Hoofdstuk 1
Luk 1:1 Waar velen ter hand genomen hebben, een verhaal te schrijven over de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben;
Luk 1:2 Zoals ons is overgeleverd door hen, die vanaf het begin zelf aanschouwers en dienaars van het Woord geweest zijn;
Luk 1:3 Zo heeft het ook mij goed gedacht, alles vanaf het begin nauwkeurig onderzocht hebbende, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus!
Luk 1:4 Opdat gij moogt kennen de zekerheid van de dingen, waarvan gij onderwezen zijt.

Luk 1:5 In de dagen van Herodes, de koning van Judea, was er een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron, en haar naam Elizabet.
Luk 1:6 En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk.
Luk 1:7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden al ver op hun dagen gekomen waren.
Luk 1:8 En het geschiedde, dat, toen hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt van zijn dagorde,
Luk 1:9 naar de gewoonte van de priesterlijke bediening, hij door het lot was aangewezen, in te gaan in de tempel des Heeren om te reukofferen.
Luk 1:10 En de hele menigte van het volk was buiten, biddende, op het uur van het reukoffer.
Luk 1:11 En door hem werd een engel des Heeren gezien, staande ter rechterzijde van het reukofferaltaar.
Luk 1:12 En Zacharias, hem ziende, raakte ontroerd, en vrees is op hem gevallen.
Luk 1:13 Maar de engel zei tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.
Luk 1:14 En u zal blijdschap en vreugde zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.
Luk 1:15 Want hij zal groot zijn voor de Heere; wijn noch sterke drank zal hij drinken, en hij zal met de Heilige Geest vervuld worden, ook van zijn moeders lichaam aan.
Luk 1:16 En hij zal velen van de kinderen Israels bekeren tot de Heere, hun God.
Luk 1:17 En hij zal voor Hem heengaan, in de geest en de kracht van Elia, om de gezindheid der vaderen in de harten der kinderen te wekken, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid van de rechtvaardigen, om de Heere te bereiden een toegerust volk.
Luk 1:18 En Zacharias zei tot de engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is al ver op haar dagen gekomen.
Luk 1:19 En de engel antwoordde en zei tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.
Luk 1:20 En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op de dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; daarom, omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt, die vervuld zullen worden op hun tijd.

Luk 1:21 En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in de tempel.
Luk 1:22 En toen hij naar buiten kwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij begrepen, dat hij een gezicht in de tempel gezien had. Hij wenkte hun toe, en bleef stom.
Luk 1:23 En het geschiedde, toen de dagen van zijn bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.

Luk 1:24 En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende:
Luk 1:25 Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, waarin Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.

Luk 1:26 En in de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth;
Luk 1:27 Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit het huis van David; en de naam van de maagd was Maria.
Luk 1:28 En de engel ging haar huis binnen en zei: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen.
Luk 1:29 En toen zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overlegde, wat deze groet mocht betekenen.
Luk 1:30 En de engel zei tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.
Luk 1:31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten Jezus.
Luk 1:32 Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven.
Luk 1:33 En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
Luk 1:34 En Maria zei tot de engel: Hoe zal dat wezen, waar ik toch geen man beken?
Luk 1:35 En de engel, antwoordende, zei tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
Luk 1:36 En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelf bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
Luk 1:37 Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.
Luk 1:38 En Maria zei: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

Luk 1:39 En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Judea;
Luk 1:40 En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet.
Luk 1:41 En het geschiedde, toen Elizabet de groet van Maria hoorde, zo sprong het kindje op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met de Heilige Geest;
Luk 1:42 En riep uit met een luide stem, en zei: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw schoot!
Luk 1:43 En vanwaar komt mij dit, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt?
Luk 1:44 Want zie, toen de stem van uw groet in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindje van vreugde op in mijn buik.
Luk 1:45 En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.

Luk 1:46 En Maria zei: Mijn ziel maakt groot de Heere;
Luk 1:47 En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker;
Luk 1:48 Omdat Hij de lage staat van Zijn dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.
Luk 1:49 Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam.
Luk 1:50 En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.
Luk 1:51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten van hun harten.
Luk 1:52 Hij heeft machtigen van de troon gestoten, en nederigen heeft Hij verhoogd.
Luk 1:53 Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.
Luk 1:54 Hij heeft Israel, Zijn knecht, opgenomen, omdat Hij Zich Zijn barmhartigheid indachtig was.
Luk 1:55 Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad in eeuwigheid.
Luk 1:56 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weer tot haar huis.

Luk 1:57 En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zou, en zij baarde een zoon.
Luk 1:58 En die daar rondom woonden, en haar familieleden hoorden, dat de Heere Zijn barmhartigheid aan haar groot gemaakt had, en waren met haar verblijd.
Luk 1:59 En het geschiedde, dat zij op de achtste dag kwamen, om het kindje te besnijden, en noemden het Zacharias, naar de naam van zijn vader.
Luk 1:60 En zijn moeder antwoordde en zei: Niet alzo, maar hij zal Johannes heten.
Luk 1:61 En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw familie, die met die naam genaamd wordt.
Luk 1:62 En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genaamd zou worden.
Luk 1:63 En toen hij een schrijftablet gevraagd had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.
Luk 1:64 En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong losgemaakt; en hij sprak, God lovende.
Luk 1:65 En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het gehele gebergte van Judea werd veel gesproken over al deze dingen.
Luk 1:66 En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal er van dit kindje worden? En de hand des Heeren was met hem.

Luk 1:67 En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest, en profeteerde, zeggende:
Luk 1:68 Geloofd zij de Heere, de God van Israel, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht aan Zijn volk;
Luk 1:69 En heeft een hoorn van zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;
Luk 1:70 Gelijk Hij gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten, die vanaf het begin van de wereld geweest zijn;
Luk 1:71 Namelijk een verlossing van onze vijanden, en van de hand van al degenen, die ons haten;
Luk 1:72 Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en aan Zijn heilig verbond gedacht;
Luk 1:73 En aan de eed, die Hij Abraham, onze vader, gezworen heeft,
Luk 1:74 Dat Hij ons zou geven, verlost te worden uit de hand van onze vijanden, dat wij Hem dienen zouden zonder vrees.
Luk 1:75 In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven.
Luk 1:76
En gij, kindje, zult een profeet des Allerhoogste genaamd worden; want gij zult voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Zijn wegen te bereiden;
Luk 1:77 Om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven, in vergeving van hun zonden,
Luk 1:78 door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid van onze God, waarmee ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;
Luk 1:79
Om te verschijnen aan degenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood; om onze voeten te richten op de weg des vredes.
Luk 1:80 En het kindje groeide op, en werd gesterkt in de geest, en was in de woestijnen, tot de dag van zijn optreden in Israel.

Hoofdstuk 2
Luk 2:1 En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van de keizer Augustus, dat de hele wereld van het Romeinse rijk beschreven zou worden.
Luk 2:2 Deze eerste beschrijving geschiedde, toen Cyrenius over Syrië stadhouder was.
Luk 2:3 En zij gingen allen om beschreven te worden, een ieder naar zijn eigen stad.
Luk 2:4 En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, omdat hij uit het huis en geslacht van David was;
Luk 2:5 Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, die bevrucht was.

Luk 2:6 En het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou.
Luk 2:7 En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neer in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.
Luk 2:8 En er waren herders in diezelfde landstreek, zich ophoudende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde.
Luk 2:9 En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vrees.
Luk 2:10 En de engel zei tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al het volk wezen zal;
Luk 2:11 Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.
Luk 2:12 En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindje vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.
Luk 2:13 En plotseling was er bij de engel een menigte van de hemelse legermacht, prijzende God en zeggende:
Luk 2:14 Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
Luk 2:15 En het geschiedde, toen de engelen van hen weggegaan waren naar de hemel, dat de herders tot elkaar zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, dat de Heere ons heeft verkondigd.
Luk 2:16 En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindje liggende in de kribbe.
Luk 2:17 En toen zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun over dit Kindje gezegd was.
Luk 2:18 En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd door de herders.
Luk 2:19 Doch Maria bewaarde deze woorden alle tezamen, die overleggende in haar hart.
Luk 2:20 En de herders keerden wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.

Luk 2:21 En toen acht dagen vervuld waren, dat men het Kindje besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd Jezus, welke genaamd was door de engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
Luk 2:22 En toen de dagen van haar reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij Hem de Heere voorstelden;
Luk 2:23
Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal de Heere heilig genaamd worden.
Luk 2:24
En opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren voorgeschreven is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.

Luk 2:25 En ziet, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze man was rechtvaardig en godvrezend; verwachtende de vertroosting Israels, en de Heilige Geest was op hem.
Luk 2:26 En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zien zou, eer hij de Christus des Heeren zou zien.
Luk 2:27 En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het Kindje Jezus in de tempel brachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen;
Luk 2:28 Zo nam hij Het in zijn armen, en loofde God, en zei:
Luk 2:29 Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord;
Luk 2:30 Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,
Luk 2:31 Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken:
Luk 2:32
Een Licht tot verlichting van de heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israel.
Luk 2:33 En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen over Hem gezegd werd.
Luk 2:34 En Simeon zegende hen, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israel, en tot een teken, dat tegengesproken zal worden.
Luk 2:35 -En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan- opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.
Luk 2:36 En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuel, uit de stam van Aser; deze was tot hoge ouderdom gekomen, die met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af.
Luk 2:37 En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaar, die niet week uit de tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag.
Luk 2:38 En deze, op datzelfde uur daarbij komende, heeft insgelijks de Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.
Luk 2:39 En toen zij alles voleindigd hadden, wat naar de wet des Heeren te doen was, keerden zij weer naar Galilea, tot hun stad Nazareth.

Luk 2:40 En het Kindje groeide op, en werd gesterkt in de geest, en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over Hem.
Luk 2:41 En Zijn ouders reisden elk jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha.
Luk 2:42 En toen Hij twaalf jaar oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van het feest;
Luk 2:43 En de dagen aldaar voleindigd hadden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem toen zij weerkeerden, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.
Luk 2:44 Maar menende, dat Hij in het gezelschap onderweg was, gingen zij een dagreis, en zochten Hem onder de familie, en onder de bekenden.
Luk 2:45 En toen zij Hem niet vonden, keerden zij weer naar Jeruzalem, Hem zoekende.
Luk 2:46 En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in de tempel, zittende in het midden van de leraren, hen horende, en hen ondervragende.
Luk 2:47 En allen, die Hem hoorden, stonden versteld over Zijn verstand en antwoorden.
Luk 2:48 En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zei tot Hem: Kind! waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.
Luk 2:49 En Hij zei tot hen: Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader?
Luk 2:50 En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.
Luk 2:51 En Hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.
Luk 2:52 En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen.

Hoofdstuk 3
Luk 3:1 En in het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes Antipas een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broer, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene;
Luk 3:2 Onder de hogepriesters Annas en Kajafas,
geschiedde het Woord van God tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de wildernis.
Luk 3:3 En hij kwam in al het omliggende land van de Jordaan, predikende de doop van bekering tot vergeving der zonden.
Luk 3:4
Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roepende in de wildernis: Bereidt de weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Luk 3:5 Elk dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot een rechte weg worden, en de oneffen tot effen wegen.
Luk 3:6 En alle vlees zal de zaligheid Gods zien.
Luk 3:7 Hij zei dan tot de scharen, die uitkwamen, om door hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen de toekomende toorn te ontvluchten?
Luk 3:8 Brengt dan vruchten voort de bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelf: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.
Luk 3:9 En de bijl ligt ook al aan de wortel van de bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen.
Luk 3:10 En de scharen vroegen hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen?
Luk 3:11 En hij, antwoordende, zei tot hen: Die twee mantels heeft, dele hem mede, die geen heeft; en die spijze heeft, doe desgelijks.
Luk 3:12 En er kwamen ook tollenaren om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester! wat zullen wij doen?
Luk 3:13 En hij zei tot hen: Eist niet meer, dan hetgeen u voorgeschreven is.
Luk 3:14 En hem vroegen ook de soldaten, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zei tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne door bedrog of geweld, en stelt u tevreden met uw bezoldiging.
Luk 3:15 En toen het volk in afwachting was, en allen in hun harten overlegden over Johannes, of hij niet mogelijk de Christus was;
Luk 3:16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Die ik niet waardig ben de riem van Zijn sandalen te ontbinden; Deze zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur;
Luk 3:17 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en de tarwe zal Hij in Zijn schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij met onuitblusbaar vuur verbranden.
Luk 3:18 Hij dan, ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde het volk het Evangelie.

Luk 3:19 Maar toen Herodes, de viervorst door hem bestraft werd, om Herodias' wil, de vrouw van Filippus, zijn broer, en over alle boze dingen, die Herodes deed,
Luk 3:20 Zo heeft hij ook dit nog boven alles daar toegedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft.

Luk 3:21 En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus ook gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd;
Luk 3:22
En dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk een duif; en dat er een stem geschiedde uit de hemel, zeggende: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!
Luk 3:23 En Hij, Jezus, was omtrent dertig jaar oud, zijnde -alzo men meende- de zoon van Jozef, de zoon van Heli,
Luk 3:24 De zoon van Matthat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef,
Luk 3:25 De zoon van Mattathias, de zoon van Amos, de zoon van Naüm, de zoon van Esli, de zoon van Naggaï,
Luk 3:26 De zoon van Maäth, de zoon van Mattathias, de zoon van Semeï, de zoon van Jozef, de zoon van Juda,
Luk 3:27 De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de zoon van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de zoon van Neri,
Luk 3:28 De zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmodam, de zoon van Er,
Luk 3:29 De zoon van Joses, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Matthat, de zoon van Levi,
Luk 3:30 De zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de zoon van Jonan, de zoon van Eljakim,
Luk 3:31 De zoon van Meleas, de zoon van Maïnan, de zoon van Mattatha, de zoon van Nathan, de zoon van David,
Luk 3:32 De zoon van Isaï, de zoon van Obed, de zoon van Boaz, de zoon van Salmon, de zoon van Nahesson,
Luk 3:33 De zoon van Aminadab, de zoon van Aram, de zoon van Esrom, de zoon van Fares, de zoon van Juda,
Luk 3:34 De zoon van Jakob, de zoon van Izaäk, de zoon van Abraham, de zoon van Terah, de zoon van Nahor,
Luk 3:35 De zoon van Serug, de zoon van Rehu, de zoon van Peleg, de zoon van Heber, de zoon van Selah,
Luk 3:36 De zoon van Kainan, de zoon van Arfachsad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech,
Luk 3:37 De zoon van Methusalah, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan,
Luk 3:38 De zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam, de zoon van God.

Hoofdstuk 4
Luk 4:1 En Jezus, vol van de Heilige Geest, keerde wederom van de Jordaan, en werd door de Geest geleid in de woestijn;
Luk 4:2 En werd veertig dagen verzocht door de duivel; en at geheel niet in die dagen, en toen deze voorbij waren, had Hij honger.
Luk 4:3 En de duivel zei tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot deze steen, dat hij brood wordt.
Luk 4:4
En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord van God.
Luk 4:5 En toen de duivel Hem op een hoge berg gebracht had, toonde hij Hem al de koninkrijken van de wereld, in een ogenblik tijd.
Luk 4:6 En de duivel zei tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid van deze koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wie ik ook wil;
Luk 4:7 Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles van U zijn.
Luk 4:8
En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: Gij zult de Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.
Luk 4:9 En hij leidde Hem naar Jeruzalem, en stelde Hem op de rand van het dak van de tempel, en zei tot Hem: Indien Gij de Zoon van God zijt, werp Uzelf van hier naar beneden;
Luk 4:10
Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen.
Luk 4:11 En dat zij U op de handen dragen zullen, opdat Gij Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.
Luk 4:12
En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Er is gezegd: Gij zult de Heere, uw God, niet verzoeken.
Luk 4:13 En toen de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem voor een tijd.

Luk 4:14 En Jezus keerde wederom, door de kracht des Geestes, naar Galilea; en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.
Luk 4:15 En Hij leerde in hun synagogen, en werd door allen geprezen.
Luk 4:16 En Hij kwam te Nazareth, waar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op de dag van de sabbat in de synagoge; en stond op om te lezen.
Luk 4:17 En Hem werd gegeven de boekrol van de profeet Jesaja; en toen Hij de boekrol opengedaan had, vond Hij de plaatsen, waar geschreven was:
Luk 4:18
De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart;
Luk 4:19 Om de gevangenen te prediken loslating, en de blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren.
Luk 4:20 En toen Hij de boekrol toegedaan en de dienaar teruggegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht.
Luk 4:21 En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld.
Luk 4:22 En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond kwamen; en zeiden: Is deze niet de Zoon van Jozef?
Luk 4:23 En Hij zei tot hen: Gij zult zonder twijfel tot Mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester! genees Uzelf; al wat wij gehoord hebben, dat in Kapernaüm geschied is, doe dat ook hier in Uw vaderstad.
Luk 4:24 En Hij zei: Voorwaar Ik zeg u, dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderstad.
Luk 4:25
Maar Ik zeg u naar waarheid: Er waren vele weduwen in Israel in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het gehele land.
Luk 4:26 En tot geen van hen werd Elia gezonden, dan naar Sarepta Sidonis, tot een vrouw, die weduwe was.
Luk 4:27
En er waren vele melaatsen in Israel, ten tijde van de profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naäman, de Syriër.
Luk 4:28 En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, toen zij dit hoorden.
Luk 4:29 En opstaande, wierpen zij Hem uit, buiten de stad, en brachten Hem op de top van de berg, waarop hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen.
Luk 4:30 Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg.

Luk 4:31 En Hij kwam af te Kapernaüm, een stad van Galilea, en leerde hen op de sabbatdagen.
Luk 4:32 En zij stonden versteld over Zijn leer, want Zijn woord was met macht.
Luk 4:33 En in de synagoge was een mens, hebbende een geest van een onreine demon; en hij riep uit met luide stem,
Luk 4:34 Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazarener? Zijt Gij gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.
Luk 4:35 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga van hem uit. En de demon, hem in het midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen.
Luk 4:36 En er kwam verbaasdheid over allen; en zij spraken samen tot elkaar, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht de onreine geesten gebiedt, en zij varen uit?
Luk 4:37 En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen van het omliggende land.
Luk 4:38 En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en de moeder van Simons vrouw was door hoge koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.
Luk 4:39 En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende hen.
Luk 4:40 En toen de zon onderging, brachten allen, die zieken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, die tot Hem, en Hij legde een ieder van hen de handen op, en genas hen.
Luk 4:41 En er voeren ook demonen uit van velen, roepende en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zoon Gods! En hen bestraffende, liet Hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was.
Luk 4:42 En toen het dag werd, ging Hij uit, en trok naar een eenzame plaats; en de scharen zochten Hem, en kwamen tot Hem, en wilden Hem tegenhouden, dat Hij van hen niet zou weggaan.
Luk 4:43 Maar Hij zei tot hen: Ik moet ook andere steden het Evangelie van het koninkrijk van God verkondigen; want daartoe ben Ik uitgezonden.
Luk 4:44 En Hij predikte in de synagogen van Galilea.

Hoofdstuk 5
Luk 5:1 En het geschiedde, toen de schare op Hem aandrong, om het Woord van God te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.
Luk 5:2 En Hij zag twee boten aan de oever van het meer liggen, en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten.
Luk 5:3 En Hij ging in één van die boten, dat van Simon was, en vroeg hem een weinig van het land af te steken; en nederzittende, leerde Hij de scharen vanuit de boot.
Luk 5:4 En toen Hij ophield met spreken, zei Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.
Luk 5:5 En Simon antwoordde en zei tot Hem: Meester, wij hebben de hele nacht gewerkt, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen.
Luk 5:6 En toen zij dat gedaan hadden, vingen zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.
Luk 5:7 En zij wenkten hun medewerkers, die in de andere boot waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide boten, zodat zij bijna zonken.
Luk 5:8 En Simon Petrus, dat ziende, viel neer aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.
Luk 5:9 Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst van de vissen, die zij gevangen hadden;
Luk 5:10 En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die medewerkers van Simon waren. En Jezus zei tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.
Luk 5:11 En toen zij de boten aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.
Luk 5:12 En het geschiedde, toen Hij in één van die steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
Luk 5:13 En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zei: Ik wil, word gereinigd! En terstond ging de melaatsheid van hem.
Luk 5:14
En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zei Hij, toon uzelf de priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
Luk 5:15 Maar het gerucht van Hem ging te meer uit; en vele scharen kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun ziekten.
Luk 5:16 Maar Hij vertrok naar een eenzame plaats, en bad aldaar.

Luk 5:17 En het geschiedde in één van die dagen, dat Hij leerde, en er zaten Farizeeën en leraars van de wet, die van alle dorpen van Galilea, en Judea, en van Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was er om hen te genezen.
Luk 5:18 En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die verlamd was, en zochten hem binnen te brengen, en voor Hem te leggen.
Luk 5:19 En omdat zij niet konden vinden, hoe zij hem naar binnen konden brengen, vanwege de schare, klommen zij op het dak, en lieten hem door de tegels neer met het bed, in het midden, voor Jezus.
Luk 5:20 En Hij ziende hun geloof, zei tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven.
Luk 5:21 En de Schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die godslastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen?
Luk 5:22 Maar Jezus, hun overdenkingen kennende, antwoordde en zei tot hen: Wat overdenkt gij in uw harten?
Luk 5:23 Wat is makkelijker te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?
Luk 5:24 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonde te vergeven -zei Hij tot de geraakte-: Ik zeg u, sta op, en neem uw bed op, en ga heen naar uw huis.
Luk 5:25 En hij, terstond voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen, waar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende.
Luk 5:26 En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees, zeggende: Wij hebben heden ongelooflijke dingen gezien.

Luk 5:27 En hierna ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij.
Luk 5:28 En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem.
Luk 5:29 En Levi richtte Hem een grote maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten.
Luk 5:30 En de Schriftgeleerden en Farizeeën murmureerden tegen Zijn discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren?
Luk 5:31 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet nodig, maar die ziek zijn.
Luk 5:32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.
Luk 5:33 En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls, en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen van de Farizeeën, maar de Uwe eten en drinken?
Luk 5:34 Doch Hij zei tot hen: Kunt gij de bruiloftsgasten, terwijl de Bruidegom bij hen is, laten vasten?
Luk 5:35 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen.
Luk 5:36 En Hij zei ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders zo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen.
Luk 5:37 En niemand doet nieuwe wijn in oude leren zakken; anders zo zal de nieuwe wijn de leren zakken doen barsten, en de wijn zal uitgestort worden, en de leren zakken zullen bederven.
Luk 5:38 Maar nieuwe wijn moet men in nieuwe leren zakken doen, en zij worden beide tezamen behouden.
Luk 5:39 En niemand, die oude drinkt, begeert terstond nieuwe; want hij zegt: De oude is beter.

Hoofdstuk 6
Luk 6:1 En het geschiedde op de tweede eerste sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.
Luk 6:2 En sommigen van de Farizeeën zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?
Luk 6:3
En Jezus, hun antwoordende, zei: Hebt gij ook dat niet gelezen, wat David deed, toen hij honger had, en zij, die met hem waren?
Luk 6:4 Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven aan hen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen de priesters.
Luk 6:5 En Hij zei tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van de sabbat.

Luk 6:6 En het geschiedde ook op een andere sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was verdord.
Luk 6:7 En de Schriftgeleerden en de Farizeeën letten op Hem, of Hij op de sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden.
Luk 6:8 Doch Hij kende hun gedachten, en zei tot de mens, met de verdorde hand: Sta op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind.
Luk 6:9 Zo zei dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven?
Luk 6:10 En hen allen rondom aangezien hebbende, zei Hij tot de mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
Luk 6:11 En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkaar, wat zij Jezus doen zouden.

Luk 6:12 En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar de berg, om te bidden, en Hij bleef de nacht over in het gebed tot God.
Luk 6:13 En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
Luk 6:14 Namelijk Simon, die Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broer, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs;
Luk 6:15 Mattheüs en Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon genaamd Zelotes;
Luk 6:16 Judas Jakobi, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
Luk 6:17 En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare van Zijn discipelen, en een grote menigte van het volk van heel Judea en Jeruzalem, en van de zeekant van Tyrus en Sidon;
Luk 6:18
Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen.
Luk 6:19 En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.
Luk 6:20 En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zei: Zalig zijt gij, armen, want u behoort het koninkrijk van God.
Luk 6:21 Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
Luk 6:22 Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u verstoten, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, omwille van de Zoon des mensen.
Luk 6:23 Verblijdt u in die dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in de hemel; want hun vaders deden desgelijks de profeten.
Luk 6:24 Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost al.
Luk 6:25 Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen.
Luk 6:26 Wee u, wanneer al de mensen wèl van u spreken, want hun vaders deden desgelijks de valse profeten.
Luk 6:27 Maar Ik zeg u, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen, die u haten.
Luk 6:28 Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen.
Luk 6:29 Degene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en degene, die u het overkleed neemt, verhindert ook het onderkleed niet te nemen.
Luk 6:30 Maar geeft een ieder, die van u begeert; en van degene, die het uwe neemt, eist niet terug.
Luk 6:31 En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook evenzo.
Luk 6:32 En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaren hebben lief degenen, die hen liefhebben.
Luk 6:33 En indien gij goed doet degenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaren doen hetzelfde.
Luk 6:34 En indien gij leent aan degenen, van welke gij hoopt weer te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaren lenen de zondaren, opdat zij evenzo weer mogen ontvangen.
Luk 6:35 Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weer te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren ook over de ondankbaren en bozen.
Luk 6:36 Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.
Luk 6:37 En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; veroordeelt niet, en gij zult niet veroordeeld worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.
Luk 6:38 Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmee gij meet, zult gij wedergemeten worden.
Luk 6:39 En Hij zei tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op de weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?
Luk 6:40 De discipel is niet boven zijn meester; maar een ieder volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.
Luk 6:41 En wat ziet gij de splinter, die in het oog van uw broeder is, en de balk, die in uw eigen oog is, bemerkt gij niet?
Luk 6:42 Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik de splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf de balk, die in uw oog is, niet ziet? Gij huichelaar! doe eerst de balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om de splinter uit te doen, die in het oog van uw broeder is.
Luk 6:43 Het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt;
Luk 6:44 Want iedere boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen.
Luk 6:45 De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart; en de kwade mens brengt het kwade voort uit de kwade schat van zijn hart; want uit de overvloed van het hart spreekt zijn mond.
Luk 6:46 En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?
Luk 6:47 Een ieder, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en die doet, Ik zal u tonen, wie hij gelijk is.
Luk 6:48 Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en legde het fundament op een steenrots; toen nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gefundeerd.
Luk 6:49 Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fundament; waar de waterstroom tegen aansloeg, en het viel terstond, en de val van dat huis was groot.

Hoofdstuk 7
Luk 7:1 Nadat Hij nu al Zijn woorden geëindigd had, ten aanhore van het volk, ging Hij in te Kapernaüm.
Luk 7:2 En een dienstknecht van een hoofdman over honderd, die hem dierbaar was, ziek zijnde, lag op sterven.
Luk 7:3 En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de oudsten van de Joden, Hem biddend, dat Hij wilde komen, en zijn dienstknecht gezond maken.
Luk 7:4 Dezen nu, tot Jezus gekomen zijnde, vroegen Hem dringend, zeggende: Hij is waardig, dat Gij hem dat doet;
Luk 7:5 Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd.
Luk 7:6 En Jezus ging met hen. En toen Hij nu niet ver van het huis meer was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zei tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.
Luk 7:7 Daarom heb ik ook mijzelf niet waardig geacht, om tot U te komen; maar zeg het met één woord, en mijn knecht zal genezen worden.
Luk 7:8 Want ik ben ook een mens, onder de macht van anderen gesteld, hebbende soldaten onder mij, en ik zeg tot deze: Ga, en hij gaat; en tot de andere: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.
Luk 7:9 En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zei tot de schare, die Hem volgde: Ik zeg u: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israel niet gevonden.
Luk 7:10 En die gezonden waren, teruggekeerd zijnde in het huis, vonden de zieke dienstknecht gezond.

Luk 7:11 En het geschiedde op de volgende dag, dat Hij naar een stad ging, genaamd Nain, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote schare.
Luk 7:12 En toen Hij de poort van de stad naderde, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon van zijn moeder was, en zij was weduwe en een grote schare van de stad was met haar.
Luk 7:13 En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zei tot haar: Ween niet.
Luk 7:14 En Hij ging toe, en raakte de baar aan; -de dragers nu stonden stil- en Hij zei: Jongeman, Ik zeg u, sta op!
Luk 7:15 En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.
Luk 7:16 En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht.
Luk 7:17 En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land.

Luk 7:18 En de discipelen van Johannes boodschapten hem over al deze dingen.
Luk 7:19 En Johannes, twee van zijn discipelen tot zich geroepen hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een andere?
Luk 7:20 En toen de mannen tot Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons tot U gezonden, zeggende: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een andere?
Luk 7:21 En in datzelfde uur genas Hij er velen van ziekten en kwalen, en boze geesten; en vele blinden gaf Hij het gezicht.
Luk 7:22
En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Gaat heen, en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, de armen het Evangelie verkondigd wordt.
Luk 7:23 En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Luk 7:24 Toen nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tot de scharen van Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de wildernis te aanschouwen? Een riet, dat door de wind heen en weer bewogen wordt?
Luk 7:25 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens, met zachte klederen bekleed? Ziet, die in prachtige kleding en weelde zijn, die zijn in de koninklijke hoven.
Luk 7:26 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.
Luk 7:27
Deze is het, van wie geschreven is: Ziet, Ik zend Mijn engel voor uw aangezicht, die Uw weg voor U uit bereiden zal.
Luk 7:28 Want Ik zeg u: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand groter profeet, dan Johannes de Doper; maar de minste in het Koninkrijk van God is meerder dan hij.
Luk 7:29 En al het volk, Hem horende, en de tollenaren, die met de doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God.
Luk 7:30 Maar de Farizeeën en de wetgeleerden hebben de raad Gods tegen zichzelf verworpen, door hem niet gedoopt zijnde.
Luk 7:31 En de Heere zei: Bij wie zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken, en wie zijn zij gelijk?
Luk 7:32 Zij zijn gelijk aan de kinderen, die op de markt zitten, en elkaar toeroepen, en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend.
Luk 7:33 Want Johannes de Doper is gekomen, noch brood etende, noch wijn drinkende; en gij zegt: Hij heeft een demon.
Luk 7:34 De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en gij zegt: Ziet daar, een Mens, Die een gulzigaard en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren.
Luk 7:35 Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van al haar kinderen.

Luk 7:36 En één van de Farizeeën vroeg Hem, dat Hij met hem zou eten; en ingegaan zijnde in het huis van de Farizeeër, lag Hij aan.
Luk 7:37 En ziet, een vrouw in de stad, die een zondares was, verstaande, dat Hij in het huis van de Farizeeër aanlag, bracht een albasten kruik met zalf.
Luk 7:38 En staande achter Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf.
Luk 7:39 En de Farizeeër, die Hem genodigd had, dat ziende, sprak bij zichzelf, zeggende: Deze, indien Hij een profeet was, zou wel weten, wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares.
Luk 7:40 En Jezus antwoordende, zei tot hem: Simon! Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester! zeg het.
Luk 7:41 Jezus zei: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de één was schuldig vijfhonderd penningen, en de andere vijftig;
Luk 7:42 En toen zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van dezen zal hem meer liefhebben?
Luk 7:43 En Simon, antwoordende, zei: Ik acht, dat hij het is, die hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zei tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.
Luk 7:44 En Hij, Zich omkerende naar de vrouw, zei tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gij niet tot Mijn voeten gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd afgedroogd.
Luk 7:45 Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet opgehouden Mijn voeten te kussen.
Luk 7:46 Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.
Luk 7:47 Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar die weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.
Luk 7:48 En Hij zei tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.
Luk 7:49 En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelf: Wie is Deze, Die ook de zonden vergeeft?
Luk 7:50 Maar Hij zei tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.

Hoofdstuk 8
Luk 8:1 En het geschiedde daarna, dat Hij reisde naar elke stad en elk dorp, predikende en verkondigende het Evangelie van het koninkrijk van God; en de twaalven waren met Hem;
Luk 8:2 En sommige vrouwen, die van boze geesten en krankheden genezen waren, namelijk Maria, genaamd Magdalena, van welke zeven demonen uitgegaan waren;
Luk 8:3 En Johanna, de huisvrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van hun goederen.
Luk 8:4 Toen nu een grote schare zich verzamelde, en zij van alle steden tot Hem kwamen, zo zei Hij door gelijkenis:
Luk 8:5 Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien; en toen hij zaaide, viel het ene deel bij de weg, en werd vertreden, en de vogels van de hemel aten het op.
Luk 8:6 En een ander deel viel op een rots, en opgegroeid zijnde, is het verdord, omdat het geen vocht had.
Luk 8:7 En een ander deel viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opgroeiende, verstikten het.
Luk 8:8 En een ander deel viel op de goede aarde, en opgegroeid zijnde, bracht het honderdvoudig vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft, om te horen, die hore.

Luk 8:9 En Zijn discipelen vroegen Hem, zeggende: Wat wil deze gelijkenis zeggen?
Luk 8:10
En Hij zei: U is het gegeven, de verborgenheden van het koninkrijk van God te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan.
Luk 8:11 Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God.
Luk 8:12 En die bij de weg bezaaid worden, zijn dezen, die horen; daarna komt de duivel, en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven, en zalig worden.
Luk 8:13 En die op de rots gezaaid worden, zijn dezen, die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en dezen hebben geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in de tijd van verzoeking wijken zij af.
Luk 8:14 En dat in de doornen valt, zijn dezen, die gehoord hebben, en heengaande verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en wellusten van het leven, en voldragen geen vrucht.
Luk 8:15 En dat in de goede aarde valt, zijn dezen, die, het Woord gehoord hebbende, het in een eerlijk en goed hart bewaren, en in standvastigheid vruchten voortbrengen.
Luk 8:16 En niemand, die een lamp aansteekt, bedekt die met een vat, of zet het onder een bed; maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.
Luk 8:17 Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen.
Luk 8:18 Ziet dan toe, hoe gij hoort; want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben, zal van hem genomen worden.
Luk 8:19 En Zijn moeder en Zijn broers kwamen tot Hem, en konden bij Hem niet komen, vanwege de schare.
Luk 8:20 En Hem werd geboodschapt door enigen, die zeiden: Uw moeder en Uw broers staan daar buiten, die U begeren te zien.
Luk 8:21 Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Mijn moeder en Mijn broers zijn zij, die het Woord van God horen, en het doen.

Luk 8:22 En het geschiedde in één van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zei tot hen: Laat ons overvaren naar de andere zijde van het meer. En zij staken af.
Luk 8:23 En terwijl zij voeren, viel Hij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meer, en zij raakten vol water, en waren in nood.
Luk 8:24 En zij gingen tot Hem, en wekten Hem, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte de wind en de watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte.
Luk 8:25 En Hij zei tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkaar: Wie is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam?
Luk 8:26 En zij voeren voort naar het land van de Gadarenen, dat tegenover Galilea is.

Luk 8:27 En toen Hij aan land gegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die al lange tijd door demonen was bezeten; en met geen klederen gekleed was, en bleef in geen huis, maar in de graven.
Luk 8:28 En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor Hem neer, en zei met luide stem: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zoon van God, de Allerhoogste, ik bid U, dat Gij mij niet pijnigt!
Luk 8:29 Want Hij had de onreine geest geboden, dat hij van de mens zou uitvaren; want hij had hem lange tijd gevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd door de demonen in de wildernissen gedreven.
Luk 8:30 En Jezus vroeg hem, zeggende: Wat is uw naam? En hij zei: Legio. Want vele demonen waren in hem gevaren.
Luk 8:31
En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in de afgrond heen te varen.
Luk 8:32 En aldaar was een kudde van vele zwijnen, weidende op de berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in hen te varen. En Hij liet het hun toe.
Luk 8:33 En de demonen, uitvarende van de mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en verdronk.
Luk 8:34 En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht; en heengaande boodschapten het in de stad, en op het land.
Luk 8:35 En zij gingen uit, om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden de mens, van wie de demonen uitgevaren waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wèl bij zijn verstand; en zij werden bevreesd.
Luk 8:36 En ook, die het gezien hadden, vertelden hun, hoe de bezetene was verlost geworden.
Luk 8:37 En de hele menigte van het omliggende land van de Gadarenen bad Hem, dat Hij van hen wegging; want zij waren met grote vrees bevangen. En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde wederom.
Luk 8:38 En de man, van wie de demonen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende:
Luk 8:39 Keer weer naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door de hele stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had.

Luk 8:40 En het geschiedde, toen Jezus wederkeerde, dat Hem de schare ontving; want zij waren allen Hem verwachtende.
Luk 8:41 En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste van de synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen.
Luk 8:42 Want hij had een enige dochter, van ongeveer twaalf jaar, en deze lag op sterven. En toen Hij heenging, zo verdrongen Hem de scharen.
Luk 8:43 En een vrouw, die twaalf jaren lang aan bloedvloeiing geleden had, die al haar inkomen aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en door niemand had kunnen genezen worden,
Luk 8:44 Van achteren tot Hem komende, raakte de zoom van Zijn kleed aan; en terstond stelpte de vloed van haar bloed.
Luk 8:45 En Jezus zei: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En toen zij het allen ontkenden, zei Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen U, en zegt Gij: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft?
Luk 8:46 En Jezus zei: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is.
Luk 8:47 De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem neervallende, verklaarde Hem voor al het volk, waarom zij Hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was.
Luk 8:48 En Hij zei tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.
Luk 8:49 Terwijl Hij nog sprak, kwam er iemand van het huis van de overste der synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; zijt de Meester niet lastig.
Luk 8:50 Maar Jezus, dat horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet, geloof alleen, en zij zal behouden worden.
Luk 8:51 En toen Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en de vader en de moeder van het kind.
Luk 8:52 En zij weenden allen, en maakten misbaar over haar. En Hij zei: Weent niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt.
Luk 8:53 En zij lachten Hem uit, wetende, dat zij gestorven was.
Luk 8:54 Maar toen Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op!
Luk 8:55 En haar geest keerde weer, en zij is terstond opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zou.
Luk 8:56 En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was.

Hoofdstuk 9
Luk 9:1 En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de demonen, en om ziekten te genezen.
Luk 9:2 En Hij zond hen heen, om te prediken het koninkrijk van God, en de zieken gezond te maken.
Luk 9:3 En Hij zei tot hen: Neemt niets mee onderweg, noch staven, noch knapzak, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee mantels hebben.
Luk 9:4 En in wat voor huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit.
Luk 9:5 En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.
Luk 9:6 En zij, uitgaande, gingen al de dorpen door, verkondigende het Evangelie, en genezende de zieken overal.

Luk 9:7 En Herodes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat door sommigen gezegd werd, dat Johannes van de doden was opgestaan.
Luk 9:8 En door sommigen, dat Elias verschenen was; en door anderen, dat een profeet van de ouden was opgestaan.
Luk 9:9 En Herodes zei: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu Deze, van Wie ik zulke dingen hoor? En hij zocht Hem te zien.
Luk 9:10 En de apostelen, weergekeerd zijnde, vertelden Hem al wat zij gedaan hadden. En Hij nam hen mee en vertrok alleen in een woeste plaats bij de stad, genaamd Bethsaida.
Luk 9:11 En de scharen, dat verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het koninkrijk van God; en die genezing nodig hadden, maakte Hij gezond.
Luk 9:12 En toen de dag ten einde liep, kwamen de twaalven en zeiden tot Hem: Laat de schare van U gaan, opdat zij, heengaande in de omliggende plaatsen en dorpen, onderdak en voedsel vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats.
Luk 9:13 Maar Hij zei tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en voedsel kopen voor al dit volk;
Luk 9:14 Want er waren omtrent vijf duizend mannen. Doch Hij zei tot Zijn discipelen: Doet hen neerzitten in groepen, elk van vijftig.
Luk 9:15 En zij deden alzo, en deden hen allen neerzitten.
Luk 9:16 En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op naar de hemel, en zegende die, en brak ze, en gaf ze de discipelen, om aan de schare voor te leggen.
Luk 9:17 En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen, hetgeen hun van de brokken overgebleven was, twaalf korven.

Luk 9:18 En het geschiedde, toen Hij alleen was biddende, dat de discipelen met Hem waren, en Hij vroeg hen, zeggende: Wie zeggen de scharen, dat Ik ben?
Luk 9:19 En zij, antwoordende, zeiden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Dat enig profeet van de ouden opgestaan is.
Luk 9:20 En Hij zei tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zei: De Messias van God.
Luk 9:21 En Hij gebood hun dringend en beval, dat zij dit niemand zeggen zouden;
Luk 9:22 Zeggende: De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden door de oudsten, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en ten derde dage opgewekt worden.
Luk 9:23 En Hij zei tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.
Luk 9:24 Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden.
Luk 9:25 Want wat baat het een mens, die de gehele wereld zou winnen, en zichzelf verliezen, of verbeuren?
Luk 9:26 Want zo wie zich voor Mij en Mijn woorden zal geschaamd hebben, voor die zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en in de heerlijkheid van de Vader en de heilige engelen.
Luk 9:27 En Ik zeg u waarlijk: Er zijn sommigen van hen, die hier staan, die de dood niet zullen smaken, totdat zij het koninkrijk van God zullen gezien hebben.
Luk 9:28 En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij meenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op de berg, om te bidden.
Luk 9:29 En toen Hij bad, werd de gedaante van Zijn aangezicht veranderd, en Zijn kleding wit en zeer blinkende.
Luk 9:30 En ziet, twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en Elia.
Luk 9:31 Die, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, die Hij zou volbrengen te Jeruzalem.  *)
Luk 9:32 Petrus nu, en die met hem waren, waren door slaap bevangen; en ontwaakt zijnde, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden.
Luk 9:33 En het geschiedde, toen zij Hem verlieten, zo zei Petrus tot Jezus: Meester, het is goed, dat wij hier zijn; en laat ons drie tabernakelen maken, voor U één, en voor Mozes één, en voor Elia één; niet wetende, wat hij zei.
Luk 9:34 toen hij nu dit zei, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, toen die de wolk ingingen.
Luk 9:35
En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem!
Luk 9:36 En toen de stem geschiedde, zo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden.

Luk 9:37 En het geschiedde de dag daarna, toen zij van de berg afkwamen, dat Hem een grote schare tegemoet kwam.
Luk 9:38 En ziet, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid U, zie toch mijn zoon aan; want hij is mij een eniggeborene.
Luk 9:39 En zie, een geest neemt hem, en dan schreeuwt hij het uit, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem.
Luk 9:40 En ik heb Uw discipelen gevraagd, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.
Luk 9:41 En Jezus, antwoordende, zei: O ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn, en u verdragen? Breng uw zoon hier.
Luk 9:42 En nog, toen hij naar Hem toekwam, wierp de demon hem op de grond, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte de onreine geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weer.
Luk 9:43 En zij werden allen ontzet over de heerlijkheid Gods. En toen zij allen zich verwonderden over al de dingen, die Jezus gedaan had, zei Hij tot Zijn discipelen:
Luk 9:44 Knoopt gij deze woorden in uw oren: Want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van mensen.
Luk 9:45 Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden Hem dat woord te vragen.
Luk 9:46 En er rees een overlegging onder hen, namelijk, wie van hen de meeste was.
Luk 9:47 Maar Jezus, inziende de overlegging van hun harten, nam een kind, en stelde dat bij Zich;
Luk 9:48 En zei tot hen: Zo wie dit kind ontvangen zal in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij ontvangen zal, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn.
Luk 9:49 En Johannes antwoordde en zei: Meester! wij hebben iemand gezien, die in Uw Naam de demonen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U met ons niet volgt.
Luk 9:50 En Jezus zei tot hem: Verbied het niet; want wie tegen ons niet is, die is voor ons.

Luk 9:51 En het geschiedde, toen de dagen van Zijn opname vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht vastberaden, om naar Jeruzalem te reizen.
Luk 9:52 En Hij zond boden uit voor Zijn aangezicht; en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een dorp van de Samaritanen, om voor Hem een verblijf te bereiden.
Luk 9:53 En zij ontvingen Hem niet, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.
Luk 9:54
Toen nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van de hemel neerdaalt, en dezen verslindt, gelijk ook Elia gedaan heeft?
Luk 9:55 Maar Zich omkerende, bestrafte Hij hen, en zei: Gij weet niet van hoedanige geest gij zijt.
Luk 9:56 Want de Zoon des mensen is niet gekomen om de zielen der mensen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander dorp.
Luk 9:57 En het geschiedde op de weg, toen zij reisden, dat iemand tot Hem zei: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.
Luk 9:58 En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen, en de vogels van de hemel nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd neerleggen zal.
Luk 9:59 En Hij zei tot een ander: Volg Mij. Doch hij zei: Heere, laat mij toe, dat ik heenga, en eerst mijn vader begraaf.
Luk 9:60 Maar Jezus zei tot hem: Laat de doden hun doden begraven; doch gij, ga heen en verkondig het koninkrijk van God.
Luk 9:61 En ook een ander zei: Heere, ik zal U volgen; maar laat mij eerst toe, dat ik afscheid neem van degenen, die in mijn huis zijn.
Luk 9:62 En Jezus zei tot hem: Niemand, die zijn hand aan de ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het koninkrijk van God.

Hoofdstuk 10
Luk 10:1 En hierna stelde de Heere nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee aan twee, in iedere stad en plaats, waar Hij komen zou.
Luk 10:2 Hij zei dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom, bidt de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstoot.
Luk 10:3 Gaat heen; ziet, Ik zend u als lammeren in het midden van de wolven.
Luk 10:4 Draagt geen buidel, noch knapzak, noch sandalen; en groet niemand op de weg.
Luk 10:5 En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dit huis!
Luk 10:6 En indien aldaar een zoon des vredes is, zo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zo zal uw vrede tot u weerkeren.
Luk 10:7 En blijft in dat huis, etende en drinkende, hetgeen door hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet over van het ene huis in het andere huis.
Luk 10:8 En in wat stad gij zult ingaan, en zij u ontvangen, eet hetgeen u voorgezet wordt.
Luk 10:9 En geneest de zieken, die daarin zijn, en zegt tot hen: Het koninkrijk van God is nabij u gekomen.
Luk 10:10 Maar in wat stad gij zult ingaan, en zij u niet ontvangen, uitgaande op haar straten, zo zegt:
Luk 10:11 Ook het stof, dat uit uw stad aan ons kleeft, schudden wij af op u; nochtans zo weet dit, dat het koninkrijk van God nabij u gekomen is.
Luk 10:12 En Ik zeg u, dat het voor Sodom draaglijker wezen zal in die dag, dan voor die stad.
Luk 10:13 Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda, want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben.
Luk 10:14 Doch het zal Tyrus en Sidon draaglijker zijn in het oordeel, dan ulieden.
Luk 10:15 En gij, Kapernaüm, die tot de hemel toe verhoogd zijt, gij zult diep in het dodenrijk neergestoten worden.
Luk 10:16 Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Degene, Die Mij gezonden heeft.
Luk 10:17 En de zeventig zijn weergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, zelfs de demonen zijn ons onderworpen, in Uw Naam.
Luk 10:18 En Hij zei tot hen: Ik zag de satan, als een bliksem, uit de hemel vallen.
Luk 10:19
Ziet, Ik geef u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht van de vijand; en geen ding zal u ook maar enigszins beschadigen.
Luk 10:20 Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.
Luk 10:21 In dat uur verheugde Zich Jezus in de geest, en zei: Ik dank U, Vader! Heere van hemel en aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze de kinderen geopenbaard; ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.
Luk 10:22 Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en aan wie de Zoon het zal willen openbaren.
Luk 10:23 En Zich kerende naar de discipelen, zei Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, hetgeen gij ziet.
Luk 10:24 Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.

Luk 10:25 En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?
Luk 10:26 En Hij zei tot hem: Wat is er in de wet geschreven? Hoe leest gij?
Luk 10:27
En hij, antwoordende, zei: Gij zult de Heere, uw God, liefhebben, met heel uw hart, en met heel uw ziel, en met al uw kracht, en met heel uw verstand; en uw naaste als uzelf.
Luk 10:28 En Hij zei tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven.
Luk 10:29 Maar hij, willende zichzelf rechtvaardigen, zei tot Jezus: En wie is mijn naaste?
Luk 10:30 En Jezus, antwoordende, zei: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel in de handen van rovers, die, hem geplunderd, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen.
Luk 10:31 En bij geval kwam een zeker priester die weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij.
Luk 10:32 En desgelijks ook een Leviet, toen hij bij die plaats kwam, en hem zag, ging tegenover hem voorbij.
Luk 10:33 Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam in zijn nabijheid, en hem ziende, werd met innerlijke ontferming bewogen.
Luk 10:34 En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, goot daarin olie en wijn; en hem op zijn eigen rijdier tillend, bracht hem in de herberg en verzorgde hem.
Luk 10:35 En de volgende dag weggaande, nam hij twee denariën, gaf ze de waard, en zei tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u geven, als ik wederkom.
Luk 10:36 Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn van hem, die in handen van de rovers gevallen was?
Luk 10:37 En hij zei: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zei dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks.

Luk 10:38 En het geschiedde, als zij reisden, dat Hij in een dorp kwam; en een zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis.
Luk 10:39 En deze had een zuster, genaamd Maria, die ook, zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.
Luk 10:40 Doch Martha was heel druk met veel bedienen, en daarbij komende, zei zij: Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dan, dat zij mij helpt.
Luk 10:41 En Jezus, antwoordende, zei tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en verontrust u over vele dingen;
Luk 10:42 Doch één ding is maar nodig; en Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal weggenomen worden.

Hoofdstuk 11
Luk 11:1 En het geschiedde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, toen Hij ophield, dat één van Zijn discipelen tot Hem zei: Heere, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.
Luk 11:2 En Hij zei tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.
Luk 11:3 Geef ons elke dag ons dagelijks brood.
Luk 11:4 En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een ieder, die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Luk 11:5 En Hij zei tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal te middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie broden;
Luk 11:6 Omdat mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niets om hem voor te zetten;
Luk 11:7 En dat die van binnen, antwoordende, zou zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijn kinderen zijn met mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan, om u te geven.
Luk 11:8 Ik zeg u: Al zou hij niet opstaan en hem geven, hoewel hij zijn vriend is, nochtans om diens onbeschaamd volharden, zal hij opstaan, en hem geven zoveel als hij er behoeft.
Luk 11:9 En Ik zeg u: Blijf bidden, en u zal gegeven worden; blijf zoeken, en gij zult vinden; blijf kloppen, en u zal opengedaan worden.
Luk 11:10 Want een ieder, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden.
Luk 11:11 En wat voor vader onder u, die de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven?
Luk 11:12 Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven?
Luk 11:13 Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen, die Hem bidden?

Luk 11:14 En Hij wierp een demon uit, en die was stom. En het geschiedde, toen de demon uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden zich.
Luk 11:15 Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de demonen uit door Beëlzebul, de overste van de demonen.
Luk 11:16 En anderen, Hem verzoekende, begeerden van Hem een teken uit de hemel.
Luk 11:17 Maar Hij, kennende hun gedachten, zei tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis, tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt.
Luk 11:18 Indien nu ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Omdat gij zegt, dat Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp.
Luk 11:19 En indien Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp, door wie werpen ze uw zonen uit? Daarom zullen dezen uw rechters zijn.
Luk 11:20 Maar indien Ik door de vinger Gods de demonen uitwerp, zo is dan het koninkrijk van God tot u gekomen.
Luk 11:21 Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.
Luk 11:22 Maar als iemand hem aanvalt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn hele wapenrusting, waar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit.
Luk 11:23 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.
Luk 11:24 Wanneer de onreine geest van de mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, waar ik uitgevaren ben.
Luk 11:25 En komende, vindt hij het met bezems gekeerd en versierd.
Luk 11:26 Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste.
Luk 11:27 En het geschiedde, toen Hij deze dingen sprak, dat een vrouw, de stem verheffende uit de schare, tot Hem zei: Zalig is de buik, die U gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen.
Luk 11:28 Maar Hij zei: Ja, zalig zijn zij, die het Woord van God horen, en het bewaren.

Luk 11:29 En toen de scharen dicht bijeenvergaderde, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en het zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet.
Luk 11:30 Want gelijk Jona de Ninevieten een teken geweest is, alzo zal ook de Zoon des mensen zijn voor dit geslacht.
Luk 11:31
De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier.
Luk 11:32
De mannen van Ninevé, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen het veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier!

Luk 11:33 En niemand, die een lamp aansteekt, zet die in het verborgen, noch onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.  *)
Luk 11:34 De lamp van het lichaam is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele geestelijke lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw gehele lichaam duister.
Luk 11:35 Zie dan toe, dat niet het licht, dat in u is, in werkelijkheid duisternis is.
Luk 11:36 Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel, dat duister is, zo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de lamp met het schijnsel u verlicht.

Luk 11:37 toen Hij nu dit sprak, bad Hem een Farizeeër, dat Hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, lag Hij aan.
Luk 11:38 En de Farizeeër, dat ziende, verwonderde zich, dat Hij niet eerst, voor het middagmaal, Zich de handen gewassen had.
Luk 11:39 En de Heere zei tot hem: Nu gij Farizeeën, gij reinigt het buitenste van de drinkbeker en de schotel; maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid.
Luk 11:40 Gij onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt?
Luk 11:41 Doch geeft tot aalmoes, hetgeen daarin is; en ziet, alles is u rein.
Luk 11:42 Maar wee u, Farizeeën, want gij geeft tienden van de munt, en ruit, en alle moeskruid, en gij gaat voorbij aan het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten.
Luk 11:43 Wee u, Farizeeën, want gij bemint het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten.
Luk 11:44 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij zijt gelijk de graven, die niet openbaar zijn, en de mensen, die daarover wandelen, weten het niet.
Luk 11:45 En één van de wetgeleerden, antwoordende, zei tot Hem: Meester! als Gij deze dingen zegt, zo doet Gij ook ons smaadheid aan.
Luk 11:46 Doch Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden! want gij belast de mensen met lasten, zwaar om te dragen, en zelf raakt gij die lasten niet aan met één van uw vingers.
Luk 11:47 Wee u, want gij bouwt de graven van de profeten, maar uw vaders hebben hen gedood.
Luk 11:48 Zo getuigt gij dan, dat gij mede behagen hebt aan de werken van uw vaderen; want zij hebben ze gedood, en gij bouwt hun graven.
Luk 11:49 Waarom ook de wijsheid Gods zegt: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij vervolgen;
Luk 11:50 Opdat van dit geslacht afgeëist zal worden het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af.
Luk 11:51
Van het bloed van Abel, tot het bloed van Zacharia, die gedood is tussen het altaar en het huis van God; ja, zeg Ik u, het zal afgeëist worden van dit geslacht!
Luk 11:52 Wee u, gij wetgeleerden, want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen; gijzelf zijt niet ingegaan, en die ingingen, hebt gij verhinderd.
Luk 11:53 En toen Hij deze dingen tot hen zei, begonnen de Schriftgeleerden en Farizeeën sterk aan te dringen, en Hem over vele dingen te doen spreken;
Luk 11:54 Hem strikvragen stellende, en zoekende iets uit Zijn mond te horen, waarmee zij Hem beschuldigen mochten.

Hoofdstuk 12
Luk 12:1 Ondertussen toen vele duizenden mensen bijeenvergaderd waren, zodat zij elkander vertraden, begon Hij te zeggen tot Zijn discipelen: Voor alles, wacht u voor de zuurdesem van de Farizeeën, dat is huichelarij.
Luk 12:2 En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden.
Luk 12:3 Daarom, al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat gij in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden.
Luk 12:4 En Ik zeg u, Mijn vrienden: Vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en daarna niet meer kunnen doen.
Luk 12:5 Maar Ik zal u tonen, Wie gij vrezen zult: vreest Die, Die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen; ja, Ik zeg u, vreest Die!
Luk 12:6 Worden niet vijf musjes verkocht voor twee assariën? En niet één van die is voor God vergeten.  *)
Luk 12:7 Ja, ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.
Luk 12:8 En Ik zeg u: Een ieder, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen van God.
Luk 12:9 Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God.
Luk 12:10 En een ieder, die enig woord spreken zal tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen de Heilige Geest gelasterd zal hebben, die zal het niet vergeven worden.
Luk 12:11 En wanneer zij u brengen zullen in de synagogen, en tot de overheden en de machten, zo zijt niet bezorgd, hoe of wat gij tot verantwoording zeggen, of wat gij spreken zult;
Luk 12:12 Want de Heilige Geest zal u in dat uur leren, hetgeen gij spreken moet.
Luk 12:13 En iemand uit de schare zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer, dat hij met mij de erfenis deelt.
Luk 12:14 Maar Hij zei tot hem: Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over u gesteld?
Luk 12:15 En Hij zei tot hen: Ziet toe en wacht u voor de gierigheid; want iemands leven is niet gelegen in de overvloed van goederen.
Luk 12:16 En Hij zei tot hen een gelijkenis, en sprak: Het land van een rijk mens had een goede opbrengst gegeven;
Luk 12:17 En hij overlegde bij zichzelf, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen.
Luk 12:18 En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al deze mijn oogst en mijn goederen;
Luk 12:19 En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen, die opgeslagen zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk.
Luk 12:20 Maar God zei tot hem: Gij dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, van wie zal het zijn?
Luk 12:21 Alzo is het met die, die zichzelf schatten vergadert, en niet rijk is in God.
Luk 12:22 En Hij zei tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmee gij u kleden zult.
Luk 12:23 Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam meer dan de kleding.
Luk 12:24 Kijk naar de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, die voorraadkamer noch schuur hebben, en God voedt ze; hoeveel gaat gij de vogels te boven?
Luk 12:25 Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, één el tot zijn lengte van leven toedoen?
Luk 12:26 Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd?
Luk 12:27
Kijk naar de bloemen, hoe zij groeien; zij arbeiden niet, en spinnen niet; en Ik zeg u: ook Salomo in al zijn heerlijkheid is niet bekleed geweest als één van deze.
Luk 12:28 Indien nu God het gras dat heden op het veld is, en morgen in de oven geworpen wordt, alzo bekleedt, hoeveel te meer u, gij kleingelovigen!
Luk 12:29 En gij, vraagt niet, wat gij eten, of wat gij drinken zult; en weest niet wankelmoedig.
Luk 12:30 Want al deze dingen zoeken de volken van de wereld; maar uw Vader weet, dat gij deze dingen behoeft.
Luk 12:31 Maar zoekt het Koninkrijk van God, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
Luk 12:32 Vreest niet, gij kleine kudde, want het is uw Vader een welbehagen, u het Koninkrijk te geven.
Luk 12:33 Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelf buidels, die niet verouderen, een schat, die niet vermindert, in de hemelen, waar de dief niet bijkomt en de mot niet verderft.
Luk 12:34 Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn.
Luk 12:35 Laat uw lendenen omgord zijn, en de lampen brandende.
Luk 12:36 En zijt gij de mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij weerkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen.
Luk 12:37 Zalig zijn die dienstknechten, die de heer, als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen aan de maaltijd doen aanliggen, en bijkomende, zal hij hen dienen.
Luk 12:38 En zo hij komt in de tweede nachtwake, of komt in de derde wake, en vindt hen alzo, zalig zijn die dienstknechten.
Luk 12:39 En weet dit, dat, indien de heer des huizes geweten had, in welk uur de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou in zijn huis niet hebben laten inbreken.
Luk 12:40 Gij dan, zijt ook bereid; want in welk uur gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
Luk 12:41 En Petrus zei tot Hem: Heere! zegt Gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen?
Luk 12:42 En de Heere zei: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huismeester, die de heer over zijn dienstmaagden en knechten zal zetten, om hun te rechter tijd hun deel te eten te geven?
Luk 12:43 Zalig is de dienstknecht, die zijn heer, als hij komt, zal vinden, alzo doende.
Luk 12:44 Waarlijk, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal.
Luk 12:45 Maar indien deze dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; en zou beginnen de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken, en dronken te worden;
Luk 12:46 Zo zal de heer van deze dienstknecht komen op een dag, waarop hij hem niet verwacht, en op een uur, dat hij niet weet; en zal hem afsnijden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen.
Luk 12:47 En die dienstknecht, die geweten heeft de wil van zijn heer, en zich niet bereid of naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden.
Luk 12:48 Maar die het niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. En een ieder, die veel gegeven is, van die zal veel geëist worden; en die men veel toevertrouwd heeft, van die zal men overvloediger eisen.

Luk 12:49 Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen; en wat wil Ik, als het al ontstoken is?
Luk 12:50 Maar Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe word Ik geperst, totdat het volbracht zij!
Luk 12:51 Meent gij, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? Neen, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid.
Luk 12:52 Want van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie.
Luk 12:53 Zij zullen verdeeld zijn: de vader tegen de zoon, en de zoon tegen de vader; de moeder tegen de dochter; en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen haar schoondochter, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.

Luk 12:54 En Hij zei ook tot de scharen: Wanneer gij een wolk ziet opgaan van het westen, terstond zegt gij: Er komt regen; en het geschiedt alzo.
Luk 12:55 En wanneer gij de zuidenwind ziet waaien, zo zegt gij: Er zal hitte zijn; en het geschiedt.
Luk 12:56 Gij huichelaars, het aanschijn van hemel en aarde weet gij te onderscheiden; en hoe onderkent gij deze tijd niet?
Luk 12:57 En waarom oordeelt gij ook uit uzelf niet, hetgeen recht is?
Luk 12:58 Want als gij met uw tegenpartij naar de overheid gaat, zo beijvert u onderweg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor de rechter trekt, en de rechter u de gerechtsdienaar overlevert, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpt.
Luk 12:59 Ik zeg u: Gij zult van daar geenszins uitgaan, totdat gij ook het laatste koperstukje betaald zult hebben.

Hoofdstuk 13
Luk 13:1 En er waren in diezelfde tijd enigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galileërs, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had.
Luk 13:2 En Jezus antwoordde, en zei tot hen: Meent gij, dat deze Galileërs zondaren zijn geweest boven al de Galileërs, omdat zij zulks geleden hebben?
Luk 13:3 Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen evenzo vergaan.
Luk 13:4 Of die achttien, op wie de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen?
Luk 13:5 Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen evenzo vergaan.
Luk 13:6 En Hij zei deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.
Luk 13:7 En hij zei tot de wijngaardenier: Zie, ik kom nu drie jaren, zoekende vrucht op deze vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttig de aarde?
Luk 13:8 En hij, antwoordende, zei tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem heen gegraven en mest gelegd zal hebben;
Luk 13:9 En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem daarna uithouwen.

Luk 13:10 En Hij leerde op de sabbat in één van de synagogen.
Luk 13:11 En ziet, er was een vrouw, die een geest van ziekte achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich in het geheel niet oprichten.
Luk 13:12 En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zei tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw ziekte.
Luk 13:13 En Hij legde de handen op haar; en zij werd terstond weer recht, en verheerlijkte God.
Luk 13:14 En de overste van de synagoge, die het kwalijk nam, dat Jezus op de sabbat genezen had, antwoordde en zei tot de schare: Er zijn zes dagen, waarin men moet werken; komt dan, en laat u genezen, en niet op de dag van de sabbat.
Luk 13:15 De Heere dan antwoordde hem en zei: Gij huichelaar, maakt niet een ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te laten drinken?
Luk 13:16 En deze, die een dochter Abrahams is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van deze band, op de dag van de sabbat?
Luk 13:17 En toen Hij dit zei, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die door Hem geschiedden.
Luk 13:18 En Hij zei: Waaraan is het koninkrijk van God gelijk, en waarbij zal Ik het vergelijken?
Luk 13:19 Het is gelijk aan een mosterdzaad, dat een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het groeide op, en werd tot een grote boom, en de vogels van de hemel nestelden in zijn takken.
Luk 13:20 En Hij zei andermaal: Waarbij zal Ik het koninkrijk van God vergelijken?
Luk 13:21 Het is gelijk aan een zuurdesem, dat een vrouw nam, en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was.

Luk 13:22 En Hij reisde door de steden en dorpen, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem.
Luk 13:23 En iemand zei tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zei tot hen:
Luk 13:24 Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;
Luk 13:25 Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, vanwaar gij zijt.
Luk 13:26 Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd.
Luk 13:27 En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, vanwaar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers van ongerechtigheid!
Luk 13:28 Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izaäk, en Jakob, en al de profeten in het koninkrijk van God, maar ulieden buiten uitgeworpen.
Luk 13:29 En daar zullen er komen van het Oosten en Westen, en van het Noorden en Zuiden, en zullen aanliggen in het koninkrijk van God.
Luk 13:30 En ziet, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn.   *)
Luk 13:31 Diezelfde dag kwamen er enige Farizeeën, zeggende tot Hem: Ga weg, en vertrek van hier; want Herodes wil U doden.
Luk 13:32 En Hij zei tot hen: Gaat heen, en zegt die vos: Zie, Ik werp demonen uit, en maak gezond, heden en morgen, en op de derde dag word Ik voleindigd.   *)
Luk 13:33 Doch Ik moet heden, en morgen, en de volgende dag reizen; want het gebeurt niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem.
Luk 13:34 Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kuikens onder de vleugels vergadert; en gijlieden hebt niet gewild.
Luk 13:35 Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat gij Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, dat gij zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren!

Hoofdstuk 14
Luk 14:1 En het geschiedde, toen Hij gekomen was in het huis van één van de oversten der Farizeeën, op de sabbat, om brood te eten, dat zij Hem in het oog hielden.
Luk 14:2 En ziet, er was een waterzuchtig mens voor Hem.
Luk 14:3 En Jezus, antwoordende, zei tot de wetgeleerden en Farizeeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op de sabbat gezond te maken?
Luk 14:4 Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.
Luk 14:5 En Hij, hun antwoordende, zei: Van wie van u zal een ezel of os in een put vallen, en die het er niet terstond zal uittrekken op de dag van de sabbat?
Luk 14:6 En zij konden Hem daarop niet weer antwoorden.

Luk 14:7 En Hij zei tot de genodigden een gelijkenis, bemerkende, hoe zij de voorste plaatsen verkozen; zeggende tot hen:
Luk 14:8 Wanneer gij door iemand ter bruiloft genodigd zult zijn, zo neem niet de eerste plaats; opdat niet misschien iemand waardiger dan gij van hem genodigd wordt;
Luk 14:9 En hij, komende, die u en hem genodigd heeft, tot u zeggen zal: Geef deze plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.
Luk 14:10 Maar wanneer gij genodigd zult zijn, ga heen en neem de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genodigd heeft, tot u zeggen zal: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanliggen.
Luk 14:11 Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
Luk 14:12 En Hij zei ook tot degene, die Hem genodigd had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch uw broers, noch uw familie, noch uw rijke buren; opdat ook zij u niet te eniger tijd terug nodigen, en u vergelding zal geschieden.
Luk 14:13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zo nodigt armen, verminkten, kreupelen, blinden;
Luk 14:14 En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.
Luk 14:15 En toen één van degenen, die mee aanzaten, deze dingen hoorde, zei hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk van God.
Luk 14:16 Maar Hij zei tot hem: Een zeker mens bereidde een grote maaltijd, en hij nodigde er velen.
Luk 14:17 En hij zond zijn dienstknecht uit tegen het uur van de maaltijd, om de genodigden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.
Luk 14:18 En zij begonnen allen zich eendrachtig te verontschuldigen. De eerste zei tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en die te bezien; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
Luk 14:19 En een ander zei: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
Luk 14:20 En een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.
Luk 14:21 En die dienstknecht weergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer van het huis toornig, en zei tot zijn dienstknecht: Ga haastig uit in de straten en wijken van de stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.
Luk 14:22 En de dienstknecht zei: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.
Luk 14:23 En de heer zei tot de dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en vraag hen dringend binnen te komen, opdat mijn huis vol worde;
Luk 14:24 Want ik zeg u, dat niemand van die mannen, die genodigd waren, mijn avondmaal smaken zal.

Luk 14:25 En vele scharen gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende, zei tot hen:
Luk 14:26 Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broers, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.   *)
Luk 14:27 En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.
Luk 14:28 Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst neder, en berekent de kosten, of hij ook heeft, hetgeen tot volmaking nodig is?
Luk 14:29 Opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft, en het niet kan voltooien, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten.
Luk 14:30 Zeggende: Deze mens is begonnen met bouwen, en heeft het niet kunnen voltooien.
Luk 14:31 Of welke koning, ten strijde trekkend, om een andere koning te verslaan, zit niet eerst neder, en beraadslaagt, of hij machtig is met tienduizend te ontmoeten degene, die met twintigduizend tegen hem komt?
Luk 14:32 Anders zendt hij gezanten uit, terwijl diegene nog ver is, en begeert, hetgeen tot vrede dient.
Luk 14:33 Alzo dan een ieder van u, die niet verlaat alles, wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.
Luk 14:34 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmee zal het smakelijk gemaakt worden?
Luk 14:35 Het is noch tot het land, noch tot de mesthoop geschikt; men werpt het weg. Wie oren heeft, om te horen, die hore.

Hoofdstuk 15
Luk 15:1 En alle tollenaren en zondaren naderden tot Hem, om Hem te horen.
Luk 15:2 En de Farizeeën en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaren, en eet met hen.
Luk 15:3 En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende:
Luk 15:4 Welk mens onder u, hebbende honderd schapen; en één van die verliezende, verlaat niet de negenennegentig in de wildernis, en gaat naar het verlorene, totdat hij het vindt?
Luk 15:5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde.
Luk 15:6 En thuis gekomen, roept hij de vrienden en de buren samen, zeggende tot hen: Weest blij met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.
Luk 15:7 Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebben.
Luk 15:8 Of welke vrouw, hebbende tien penningen, indien zij een penning verliest, ontsteekt niet een lamp, en veegt het huis, en zoekt ijverig, totdat zij die vindt?
Luk 15:9 En als zij die gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de buurvrouwen samen, zeggende: Weest blij met mij; want ik heb de penning gevonden, die ik verloren had.
Luk 15:10 Alzo, zeg Ik u, is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.
Luk 15:11 En Hij zei: Een zeker mens had twee zonen.
Luk 15:12 En de jongste van hen zei tot de vader: Vader, geef mij het deel van het goed, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed.
Luk 15:13 En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd naar een vergelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadig.
Luk 15:14 En toen hij het alles verteerd had, werd er een grote hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden.
Luk 15:15 En hij ging heen, en voegde zich bij één van de burgers van dat land; en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden.
Luk 15:16 En hij begeerde zijn buik te vullen met de draf, die de zwijnen aten; maar niemand gaf hem dat.
Luk 15:17 En tot zichzelf gekomen zijnde, zei hij: Hoevele huurlingen van mijn vader hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!
Luk 15:18 Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel, en voor u;
Luk 15:19 En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als één van uw huurlingen.
Luk 15:20 En opstaande ging hij naar zijn vader. En toen hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toelopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem.
Luk 15:21 En de zoon zei tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel, en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.
Luk 15:22 Maar de vader zei tot zijn dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en sandalen aan de voeten;
Luk 15:23 En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn.
Luk 15:24 Want deze mijn zoon was dood, en is weer levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn.
Luk 15:25 En zijn oudste zoon was in het veld; en toen hij kwam, en het huis naderde, hoorde hij het gezang en de muziek;
Luk 15:26 En tot zich geroepen hebbende één van de knechten, vroeg, wat dat mocht zijn.
Luk 15:27 En deze zei tot hem: Uw broer is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft.
Luk 15:28 Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem.
Luk 15:29 Doch hij, antwoordende, zei tot de vader: Zie, ik dien u nu zo vele jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn.
Luk 15:30 Maar toen deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.
Luk 15:31 En hij zei tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe.
Luk 15:32 Men behoorde dan vrolijk en blij te zijn; want deze uw broer was dood, en is weer levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden.

Hoofdstuk 16
Luk 16:1 En Hij zei ook tot Zijn discipelen: Er was een rijk mens, die een rentmeester had; en deze werd bij hem aangeklaagd, als iemand die zijn goederen doorbracht.
Luk 16:2 En hij riep hem, en zei tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef verantwoording van uw rentmeesterschap; want gij zult niet langer rentmeester kunnen zijn.
Luk 16:3 En de rentmeester zei bij zichzelf: Wat zal ik doen, daar mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij.
Luk 16:4 Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal zijn, zij mij in hun huizen ontvangen.
Luk 16:5 En hij riep tot zich een ieder van de schuldenaars van zijn heer, en zei tot de eerste: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig?
Luk 16:6 En hij zei: Honderd vaten olie. En hij zei tot hem: Neem de overeenkomst in uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastig vijftig.
Luk 16:7 Daarna zei hij tot een ander: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zei: Honderd mud tarwe. En hij zei tot hem: Neem de overeenkomst in uw handschrift, en schrijf tachtig.
Luk 16:8 En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij verstandig gedaan had; want de kinderen van deze wereld zijn verstandiger dan de kinderen van het licht, in hun generatie.
Luk 16:9 En Ik zeg u: Maakt uzelf vrienden uit de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer gij tekort zult schieten, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.
Luk 16:10 Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig.
Luk 16:11 Zo gij dan in de onrechtvaardige Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen?
Luk 16:12 En zo gij in het goed van een ander niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven?
Luk 16:13 Geen huisknecht kan twee heren dienen; want of hij zal de ene haten, en de andere liefhebben, of hij zal de ene aanhangen, en de andere verachten; gij kunt God niet dienen en de Mammon.

Luk 16:14 En al deze dingen hoorden ook de Farizeeën, die geldgierig waren, en zij beschimpten Hem.
Luk 16:15 En Hij zei tot hen: Gij zijt het, die uzelf rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want wat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God.
Luk 16:16 De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van die tijd af wordt het koninkrijk van God verkondigd, en de scharen verdringen elkaar om in te gaan.
Luk 16:17 En het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel van de wet vervalt.
Luk 16:18 Een ieder, die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een ieder, die de verlatene van de man trouwt, die doet ook overspel.

Luk 16:19 En er was een rijk mens, gekleed met purper en zeer fijn linnen, levende elke dag vrolijk en prachtig.
Luk 16:20 En er was een zeker bedelaar, met name Lazarus, die voor zijn poort lag, vol zweren;
Luk 16:21 En begeerde verzadigd te worden van de kruimels, die van de tafel van de rijke man vielen; en ook de honden kwamen en lekten zijn zweren.
Luk 16:22 En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en door de engelen gedragen werd aan de boezem van Abraham.   *)
Luk 16:23 En de rijke stierf ook, en werd begraven. En toen hij in het dodenrijk zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus aan zijn boezem aanliggend.
Luk 16:24 En hij riep en zei: Vader Abraham, ontferm u over mij, en zend Lazarus, dat hij het uiterste van zijn vinger in water doopt, en mijn tong verkoelt; want ik lijd smarten in deze vlam.
Luk 16:25 Maar Abraham zei: Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten.
Luk 16:26 En boven dit alles, tussen ons en u is een grote kloof gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.
Luk 16:27 En hij zei: Ik bid u dan, vader, dat gij hem zendt tot het huis van mijn vader;
Luk 16:28 Want ik heb vijf broers; dat hij hun dit betuigt, opdat ook zij niet komen in deze plaats van pijniging.
Luk 16:29 Abraham zei tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen.
Luk 16:30 En hij zei: Neen, vader Abraham, maar zo iemand van de doden tot hen heenging, zij zouden zich bekeren.
Luk 16:31 Doch Abraham zei tot hem: Indien zij Mozes en de profeten niet horen, zo zullen zij ook, al ware het dat er iemand uit de doden opstond, zich niet laten gezeggen.

Hoofdstuk 17
Luk 17:1 En Hij zei tot de discipelen: Het kan niet zijn, dat er geen ergernissen komen; doch wee hem, door wie zij komen;
Luk 17:2 Het zou hem nuttiger zijn, dat een molensteen om zijn hals gedaan, en hij in de zee geworpen was, dan dat hij één van deze kleinen zou ergeren.
Luk 17:3 Wacht uzelf. En indien uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en indien het hem leed is, zo vergeef het hem.
Luk 17:4 En indien hij zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u weerkeert, zeggende: Het is mij leed; zo zult gij het hem vergeven.
Luk 17:5 En de apostelen zeiden tot de Heere: Vermeerder ons het geloof.
Luk 17:6 En de Heere zei: Zo gij een geloof had als een mosterdzaadje, gij zoudt tegen deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn.
Luk 17:7 En wie van u heeft een dienstknecht ploegende, of de beesten hoedende, die tot hem, als hij van de akker inkomt, terstond zal zeggen: Kom bij, en zit aan?
Luk 17:8 Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid, dat ik vanavond zal eten, en omgord u, en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; en eet en drinkt gij daarna?
Luk 17:9 Dankt hij ook die dienstknecht omdat hij gedaan heeft, hetgeen hem bevolen was? Ik meen, neen.
Luk 17:10 Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.
Luk 17:11 En het geschiedde, toen Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij langs de grens van Samaria en Galilea ging.
Luk 17:12 En toen Hij in een zeker dorp kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, die van verre stonden;
Luk 17:13 En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U over ons!
Luk 17:14
En toen Hij hen zag, zei Hij tot hen: Gaat heen en toont uzelf de priesters. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.
Luk 17:15 En één van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met luide stem God verheerlijkende.
Luk 17:16 En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en deze was een Samaritaan;
Luk 17:17 En Jezus, antwoordende, zei: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?
Luk 17:18 En zijn er geen gevonden, die weerkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?   *)
Luk 17:19 En Hij zei tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.

Luk 17:20 En gevraagd zijnde door de Farizeeën, wanneer het koninkrijk van God komen zou, heeft Hij hun geantwoord en gezegd: Het koninkrijk van God komt niet met uiterlijk gelaat.
Luk 17:21 En men zal niet zeggen: Ziet hier, of ziet daar, want, ziet, het koninkrijk van God is binnen in u.
Luk 17:22 En Hij zei tot de discipelen: Er zullen dagen komen, wanneer gij zult begeren één der dagen van de Zoon des mensen te zien, en gij zult die niet zien.
Luk 17:23 En zij zullen tot u zeggen: Ziet hier, of ziet daar is Hij; gaat niet heen, en volgt niet.
Luk 17:24 Want gelijk de bliksem, van het ene tot het andere einde onder de hemel schijnt, alzo zal ook de Zoon des mensen wezen in Zijn dag.
Luk 17:25 Maar eerst moet Hij veel lijden, en verworpen worden door dit geslacht.
Luk 17:26
En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen.
Luk 17:27 Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot de dag, op welke Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen.
Luk 17:28
Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden;
Luk 17:29 Maar op de dag, waarop Lot van Sodom uitging, regende het vuur en zwavel van de hemel, en verdierf ze allen.
Luk 17:30 Evenzo zal het zijn in de dag, op welke de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.
Luk 17:31 In die dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om het mee te nemen; en wie op de akker zijn zal, die kere evenzo niet naar hetgeen, dat achter is.
Luk 17:32
Gedenkt aan de vrouw van Lot.
Luk 17:33 Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie het zal verliezen, die zal het behouden.
Luk 17:34 Ik zeg u: In die nacht zullen twee op één bed zijn; de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
Luk 17:35 Twee vrouwen zullen tezamen graan malen; de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.
Luk 17:36 Twee zullen op de akker zijn; de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
Luk 17:37 En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Heere? En Hij zei tot hen: Waar het dode lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden.   *)

Hoofdstuk 18
Luk 18:1 En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen;
Luk 18:2 Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde, en geen mens ontzag.
Luk 18:3 En er was een zekere weduwe in dezelfde stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn tegenpartij.
Luk 18:4 En hij wilde voor een lange tijd niet; maar daarna zei hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees, en geen mens ontzie;
Luk 18:5 Nochtans, omdat deze weduwe het mij moeilijk maakt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet uiteindelijk komt, en mij het hoofd breekt.
Luk 18:6 En de Heere zei: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt.
Luk 18:7 Zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, zou Hij traag zijn om hen te helpen?
Luk 18:8 Ik zeg u, dat Hij hun haastig recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden in dit land?   *)

Luk 18:9 En Hij zei ook tot sommigen, die bij zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:
Luk 18:10 Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden, de één was een Farizeeër, en de ander een tollenaar.
Luk 18:11 De Farizeeër, staande, bad dit bij zichzelf: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.
Luk 18:12 Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit.
Luk 18:13 En de tollenaar, veraf staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!
Luk 18:14 Ik zeg u: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
Luk 18:15 En zij brachten ook kleine kinderen tot Hem, opdat Hij die zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften ze.
Luk 18:16 Maar Jezus riep die kleine kinderen tot Zich, en zei: Laat de kinderen tot Mij komen, en verhindert hen niet; want voor zodanigen is het Koninkrijk van God.
Luk 18:17 Voorwaar, zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk van God niet zal ontvangen als een klein kind, die zal geenszins daarin komen.

Luk 18:18 En een zeker overste vroeg Hem, zeggende: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
Luk 18:19 En Jezus zei tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Eén, namelijk God.
Luk 18:20 Gij kent de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen vals getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder.
Luk 18:21 En hij zei: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd aan.
Luk 18:22 Doch Jezus, dit horende, zei tot hem: Nog één ding ontbreekt u; verkoop alles, wat gij hebt, en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij.
Luk 18:23 Maar toen hij dit hoorde, werd hij zeer bedroefd; want hij was zeer rijk.
Luk 18:24 Jezus nu, ziende, dat hij zeer bedroefd geworden was, zei: Hoe moeilijk zullen degenen, die het goed hebben, in het Koninkrijk van God ingaan!
Luk 18:25 Want het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk van God ingaat.
Luk 18:26 En die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden?
Luk 18:27 En Hij zei: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.
Luk 18:28 En Petrus zei: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
Luk 18:29 En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broers, of vrouw, of kinderen, om het Koninkrijk van God;
Luk 18:30 Die niet zal veelvoudig weder ontvangen in deze tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.
Luk 18:31
En Hij nam de twaalven bij Zich, en zei tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon des mensen, wat geschreven is door de profeten.
Luk 18:32 Want Hij zal de heidenen overgeleverd worden, en Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden.
Luk 18:33 En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en ten derde dage zal Hij wederopstaan.
Luk 18:34 En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, hetgeen gezegd werd.

Luk 18:35 En het geschiedde, toen Hij nabij Jericho kwam, dat een blinde aan de weg zat, bedelende.
Luk 18:36 En deze, horende de schare voorbijgaan, vroeg, wat dat was.
Luk 18:37 En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging.
Luk 18:38 En hij riep, zeggende: Jezus, Gij Zoon van David, ontferm U over mij!
Luk 18:39 En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!
Luk 18:40 En Jezus, stilstaande, beval, dat men hem tot Hem brengen zou; en toen hij nabij Hem gekomen was, vroeg Hij hem,
Luk 18:41 Zeggende: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En hij zei: Heere! dat ik ziende mag worden.
Luk 18:42 En Jezus zei tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden.
Luk 18:43 En terstond werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, bracht Gode lof.

Hoofdstuk 19
Luk 19:1 En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho.
Luk 19:2 En zie, er was een man, met name geheten Zacheüs; en deze was een overste van de tollenaren, en hij was rijk;
Luk 19:3 En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van gestalte was.
Luk 19:4 En vooruitlopende, klom hij op een wilde vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou langs die weg voorbijgaan.
Luk 19:5 En toen Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zei tot hem: Zacheüs! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.
Luk 19:6 En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.
Luk 19:7 En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende dat Hij bij een zondaar binnenging.
Luk 19:8 En Zacheüs stond, en zei tot de Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik de armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik viervoudig weer.
Luk 19:9 En Jezus zei tot hem: Heden is dit huis zaligheid geschied, daar ook deze een zoon van Abraham is.
Luk 19:10 Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Luk 19:11 En toen zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zei een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het koninkrijk van God direct zou openbaar worden.
Luk 19:12 Hij zei dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen, en dan weer te keren.
Luk 19:13 En geroepen hebbende zijn tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, en zei tot hen: werk ermee, totdat ik kom.
Luk 19:14 En zijn burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zal zijn.
Luk 19:15 En het geschiedde, toen hij terugkwam, toen hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij zei, dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, aan wie hij het geld gegeven had; opdat hij weten mocht, wat een ieder met zijn werken gewonnen had.
Luk 19:16 En de eerste kwam, en zei: Heer, uw pond heeft tien ponden daarbij gewonnen.
Luk 19:17 En hij zei tot hem: Wel, gij goede dienstknecht, omdat gij in het minste getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden.
Luk 19:18 En de tweede kwam, en zei: Heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen.
Luk 19:19 En hij zei ook tot deze: En gij, wees over vijf steden.
Luk 19:20 En een ander kwam, zeggende: Heer, zie hier uw pond, dat ik in een zweetdoek weggelegd had;
Luk 19:21 Want ik vreesde u, omdat gij een straf mens zijt; gij neemt weg, wat gij niet weggelegd hebt, en gij maait, wat gij niet gezaaid hebt.
Luk 19:22 Maar hij zei tot hem: Uit uw eigen mond zal ik u oordelen, gij boze dienstknecht! Gij wist, dat ik een straf mens ben, wegnemend, wat ik niet weggelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb.
Luk 19:23 Waarom hebt gij dan mijn geld niet aan de bank gegeven, en ik, komende, had het met rente kunnen opvragen?
Luk 19:24 En hij zei tot degenen, die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geeft het aan die, die de tien ponden heeft.
Luk 19:25 En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft tien ponden.
Luk 19:26 Ik zeg u, dat aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van die zal genomen worden ook wat hij heeft.
Luk 19:27 Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zou zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.

Luk 19:28 En dit gezegd hebbende, reisde Hij voor hen heen, en ging op naar Jeruzalem.
Luk 19:29 En het geschiedde, toen Hij nabij Beth-fagé en Bethanië gekomen was, aan de berg, genaamd de Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond,
Luk 19:30 Zeggende: Gaat heen in dat dorp, dat tegenover is; daar ingekomen, zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten; ontbindt het, en brengt het.
Luk 19:31 En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat, zo zult gij alzo tot hem zeggen: Omdat de Heere het nodig heeft.
Luk 19:32 En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had.
Luk 19:33 En toen zij het veulen ontbonden, zeiden de eigenaren tot hen: Waarom ontbindt gij het veulen?
Luk 19:34 En zij zeiden: De Heere heeft het nodig.
Luk 19:35
En zij brachten het tot Jezus. En hun klederen op het veulen geworpen hebbende, zetten zij Jezus daarop.
Luk 19:36 En toen Hij verder ging, spreidden zij hun klederen onder Hem op de weg.
Luk 19:37 En toen Hij nu naderde aan de afdaling van de Olijfberg, begon heel de menigte van de discipelen zich te verblijden, en God te loven met luide stem, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden;
Luk 19:38
Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in de Naam des Heeren! Vrede zij in de hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen!
Luk 19:39 En sommigen van de Farizeeën uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen.
Luk 19:40 En Hij, antwoordende, zei tot hen: Ik zeg u, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.
Luk 19:41 En toen Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,
Luk 19:42 Zeggende: Och, dat gij ook zoudt bekennen, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.
Luk 19:43 Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, en u zullen omsingelen, en u van alle zijden benauwen;
Luk 19:44 En zullen u tot de grond afbreken, en uw kinderen in u; en zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten; daarom dat gij de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt.
Luk 19:45 En in de tempel gegaan zijnde, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten,
Luk 19:46
Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis van gebed; maar gij hebt dat tot een kuil van moordenaars gemaakt.
Luk 19:47 En Hij leerde dagelijks in de tempel; en de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de oversten van het volk zochten Hem te doden.
Luk 19:48 Maar zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem.

Hoofdstuk 20
Luk 20:1 En het geschiedde in één van die dagen, toen Hij in de tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de oudsten daarover bij Hem kwamen,
Luk 20:2 En tot Hem spraken zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven?
Luk 20:3 En Hij, antwoordende, zei tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij:
Luk 20:4 De doop van Johannes, was die uit de hemel, of uit de mensen?
Luk 20:5 En zij overlegden onder elkaar, zeggende: Indien wij zeggen: Uit de hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
Luk 20:6 En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden het voor zeker, dat Johannes een profeet was.
Luk 20:7 En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was.
Luk 20:8 En Jezus zei tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.
Luk 20:9 En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde die aan landbouwers, en trok een lange tijd buitenslands.
Luk 20:10 En toen het de tijd was, zond hij tot de landbouwers een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht van de wijngaard geven zouden; maar de landbouwers sloegen hem, en zonden hem met lege handen weg.
Luk 20:11 En wederom zond hij nog een andere dienstknecht; maar ook die geslagen en smadelijk behandeld hebbend, zonden zij met lege handen weg.
Luk 20:12 En wederom zond hij nog een derde; maar zij verwondden ook deze, en wierpen hem uit.
Luk 20:13 En de heer van de wijngaard zei: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon zenden; mogelijk deze ziende, zullen zij hem ontzien.
Luk 20:14 Maar toen de landbouwers hem zagen, overlegden zij onder elkaar, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis van ons wordt.
Luk 20:15 En toen zij hem buiten de wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer van de wijngaard hun doen?
Luk 20:16 Hij zal komen en deze landbouwers verdelgen, en zal de wijngaard aan anderen geven. En toen zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!
Luk 20:17
Maar Hij zag hen aan, en zei: Wat is dan dit, dat geschreven staat: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is tot de hoeksteen geworden?
Luk 20:18 Een ieder, die op die steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.
Luk 20:19 En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten op datzelfde uur de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij begrepen, dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had.
Luk 20:20 En zij loerden op Hem, en zonden verspieders uit, die zichzelf veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem op Zijn woorden vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht van de stadhouder over te leveren.
Luk 20:21 En zij vroegen Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en de persoon niet aanneemt, maar de weg Gods leert naar waarheid.
Luk 20:22 Is het ons geoorloofd de keizer belasting te betalen, of niet?
Luk 20:23 Maar Hij, hun arglistigheid bemerkende, zei tot hen: Wat verzoekt gij Mij?
Luk 20:24 Toont Mij een denarius; wiens beeld en opschrift heeft het? En zij, antwoordende, zeiden: Van de keizer.
Luk 20:25 En Hij zei tot hen: Geeft dan de keizer, dat van de keizer is, en Gode, dat van God is.
Luk 20:26 En zij konden Hem op Zijn woord niet vangen voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.

Luk 20:27 En tot Hem kwamen sommigen van de Sadduceeën, die tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vroegen Hem,
Luk 20:28
Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broer sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broer de vrouw nemen zal, en zijn broer nageslacht verwekken.
Luk 20:29 Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen.
Luk 20:30 En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen.
Luk 20:31 En de derde nam deze vrouw; en evenzo ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven.
Luk 20:32 En tenslotte na allen stierf ook de vrouw.
Luk 20:33 In de opstanding dan, van wie van deze zal zij de vrouw zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.
Luk 20:34 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: De kinderen van deze eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven;
Luk 20:35 Maar die waardig zullen geacht zijn díe eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden;
Luk 20:36 Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn de engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, omdat zij kinderen der opstanding zijn.
Luk 20:37
En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangegeven bij het doornbos, als hij de Heere noemt de God van Abraham, en de God van Izaäk, en de God van Jakob.
Luk 20:38 God nu is niet een God van doden, maar van levenden; want zij leven Hem allen.
Luk 20:39 En sommigen van de Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wèl gezegd.
Luk 20:40 En zij durfden Hem niet meer iets vragen.

Luk 20:41 En Hij zei tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus de Zoon van David is?
Luk 20:42
En David zelf zegt in het boek der psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand,
Luk 20:43 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Luk 20:44 David dan noemt Hem zijn Heere; en hoe is Hij zijn Zoon?
Luk 20:45 En terwijl al het volk het hoorde, zei Hij tot Zijn discipelen:
Luk 20:46 Wacht u voor de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange klederen, en beminnen de begroetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;
Luk 20:47 Die de huizen van de weduwen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.

Hoofdstuk 21
Luk 21:1 En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.
Luk 21:2 En Hij zag ook een arme weduwe twee kleine muntjes daarin werpen.  *)
Luk 21:3 En Hij zei: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft ingeworpen.
Luk 21:4 Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al de leeftocht, die zij had, daarin geworpen.

Luk 21:5 En toen sommigen zeiden van de tempel, dat hij met schone stenen en geschenken versierd was, zei Hij:
Luk 21:6 Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet één steen op de andere steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.
Luk 21:7 En zij vroegen Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?
Luk 21:8 En Hij zei: Ziet toe, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na.
Luk 21:9 En wanneer gij zult horen van oorlogen en beroeringen, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden, maar nog is terstond het einde niet.
Luk 21:10 Toen zei Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk.
Luk 21:11 En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en epidemieën; er zullen ook verschrikkelijke dingen, en grote tekenen vanuit de hemel geschieden.
Luk 21:12 Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan u slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, omwille van Mijn Naam.
Luk 21:13 En dit zal u overkomen tot een getuigenis.
Luk 21:14 Neemt dan in uw harten voor, van tevoren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult;
Luk 21:15 Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch weerstaan allen, die u tegenstaan.
Luk 21:16 En gij zult overgeleverd worden ook door ouders, en broeders, en familie, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden.
Luk 21:17 En gij zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam.
Luk 21:18 Doch niet één haar uit uw hoofd zal verloren gaan.
Luk 21:19 Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.
Luk 21:20 Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem door legers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.
Luk 21:21 Alsdan die in Judea zijn, dat zij vluchten naar de bergen; en die in het midden van de stad zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij de stad niet inkomen.
Luk 21:22
Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is.
Luk 21:23 Doch wee de bevruchte en de zogende vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk.
Luk 21:24 En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn.  *)
Luk 21:25 En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid onder de volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;
Luk 21:26 En de mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten van de hemelen zullen bewogen worden.
Luk 21:27
En alsdan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.
Luk 21:28 Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.
Luk 21:29 En Hij zei tot hen een gelijkenis: Ziet de vijgeboom, en al de bomen.
Luk 21:30 Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelf, dat de zomer nu nabij is.
Luk 21:31 Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het koninkrijk van God nabij is.
Luk 21:32 Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn.
Luk 21:33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
Luk 21:34 En wacht uzelf, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden van dit leven, en dat u die dag niet onvoorziens overkome.
Luk 21:35 Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op de ganse aardbodem gezeten zijn.
Luk 21:36 Waakt dan te allen tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvluchten al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor de Zoon des mensen.

Luk 21:37 Des daags nu was Hij lerende in de tempel; maar des nachts ging Hij uit, en overnachtte op de berg, genaamd de Olijfberg.
Luk 21:38 En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in de tempel, om Hem te horen.

Hoofdstuk 22
Luk 22:1 En het feest van de ongezuurde broden, genaamd pascha, was nabij.
Luk 22:2 En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk.
Luk 22:3 En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal van de twaalven.
Luk 22:4 En hij ging heen en sprak met de overpriesters en bevelhebbers van de tempelwacht, hoe hij Hem hun zou overleveren.
Luk 22:5 En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem geld geven zouden.
Luk 22:6 En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om Hem hun, zonder oproer, over te leveren.
Luk 22:7 En de dag van de ongezuurde broden kwam, waarop het pascha moest geslacht worden.
Luk 22:8 En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen, en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen.
Luk 22:9 En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het bereiden?
Luk 22:10 En Hij zei tot hen: Ziet, als gij in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een man ontmoeten, dragende een kruik water; volgt hem in het huis, waar hij ingaat.
Luk 22:11 En gij zult zeggen tot de huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, waar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
Luk 22:12 En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het aldaar.
Luk 22:13 En zij, heengaande, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.
Luk 22:14 En toen het uur gekomen was, lag Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem.
Luk 22:15 En Hij zei tot hen: Ik heb vurig begeerd, dit pascha met u te eten, eer Ik zal lijden;
Luk 22:16 Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het koninkrijk van God.
Luk 22:17 En toen Hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zei Hij: Neemt deze, en deelt hem onder ulieden.
Luk 22:18 Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht van de wijnstok, totdat het koninkrijk van God zal gekomen zijn.
Luk 22:19 En Hij nam brood, en toen Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
Luk 22:20 Desgelijks ook de drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.  *)
Luk 22:21 Doch ziet, de hand van hem, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.
Luk 22:22
En de Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk besloten is; doch wee die mens, door wie Hij verraden wordt!
Luk 22:23 En zij begonnen onder elkaar te vragen, wie van hen het toch mocht zijn, die dat doen zou.
Luk 22:24 En er ontstond ook twist onder hen, wie van hen de meeste scheen te zijn.
Luk 22:25 En Hij zei tot hen: De koningen van de volken heersen over hen; en die macht over hen hebben, worden weldadige heren genaamd.
Luk 22:26 Doch gij niet alzo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste, en die voorganger is, als één die dient.
Luk 22:27 Want wie is meerder, die aanligt, of die dient? Is het niet die aanligt? Maar Ik ben in het midden van u, als één die dient.
Luk 22:28 En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen.
Luk 22:29 En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft;
Luk 22:30 Opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten van Israel.
Luk 22:31 En de Heere zei: Simon, Simon, ziet, de satan heeft u zeer begeerd om te ziften als de tarwe;
Luk 22:32 Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.
Luk 22:33 En hij zei tot Hem: Heere, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in de dood te gaan.
Luk 22:34 Maar Hij zei: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben, dat gij Mij kent.
Luk 22:35 En Hij zei tot hen: toen Ik u uitzond, zonder buidel, en knapzak, en sandalen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.
Luk 22:36 Hij zei dan tot hen: Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem mede, desgelijks ook een knapzak; en die geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard.
Luk 22:37
Want Ik zeg u, dat nog dit, hetgeen geschreven is, aan Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigers gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde.
Luk 22:38 En zij zeiden: Heere! zie hier twee zwaarden. En Hij zei tot hen: Het is genoeg.

Luk 22:39 En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar de Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen.
Luk 22:40 En toen Hij aan die plaats gekomen was, zei Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking komt.
Luk 22:41 En Hij verwijderde Zich van hen, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad,
Luk 22:42 Zeggende: Vader, indien Gij wilt, neem deze beker van Mij, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.
Luk 22:43 En van Hem werd gezien een engel uit de hemel, die Hem versterkte.
Luk 22:44
En in zware strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloed, die op de aarde afliepen.
Luk 22:45 En toen Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijn discipelen, en vond hen slapende van droefheid.
Luk 22:46 En Hij zei tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.
Luk 22:47 En terwijl Hij nog sprak, ziet daar een schare; en één van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen.
Luk 22:48 En Jezus zei tot hem: Judas, verraadt gij de Zoon des mensen met een kus?
Luk 22:49 En die bij Hem waren, ziende, wat er geschieden zou, zeiden tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan?
Luk 22:50 En één uit hen sloeg de dienstknecht van de hogepriester, en hieuw hem zijn rechteroor af.
Luk 22:51 En Jezus, antwoordende, zei: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan, en heelde hem.
Luk 22:52 En Jezus zei tot de overpriesters, en de bevelhebbers van de tempelwacht, en de oudsten, die tegen Hem gekomen waren: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar?
Luk 22:53 Toen Ik dagelijks met u was in de tempel, zo hebt gij de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw uur, en de macht der duisternis.
Luk 22:54 En zij grepen Hem en leidden Hem weg, en brachten Hem in het huis van de hogepriester. En Petrus volgde van verre.

Luk 22:55 En toen zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij tezamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen.
Luk 22:56 En een dienstmaagd, ziende hem bij het vuur zitten, en haar ogen op hem houdende, zei: Ook deze was met Hem.
Luk 22:57 Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet.
Luk 22:58 En kort daarna een ander, hem ziende, zei: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zei: Mens, dat ben ik niet.
Luk 22:59 En omtrent een uur daarna, bevestigde dat een ander, zeggende: Naar waarheid, ook deze was met Hem; want hij is ook een Galileeër.
Luk 22:60 Maar Petrus zei: Mens, ik weet niet, wat gij zegt. En terstond, toen hij nog sprak, kraaide de haan.
Luk 22:61 En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord van de Heere, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.
Luk 22:62 En Petrus, naar buiten gaande, weende bitter.
Luk 22:63 En de mannen, die Jezus vasthielden, bespotten Hem, en sloegen Hem.
Luk 22:64 En toen zij Hem geblinddoekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vroegen Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft.
Luk 22:65 En vele andere dingen zeiden zij tegen Hem, lasterende.
Luk 22:66 En toen het dag geworden was, vergaderden de oudsten van het volk, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad,
Luk 22:67 Zeggende: Zijt Gij de Christus, zeg het ons. En Hij zei tot hen: Indien Ik het u zeg, gij zult het niet geloven;
Luk 22:68 En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten;
Luk 22:69
Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechterhand van de kracht Gods.
Luk 22:70 En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de Zoon Gods? En Hij zei tot hen: Gij zegt, dat Ik het ben.
Luk 22:71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis nodig? Want wij zelf hebben het uit Zijn mond gehoord.

Hoofdstuk 23
Luk 23:1 En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus.
Luk 23:2 En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verleidt, en verbiedt de keizer belastingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.
Luk 23:3 En Pilatus vroeg Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zei: Gij zegt het.
Luk 23:4 En Pilatus zei tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in deze Mens.
Luk 23:5 En zij hielden des te sterker aan, zeggende: Hij brengt het volk in oproer, lerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe.
Luk 23:6 Toen nu Pilatus van Galilea hoorde, vroeg hij, of die Mens een Galileër was.
Luk 23:7 En verstaande, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond hij Hem heen tot Herodes, die ook zelf in die dagen in Jeruzalem was.
Luk 23:8 En toen Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was reeds lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat door Hem gedaan zou worden.
Luk 23:9 En hij vroeg Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.
Luk 23:10 En de overpriesters en de Schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftig.
Luk 23:11 En Herodes met zijn soldaten Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.
Luk 23:12 En op diezelfde dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkaar; want zij waren tevoren in vijandschap tegen de ander.
Luk 23:13 En toen Pilatus de overpriesters, en de oversten, en het volk bijeengeroepen had, zei hij tot hen:
Luk 23:14 Gij hebt deze Mens tot mij gebracht, als één, die het volk afkerig maakt; en ziet, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in deze Mens geen schuld gevonden, van hetgeen waar gij Hem mee beschuldigt;
Luk 23:15 Ja, ook Herodes niet; want ik heb Hem tot hem gezonden, en ziet, er is door Hem niets gedaan, dat de doodstraf rechtvaardigt.
Luk 23:16 Zo zal ik Hem dan kastijden en vrijlaten.
Luk 23:17 En hij moest hun op het feest iemand vrijlaten.
Luk 23:18 Doch al de menigte riep als één man, zeggende: Weg met Deze, en laat ons Bar-abbas los.
Luk 23:19 Die om een oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen was.
Luk 23:20 Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.
Luk 23:21 Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruisig Hem, kruisig Hem!
Luk 23:22 En hij zei ten derde male tot hen: Wat heeft Deze dan voor kwaad gedaan? Ik heb in Hem niets gevonden, dat de doodstraf verdient. Zo zal ik Hem dan kastijden en vrijlaten.
Luk 23:23 Maar zij hielden aan met luid geschreeuw, eisende, dat Hij zou gekruisigd worden; en het geschreeuw van hen en de overpriesters werd steeds harder.
Luk 23:24 En Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou.
Luk 23:25 En hij liet hun vrij degene, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welke zij geëist hadden; maar Jezus gaf hij over naar hun wil.
Luk 23:26 En toen zij Hem wegleidden, namen zij ene Simon van Cyrene, komende van de akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.
Luk 23:27 En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, die ook weenden en Hem beklaagden.
Luk 23:28 En Jezus, Zich tot hen kerende, zei: Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelf, en over uw kinderen.
Luk 23:29 Want ziet, er komen dagen, waarop men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buik, die niet gebaard heeft, en de borsten, die niet gezoogd hebben.
Luk 23:30
Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvels: Bedekt ons.
Luk 23:31 Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?
Luk 23:32 En er werden ook twee anderen, zijnde misdadigers, geleid, om met Hem gedood te worden.
Luk 23:33 En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de misdadigers, de één ter rechterzijde en de ander ter linkerzijde.
Luk 23:34
En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.
Luk 23:35 En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelf verlosse, als Hij de Christus is, de Uitverkorene Gods.
Luk 23:36
En ook de soldaten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem edik;
Luk 23:37 En zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelf.
Luk 23:38 En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: Deze is de Koning der Joden.
Luk 23:39 En één van de misdadigers, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelf en ons.
Luk 23:40 Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?
Luk 23:41 En wij toch rechtvaardig; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
Luk 23:42 En hij zei tot Jezus: Heere, gedenk mij, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
Luk 23:43 En Jezus zei tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.  *)
Luk 23:44 En het was omtrent het zesde uur, en er werd duisternis over de hele aarde, tot het negende uur toe.
Luk 23:45 En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor.
Luk 23:46
En Jezus, roepende met luide stem, zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.

Luk 23:47 Toen nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zei: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.
Luk 23:48 En al de scharen, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die geschied waren, keerden wederom, slaande op hun borsten.
Luk 23:49 En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem tezamen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan.
Luk 23:50 En zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man,
Luk 23:51 (Deze had niet mee ingestemd in hun raad en handel) van Arimathea, een stad van de Joden, en die ook zelf het koninkrijk van God verwachtte;
Luk 23:52 Deze ging tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.
Luk 23:53
En toen hij het afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.
Luk 23:54 En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan.
Luk 23:55 En ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galilea, volgden en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd.
Luk 23:56 En weergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op de sabbat rustten zij naar het gebod.

Hoofdstuk 24
Luk 24:1 En op de eerste dag van de week, zeer vroeg in de morgen, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en enigen met hen.
Luk 24:2 En zij vonden de steen afgewenteld van het graf.
Luk 24:3 En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van de Heere Jezus niet.
Luk 24:4 En het geschiedde, toen zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij hen in blinkende klederen.
Luk 24:5 En toen zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot hen: Wat zoekt gij de Levende bij de doden?
Luk 24:6 Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, toen Hij nog in Galilea was,
Luk 24:7 Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen van zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derde dage wederopstaan.
Luk 24:8 En zij werden Zijn woorden indachtig.
Luk 24:9 En teruggekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan de elven, en aan al de anderen.
Luk 24:10 Het waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en de anderen met hen, die dit tot de apostelen zeiden.
Luk 24:11 En hun woorden leken hen ijdel geklap, en zij geloofden hen niet.
Luk 24:12 Doch Petrus opstaande, liep tot het graf, en bukkend, zag hij alleen de linnen doeken liggen, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelf over hetgeen geschied was.

Luk 24:13 En zie, twee van hen gingen op dezelfde dag naar een vlek, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs;  *)
Luk 24:14 En zij spraken samen onder elkaar van al deze dingen, die er gebeurd waren.
Luk 24:15 En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkaar ondervroegen, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.
Luk 24:16 En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.
Luk 24:17 En Hij zei tot hen: Wat voor redenen zijn dit, die gij, wandelende, met elkaar spreekt, en waarom kijkt gij bedroefd?
Luk 24:18 En de één, wiens naam was Kleopas, antwoordende, zei tot Hem: Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn?
Luk 24:19 En Hij zei tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus de Nazarener, Die een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk.
Luk 24:20 En hoe onze overpriesters en oversten Hem overgeleverd hebben om hem ter dood te laten veroordelen, en Hem gekruisigd hebben.
Luk 24:21 En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israel verlossen zou. Doch ook, behalve dit alles, is het heden al de derde dag, sinds dat deze dingen geschied zijn.
Luk 24:22 Maar ook hebben sommige vrouwen uit ons midden ons ontsteld, die vroeg in de morgen aan het graf geweest zijn;
Luk 24:23 En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft.
Luk 24:24 En sommigen van degenen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet.
Luk 24:25 En Hij zei tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!
Luk 24:26 Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?
Luk 24:27
En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.
Luk 24:28 En zij kwamen nabij het dorp, waar zij naar toegingen; en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou.
Luk 24:29 En zij drongen sterk bij Hem aan, zeggende: Blijf met ons; want het is bijna avond, en de dag bijna voorbij. En Hij ging in, om met hen te verblijven.
Luk 24:30 En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam, en zegende het, en toen Hij het gebroken had, gaf Hij het hun.
Luk 24:31 En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.

Luk 24:32 En zij zeiden tot elkaar: Was ons hart niet brandende in ons, toen Hij tot ons sprak op de weg, en toen Hij ons de Schriften opende?
Luk 24:33 En zij, opstaande op hetzelfde uur, keerden weer naar Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren;
Luk 24:34 Die zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is door Simon gezien.
Luk 24:35 En zij vertelden, hetgeen op de weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken van het brood.
Luk 24:36 En toen zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zei tot hen: Vrede zij ulieden!
Luk 24:37 En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij een geest zagen.
Luk 24:38 En Hij zei tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overwegingen in uw harten?
Luk 24:39 Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.
Luk 24:40 En toen Hij dit zei, toonde Hij hun de handen en de voeten.
Luk 24:41 En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zei Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten?
Luk 24:42 En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honingraten.
Luk 24:43 En Hij nam het, en at het voor hun ogen.
Luk 24:44 En Hij zei tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.
Luk 24:45 Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
Luk 24:46 En zei tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derde dage.
Luk 24:47 En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving van zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
Luk 24:48 En gij zijt getuigen van deze dingen.
Luk 24:49 En ziet, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoge.
Luk 24:50 En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen.
Luk 24:51 En het geschiedde, toen Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel.
Luk 24:52 En zij aanbaden Hem, en keerden weer naar Jeruzalem met grote blijdschap.
Luk 24:53 En zij waren voortdurend in de tempel, lovende en dankende God. Amen.


Aantekeningen

9:31 uitgang: Gr. exodus
11:33 e.v. licht (zicht) is hier beeldspraaak voor inzicht
12:6 Een assarius was het 1/10 deel van een denarius, een dagloon.
13:30 laatsten: ook te begrijpen als laagsten
13:32 voor een dag mag hier een jaar worden verstaan
14:26 het betreffende woord in de grondtekst, kan behalve met 'haten' ook met 'minder liefhebben' worden vertaald.
Ook is haat in strijd met het gebod tot naastenliefde Lev 19:18 en Matt 22:39 en het gebod om de ouders te eren Ex 20:12
16:22 'aan de boezem van Abraham' was in het Israel van die tijd een gewone uitdrukking voor 'overlijden'. Een zo gewone uitdrukking, dat wanneer men naar iemands welstand informeerde, die was overleden, men ten antwoord kon krijgen: die ligt aan Abrahams boezem.
Men stelde zich voor dat de gelovige Jood na het sterven zou aanliggen aan een welvoorziene dis met Abraham, Izaäk en Jakob.
17:18 vreemdeling was in Israel van die tijd een gebruikelijke uitdrukking voor Samaritaan
17:37 Deze arenden doen denken aan de Romeinse legioenen rondom Jeruzalem in het jaar 70. De standaardbanier van een Romeins legioen was getooid met de afbeelding van een arend
18:8 in dit land: in de St.Vert. staat 'op de aarde'. In de grondtekst staan de woorden: epi tes ges.
Deze zelfde woorden 'epi tes ges' staan ook in
Luk 21:23
, en zijn op die plaats in de St.Vert. vertaald met 'in het land'
21:2 zie aant. Mark 12:42
21:24 In 1967 kwam Jeruzalem weer geheel onder Joods bestuur
22:20 zie aant Matt 26:28
23:43 zie aant 2Kor 12:4
24:13 zestig stadiën, ongeveer twaalf kilometer