingeborene noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
Lev 16:30 Want op die dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij voor het aangezicht des HEEREN gereinigd worden.
Lev 16:31 Dat zal u een sabbat der rust zijn, opdat gij uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting.
Lev 16:32 En de priester, die men gezalfd, en die men ingezegend zal hebben, om in plaats van zijn vader het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen, als hij de linnen klederen, de heilige klederen, zal aangetrokken hebben.
Lev 16:33 Zo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de tent der samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; desgelijks voor de priesters, en voor al het volk van de vergadering zal hij verzoening doen.
Lev 16:34 En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israels vanwege al hun zonden, eenmaal per jaar, verzoening te doen. En men deed, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

Hoofdstuk 17
Lev 17:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 17:2 Spreek tot Aron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft, zeggende:
Lev 17:3 Een ieder van het huis Israels, die een os, of lam, of geit in de legerplaats slachten zal, of die ze slachten zal buiten de legerplaats;
Lev 17:4 En die aan de deur van de tent der samenkomst niet brengen zal, om een offer de HEERE voor de tabernakel des HEEREN te offeren; het bloed zal die man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal die man uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden;
Lev 17:5 Opdat, wanneer de kinderen Israels hun slachtoffers brengen, die zij op het veld slachten, dat zij die de HEERE toebrengen, aan de deur van de tent der samenkomst tot de priester, en die tot dankoffers de HEERE slachten.
Lev 17:6 En de priester zal het bloed op het altaar des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst, sprengen; en hij zal het vet aansteken, tot een lieflijke reuk de HEERE.
Lev 17:7 En zij zullen ook niet meer hun slachtoffers de demonen, die zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.
Lev 17:8 Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis Israels, en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren,
Lev 17:9 En dat tot de deur van de tent der samenkomst niet zal brengen, om dat de HEERE te bereiden; die man zal uit zijn volken uitgeroeid worden.

Lev 17:10 En een ieder uit het huis Israels, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden van haar volk uitroeien.
Lev 17:11 Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.
Lev 17:12 Daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd: Geen ziel van u zal bloed eten; noch de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten.
Lev 17:13 Een ieder ook van de kinderen Israels en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeren, die enig wild gedierte, of gevogelte, dat gegeten wordt, in de jacht gevangen zal hebben; die zal hun bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken.
Lev 17:14 Want het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is voor zijn ziel; daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd: Gij zult van geen enkel vlees het bloed eten; want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden.
Lev 17:15 En alle ziel onder de ingeborenen of onder de vreemdelingen, die het vlees van een dood dier of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond; daarna zal hij rein zijn.
Lev 17:16 Maar indien hij die niet wast, en zijn vlees niet baadt, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.

Hoofdstuk 18
Lev 18:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 18:2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 18:3 Gij zult niet doen naar de werken van het land Egypte, waarin gij gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanan, waarheen Ik u breng, zult gij niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.
Lev 18:4 Mijn rechten zult gij doen, en Mijn inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen; Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 18:5 Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; de mens, die ze zal doen, die zal daardoor leven; Ik ben de HEERE!

Lev 18:6 Niemand zal tot zijn naaste bloedverwanten naderen, om diens naaktheid te ontdekken; Ik ben de HEERE!
Lev 18:7 Gij zult de naaktheid van uw vader en de naaktheid van uw moeder niet ontdekken; zij is uw moeder; gij zult haar naaktheid niet ontdekken.
Lev 18:8 Gij zult de naaktheid van de huisvrouw van uw vader niet ontdekken; het is de naaktheid van uw vader.
Lev 18:9 De naaktheid van uw zuster, de dochter van uw vader, of van de dochter van uw moeder, te huis geboren of buiten geboren, haar naaktheid zult gij niet ontdekken.
Lev 18:10 De naaktheid van de dochter van uw zoon, of van de dochter van uw dochter, haar naaktheid zult gij niet ontdekken; want zij zijn uw naaktheid.
Lev 18:11 De naaktheid van de dochter van de huisvrouw van uw vader, die uw vader geboren is, zij is uw zuster, haar naaktheid zult gij niet ontdekken.
Lev 18:12 Gij zult de naaktheid van de zuster van uw vader niet ontdekken; zij is de naaste bloedverwant van uw vader.
Lev 18:13 Gij zult de naaktheid van de zuster van uw moeder niet ontdekken; want zij is de naaste bloedverwant van uw moeder.
Lev 18:14 Gij zult de naaktheid van de broer van uw vader niet ontdekken; dat gij tot zijn huisvrouw zult naderen; zij is uw tante.
Lev 18:15 Gij zult de naaktheid van uw schoondochter niet ontdekken; zij is de huisvrouw van uw zoon; gij zult haar naaktheid niet ontdekken.
Lev 18:16 Gij zult de naaktheid van de huisvrouw van uw broer niet ontdekken; het is de naaktheid van uw broer.
Lev 18:17 Gij zult de naaktheid van een vrouw en haar dochter niet ontdekken; ook de dochter van haar zoon, of de dochter van haar dochter zult gij niet nemen, om haar naaktheid te ontdekken; zij zijn naaste bloedverwanten; het is een schandelijke daad.
Lev 18:18 Gij zult ook de zuster van uw vrouw niet nemen, om haar te benauwen, door haar naaktheid te ontdekken nevens haar, gedurende haar leven.

Lev 18:19 Ook zult gij tot de vrouw in de afzondering van haar onreinheid niet naderen, om haar naaktheid te ontdekken.
Lev 18:20 En gij zult niet liggen bij de huisvrouw van uw naaste, om met haar onrein te worden.
Lev 18:21 En gij zult geen van uw kinderen geven, om voor de Moloch verbrand te worden; en de Naam van uw God zult gij niet ontheiligen; Ik ben de HEERE!
Lev 18:22 Bij een man zult gij niet liggen als met een vrouw; dit is een gruwel.
Lev 18:23 Insgelijks zult gij bij geen dier liggen, om daarmede onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een dier, om daarmee te liggen; het is een gruwelijke vermenging.
Lev 18:24 Verontreinigt u niet met enige van deze dingen; want de heidenen, die Ik van voor uw aangezicht verdrijf, zijn met alle deze verontreinigd;
Lev 18:25 Zodat het land onrein is, en Ik daarover zijn ongerechtigheid bezoek, en het land zijn inwoners uitspuwt.
Lev 18:26 Maar gij zult Mijn inzettingen en Mijn rechten onderhouden, en van al die gruwelen niets doen, ingeborene noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
Lev 18:27 Want de mensen van dit land, die voor u geweest zijn, hebben al deze gruwelen gedaan; en het land is onrein geworden.
Lev 18:28 Dat u dat land niet uitspuwe, als gij het zult verontreinigd hebben; gelijk als het het volk, dat voor u was, uitgespuwd heeft.
Lev 18:29 Want al wie enige van deze gruwelen doen zal, die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden.
Lev 18:30 Daarom zult gij Mijn bevel onderhouden, dat gij geen van die gruwelijke inzettingen doet, die voor u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinigt; Ik ben de HEERE, uw God!

Hoofdstuk 19
Lev 19:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 19:2 Spreek tot de ganse vergadering van de kinderen Israels, en zeg tot hen: Gij zult heilig zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig!
Lev 19:3 Want ieder zal zijn moeder en zijn vader eren, en Mijn sabbatten houden; Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 19:4 Gij zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 19:5 En wanneer gij een dankoffer de HEERE offeren zult, zult gij dat offeren, zodanig, dat het aanvaard zal worden.
Lev 19:6 Op de dag van uw offer, en de volgende dag, zal het gegeten worden; maar wat tot op de derde dag overblijft zal met vuur verbrand worden.
Lev 19:7 En zo er op de derde dag toch nog van gegeten wordt, het is een afgrijselijk ding, het zal niet aanvaard worden.
Lev 19:8 En zo wie dat eet, zal zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige des HEEREN ontheiligd heeft; daarom zal die ziel, uit haar volken uitgeroeid worden.
Lev 19:9 Als gij ook de oogst van uw land inoogsten zult, gij zult de hoek van uw veld niet helemaal afoogsten, en wat van uw oogst is afgevallen, niet verzamelen.
Lev 19:10 Evenzo zult gij uw wijngaard niet nalezen, en de afgevallen vruchten van uw wijngaard niet verzamelen; de arme en de vreemdeling zult gij die overlaten; Ik ben de HEERE, uw God!

Lev 19:11 Gij zult niet stelen, en gij zult niet liegen, ook niet vals handelen, een ieder tegen zijn naaste.
Lev 19:12 Gij zult niet vals bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt de Naam van uw God ontheiligen; Ik ben de HEERE.
Lev 19:13 Gij zult uw naaste niet bedrieglijk onderdrukken, noch beroven; het arbeidsloon van de dagloner zal bij u niet overnachten tot de morgen.
Lev 19:14 Gij zult de dove niet vloeken, en voor het aangezicht van de blinde geen aanstoot zetten; maar gij zult voor uw God vrezen; Ik ben de HEERE!
Lev 19:15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht van de arme niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
Lev 19:16 Gij zult niet wandelen als een kwaadspreker onder uw volken; gij zult niet opstaan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben de HEERE!
Lev 19:17 Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste vrijmoedig terechtwijzen, en zult de zonde in hem niet verdragen.
Lev 19:18 Gij zult geen wraak nemen, noch toorn behouden tegen de kinderen van uw volk; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelf; Ik ben de HEERE!

Lev 19:19 Gij zult Mijn inzettingen houden; gij zult niet tweerlei soort van uw vee laten vermengen; uw akker zult gij niet met tweerlei zaad bezaaien, en een kleed van tweerlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.
Lev 19:20 En wanneer een man, met een vrouw zal gelegen hebben, die een dienstmaagd is, bestemd voor een andere man, en geenszins gelost is, en haar geen vrijheid is gegeven; die zullen gerechtelijk onderzocht worden; zij zullen niet gedood worden; want zij was niet vrij gemaakt.
Lev 19:21 En hij zal zijn schuldoffer de HEERE aan de deur van de tent der samenkomst brengen, een ram tot schuldoffer.
Lev 19:22 En de priester zal met de ram van het schuldoffer, voor hem over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezicht des HEEREN verzoening doen; en hem zal vergeving geschieden van zijn zonde, die hij gezondigd heeft.
Lev 19:23 Als gij ook in dat land gekomen zult zijn, en allerlei fruitbomen geplant zult hebben, zo zult gij de voorhuid daarvan, van de vrucht, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden.
Lev 19:24 Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, tot lofoffer voor de HEERE.
Lev 19:25 En in het vijfde jaar zult gij de vrucht daarvan eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 19:26 Gij zult niets met het bloed eten. Gij zult op geen vogelgedrag acht geven, noch waarzeggerij plegen.
Lev 19:27 Gij zult de hoeken van uw hoofdhaar niet rond afscheren; ook zult gij de hoeken van uw baard niet verderven.
Lev 19:28 Gij zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben de HEERE!
Lev 19:29 Gij zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdend; opdat het land niet vervalt in hoererij, en het land met schandelijke daden vervuld wordt.
Lev 19:30 Gij zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult gij eerbiedigen; Ik ben de HEERE!
Lev 19:31 Gij zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de tovenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 19:32 Voor het grijze haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht van de ouden eren; en gij zult vrezen voor uw God; Ik ben de HEERE!
Lev 19:33 En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, gij zult hem niet onderdrukken.
Lev 19:34 De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een ingeborene van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelf; want gij zijt vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 19:35 Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.
Lev 19:36 Gij zult een zuivere weegschaal hebben, zuivere weegstenen, een zuivere efa, en een zuivere hin; Ik ben de HEERE, uw God, die u uit Egypteland uitgeleid heb!
Lev 19:37 Daarom zult gij al Mijn inzettingen en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben de HEERE!

Hoofdstuk 20
Lev 20:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 20:2 Gij zult ook tot de kinderen Israels zeggen: Een ieder uit de kinderen Israels, of uit de vreemdelingen, die in Israel als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad de Moloch gegeven zal hebben, zal zeker gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen.
Lev 20:3 En Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten, en zal hem uit het midden van zijn volk uitroeien; want hij heeft van zijn zaad de Moloch gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heilige Naam ontheiligen zou.
Lev 20:4 En indien het volk van het land hun ogen enigszins verbergen zal van die man, als hij van zijn zaad de Moloch zal gegeven hebben, dat het hem niet doodt;
Lev 20:5 Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Moloch na te hoereren, uit het midden van hun volk uitroeien.
Lev 20:6 Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de tovenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden van haar volk uitroeien.
Lev 20:7 Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 20:8 En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet ze; Ik ben de HEERE, die u heilig.
Lev 20:9 Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zeker gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!

Lev 20:10 Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben -die met de vrouw van zijn naaste overspel gedaan heeft-, zal zeker gedood worden, de overspeler en de overspeelster.
Lev 20:11 En een man, die bij de huisvrouw van zijn vader zal gelegen hebben, heeft de naaktheid van zijn vader ontdekt; zij beiden zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen!
Lev 20:12 Evenzo, als de man bij de vrouw van zijn zoon zal gelegen hebben, zij zullen beiden zeker gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen!
Lev 20:13 Wanneer ook een man bij een man zal gelegen hebben, als bij een vrouw, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen!
Lev 20:14 En wanneer een man een vrouw en haar moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem, en die beiden met vuur verbranden, opdat geen schandelijke daad in het midden van u zij.
Lev 20:15 Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zeker gedood worden; ook zult gij het dier doden.
Lev 20:16 Alzo wanneer een vrouw tot enig dier genaderd zal zijn, om daarmee te liggen, zo zult gij die vrouw en dat beest doden; zij zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen!
Lev 20:17 En als een man zijn zuster, de dochter van zijn vader, of de dochter van zijn moeder, zal genomen hebben, en hij haar naaktheid gezien, en zij zijn naaktheid zal gezien hebben, het is een schandvlek; daarom zullen zij voor de ogen van de kinderen van hun volk uitgeroeid worden; hij heeft de naaktheid van zijn zuster ontdekt, hij zal zijn ongerechtigheid dragen.
Lev 20:18 En als een man bij een vrouw, die haar ongesteldheid heeft, zal gelegen en haar naaktheid ontdekt, haar fontein ontbloot, en zij zelf de fontein van haar bloed ontdekt zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden van hun volk uitgeroeid worden.
Lev 20:19 Daartoe zult gij de naaktheid van de zuster van uw moeder, en van de zuster van uw vader niet ontdekken; omdat hij zijn bloedverwante ontbloot heeft, zullen zij hun ongerechtigheid dragen.
Lev 20:20 Als ook een man bij zijn tante zal gelegen hebben, hij heeft de naaktheid van zijn oom ontdekt; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven.
Lev 20:21 En wanneer een man de huisvrouw van zijn broer zal genomen hebben, het is onreinheid; hij heeft de naaktheid van zijn broer ontdekt; zij zullen zonder kinderen zijn.

Lev 20:22 Onderhoudt dan al Mijn inzettingen en al Mijn rechten, en doet ze; opdat u dat land, waarheen Ik u breng, om daarin te wonen, niet zal uitspuwen.
Lev 20:23 En wandelt niet in de inzettingen van het volk, dat Ik voor uw aangezicht verdrijf; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom heb Ik hen verafschuwd.
Lev 20:24 En Ik heb u gezegd: Gij zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat gij het erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honing; Ik ben de HEERE, uw God, Die u van de volken afgezonderd heb!
Lev 20:25 Daarom zult gij onderscheid maken tussen reine en onreine dieren, en tussen het onreine en reine gevogelte; en gij zult uw zielen niet verfoeilijk maken met de dieren en met het gevogelte, en met al wat op de aardbodem kruipt, dat Ik voor u afgezonderd heb, opdat gij het onrein houdt.
Lev 20:26 En gij zult Mij heilig zijn, want Ik, de HEERE, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat gij van Mij zoudt zijn.
Lev 20:27 Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggende geest zal hebben, of een tovenaar zal zijn, zij zullen zeker gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen.

Hoofdstuk 21
Lev 21:1 Daarna zei de HEERE tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aron, en zeg tot hen: Over een dode mag een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken.
Lev 21:2 Behalve voor zijn naaste bloedverwanten, zijn moeder en zijn vader, en zijn zoon, en zijn dochter, en zijn broer.
Lev 21:3 En over zijn zuster, die maagd is, zijn bloedverwante, die nog geen man toebehoorde; over die mag hij zich verontreinigen.
Lev 21:4 Hij zal zich niet verontreinigen over een overste onder zijn volken, om zich te ontheiligen.
Lev 21:5 Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen de hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen insnijdingen maken.
Lev 21:6 Zij zullen hun God heilig zijn, en de Naam van hun God zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuuroffers des HEEREN, de spijze van hun God; daarom zullen zij heilig zijn.
Lev 21:7 Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man verstoten is; want hij is zijn God heilig.
Lev 21:8 Daarom zult gij hem heiligen, omdat hij de spijze van uw God offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben de HEERE, die u heiligt!
Lev 21:9 Als nu de dochter van enige priester zal beginnen te hoereren, zij ontheiligt haar vader; met vuur zal zij verbrand worden.
Lev 21:10 En hij, die de hogepriester onder zijn broeders is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en die ingezegend is, om die klederen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn klederen scheuren.
Lev 21:11 Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen.
Lev 21:12 En uit het heiligdom zal hij niet uitgaan, dat hij het heiligdom van zijn God niet ontheiligt, want de heilige zalfolie van zijn God is op hem; Ik ben de HEERE!
Lev 21:13 Hij zal ook een vrouw in haar maagdom nemen.
Lev 21:14 Een weduwe, of verstotene, of ontheiligde, een hoer, die zal hij niet nemen; maar een maagd uit zijn volken zal hij tot een vrouw nemen.
Lev 21:15 En hij zal zijn zaad onder zijn volken niet ontheiligen; want Ik ben de HEERE, die hem heiligt!

Lev 21:16 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 21:17 Spreek tot Aron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, om de spijze van zijn God te offeren.
Lev 21:18 Want geen man, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, hij zij een blind man, of kreupel, of te kort, of te lang van leden;
Lev 21:19 Of een man, die een voetbreuk, of een handbreuk heeft;
Lev 21:20 Of die bultachtig, of dwergachtig zal zijn, of een vel op zijn oog zal hebben, of droge schurft, of etterende schurft, of een testikelbreuk.
Lev 21:21 Geen man, uit het zaad van Aron, de priester, in wie een gebrek is, zal toetreden om de vuuroffers des HEEREN te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om de spijze van zijn God te offeren.
Lev 21:22 De spijze van zijn God, van de allerheiligste dingen, en van de heilige dingen, zal hij mogen eten;
Lev 21:23 Doch tot het voorhangsel zal hij niet komen, en tot het altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheiligt; want Ik ben de HEERE, die hen heiligt!
Lev 21:24 En Mozes sprak zulks tot Aron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels.

Hoofdstuk 22
Lev 22:1 Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 22:2 Spreek tot Aron en tot zijn zonen, dat zij zich van de heilige dingen van de kinderen Israels, die zij Mij heiligen, afzonderen, opdat zij de Naam van Mijn heiligheid niet ontheiligen; Ik ben de HEERE!
Lev 22:3 Zeg tot hen: Een ieder onder uw geslachten, die uit uw ganse zaad tot de heilige dingen, die de kinderen Israels de HEERE heiligen, naderen zal, als zijn onreinheid op hem is; die mens zal van voor Mijn aangezicht uitgeroeid worden; Ik ben de HEERE!
Lev 22:4 Niemand van het zaad van Aron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; zo ook die iets aanraakt, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wiens zaad uitgaat.
Lev 22:5 Of zo wie aangeraakt zal hebben enig kruipend gedierte, waarvan hij onrein is, of een mens, waarvan hij onrein is, naar al zijn onreinheid;
Lev 22:6 De mens, die dat aangeraakt zal hebben, zal onrein zijn tot aan de avond, en hij zal van die heilige dingen niet eten, maar zal zijn vlees met water baden.
Lev 22:7 Als de zon zal ondergegaan zijn, dan zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die heilige dingen eten; want dat is zijn spijze.
Lev 22:8 Het dode aas, en het verscheurde zal hij niet eten, om daarmee onrein te worden; Ik ben de HEERE!
Lev 22:9 Zij zullen dan Mijn ordeningen onderhouden, opdat zij geen zonde daarover dragen en daarin sterven, als zij die ontheiligd zouden hebben; Ik ben de HEERE, die hen heiligt!

Lev 22:10 Ook zal geen vreemde het heilige eten; een bijwoner van de priester, en een dagloner, zullen het heilige niet eten.
Lev 22:11 En wanneer de priester een mens met zijn geld zal gekocht hebben, die zal daarvan eten; en de ingeborene van zijn huis, die zullen van zijn spijze eten.
Lev 22:12 Maar als de dochter van de priester een vreemde man zal toebehoren, zij zal van het hefoffer der heilige dingen niet eten.
Lev 22:13 Doch als de dochter van de priester een weduwe of een verstotene zal zijn, en geen zaad hebben, en tot het huis van haar vader, als in haar jeugd, zal weergekeerd zijn, zo zal zij van de spijze van haar vader eten; maar geen vreemde zal daarvan eten.
Lev 22:14 En wanneer iemand het heilige onopzettelijk zal gegeten hebben, zo zal hij het vijfde deel daarboven toedoen, en zal het de priester met het heilige teruggeven.
Lev 22:15 Zo zullen zij niet ontheiligen de heilige dingen van de kinderen Israels, die zij de HEERE zullen gegeven hebben;
Lev 22:16 En hen doen dragen de ongerechtigheid van overtreding, als zij hun heilige dingen zouden eten; want Ik ben de HEERE, Die hen heiligt!

Lev 22:17 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 22:18 Spreek tot Aron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Zo wie uit het huis van Israel, en uit de vreemdelingen in Israel is, die zijn offer zal offeren naar al hun geloften, en naar al hun vrijwillige offers, die zij de HEERE tot brandoffer zullen offeren:
Lev 22:19 een mannetje zonder gebrek, van de runderen, van de lammeren, of van de geiten zal een welaangenaam offer zijn.
Lev 22:20 Gij zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het zou niet aanvaard worden.
Lev 22:21 En als iemand een dankoffer de HEERE zal offeren, van de runderen of van de schapen, of een vrijwillig offer, om een gelofte te betalen, het zal zonder gebrek zijn, opdat het aanvaard zal worden; geen gebrek zal daarin zijn.
Lev 22:22 Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wrattige, of droge schurft, of etterende schurft hebbend, deze zult gij de HEERE niet offeren, en daarvan zult gij de HEERE geen vuuroffer op het altaar geven.
Lev 22:23 Maar een os, of klein vee, met te lange of te korte ledematen, die zult gij tot een vrijwillig offer bereiden; doch tot een gelofte zou het niet aanvaard worden.
Lev 22:24 Het gedrukte, of gestotene, of gescheurde, of gesnedene, zult gij de HEERE niet offeren; dat zult gij in uw land niet doen.
Lev 22:25 Gij zult ook uit de hand van de vreemde van al deze dingen uw God geen spijze offeren; want hun verdorvenheid is in hen, in hen is gebrek, zij zouden niet aanvaard worden.
Lev 22:26 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 22:27 Wanneer een os, of lam, of geit zal geboren zijn, zo zal die zeven dagen bij zijn moeder zijn; daarna, van de achtste dag en daarna, zal hij aangenaam zijn tot offer, tot een vuuroffer, voor de HEERE.
Lev 22:28 Gij zult ook een os, of klein vee, hem en zijn jong, op n dag niet slachten.
Lev 22:29 En als gij een lofoffer de HEERE zult offeren, zult gij dat voor de HEERE welaangenaam offeren.
Lev 22:30 Het zal op dezelfde dag gegeten worden; gij zult daarvan niet overlaten tot de morgen; Ik ben de HEERE!
Lev 22:31 Daarom zult gij Mijn geboden houden, en die doen; Ik ben de HEERE!
Lev 22:32 En gij zult Mijn heilige Naam niet ontheiligen; maar Ik zal in het midden van de kinderen Israels geheiligd worden; Ik ben de HEERE, die u heiligt!
Lev 22:33 Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik u tot een God zij; Ik ben de HEERE!

Hoofdstuk 23
Lev 23:1 Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 23:2 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: De feesten des HEEREN, welke gijlieden uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn feesten.
Lev 23:3 Zes dagen zal men het werk doen, maar op de zevende dag is de sabbat der rust, een heilige samenroeping; geen werk zult gij doen; het is de sabbat des HEEREN, in al uw woningen.

Lev 23:4 Deze zijn de feesten des HEEREN, de heilige samenroepingen, welke gij uitroepen zult op hun gezette tijd.
Lev 23:5 In de eerste maand, op de veertiende van de maand, tussen twee avonden is het pascha des HEEREN.
Lev 23:6 En op de vijftiende dag van dezelfde maand is het feest van de ongezuurde broden des HEEREN; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.
Lev 23:7 Op de eerste dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.
Lev 23:8 En gij zult zeven dagen een vuuroffer de HEERE offeren; en op de zevende dag zal een heilige samenroeping wezen; geen dienstwerk zult gij doen.
Lev 23:9 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
Lev 23:10 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als gij in het land zult gekomen zijn, dat Ik u geven zal, en gij zijn oogst zult inoogsten, dan zult gij een garf der eerstelingen van uw oogst tot de priester brengen.
Lev 23:11 En hij zal die garf voor het aangezicht des HEEREN bewegen, opdat het namens u aanvaard wordt; de volgende dag na de sabbat zal de priester die bewegen.
Lev 23:12 Gij zult ook op de dag, als gij die garf bewegen zult, bereiden een lam zonder gebrek, dat eenjarig is, tot brandoffer de HEERE;
Lev 23:13 En zijn spijsoffer, twee tienden meelbloem, met olie gemengd, tot vuuroffer, de HEERE tot een lieflijke reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin.
Lev 23:14 En gij zult geen brood, noch geroosterd koren, noch groene aren van de nieuwe oogst eten, tot op diezelfde dag, dat gij de offerande van uw God zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.

Lev 23:15 Daarna zult gij u tellen van de andere dag na de sabbat, van de dag, dat gij de garf van het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn;
Lev 23:16 Tot de andere dag, na de zevende sabbat, zult gij vijftig dagen tellen, dan zult gij een nieuw spijsoffer de HEERE offeren.
Lev 23:17 Gijlieden zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen voor de HEERE.
Lev 23:18 Gij zult ook met het brood zeven eenjarige lammeren zonder gebrek, en een var, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen de HEERE een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hun drankoffers, een vuuroffer, tot een lieflijke reuk de HEERE.
Lev 23:19 Ook zult gij een geitenbok tot zondoffer, en twee eenjarige lammeren tot dankoffer bereiden.
Lev 23:20 Dan zal de priester die met het brood der eerstelingen tot beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN, met de twee lammeren bewegen; zij zullen de HEERE heilig zijn, voor de priester.
Lev 23:21 En gij zult op diezelfde dag uitroepen, dat gij een heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het is een eeuwige inzetting in al uw woningen voor uw geslachten.
Lev 23:22 Als gij nu de oogst van uw land zult inoogsten, gij zult, bij uw inoogsten, de hoek van het veld niet helemaal afmaaien, en de nalezing van uw oogst niet verzamelen; voor de arme en voor de vreemdeling zult gij ze laten; Ik ben de HEERE, uw God!

Lev 23:23 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
Lev 23:24 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult gij een rust hebben, een gedachtenis uitroepen met hoorngeschal, een heilige samenroeping.
Lev 23:25 Geen dienstwerk zult gij doen; maar gij zult de HEERE uw vuuroffer offeren.
Lev 23:26 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 23:27 Doch op de tiende van deze zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult gij hebben; dan zult gij uw zielen verootmoedigen, en zult de HEERE een vuuroffer offeren.
Lev 23:28 En op diezelfde dag zult gij geen werk doen; want het is de verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht van de HEERE uw God.
Lev 23:29 Want alle ziel, die op diezelfde dag niet zal verootmoedigd zijn geweest, die zal uitgeroeid worden uit haar volken.
Lev 23:30 Ook alle ziel, die enig werk op diezelfde dag gedaan zal hebben, die ziel zal Ik uit het midden van haar volk verderven.
Lev 23:31 Gij zult geen werk doen; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.
Lev 23:32 Het zal u een sabbat der rust zijn; dan zult gij uw zielen verootmoedigen; op de negende van de maand in de avond, van de avond tot de avond, zult gij uw sabbat houden.

Lev 23:33 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
Lev 23:34 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Op de vijftiende dag van deze zevende maand zal het feest der loofhutten zeven dagen voor de HEERE zijn.
Lev 23:35 Op de eerste dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gij doen.
Lev 23:36 Zeven dagen zult gij de HEERE vuuroffers offeren; op de achtste dag zult gij een heilige samenroeping hebben, en zult de HEERE vuuroffer offeren; het is een plechtige vergadering; gij zult geen dienstwerk doen.
Lev 23:37 Dit zijn de gezette feesten des HEEREN, welke gij zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om de HEERE vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankoffers, elk dagelijks op zijn dag, te offeren;
Lev 23:38 Behalve de sabbatten des HEEREN, en behalve uw gaven, en behalve al uw geloften, en behalve al uw vrijwillige offers, die gij de HEERE geven zult.
Lev 23:39 Doch op de vijftiende dag van de zevende maand, als gij het inkomen van het land zult bijeen vergaderd hebben, zult gij het feest des HEEREN zeven dagen vieren; op de eerste dag zal er rust zijn, en op de achtste dag zal er rust zijn.
Lev 23:40 En op de eerste dag zult gij u nemen takken van mooie bomen, palmtakken, en takken van mirtebomen, en van beekwilgen; en gij zult voor het aangezicht van de HEERE, uw God, zeven dagen vrolijk zijn.
Lev 23:41 En gij zult dat feest de HEERE zeven dagen in het jaar vieren; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren.
Lev 23:42 Zeven dagen zult gij in loofhutten wonen; alle ingeborenen in Israel zullen in loofhutten wonen;
Lev 23:43 Opdat uw geslachten weten, dat Ik de kinderen Israels in loofhutten heb doen wonen, toen Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 23:44 Alzo heeft Mozes de gezette feesten des HEEREN tot de kinderen Israels uitgeroepen.

Hoofdstuk 24
Lev 24:1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
Lev 24:2 Gebied de kinderen Israels, dat zij tot u brengen zuivere gestoten olijfolie, voor de kandelaar, om de lampen gedurig aan te steken.
Lev 24:3 Aron zal die voor het aangezicht des HEEREN gedurig toebereiden, van de avond tot de morgen, buiten het voorhangsel van de getuigenis, in de tent der samenkomst; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten.
Lev 24:4 Hij zal op de loutere gouden kandelaar die lampen voor het aangezicht des HEEREN gedurig toebereiden.
Lev 24:5 Gij zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.
Lev 24:6 En gij zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht des HEEREN.
Lev 24:7 En op elke rij zult gij zuivere wierook leggen, dat op het brood tot gedenkoffer zal zijn; het is een vuuroffer de HEERE.
Lev 24:8 Op elke sabbatdag zal men dat voor het aangezicht des HEEREN gedurig toebereiden, vanwege de kinderen Israels, tot een eeuwig verbond.
Lev 24:9 En het zal voor Aron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid der heiligheden uit de vuuroffers des HEEREN, een eeuwige inzetting.

Lev 24:10 En de zoon van een Israelietische vrouw ging uit, die, in het midden van de kinderen Israels, de zoon van een Egyptische man was; en de zoon van deze Israelietische en een Israelietische man twistten in de legerplaats.
Lev 24:11 Toen lasterde de zoon van de Israelietische vrouw uitdrukkelijk de NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van de stam Dan.
Lev 24:12 En zij hielden hem in verzekerde bewaring, opdat de wil des HEEREN hen verklaard zou worden.
Lev 24:13 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
Lev 24:14 Breng de vloeker uit tot buiten de legerplaats, en allen, die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de gehele vergadering stenigen.
Lev 24:15 En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen.
Lev 24:16 En wie de Naam des HEEREN gelasterd zal hebben, zal zeker gedood worden; de ganse vergadering zal hem zeker stenigen; alzo zal de vreemdeling zijn, gelijk de ingeborene, als hij de NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.
Lev 24:17 En hij, die een mens doodt, zal zeker gedood worden.
Lev 24:18 Maar wie een stuk vee zal gedood hebben, hij zal het wedergeven, beest voor beest.
Lev 24:19 Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal toegebracht hebben; gelijk als hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden:
Lev 24:20 Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek aan een mens zal toegebracht hebben, zo zal ook hem toegebracht worden.
Lev 24:21 Wie dan enig beest doodt, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden.
Lev 24:22 Enerlei recht zult gij hebben; zo zal de vreemdeling zijn, als de ingeborene; want Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 24:23 En Mozes zei tot de kinderen Israels, dat zij de vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met stenen stenigen zouden. En de kinderen Israels deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

Hoofdstuk 25
Lev 25:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, aan de berg Sina, zeggende:
Lev 25:2 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geef, dan zal dat land rusten, een sabbat de HEERE.
Lev 25:3 Dan zult gij zes jaren uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard snoeien, en de inkomst daarvan inzamelen.
Lev 25:4 Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat de HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien.
Lev 25:5 Wat vanzelf van uw oogst zal gegroeid zijn, zult gij niet inoogsten, en de druiven van uw afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar van rust voor het land zijn.
Lev 25:6 En de inkomst van de sabbat van het land zal voor u tot spijze zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren;
Lev 25:7 Alsook voor het vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot spijze zijn.

Lev 25:8 Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn.
Lev 25:9 Daarna zult gij in de zevende maand, op de tiende van de maand, hoorngeschal doen doorgaan; op de verzoendag zult gij de hoorn doen doorgaan in uw ganse land.
Lev 25:10 En gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en gij zult terugkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult terugkeren een ieder tot zijn geslacht.
Lev 25:11 Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; gij zult niet zaaien, noch inoogsten wat vanzelf daarin zal gegroeid zijn, noch ook de druiven der afzonderingen daarin afsnijden.
Lev 25:12 Want dat is het jubeljaar; het zal u heilig zijn; gij zult uit het veld de inkomst daarvan eten.
Lev 25:13 Op dat jubeljaar zal een ieder terugkeren tot zijn bezitting.
Lev 25:14 Daarom, wanneer gij aan uw naaste iets verkopen, of uit de hand van uw naaste kopen zult, dat niemand de ander verdrukke.
Lev 25:15 Naar het getal der jaren, van het jubeljaar af, zult gij van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren der inkomsten zal hij het aan u verkopen.
Lev 25:16 Naar het grotere aantal jaren zult gij zijn koop vermeerderen, en naar het kleinere aantal jaren zult gij zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal der inkomsten.
Lev 25:17 Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 25:18 En doet Mijn inzettingen, en houdt Mijn rechten, en doet ze; zo zult gij veilig wonen in het land.
Lev 25:19 En het land zal zijn vrucht geven, en gij zult eten tot verzadiging toe; en gij zult veilig daarin wonen.
Lev 25:20 En als gij zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar! Ziet, wij zullen immers niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen;
Lev 25:21 Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen.
Lev 25:22 Het achtste jaar nu zult gij zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat zijn inkomst ingekomen is, zult gij het oude eten.

Lev 25:23 Het land ook zal niet voor altijd verkocht worden; want het land is het Mijne, omdat gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt.
Lev 25:24 Daarom zult gij, in het ganse land van uw bezitting, lossing voor het land toestaan.
Lev 25:25 Wanneer uw broeder zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die zijn bloedverwant is, komen, en zal het verkochte van zijn broeder lossen.
Lev 25:26 En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar welvarend zal geworden zijn en genoeg gevonden zal hebben tot zijn lossing;
Lev 25:27 Dan zal hij de jaren van zijn verkoping rekenen, en het overschot zal hij de man, aan wie hij het verkocht had, geven; en hij zal tot zijn bezitting terugkeren.
Lev 25:28 Maar indien hij niet in staat is, om het hem te geven, zo zal zijn verkochte goed blijven in de hand van degene die het gekocht heeft tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting wederkeren.
Lev 25:29 Insgelijks, wanneer iemand een woonhuis in een ommuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn binnen een heel jaar na de verkoping; in een heel jaar zal zijn lossing wezen.
Lev 25:30 Maar is het, dat het binnen een jaar niet gelost wordt, zo zal dat huis, dat in die stad is, die een muur heeft, voor altijd blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan.
Lev 25:31 Doch de huizen van de dorpen, die rondom geen muur hebben, zullen als het veld van het land gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan.
Lev 25:32 Aangaande de steden van de Levieten, en de huizen van de steden van hun bezitting; de Levieten zullen een eeuwige lossing hebben.
Lev 25:33 En als iemand een huis gekocht zal hebben van de Levieten, zo zal het huis in de stad van zijn bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden der Levieten zijn hun bezitting in het midden van de kinderen Israels.
Lev 25:34 Doch het veld van hun steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige bezitting voor hen.
Lev 25:35 En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leeft.
Lev 25:36 Gij zult geen rente noch woeker van hem nemen; maar gij zult vrezen voor uw God, opdat uw broeder bij u leeft.
Lev 25:37 Uw geld zult gij hem niet tegen rente geven, en gij zult uw spijze niet tegen woeker geven.
Lev 25:38 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanan te geven, opdat Ik u tot een God zij.
Lev 25:39 Desgelijks, wanneer uw broeder bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, gij zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf;
Lev 25:40 Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen.
Lev 25:41 Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijn kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht terugkeren, en tot de bezitting van zijn vaderen terugkeren.
Lev 25:42 Want zij zijn Mijn dienstknechten, die Ik uit Egypteland uitgeleid heb; zij zullen niet verkocht worden, gelijk men een slaaf verkoopt.
Lev 25:43 Gij zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar gij zult vrezen voor uw God.
Lev 25:44 Aangaande uw slaaf of uw slavin, die gij zult hebben, die zullen van de volken zijn, die rondom u zijn; van die zult gij een slaaf of een slavin kopen.
Lev 25:45 Gij zult ze ook kopen van de kinderen der bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkeren, uit hen en uit hun geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zullen u tot een bezitting zijn.
Lev 25:46 En gij zult hen als een erfdeel nalaten voor uw kinderen na u, opdat zij de bezitting erven; gij zult hen in eeuwigheid doen dienen; maar over uw broeders, de kinderen Israels, een ieder over zijn broeder, gij zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid.
Lev 25:47 En wanneer de vreemdeling en bijwoner, die bij u is, welvarend zal zijn geworden, en uw broeder, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan de vreemdeling, de bijwoner, die bij u is, of aan de stam van het geslacht van de vreemdeling zal verkocht hebben;
Lev 25:48 Nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn; n van zijn broeders zal hem lossen;
Lev 25:49 Of zijn oom, of de zoon van zijn oom, zal hem lossen, of die uit de naasten van zijn vlees van zijn geslacht is, zal hem lossen; of, heeft hij middelen gevonden, dat hij zichzelf lost.
Lev 25:50 En hij zal met zijn koper rekenen van dat jaar af, dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar toe; alzo dat het geld van zijn verkoping zal zijn naar het getal van de jaren, naar de dagen van een dagloner zal het met hem zijn.
Lev 25:51 Indien nog vele van die jaren zijn, naar die zal hij tot zijn lossing uit het geld, waarmee hij gekocht is, teruggeven.
Lev 25:52 En indien er nog weinige van die jaren overgebleven zijn, tot aan het jubeljaar, zo zal hij met hem rekenen; naar zijn jaren zal hij zijn lossing teruggeven.
Lev 25:53 Als een dagloner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geen heerschappij hebben met wreedheid voor uw ogen.
Lev 25:54 En is het, dat hij hierdoor niet gelost wordt, zo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijn kinderen met hem.
Lev 25:55 Want de kinderen Israels zijn Mij tot dienstknechten; Mijn dienstknechten zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God!

Hoofdstuk 26
Lev 26:1 Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeeldhouwde steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 26:2 Mijn sabbatten zult gij houden, en Mijn heiligdom eerbiedigen; Ik ben de HEERE!
Lev 26:3 Indien gij in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult;
Lev 26:4 Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven;
Lev 26:5 En de dorstijd zal u duren tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal duren tot de zaaitijd; en gij zult uw brood eten tot verzadiging toe, en gij zult veilig in uw land wonen.
Lev 26:6 Ook zal Ik vrede geven in het land, zodat gij rustig zult kunnen slapen, en er niemand zij, die verschrikt; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.
Lev 26:7 En gij zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
Lev 26:8 Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
Lev 26:9 En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen.
Lev 26:10 En gij zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult gij vanwege het nieuwe wegdoen.
Lev 26:11 En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.
Lev 26:12 En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn.
Lev 26:13 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land der Egyptenaren uitgeleid heb, opdat gij hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u rechtop doen staan.

Lev 26:14 Maar indien gij Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen;
Lev 26:15 En zo gij Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat gij niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;
Lev 26:16 Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; gij zult ook uw zaad tevergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.
Lev 26:17 Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen ulieden zetten, dat gij geslagen zult worden voor het aangezicht van uw vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en gij zult vluchten, terwijl niemand u vervolgt.
Lev 26:18 En zo gij Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toedoen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen.
Lev 26:19 Want Ik zal de hoogmoed van uw kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper.
Lev 26:20 En uw kracht zult gij vergeefs gebruiken; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte van het land zal zijn vrucht niet geven.
Lev 26:21 En zo gij met Mij als een tegenstander wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.
Lev 26:22 Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen verlaten zijn.
Lev 26:23 Indien gij ondanks deze dingen door Mij nog niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij als met een tegenstander wandelen;
Lev 26:24 Zo zal Ik ook met u als een tegenstander wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan.
Lev 26:25 Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak van het verbond uitvoeren zal, zodat gij in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand van de vijand overgegeven worden.
Lev 26:26 Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in n oven bakken, en zullen uw brood in porties naar het gewicht weergeven; en gij zult eten, maar niet verzadigd worden.
Lev 26:27 Als gij ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenstand;
Lev 26:28 Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenstand wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.
Lev 26:29 Want gij zult het vlees van uw zonen eten, en het vlees van uw dochters zult gij eten.
Lev 26:30 En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal van u walgen.
Lev 26:31 En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw lieflijke reuk niet ruiken.
Lev 26:32 Ja, Ik zal dat land verwoesten; zodat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.
Lev 26:33 Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.
Lev 26:34 Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen der verwoesting, en gij zult in het land van uw vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben.   *)
Lev 26:35 Al de dagen der verwoesting zal het rusten, omdat het niet rustte in uw sabbatten, toen gij daarin woonde.
Lev 26:36 En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart angst laten komen, in de landen van hun vijanden; zodat het geruis van een warrelend blad hen jagen zal, en zij zullen vluchten, gelijk men vlucht voor een zwaard, en zullen vallen, waar geen jager is.
Lev 26:37 En zij zullen de n op de ander als voor het zwaard vallen, waar geen jager is; en gij zult voor het aangezicht van uw vijanden niet kunnen bestaan.
Lev 26:38 Maar gij zult omkomen onder de heidenen, en het land van uw vijanden zal u verteren.
Lev 26:39 En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen van uw vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden van hun vaderen zullen zij met hen uitteren.

Lev 26:40 Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid van hun vaderen met hun overtredingen, waarmee zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij als een tegenstander gewandeld hebben.
Lev 26:41 Dat Ik ook met hen als een tegenstander gewandeld, en hen in het land van hun vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan de straf voor hun ongerechtigheid als recht aanvaarden;
Lev 26:42 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken;
Lev 26:43 Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij de straf voor hun ongerechtigheid als recht aanvaard hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.
Lev 26:44 En bovendien ook dit; als zij in het land van hun vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde aan hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de HEERE, hun God!
Lev 26:45 Maar Ik zal hun ten goede gedenken aan het verbond der voorouders, die Ik uit Egypteland voor de ogen van de heidenen uitgeleid heb, opdat Ik hun tot een God zou zijn; Ik ben de HEERE!
Lev 26:46 Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, die de HEERE gegeven heeft, tussen Hem en de kinderen Israels, op de berg Sina, door de hand van Mozes.

Hoofdstuk 27
Lev 27:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 27:2 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer iemand een gelofte zal gedaan hebben, dan zullen de zielen voor de HEERE naar uw schatting zijn.
Lev 27:3 Als uw schatting van een man zal zijn van twintig jaar oud tot zestig jaar oud; dan zal uw schatting zijn van vijftig sikkels zilver, naar de sikkel van het heiligdom.
Lev 27:4 Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting dertig sikkels zijn.
Lev 27:5 En is het van iemand van vijf jaar oud tot twintig jaar oud, zo zal uw schatting van een man twintig sikkels zijn, en voor een vrouw tien sikkels.
Lev 27:6 Maar is het van iemand van een maand oud tot vijf jaar oud, zo zal uw schatting van een man zijn vijf sikkels zilver, en uw schatting voor een vrouw zal zijn drie sikkels zilver.
Lev 27:7 En is het van iemand, die zestig jaar oud is en daarboven en is het een man, zo zal uw schatting zijn vijftien sikkels, en voor een vrouw tien sikkels.
Lev 27:8 Maar zo hij armer is, dan uw schatting, zo zal hij zich voor het aangezicht van de priester zetten, opdat de priester hem schatte; naar wat degene, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen opbrengen, zal de priester hem schatten.
Lev 27:9 En indien het een beest is, waarvan men de HEERE offerande offert; al wat hij daarvan de HEERE zal gegeven hebben, zal heilig zijn.
Lev 27:10 Hij zal het niet veranderen, het ook niet verwisselen, een goed voor een kwaad, of een kwaad voor een goed; indien hij nochtans een beest voor een ander beest verwisselt, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn.
Lev 27:11 En indien het enig onrein beest is, waarvan men de HEERE geen offer offert, zo zal hij dat beest voor het aangezicht van de priester zetten.
Lev 27:12 En de priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, o priester zal het zijn.
Lev 27:13 Maar indien hij het metterdaad lossen zal, zo zal hij het vijfde deel daarvan boven uw schatting toedoen.

Lev 27:14 En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het de HEERE heilig zij, zo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; gelijk als de priester dat geschat zal hebben, zo staat het vast.
Lev 27:15 En indien hij, die het geheiligd heeft, zijn huis zal lossen, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, zo zal het het zijne zijn.
Lev 27:16 Indien ook iemand van de akker van zijn bezitting de HEERE wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting zijn naar het zaad nodig, om dat stuk te zaaien; een homer gerstezaad zal geschat worden op vijftig sikkels zilver.
Lev 27:17 Indien hij zijn akker van het jubeljaar af geheiligd zal hebben, zo zal het naar uw schatting vastgesteld zijn.
Lev 27:18 Maar zo hij zijn akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester het geld rekenen, naar de jaren, die nog over zijn tot het jubeljaar; en het zal van uw schatting afgetrokken worden.
Lev 27:19 En indien hij, die de akker geheiligd heeft, deze akker metterdaad lossen zal, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, en het zal hem behoren.
Lev 27:20 En indien hij die akker niet zal lossen, of indien hij die akker aan een andere man verkocht heeft, zo zal hij niet meer gelost worden.
Lev 27:21 Maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal de HEERE heilig zijn, als een verbannen akker; het bezit daarvan zal van de priester zijn.  *)
Lev 27:22 En indien hij de HEERE een akker heeft geheiligd, die hij gekocht heeft, en niet is van de akker van zijn bezitting;
Lev 27:23 Zo zal de priester hem rekenen de som van uw schatting tot het jubeljaar; en hij zal op dezelfde dag uw schatting geven, een heiligheid de HEERE.
Lev 27:24 In het jubeljaar zal die akker terugkomen tot diegene, van wie hij hem gekocht had, tot hem, van wie de bezitting van dat land was.
Lev 27:25 Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom geschieden; de sikkel zal zijn van twintig gera.

Lev 27:26 Maar het eerstgeborene, dat de HEERE van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van de HEERE.
Lev 27:27 Doch is het van een onrein beest, hij zal dat lossen naar uw schatting, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en indien het niet gelost wordt, zo zal het verkocht worden, naar uw schatting.
Lev 27:28 Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand de HEERE zal verbannen hebben, van al hetgeen hij heeft, van een mens, of van een beest, of van de akker van zijn bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal de HEERE een heiligheid der heiligheden zijn.
Lev 27:29 Al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden; het zal zeker gedood worden.
Lev 27:30 Ook alle tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn van de HEERE; zij zijn de HEERE heilig.
Lev 27:31 Maar zo iemand van zijn tienden metterdaad iets lossen zal, hij zal zijn vijfde deel daarboven toedoen.
Lev 27:32 Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal de HEERE heilig zijn.
Lev 27:33 Hij zal tussen het goede en het kwade niet onderzoeken; hij zal het ook niet verwisselen; maar indien hij het metterdaad verwisselen zal, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn; het zal niet gelost worden.
Lev 27:34 Dit zijn de geboden, die de HEERE Mozes geboden heeft, aan de kinderen Israels, op de berg Sina

Aantekeningen
11:22 Solham, Hargol en Hagab: verschillende soorten sprinkhanen.
13:13 het Hebreeuwse woord dat vertaald werd met 'melaatsheid' werd gebruikt voor verschillende ziekten, die met een huiduitslag gepaard gingen.
36:24
27:21