Hoofdstuk 1
Matt 1:1 Het boek van het geslacht van Jezus Christus, de Zoon van David, de zoon van Abraham.  *)
Matt 1:2 Abraham gewon Izaäk, en Izaäk gewon Jakob, en Jakob gewon Juda, en zijn broers;
Matt 1:3 En Juda gewon Perez en Zera bij Thamar; en Perez gewon Hezron, en Hezron gewon Ram;
Matt 1:4 En Ram gewon Aminadab, en Aminadab gewon Nahesson, en Nahesson gewon Salmon;
Matt 1:5 En Salmon gewon Boaz bij Rachab, en Boaz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Isaï;
Matt 1:6 En Isaï gewon David, de koning; en David, de koning, gewon Salomo bij degene, die Uria's vrouw was geweest;
Matt 1:7 En Salomo gewon Rehabeam, en Rehabeam gewon Abia, en Abia gewon Asa;
Matt 1:8 En Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Uzzia;
Matt 1:9 En Uzzia gewon Jotham, en Jotham gewon Achaz, en Achaz gewon Hizkia;
Matt 1:10 En Hizkia gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josia;
Matt 1:11 En Josia gewon Jechonia, en zijn broers, omtrent het begin van de Babylonische ballingschap.
Matt 1:12 En na de Babylonische ballingschap gewon Jechonia Salathiël, en Salathiël gewon Zerubbabel;
Matt 1:13 En Zerubbabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor;
Matt 1:14 En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Elihud;
Matt 1:15 En Elihud gewon Eleazar, en Eleazar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob;
Matt 1:16 En Jakob gewon Jozef, de man van Maria, uit wie geboren is Jezus, gezegd Christus.
Matt 1:17 Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische ballingschap, zijn veertien geslachten; en van de Babylonische ballingschap tot Christus, zijn veertien geslachten.  *)

Matt 1:18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want toen Maria, zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit de Heilige Geest.
Matt 1:19 Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde in het openbaar te schande maken, was voornemens haar heimelijk te verlaten.
Matt 1:20 En alzo hij deze dingen in de zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in de droom, zeggende: Jozef, gij zoon van David! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest;
Matt 1:21 En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Jezus; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
Matt 1:22 En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van de Heere gesproken is, door de profeet, zeggende:
Matt 1:23
Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Immanuël; dat is, vertaald, God met ons.
Matt 1:24 Jozef dan, opgewekt zijnde van de slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen;
Matt 1:25 En bekende haar niet, totdat zij deze haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam Jezus.

Hoofdstuk 2
Matt 2:1 Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van de koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.
Matt 2:2 Zeggende: Waar is de geboren Koning van de Joden? want wij hebben Zijn ster gezien in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.
Matt 2:3 De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, raakte ontdaan, en geheel Jeruzalem, met hem.
Matt 2:4 En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden van het volk, vroeg hij hen, waar de Christus zou geboren worden.
Matt 2:5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judea gelegen; want alzo is geschreven door de profeet:
Matt 2:6
En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.
Matt 2:7 Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstig van hen de tijd, wanneer de ster verschenen was;
Matt 2:8 En hen naar Bethlehem zendende, zei: Reist heen, en onderzoekt naarstig naar dat Kindje, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kom en Het aanbid.
Matt 2:9 En zij, de koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindje was.
Matt 2:10 toen zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.
Matt 2:11 En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindje met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Het aanbeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.
Matt 2:12 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in de droom, dat zij niet zouden terugkeren tot Herodes, vertrokken zij langs een andere weg weer naar hun land.
Matt 2:13 Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in de droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindje en Zijn moeder, en vlucht in Egypte, en blijf aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kindje zoeken, om Het te doden.
Matt 2:14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindje en Zijn moeder tot zich in de nacht, en vertrok naar Egypte;

Matt 2:15
En was aldaar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen door de Heere gesproken is door de profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
Matt 2:16 Toen Herodes inzag, dat hij door de wijzen misleid was, werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbend, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem en haar grenzen waren, van twee jaar oud en daaronder, overeenkomstig de tijd, die hij van de wijzen naarstig onderzocht had.
Matt 2:17
Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, zeggende:
Matt 2:18 Een stem is in Rama gehoord, geklaag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet meer zijn!
Matt 2:19 Toen Herodes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in de droom, in Egypte.
Matt 2:20 Zeggende: Sta op, neem het Kindje en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israels; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindje zochten.
Matt 2:21 Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kindje en Zijn moeder, en is gekomen in het land Israels.
Matt 2:22 Maar toen hij hoorde, dat Archelaüs in Judea koning was, in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in de droom, is hij vertrokken naar de gebieden van Galilea.
Matt 2:23 En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is: Hij zal Nazarener geheten worden.

Hoofdstuk 3
Matt 3:1 En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea,
Matt 3:2 En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
Matt 3:3
Want deze is het, van wie gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Matt 3:4 En deze Johannes had een kleed van kamelenhaar, en een leren gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honing.
Matt 3:5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan;
Matt 3:6 En werden door hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.
Matt 3:7 Hij dan, ziende velen van de Farizeeën en Sadduceeën tot zijn doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels! wie heeft u gewaarschuwd om de komende toorn te ontvluchten?
Matt 3:8 Brengt dan vruchten voort, de bekering waardig.
Matt 3:9 En meent niet bij uzelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.
Matt 3:10 En ook is de bijl al aan de wortel van de bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Matt 3:11 Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen.
Matt 3:12 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.
Matt 3:13 Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om door hem gedoopt te worden.
Matt 3:14 Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig door U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?
Matt 3:15 Maar Jezus, antwoordende, zei tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.
Matt 3:16 En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag de Geest Gods nederdalen, gelijk een duif en op Hem komen.
Matt 3:17 En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!

Hoofdstuk 4
Matt 4:1 Toen werd Jezus door de Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden door de duivel.
Matt 4:2 En toen Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, kreeg Hij tenslotte honger
Matt 4:3 En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zei: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.
Matt 4:4
Doch Hij, antwoordende, zei: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat.
Matt 4:5 Toen nam Hem de duivel mee naar de heilige stad, en stelde Hem op de dakrand van de tempel;
Matt 4:6
En zei tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen dragen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.
Matt 4:7
Jezus zei tot hem: Er is wederom geschreven: Gij zult de Heere, uw God, niet verzoeken.
Matt 4:8 Wederom nam Hem de duivel mee op een zeer hoge berg, en toonde Hem al de koninkrijken van de wereld, en hun heerlijkheid;
Matt 4:9 En zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.
Matt 4:10
Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.
Matt 4:11 Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, engelen zijn gekomen, en dienden Hem.
Matt 4:12 toen nu Jezus gehoord had, dat Johannes gevangen was genomen, is Hij weergekeerd naar Galilea;
Matt 4:13 En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaüm, gelegen aan het meer, in het gebied van Zebulon en Nafthali;
Matt 4:14 Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende:
Matt 4:15
Het land Zebulon en het land Nafthali aan de weg der zee over de Jordaan, Galilea van de heidenen;
Matt 4:16 Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduw van de dood, daarover is een licht opgegaan.
Matt 4:17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
Matt 4:18 En Jezus, wandelende aan het meer van Galilea, zag twee broers, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broer, het net in het meer werpende (want zij waren vissers);
Matt 4:19 En Hij zei tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers van mensen maken.
Matt 4:20 Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.
Matt 4:21 En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broers, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, in een boot met hun vader Zebedeüs, hun netten herstellende, en heeft hen geroepen.
Matt 4:22 Zij dan, terstond verlatende de boot en hun vader, zijn Hem nagevolgd.
Matt 4:23 En Jezus trok door geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwaal onder het volk.
Matt 4:24 En het gerucht over Hem ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en door demonen bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas hen.
Matt 4:25 En vele scharen volgden Hem na, van Galilea en van Dekapolis, en van Jeruzalem, en van Judea, en van over de Jordaan.

Hoofdstuk 5
Matt 5:1 En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg, en toen Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.
Matt 5:2 En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:
Matt 5:3
Zalig zijn de armen van geest; want aan hun behoort het Koninkrijk der hemelen.  *)
Matt 5:4
Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.
Matt 5:5
Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.
Matt 5:6 Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
Matt 5:7
Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.
Matt 5:8
Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
Matt 5:9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
Matt 5:10 Zalig zijn die vervolgd worden omwille van de gerechtigheid; want hun behoort het Koninkrijk der hemelen.
Matt 5:11 Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.
Matt 5:12
Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.

Matt 5:13 Gij zijt het zout van de aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmee zal het weer zout worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en door de mensen vertreden te worden.
Matt 5:14 Gij zijt het licht van de wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.
Matt 5:15 Noch steekt men een lamp aan, en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn;
Matt 5:16 Laat evenzo uw licht schijnen voor de mensen, zodat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

Matt 5:17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.
Matt 5:18
Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.
Matt 5:19 Zo wie dan één van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie deze zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.
Matt 5:20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan van de Schriftgeleerden en van de Farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.
Matt 5:21
Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.
Matt 5:22 Doch Ik zeg u: Zo wie ten onrechte op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
Matt 5:23 Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;
Matt 5:24 Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.
Matt 5:25 Weest haastig welgezind jegens uw tegenpartij, terwijl gij nog met hem onderweg zijt; opdat de tegenpartij niet misschien u de rechter overlevere, en de rechter u de dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.
Matt 5:26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij de laatste penning zult betaald hebben.
Matt 5:27
Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.
Matt 5:28 Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aanziet, om haar te begeren, die heeft al overspel in zijn hart met haar gedaan.
Matt 5:29 Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u beter, dat één van uw leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen wordt.*)
Matt 5:30 En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u beter, dat één van uw leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen wordt.  
Matt 5:31
Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.
Matt 5:32 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.
Matt 5:33
Wederom hebt gij gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult de eed niet breken, maar gij zult de Heere uw eden houden.
Matt 5:34 Maar Ik zeg u: Zweert in het geheel niet, noch bij de hemel, omdat hij is de troon Gods;
Matt 5:35 Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank van Zijn voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad van de grote Koning;
Matt 5:36 Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken;
Matt 5:37 Maar laat uw woord ja, ja zijn; en neen, neen; wat boven deze is, dat is uit de boze.
Matt 5:38
Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.
Matt 5:39 Maar Ik zeg u, dat gij de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;
Matt 5:40 En zo iemand met u rechten wil, en uw lijfrok nemen, laat hem ook de mantel;
Matt 5:41 En zo wie u zal dwingen één mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.
Matt 5:42 Geeft degene, die iets van u bidt, en keert u niet af van degene, die van u lenen wil.
Matt 5:43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.  *)
Matt 5:44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel degenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;
Matt 5:45 Opdat gij moogt kinderen zijn van uw Vader, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Matt 5:46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaren niet hetzelfde?
Matt 5:47 En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaren alzo?
Matt 5:48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

Hoofdstuk 6
Matt 6:1 Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om door hen gezien te worden; want dan hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.
Matt 6:2 Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon al.
Matt 6:3 Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechterhand doet;
Matt 6:4 Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.

Matt 6:5 En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de huichelaars; want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken van de straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon al hebben.
Matt 6:6 Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
Matt 6:7 En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden.
Matt 6:8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij nodig hebt, eer gij Hem bidt.
Matt 6:9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
Matt 6:10 Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.
Matt 6:11 Geef ons heden ons dagelijks brood.
Matt 6:12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
Matt 6:13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want van U is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid, amen.
Matt 6:14 Want indien gij de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.
Matt 6:15 Maar indien gij de mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.

Matt 6:16 En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de huichelaars; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon al hebben.
Matt 6:17 Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht;
Matt 6:18 Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.

Matt 6:19 Vergadert u geen schatten op de aarde, waar de mot en de roest ze verderft, en waar de dieven inbreken en stelen;
Matt 6:20 Maar vergadert u schatten in de hemel, waar mot noch roest ze verderft, en waar de dieven niet inbreken noch stelen;
Matt 6:21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Matt 6:22 De lamp van het lichaam is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw hele geestelijke lichaam verlicht wezen;
Matt 6:23 Maar indien uw oog boos is, zo zal uw hele geestelijke lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot is de duisternis!
Matt 6:24 Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de ene haten en de andere liefhebben, of hij zal de ene aanhangen en de andere verachten; gij kunt niet God dienen en de Mammon.  *)
Matt 6:25 Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?
Matt 6:26 Aanziet de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt ze nochtans; gaat gij ze niet zeer veel te boven?
Matt 6:27 Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte van leven toedoen?
Matt 6:28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelies van het veld, hoe zij groeien; zij arbeiden niet, en spinnen niet;
Matt 6:29 En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk één van deze.
Matt 6:30 Indien nu God het gras van het veld, dat heden is, en morgen in de oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen?
Matt 6:31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden?
Matt 6:32 Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.
Matt 6:33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
Matt 6:34 Zijt dan niet bezorgd tegen de morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

Hoofdstuk 7
Matt 7:1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
Matt 7:2 Want met het oordeel waarmee gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met de maat waarmee gij meet, zal u wedergemeten worden.
Matt 7:3 En wat ziet gij de splinter, die in het oog van uw broeder is, maar de balk, die in uw oog is, merkt gij niet?
Matt 7:4 Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik de splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?
Matt 7:5 Gij geveinsde! werp eerst de balk uit uw oog, en dan zult gij goed kunnen zien, om de splinter uit het oog van uw broeder te doen.
Matt 7:6 Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd deze met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
Matt 7:7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
Matt 7:8 Want een ieder, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden.
Matt 7:9 Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou vragen om brood, die hem een steen zal geven?
Matt 7:10 En zo hij hem om een vis zou vragen, die hem een slang zal geven?
Matt 7:11 Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven degenen, die ze van Hem bidden!
Matt 7:12 Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.

Matt 7:13 Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan;
Matt 7:14 Want de poort is eng, en de weg is smal, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.
Matt 7:15 Maar wacht u voor de valse profeten, die in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.
Matt 7:16 Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?
Matt 7:17 Alzo iedere goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.
Matt 7:18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.
Matt 7:19 Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Matt 7:20 Zo zult gij ze aan hun vruchten kennen.
Matt 7:21 Niet een ieder, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Matt 7:22 Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam demonen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?
Matt 7:23 En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!
Matt 7:24 Een ieder dan, die deze Mijn woorden hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;
Matt 7:25 En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en sloegen tegen dat huis, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.
Matt 7:26 En een ieder, die deze Mijn woorden hoort en ze niet doet, die zal bij een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft;
Matt 7:27 En de slagregen is gevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en sloegen tegen dat huis, en het is gevallen, en zijn val was groot.
Matt 7:28 En het is geschied, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer;
Matt 7:29 Want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden.

Hoofdstuk 8
Matt 8:1 Toen Hij nu van de berg afgeklommen was, zijn Hem vele scharen gevolgd.
Matt 8:2 En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
Matt 8:3 En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd.
Matt 8:4
En Jezus zei tot hem: Zie, dat gij dit niemand zegt; maar ga heen, toon uzelf aan de priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
Matt 8:5 toen nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem,
Matt 8:6 En zeggende: Heere! mijn knecht ligt thuis geraakt en lijdt zware pijnen.
Matt 8:7 En Jezus zei tot hem: Ik zal komen en hem genezen.
Matt 8:8 En de hoofdman over honderd, antwoordende, zei: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zou inkomen; maar spreek alleen een woord, en mijn knecht zal genezen worden.
Matt 8:9 Want ik ben ook een mens onder de macht van anderen, hebbende onder mij soldaten; en ik zeg tot deze: Ga! en hij gaat; en tot de andere: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.
Matt 8:10 Jezus nu, dit horende, heeft Zich verwonderd, en zei tot degenen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israel zo groot een geloof niet gevonden.
Matt 8:11 Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oost en west en zullen met Abraham, en Izaäk, en Jakob, aanliggen in het Koninkrijk der hemelen;
Matt 8:12 Maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.
Matt 8:13 En Jezus zei tot de hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden op datzelfde uur.
Matt 8:14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag diens schoonmoeder te bed liggen, hebbende de koorts.
Matt 8:15 En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende hen.
Matt 8:16 En toen het avond geworden was, hebben zij velen, door demonen bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met het woord, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren;
Matt 8:17
Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken was door Jesaja, de profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.

Matt 8:18 En Jezus, vele scharen ziende rondom Zich, beval naar de andere zijde over te varen.
Matt 8:19 En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem, en zei tot Hem: Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.
Matt 8:20 En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen, en de vogels van de hemel nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd op neer zal leggen.
Matt 8:21 En een ander uit Zijn discipelen zei tot Hem: Heere! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begraaf.
Matt 8:22 Doch Jezus zei tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.
Matt 8:23 En toen Hij in een boot gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd.
Matt 8:24 En ziet, er ontstond een grote beving in het meer, alzo dat de boot door de golven overstroomd werd; doch Hij sliep.
Matt 8:25 En Zijn discipelen, bij Hem komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan!
Matt 8:26 En Hij zei tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en het meer; en er werd grote stilte.
Matt 8:27 En de mensen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig één is Deze, dat ook de winden en het meer Hem gehoorzaam zijn!

Matt 8:28 En toen Hij aan de andere zijde was gekomen in het land van de Gadarenen, zijn Hem twee, door demonen bezetenen, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzo dat niemand door die weg kon voorbij gaan.
Matt 8:29 En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, Gij Zoon van God! wat hebben wij met U te doen? Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor de tijd?
Matt 8:30 En ver van hen was een grote kudde grazende zwijnen,
Matt 8:31 En de demonen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen.
Matt 8:32 En Hij zei tot hen: Gaat heen. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de gehele kudde zwijnen stortte van de steilte af in het meer, en stierven in het water.
Matt 8:33 En die ze weidden, zijn gevlucht; en toen zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al deze dingen, en wat aan de bezetenen geschied was.
Matt 8:34 En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en toen zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun gebied wilde vertrekken.

Hoofdstuk 9
Matt 9:1 En in een boot gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad. En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende.
Matt 9:2 En Jezus, hun geloof ziende, zei tot de geraakte: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.
Matt 9:3 En ziet, sommigen van de Schriftgeleerden zeiden in zichzelf: Deze lastert God.
Matt 9:4 En Jezus, ziende hun gedachten, zei: Waarom overdenkt gij kwaad in uw harten?
Matt 9:5 Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel?
Matt 9:6 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven -toen zei Hij tot de geraakte- : Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis.
Matt 9:7 En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.
Matt 9:8 De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zodanige macht aan mensen gegeven had.

Matt 9:9 En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs; en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
Matt 9:10 En het geschiedde, toen Hij in het huis van Mattheüs aanzat, ziet, vele tollenaren en zondaren kwamen en zaten mede aan, met Jezus en Zijn discipelen.
Matt 9:11 En de Farizeeën, dat ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren?
Matt 9:12 Maar Jezus, zulks horende, zei tot hen: Die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet nodig, maar die ziek zijn.
Matt 9:13
Doch gaat heen en leert, wat het betekent: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.
Matt 9:14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeeën veel, en Uw discipelen vasten niet?
Matt 9:15 En Jezus zei tot hen: Kunnen ook de bruiloftsgasten treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.  *)
Matt 9:16 Ook zet niemand een lap ongevold laken op een oud kleed; want deze aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt een ergere scheur.
Matt 9:17 Noch doet men nieuwe wijn in oude lederen zakken; anders zo scheuren de lederen zakken, en de wijn stroomt weg, en de lederen zakken bederven, maar men doet nieuwe wijn in nieuwe lederen zakken, en beide tezamen worden behouden.

Matt 9:18 Toen Hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste van de synagoge kwam en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu zojuist gestorven, doch kom en leg Uw hand op haar, en zij zal leven.
Matt 9:19 En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en Zijn discipelen.
Matt 9:20 (En ziet, een vrouw die twaalf jaren aan bloedvloeien had geleden, komende tot Hem van achteren, raakte de zoom van Zijn kleed aan;
Matt 9:21 Want zij zei in zichzelf: Indien ik alleen maar Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden.
Matt 9:22 En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zei: Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van datzelfde uur af.)
Matt 9:23 En toen Jezus in het huis van de overste kwam, en zag de fluitspelers en de misbaar makende mensen,
Matt 9:24 Zei Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij lachten Hem uit.
Matt 9:25 toen nu de schare uitgedreven was, ging Hij in, en greep haar hand; en het dochtertje stond op.
Matt 9:26 En dit gerucht ging uit door dat gehele land.

Matt 9:27 En toen Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm U onzer!
Matt 9:28 En toen Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zei tot hen: Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!
Matt 9:29 Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.
Matt 9:30 En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer streng verboden, zeggende: Ziet, dat niemand het wete.
Matt 9:31 Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt door dat gehele land.
Matt 9:32 toen dezen nu weggingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom was en door een demon bezeten.
Matt 9:33 En toen de demon uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit iets dergelijks in Israel gezien!
Matt 9:34 Maar de Farizeeën zeiden: Hij werpt de demonen uit door de overste van de demonen.

Matt 9:35 En Jezus omging al de steden en dorpen, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwaal onder het volk.
Matt 9:36 En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben.
Matt 9:37 Toen zei Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige;
Matt 9:38 Bidt dan de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders in Zijn oogst zendt.

Hoofdstuk 10
Matt 10:1 En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om die uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen.
Matt 10:2 De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broer; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer;
Matt 10:3 Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs;
Matt 10:4 Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
Matt 10:5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op de weg van de heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad van de Samaritanen.
Matt 10:6 Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israels.
Matt 10:7 En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
Matt 10:8 Geneest de zieken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de demonen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.
Matt 10:9 Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw gordels;
Matt 10:10 Noch knapzak voor onderweg, noch twee mantels, noch sandalen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardig.
Matt 10:11 En in wat stad of dorp gij zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waardig is; en blijft aldaar, totdat gij daar uitgaat.
Matt 10:12 En als gij in het huis gaat, zo groet het.
Matt 10:13 En indien dat huis waardig is, zo kome uw vrede daarover, maar indien het niet waardig is, zo kere uw vrede weder tot u.
Matt 10:14 En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof van uw voeten af.
Matt 10:15 Voorwaar zeg Ik u: Het zal voor het land van Sodom en Gomorra dragelijker zijn in de dag van het oordeel, dan die stad.
Matt 10:16 Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; zijt dan listig gelijk de slangen, en argeloos gelijk de duiven.
Matt 10:17 Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen.
Matt 10:18 En gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden, om Mijnentwil, hun en de heidenen tot getuigenis.
Matt 10:19 Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in datzelfde uur gegeven worden, wat gij spreken zult.
Matt 10:20 Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, Die in u spreekt.
Matt 10:21 En de ene broeder zal de andere broeder overleveren tot de dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.
Matt 10:22 En gij zult door allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Matt 10:23 Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vlucht in de andere; want voorwaar zeg ik u: Gij zult uw reis door de steden Israels niet geëindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn.
Matt 10:24 De discipel is niet boven de meester, noch de dienstknecht boven zijn heer.
Matt 10:25 Het zij de discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij de Heer des huizes Beëlzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!
Matt 10:26 Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden.
Matt 10:27 Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.
Matt 10:28 En vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.
Matt 10:29 Worden niet twee musjes voor een penning van één assarius verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.  *)
Matt 10:30 En ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld.
Matt 10:31 Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.
Matt 10:32 Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Matt 10:33 Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Matt 10:34 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.
Matt 10:35 Want Ik ben gekomen, om tweedracht te zaaien tussen de mens en zijn vader, en tussen de dochter en haar moeder, tussen de schoondochter en haar schoonmoeder.
Matt 10:36 En zijn huisgenoten zullen de vijanden van de mens zijn.
Matt 10:37 Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is- Mij niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig.
Matt 10:38 En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mij niet waardig.
Matt 10:39 Die zijn ziel vindt, zal hem verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal het vinden.
Matt 10:40 Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
Matt 10:41 Die een profeet ontvangt in de naam van een profeet, zal het loon van een profeet ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in de naam van een rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen.
Matt 10:42 En zo wie één van deze kleinen slechts een beker koud water te drinken geeft, in de naam van een discipel, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.

Hoofdstuk 11
Matt 11:1 En het is geschied, toen Jezus geëindigd had Zijn twaalf discipelen bevelen te geven, dat Hij van daar voortging, om te leren en te prediken in hun steden.
Matt 11:2 En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijn discipelen;
Matt 11:3 En zei tot hem: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een andere?
Matt 11:4 En Jezus antwoordde en zei tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet:
Matt 11:5 De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd.
Matt 11:6 En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Matt 11:7 toen nu dezen heengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij gaan aanschouwen in de woestijn? Een riet, dat door de wind heen en weer bewogen wordt?
Matt 11:8 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens, met zachte klederen bekleed? Ziet, die zachte klederen dragen, zijn in de huizen van koningen.
Matt 11:9 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.
Matt 11:10
Want deze is het, van wie geschreven staat: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen.
Matt 11:11 Voorwaar zeg Ik u: onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Doper; doch die de minste is in het Koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij.
Matt 11:12 En van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldenaars nemen het met geweld.
Matt 11:13 Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd.
Matt 11:14
En zo gij het wilt aannemen, hij is Elia, die komen zou.
Matt 11:15 Wie oren heeft om te horen, die hore.
Matt 11:16 Doch waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderen, die op de markten zitten, en hun kameraadjes toeroepen.
Matt 11:17 En zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend.
Matt 11:18 Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft een demon.
Matt 11:19 De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, Die een gulzigaard en wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren. Doch de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van haar kinderen.
Matt 11:20 Toen begon Hij de steden, waarin Zijn krachten meest geschied waren, te verwijten, dat zij zich niet bekeerd hadden.
Matt 11:21 Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben.
Matt 11:22 Doch Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon draaglijker zijn in de dag van het oordeel, dan u.
Matt 11:23 En gij, Kapernaüm! die tot de hemel toe zijt verhoogd, in het dodenrijk zult gij nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn.
Matt 11:24 Doch Ik zeg u, dat het het land van Sodom dragelijker zal zijn in de dag van het oordeel, dan u.

Matt 11:25 In diezelfde tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van hemel en aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze de kinderen geopenbaard.
Matt 11:26 Ja, Vader! Want zo was het een welbehagen voor U.
Matt 11:27 Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, noch iemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren.
Matt 11:28 Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
Matt 11:29
Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.
Matt 11:30 Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.

Hoofdstuk 12
Matt 12:1 In die tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.
Matt 12:2 En de Farizeeën, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbat.
Matt 12:3 Maar Hij zei tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren?
Matt 12:4
Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen.  *)
Matt 12:5
Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters de sabbat ontheiligen in de tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?
Matt 12:6 En Ik zeg u, dat Eén, meerder dan de tempel, hier is.
Matt 12:7
Doch zo gij geweten had, wat het zeggen wil: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, u zou de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
Matt 12:8 Want de Zoon des mensen is een Heer ook van de sabbat.

Matt 12:9 En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.
Matt 12:10 En ziet, er was een mens, die een dorre hand had, en zij vroegen Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen).
Matt 12:11 En Hij zei tot hen: Welk mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en als dat op een sabbatdag in een put valt, die het niet zal grijpen en uittillen?
Matt 12:12 Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven. Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.
Matt 12:13 Toen zei Hij tot die mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.
Matt 12:14 En de Farizeeën, uitgegaan zijnde, hielden tezamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.
Matt 12:15 Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen.

Matt 12:16 En Hij droeg hen op, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;
Matt 12:17
Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende:
Matt 12:18 Ziet, Mijn Knecht, Die Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel de heidenen verkondigen.
Matt 12:19 Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.
Matt 12:20 Het geknakte riet zal Hij niet verbreken, en het smeulende vlaswiek zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.
Matt 12:21 En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen.

Matt 12:22 Toen werd tot Hem gebracht iemand, door een demon bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.
Matt 12:23 En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David?  *)
Matt 12:24 Maar de Farizeeën, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de demonen niet uit, dan door Beëlzebul, de overste van de demonen.
Matt 12:25 Doch Jezus, kennende hun gedachten, zei tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.
Matt 12:26 En indien de satan de satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?
Matt 12:27 En indien Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp, door wie werpen uw zonen ze dan uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.
Matt 12:28 Maar indien Ik door de Geest Gods de demonen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.
Matt 12:29 Of hoe kan iemand in het huis van een sterke inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden zal hebben? en alsdan zal hij zijn huis beroven.
Matt 12:30 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.
Matt 12:31 Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden.
Matt 12:32 En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.
Matt 12:33 Of maakt de boom goed en zijn vrucht goed; of maakt de boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.
Matt 12:34 Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit de overvloed van het hart spreekt de mond.
Matt 12:35 De goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat van het hart, en de boze mens brengt boze dingen voort uit de boze schat.
Matt 12:36 Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, dat de mensen zullen gesproken hebben, zij rekenschap zullen geven in de dag van het oordeel.
Matt 12:37 Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.
Matt 12:38 Toen antwoordden sommigen van de Schriftgeleerden en Farizeeën, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien.
Matt 12:39 Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet.
Matt 12:40 Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de vis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn.
Matt 12:41 De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen het veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier!
Matt 12:42 De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en het veroordelen; want zij is gekomen van het einde der aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!
Matt 12:43 En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.
Matt 12:44 Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
Matt 12:45 Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.

Matt 12:46 En toen Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broers stonden buiten, zoekende Hem te spreken.
Matt 12:47 En iemand zei tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers staan daar buiten, zoekende U te spreken.
Matt 12:48 Maar Hij, antwoordende, zei tot degene die Hem dat zei: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?
Matt 12:49 En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zei Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
Matt 12:50 Want zo wie de wil van Mijn Vader doet, Die in de hemelen is, die is Mijn broeder, en zuster, en moeder.

Hoofdstuk 13
Matt 13:1 En te dien dage Jezus, uit het huis gegaan zijnde, zat bij het meer.
Matt 13:2 En tot Hem vergaderden vele scharen, zodat Hij in een boot ging en nederzat, en al de schare stond op de oever.
Matt 13:3 En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
Matt 13:4 En toen hij zaaide, viel een deel van het zaad bij de weg; en de vogels kwamen en aten het op.
Matt 13:5 En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
Matt 13:6 Maar toen de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord.
Matt 13:7 En een ander deel viel in de doornen; en de doornen groeiden op, en verstikten het.
Matt 13:8 En een ander deel viel in goede aarde, en gaf vrucht, het één honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud.
Matt 13:9 Wie oren heeft om te horen, die hore.
Matt 13:10 En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?
Matt 13:11 En Hij, antwoordende, zei tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar die is het niet gegeven.
Matt 13:12 Want wie heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook wat hij heeft.
Matt 13:13 Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.
Matt 13:14
En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.
Matt 13:15 Want het hart van dit volk is dik geworden, en zij hebben met de oren moeilijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze.
Matt 13:16 Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.
Matt 13:17 Want voorwaar zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben ze niet gezien; en te horen de dingen, die gij hoort, en hebben ze niet gehoord.
Matt 13:18 Gij dan, hoort de gelijkenis van de zaaier.
Matt 13:19 Als iemand dat Woord van het Koninkrijk hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, hetgeen in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij de weg gezaaid is.
Matt 13:20 Maar die in steenachtige plaatsen gezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt;
Matt 13:21 Doch hij heeft geen wortel in zichzelf, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, omwille van het Woord, zo wordt hij terstond geërgerd.
Matt 13:22 En die in de doornen gezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de bezorgdheid van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
Matt 13:23 Die nu in de goede aarde gezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud.

Matt 13:24 Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker.
Matt 13:25 En toen de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide valse tarwe in de tarwe, en ging weg.
Matt 13:26 Toen het nu tot kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook de valse tarwe.  *)
Matt 13:27 En de dienstknechten van de heer des huizes gingen en zeiden tot hem: Heere! hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Vanwaar heeft hij dan deze valse tarwe?
Matt 13:28 En hij zei tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij heengaan en dat vergaderen?
Matt 13:29 Maar hij zei: Neen, opdat gij, de valse tarwe vergaderende, ook mogelijk daarmee niet de echte tarwe uittrekt.
Matt 13:30 Laat ze beiden tezamen opgroeien tot de oogst, en in de tijd van de oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst die valse tarwe, en bindt het in schoven, om het te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur.

Matt 13:31 Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan het mosterdzaad, dat een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid;
Matt 13:32 Dat wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgegroeid is, dan is 't het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzo dat de vogels van de hemel komen en nestelen in zijn takken.

Matt 13:33 Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, dat een vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel doorzuurd was.
Matt 13:34 Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet.
Matt 13:35
Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging der wereld.

Matt 13:36 Toen nu Jezus de scharen van Zich gelaten had, ging Hij naar huis. En Zijn discipelen kwamen tot Hem, zeggende: Verklaar ons de gelijkenis van de valse tarwe en de akker.
Matt 13:37 En Hij, antwoordende, zei tot hen: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen;
Matt 13:38 En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk; en de valse tarwe zijn de kinderen van de boze;
Matt 13:39 En de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers zijn de engelen.
Matt 13:40 Gelijkerwijs dan de valse tarwe vergaderd, en met vuur verbrand wordt, alzo zal het ook zijn in de voleinding van deze wereld.
Matt 13:41 De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen;
Matt 13:42 En zullen die in de vurige oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
Matt 13:43 Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk van hun Vader. Die oren heeft om te horen, die hore.

Matt 13:44 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat, in de akker verborgen, die door een mens werd gevonden; hij verborg die weer, en van blijdschap daarover, gaat hij heen, en verkoopt al wat hij heeft, en koopt die akker.

Matt 13:45 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone parels zoekt;
Matt 13:46 Die, toen hij een parel van grote waarde gevonden had, heenging en verkocht al wat hij had, en kocht deze parel.

Matt 13:47 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in het meer, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt;
Matt 13:48 Dat, wanneer het vol geworden is, door de vissers aan de oever wordt opgetrokken, en nederzittende, lezen zij het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg.
Matt 13:49 Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden van de rechtvaardigen afscheiden;
Matt 13:50 En zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden.
Matt 13:51 En Jezus zei tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!
Matt 13:52 En Hij zei tot hen: Daarom, een ieder Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.
Matt 13:53 En het is geschied, toen Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, dat Hij van daar vertrok.
Matt 13:54 En gekomen zijnde in Zijn vaderstad, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Vanwaar heeft Deze die wijsheid en die krachten?
Matt 13:55 Is Deze niet de Zoon van de timmerman? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broers Jakobus en Joses, en Simon en Judas?
Matt 13:56 En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons? Vanwaar heeft dan Deze dit alles?
Matt 13:57 En zij werden aan Hem geërgerd. Maar Jezus zei tot hen: Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis.
Matt 13:58 En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof.

Hoofdstuk 14
Matt 14:1 In diezelfde tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht van Jezus;
Matt 14:2 En zei tot zijn dienaren: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.
Matt 14:3 Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in de gevangenis gezet, om Herodias' wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder.
Matt 14:4
Want Johannes zei tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben.
Matt 14:5 En hij wilde hem doden, maar vreesde het volk, omdat zij hem voor een profeet hielden.
Matt 14:6 Maar toen de verjaardag van Herodes gevierd werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde aan Herodes.
Matt 14:7 Waarom hij haar met een eed beloofde te geven, wat zij ook zou vragen.
Matt 14:8 En zij, tevoren onderricht zijnde door haar moeder, zei: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes de Doper.
Matt 14:9 En de koning werd bedroefd; doch om de eden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden;
Matt 14:10 En zond heen, en onthoofdde Johannes in de gevangenis.
Matt 14:11 En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het meisje gegeven; en zij droeg het tot haar moeder.
Matt 14:12 En zijn discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven het; en gingen en boodschapten het Jezus.

Matt 14:13 En toen Jezus dit hoorde, vertrok Hij van daar per schip, naar een woeste plaats alleen; en de scharen, dat horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden.
Matt 14:14 En Jezus uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun zieken.
Matt 14:15 En toen het avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is verlaten, en de tijd is nu verstreken; laat de scharen van U, opdat zij heengaan in de dorpen en voor zichzelf voedsel kopen.
Matt 14:16 Maar Jezus zei tot hen: Het is hun niet nodig heen te gaan: geeft gij hun te eten.
Matt 14:17 Maar zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet meer, dan vijf broden en twee vissen.
Matt 14:18 En Hij zei: Brengt Mij ze hier.
Matt 14:19 En Hij beval de scharen te gaan zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar de hemel, zegende die; en toen Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden de discipelen, en de discipelen aan de scharen.
Matt 14:20 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot van de brokken, twaalf volle korven.
Matt 14:21 Die nu gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.

Matt 14:22 En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in de boot te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten.
Matt 14:23 En toen Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij de berg op alleen, om te bidden. En toen het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.
Matt 14:24 En de boot was midden in het meer, zijnde in nood door de golven; want de wind was hun tegen.
Matt 14:25 Maar in de vierde nachtwake kwam Jezus tot hen af, wandelende op het meer.
Matt 14:26 En de discipelen, ziende Hem op het meer wandelen, werden geschokt, zeggende: Het is een spook! En zij schreeuwden van vrees.
Matt 14:27 Maar terstond sprak hen Jezus aan, zeggende: Hebt goede moed, Ik ben het, vreest niet.
Matt 14:28 En Petrus antwoordde Hem, en zei: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.
Matt 14:29 En Hij zei: Kom. En Petrus klom uit de boot, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.
Matt 14:30 Maar ziende de sterke wind, werd hij bevreesd, en toen hij begon te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!
Matt 14:31 En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zei tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?
Matt 14:32 En toen zij in de boot geklommen waren, stilde de wind.
Matt 14:33 Die nu in de boot waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!

Matt 14:34 En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennesaret.
Matt 14:35 En de mannen van die plaats Hem herkend hebbende, zonden in dat gehele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren;
Matt 14:36 En baden Hem, dat zij alleen de zoom van Zijn kleed zouden mogen aanraken; en zovelen als Hem aanraakten, werden gezond.

Hoofdstuk 15
Matt 15:1 Toen kwamen tot Jezus enige Schriftgeleerden en Farizeeën, die van Jeruzalem waren, zeggende:
Matt 15:2 Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood gaan eten.
Matt 15:3 Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod van God door uw inzetting?
Matt 15:4
Want God heeft geboden, zeggende: Eert uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
Matt 15:5 Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een offergave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, die voldoet.  *)
Matt 15:6 En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.
Matt 15:7
Gij huichelaars! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:
Matt 15:8 Dit volk nadert Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;
Matt 15:9 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.
Matt 15:10 En toen Hij de schare tot Zich geroepen had, zei Hij tot hen: Hoort en verstaat.
Matt 15:11 Hetgeen de mond ingaat, ontreinigt de mens niet; maar hetgeen de mond uitgaat, dat ontreinigt de mens.
Matt 15:12 Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de Farizeeën deze woorden horende, geërgerd zijn geweest?
Matt 15:13 Maar Hij, antwoordende zei: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.
Matt 15:14 Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beiden in de put vallen.
Matt 15:15 En Petrus, antwoordende, zei tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.
Matt 15:16 Maar Jezus zei: Zijt ook gijlieden nog steeds onwetende?
Matt 15:17 Verstaat gij nog niet, dat al wat de mond ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?
Matt 15:18 Maar die dingen, die de mond uitgaan, komen voort uit het hart, en die ontreinigen de mens.
Matt 15:19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen.
Matt 15:20 Deze dingen zijn het, die de mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt de mens niet.

Matt 15:21 En Jezus van daar gaande, vertrok naar het gebied van Tyrus en Sidon.
Matt 15:22 En ziet, een Kananese vrouw, van daar komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zoon van David, ontferm U over mij! mijn dochter is deerlijk door een demon bezeten.
Matt 15:23 Doch Hij antwoordde haar niet één woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, vroegen Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.
Matt 15:24 Maar Hij, antwoordende, zei: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.
Matt 15:25 En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!
Matt 15:26 Doch Hij antwoordde en zei: Het is niet betamelijk het brood van de kinderen te nemen, en de hondjes voor te werpen.
Matt 15:27 En zij zei: Ja, Heere! doch de hondjes eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren.
Matt 15:28 Toen antwoordde Jezus, en zei tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond vanaf datzelfde uur.

Matt 15:29 En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan het meer van Galilea, en klom op de berg, en zat daar neder.
Matt 15:30 En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en legden ze voor de voeten van Jezus; en Hij genas hen.
Matt 15:31 Alzo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten de God van Israel.
Matt 15:32 En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zei: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchter van Mij laten, opdat zij op de weg niet bezwijken.
Matt 15:33 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Vanwaar zullen wij zoveel broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen?
Matt 15:34 En Jezus zei tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes.
Matt 15:35 En Hij gebood de scharen neder te zitten op de aarde.
Matt 15:36 En Hij nam de zeven broden en de vissen, en toen Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de schare.
Matt 15:37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot van de brokken, zeven volle manden.
Matt 15:38 En die daar gegeten hadden, waren vierduizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.
Matt 15:39 En de scharen van Zich gelaten hebbende, ging Hij in een boot, en kwam in het gebied van Magdala.

Hoofdstuk 16
Matt 16:1 En de Farizeeën en Sadduceeën tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen.
Matt 16:2 Maar Hij antwoordde, en zei tot hen: Als het avond geworden is, zegt gij: Mooi weer; want de hemel is rood;
Matt 16:3 En des morgens: Heden onweer; want de hemel is somber rood. Huichelaars, het aanschijn van de hemel weet gij wel te onderscheiden, maar de tekenen der tijden kunt gij niet onderscheiden.
Matt 16:4 Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. En hen verlatende, ging Hij weg.

Matt 16:5 En toen Zijn discipelen de andere zijde hadden bereikt, hadden zij vergeten broden mee te nemen.
Matt 16:6 En Jezus zei tot hen: Ziet toe, en wacht u voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën.
Matt 16:7 En zij overlegden bij zichzelf, zeggende: Het is omdat wij geen broden meegenomen hebben.
Matt 16:8 En Jezus, dat wetende, zei tot hen: Wat overlegt gij bij uzelf, gij kleingelovigen! dat gij geen broden mee genomen hebt?
Matt 16:9 Begrijpt gij nog niet? en gedenkt gij niet aan de vijf broden van de vijfduizend mannen; en hoeveel korven gij hebt opgenomen?
Matt 16:10 Noch aan de zeven broden van de vier duizend mannen, en hoeveel manden gij hebt opgenomen?
Matt 16:11 Hoe begrijpt gij niet, dat Ik u niet van brood gesproken heb, toen Ik zei, dat gij u wachten zou voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën.
Matt 16:12 Toen begrepen zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van de zuurdesem van het brood, maar van de leer der Farizeeën en Sadduceeën.

Matt 16:13 Toen nu Jezus gekomen was in het gebied van Caesarea Filippi, vroeg Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?
Matt 16:14 En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Jeremia of één van de profeten.
Matt 16:15 Hij zei tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?
Matt 16:16 En Simon Petrus, antwoordende, zei: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.
Matt 16:17 En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Matt 16:18 En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet bedwingen.
Matt 16:19 En Ik zal u geven de sleutels van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.
Matt 16:20 Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij de Christus was.
Matt 16:21 Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen voor te houden, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de oudsten, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derde dage opgewekt worden.
Matt 16:22 En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zij verre van U.
Matt 16:23 Maar Hij, Zich omkerende, zei tot Petrus: Ga weg achter Mij, satan! gij zijt Mij een struikelblok, want gij verzint niet de dingen, die van God zijn, maar die van de mensen zijn.
Matt 16:24 Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij.
Matt 16:25 Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het vinden.
Matt 16:26
Want wat baat het een mens, zo hij de hele wereld wint, en lijdt schade aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?
Matt 16:27 Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden.
Matt 16:28 Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, die de dood niet smaken zullen, totdat zij de Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.

Hoofdstuk 17
Matt 17:1 En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broer, en bracht hen op een hoge berg alleen.
Matt 17:2 En Hij werd voor hen veranderd; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht.
Matt 17:3 En ziet, door hen werden gezien Mozes en Elia, met Hem samensprekende.
Matt 17:4 En Petrus, antwoordende, zei tot Jezus: Heere! het is goed, dat wij hier zijn; zo Gij wilt, laat ons hier drie tenten maken, voor U één, en voor Mozes één, en één voor Elia.
Matt 17:5 Terwijl hij nog sprak, ziet, een lichtende wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!
Matt 17:6 En de discipelen, dit horende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd.
Matt 17:7 En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zei: Staat op en vreest niet.
Matt 17:8 En hun ogen opslaande, zagen zij niemand, dan Jezus alleen.
Matt 17:9 En toen zij van de berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des mensen zal zijn opgestaan uit de doden.
Matt 17:10 En Zijn discipelen vroegen Hem, zeggende: Waarom zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen?
Matt 17:11 Doch Jezus, antwoordende, zei tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weer oprichten.
Matt 17:12 Maar Ik zeg u, dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend; doch zij hebben aan hem gedaan, al wat zij hebben gewild; alzo zal ook de Zoon des mensen van hen lijden.
Matt 17:13 Toen verstonden de discipelen dat Hij hun over Johannes de Doper gesproken had.

Matt 17:14 En toen zij bij de schare gekomen waren, kwam tot Hem een mens, vallende voor Hem op de knieën, en zeggende:
Matt 17:15 Heere! ontferm U over mijn zoon; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in het vuur, en menigmaal in het water.
Matt 17:16 En ik heb hem tot Uw discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.
Matt 17:17 En Jezus, antwoordende, zei: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.
Matt 17:18 En Jezus bestrafte hem, en de demon ging van hem uit, en het kind werd genezen van dat uur af.
Matt 17:19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?
Matt 17:20 En Jezus zei tot hen: Vanwege uw ongeloof; want voorwaar zeg Ik u: Zo gij een geloof had als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze berg zeggen: Ga heen van hier derwaarts, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn.
Matt 17:21 Maar dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten.

Matt 17:22 En toen zij in Galilea verbleven, zei Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen;
Matt 17:23 En zij zullen Hem doden, en ten derde dage zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd.
Matt 17:24
En toen zij in Kapernaüm gekomen waren, gingen zij, die de didrachmen ontvingen, tot Petrus en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?  *)
Matt 17:25 Hij zei: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tol of belasting, van hun zonen, of van de vreemden?
Matt 17:26 Petrus zei tot Hem: Van de vreemden. Jezus zei tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.
Matt 17:27 Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar het meer, werp de vishaak uit, en de eerste vis, die opkomt, neem, en zijn bek geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem die, en geef die aan hen voor Mij en u.  *)

Hoofdstuk 18
Matt 18:1 Datzelfde uur kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?
Matt 18:2 En Jezus een kindje tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;
Matt 18:3 En zei: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij niet wordt bekeerd, en wordt gelijk de kinderen, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
Matt 18:4 Zo wie dan zichzelf zal vernederen, gelijk dit kindje, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.
Matt 18:5 En zo wie zodanig een kindje ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.
Matt 18:6 Maar zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en hij verzonken was in de diepte van de zee.
Matt 18:7 Wee de wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee die mens, door wie de ergernis komt!
Matt 18:8 Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
Matt 18:9 En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar één oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan met twee ogen, in het helse vuur geworpen te worden.  *)
Matt 18:10 Ziet toe, dat gij niet één van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Matt 18:11 Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.
Matt 18:12 Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en één daarvan afgedwaald was, zal hij niet de negenennegentig achterlaten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?
Matt 18:13 En indien het geschiedt, dat hij het vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over dat ene schaap, dan over de negenennegentig, die niet afgedwaald waren.
Matt 18:14 Alzo is de wil niet van uw Vader, Die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren ga.

Matt 18:15 Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.
Matt 18:16
Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog één of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.
Matt 18:17 En indien hij hen geen gehoor geeft; zo zeg het de gemeente; en indien hij ook de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
Matt 18:18 Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen.
Matt 18:19 Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Matt 18:20 Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.

Matt 18:21 Toen kwam Petrus tot Hem, en zei: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven? Tot zevenmaal?
Matt 18:22 Jezus zei tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.
Matt 18:23 Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die afrekening met zijn dienstknechten wilde houden.
Matt 18:24 Toen hij nu begon met de afrekening, werd iemand tot hem gebracht, die hem tienduizend talenten schuldig was.
Matt 18:25 En toen hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.
Matt 18:26 De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
Matt 18:27 En de heer van deze dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en van de schuld hem kwijtgescholden.
Matt 18:28 Maar deze dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden één van zijn mededienstknechten, die hem honderd denariën schuldig was, en hem aanpakkend, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt.
Matt 18:29 Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
Matt 18:30 Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.
Matt 18:31 toen nu zijn mededienstknechten zagen, hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hun heer al wat er geschied was.
Matt 18:32 Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zei tot hem: Gij boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat gij mij het gesmeekt hebt;
Matt 18:33 Behoorde gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?
Matt 18:34 En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem de pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.
Matt 18:35 Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een ieder zijn broeder zijn misdaden.

Hoofdstuk 19
Matt 19:1 En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat Hij vertrok van Galilea, en kwam over de Jordaan, in het gebied van Judea.
Matt 19:2 En vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze aldaar.
Matt 19:3 En de Farizeeën kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak?
Matt 19:4
Doch Hij, antwoordende, zei tot hen: Hebt gij niet gelezen dat, Die vanaf het begin de mens gemaakt heeft, Hij ze gemaakt heeft man en vrouw?
Matt 19:5
En Hij zei: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn;
Matt 19:6 Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.
Matt 19:7
Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten?
Matt 19:8 Hij zei tot hen: Mozes heeft vanwege de hardheid van uw harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar vanaf het begin is het alzo niet geweest.
Matt 19:9 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel.
Matt 19:10 Zijn discipelen zeiden tot Hem: Indien de zaak van de man met de vrouw alzo staat, zo is het niet raadzaam te trouwen.
Matt 19:11 Doch Hij zei tot hen: Allen vatten dit woord niet, maar die het gegeven is.
Matt 19:12 Want er zijn gesnedenen, die uit de moederschoot zo geboren zijn; en er zijn gesnedenen, die door de mensen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen, die zichzelf gesneden hebben, om het Koninkrijk der hemelen. Die dit vatten kan, vatte het.

Matt 19:13 Toen werden kleine kinderen tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden; en de discipelen bestraften hen.
Matt 19:14 Maar Jezus zei: Laat af van de kinderen, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen.
Matt 19:15 En toen Hij hun de handen opgelegd had, vertrok Hij van daar.

Matt 19:16 En ziet, er kwam iemand tot Hem, en zei tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven zal hebben?
Matt 19:17 En Hij zei tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.
Matt 19:18 Hij zei tot Hem: Welke? En Jezus zei: Deze: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen vals getuigenis geven;
Matt 19:19 Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Matt 19:20 De jonge man zei tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af; wat ontbreekt mij nog?
Matt 19:21 Jezus zei tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt, en geef het de armen, en gij zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij.
Matt 19:22 toen nu de jonge man dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen.
Matt 19:23 En Jezus zei tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke moeilijk het Koninkrijk der hemelen zal ingaan.
Matt 19:24 En wederom zeg Ik u: Het is makkelijker, dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke ingaat in het Koninkrijk van God.
Matt 19:25 Zijn discipelen nu, dit horende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden?
Matt 19:26 En Jezus, hen aanziende, zei tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.
Matt 19:27 Toen antwoordde Petrus, en zei tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden?
Matt 19:28 En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israels.
Matt 19:29 En zo wie zal verlaten hebben, huizen, of broers, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, omwille van Mijn Naam, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven.
Matt 19:30 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.

Hoofdstuk 20
Matt 20:1 Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met de morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard.
Matt 20:2 En toen hij het met de arbeiders eens geworden was, voor één denarius per dag, zond hij hen heen in zijn wijngaard.
Matt 20:3 En uitgegaan zijnde omtrent het derde uur, zag hij anderen, ledig staande op de markt.  *)
Matt 20:4 En hij zei tot hen: Gaat ook gij heen in de wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen.
Matt 20:5 Weer uitgegaan zijnde omtrent het zesde en het negende uur, deed hij desgelijks.
Matt 20:6 En uitgegaan zijnde omtrent het elfde uur, vond hij anderen ledig staande, en zei tot hen: Wat staat gij hier de gehele dag ledig?
Matt 20:7 Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zei tot hen: Gaat ook gij heen in de wijngaard, en zo wat recht is, zult gij ontvangen.
Matt 20:8 toen het nu avond geworden was, zei de heer van de wijngaard tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnend van de laatsten tot de eersten.
Matt 20:9 En toen zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een denarius.
Matt 20:10 En de eersten komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelf ontvingen ook elk een denarius.
Matt 20:11 En die ontvangen hebbende, murmureerden zij tegen de heer des huizes,
Matt 20:12 Zeggende: Deze laatsten hebben maar één uur gewerkt, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die de last en de hitte van de dag gedragen hebben.
Matt 20:13 Doch hij, antwoordende, zei tot één van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij het niet met mij eens geworden voor één denarius?
Matt 20:14 Neem het uwe en ga heen. Ik wil deze laatsten ook geven, gelijk als u.
Matt 20:15 Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?
Matt 20:16 Alzo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Matt 20:17 En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam de twaalf discipelen onderweg apart tot Zich, en zei tot hen:
Matt 20:18 Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesters en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;
Matt 20:19 En zij zullen Hem de heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derde dage zal Hij weder opstaan.
Matt 20:20 Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeüs tot Hem met haar zonen, Hem aanbiddende, en iets begerende van Hem.
Matt 20:21 En Hij zei tot haar: Wat wilt gij? Zij zei tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de één tot Uw rechter- en de ander tot Uw linkerhand in Uw Koninkrijk.
Matt 20:22 Maar Jezus antwoordde en zei: Gij weet niet wat gij begeert; kunt gij de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt wordt? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen.
Matt 20:23 En Hij zei tot hen: Mijn drinkbeker zult gij wel drinken, en met de doop, waarmee Ik gedoopt wordt, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter-, en tot Mijn linkerhand, staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden die het bereid is door Mijn Vader.
Matt 20:24 En toen de andere tien dat hoorden, namen zij het de twee broers zeer kwalijk.
Matt 20:25 En toen Jezus hen tot Zich geroepen had, zei Hij: Gij weet, dat de oversten van de volken heerschappij voeren over hen, en de groten gebruiken macht over hen.
Matt 20:26 Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar;
Matt 20:27 En zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht.
Matt 20:28 Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een losprijs voor velen.

Matt 20:29 En toen zij Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd.
Matt 20:30 En ziet, twee blinden, zittende aan de weg, toen zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zoon van David! ontferm U over ons.
Matt 20:31 En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U over ons, Heere, Gij Zoon van David!
Matt 20:32 En Jezus, stil staande, riep hen en zei: Wat wilt gij, dat Ik u doe?
Matt 20:33 Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden.
Matt 20:34 En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.

Hoofdstuk 21
Matt 21:1 En toen zij nu Jeruzalem naderden, en gekomen waren te Beth-fage, aan de Olijfberg, zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen:
Matt 21:2 Gaat heen in het dorp, dat tegenover u ligt, en gij zult terstond een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij.
Matt 21:3 En indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze nodig heeft, en hij zal ze terstond zenden.
Matt 21:4 Dit alles nu is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door de profeet, zeggende:
Matt 21:5
Zegt de dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong van een jukdragende ezelin.
Matt 21:6 En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had,
Matt 21:7 Brachten de ezelin en het veulen, en legden hun klederen erop, en zetten Hem daarop.
Matt 21:8 En een grote menigte spreidde hun klederen op de weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op de weg.
Matt 21:9
En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna, de Zoon van David! Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!

Matt 21:10 En toen Hij te Jeruzalem inkwam, raakte de hele stad in opschudding, zeggende: Wie is Deze?
Matt 21:11 En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galilea.
Matt 21:12 En Jezus ging in de tempel van God, en dreef uit allen, die verkochten en kochten in de tempel, en keerde de tafels van de wisselaars om, en de stoelen van hen, die de duiven verkochten.
Matt 21:13
En Hij zei tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed genaamd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.
Matt 21:14 En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in de tempel, en Hij genas hen.
Matt 21:15 toen nu de overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderbaarlijke dingen die Hij deed, en de kinderen, roepende in de tempel, en zeggende: Hosanna de Zoon van David! namen zij dat zeer kwalijk;
Matt 21:16
En zeiden tot Hem: Hoort Gij wel, wat dezen zeggen? En Jezus zei tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit de mond van jonge kinderen en zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?

Matt 21:17 En hen verlatende, ging Hij van daar uit de stad, naar Bethanië, en overnachtte aldaar.
Matt 21:18 En des morgens vroeg, toen Hij weerkeerde naar de stad, hongerde Hem.
Matt 21:19
En ziende, een vijgeboom aan de weg, ging Hij er naar toe, en vond niets daaraan, dan alleen bladeren; en zei tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde terstond.  *)
Matt 21:20 En de discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zo terstond verdord?
Matt 21:21 Doch Jezus, antwoordende, zei tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij geloof had, en niet twijfelde, gij zoudt niet alleen doen, hetgeen de vijgeboom is geschied; maar indien gij ook tot deze berg zei: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou geschieden.
Matt 21:22 En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.

Matt 21:23 En toen Hij in de tempel gekomen was, kwamen tot Hem, terwijl Hij leerde, de overpriesters en de oudsten van het volk, zeggende: Door wat macht doet Gij deze dingen? En Wie heeft U deze macht gegeven?
Matt 21:24 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, indien gij Mij dat zult zeggen, zo zal Ik u ook zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe.
Matt 21:25 De doop van Johannes, vanwaar was die, uit de hemel, of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelf en zeiden: Indien wij zeggen: Uit de hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
Matt 21:26 En indien wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een profeet.
Matt 21:27 En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En Hij zei tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe.
Matt 21:28 Maar wat dunkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot de eerste, zei: Zoon! ga heen, werk heden in mijn wijngaard.
Matt 21:29 Doch hij antwoordde en zei: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen.
Matt 21:30 En gaande tot de tweede, zei desgelijks, en deze antwoordde en zei: Ik ga, heer! en hij ging niet.
Matt 21:31 Wie van deze twee heeft de wil van de vader gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaren en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.
Matt 21:32 Want Johannes is tot u gekomen in de weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaren en de hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.
Matt 21:33 Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een haag om plaatste, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde die de landlieden, en reisde buitenslands.
Matt 21:34 Toen nu de tijd van de vruchten naderde, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen.
Matt 21:35 En de landlieden, nemende zijn dienstknechten, hebben de één geslagen, en de andere gedood, en de derde gestenigd.
Matt 21:36 Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks.
Matt 21:37 En tenslotte zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien.
Matt 21:38 Maar de landlieden, de zoon ziende, zeiden onder elkander: Dat is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.
Matt 21:39 En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten de wijngaard, en doodden hem.
Matt 21:40 Wanneer dan de heer van de wijngaard komen zal, wat zal hij die landlieden doen?
Matt 21:41 Zij zeiden tot hem: Hij zal de kwaden een kwade dood aandoen, en zal de wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven.
Matt 21:42
Jezus zei tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot de hoeksteen; van de Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?
Matt 21:43 Daarom zeg Ik u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.
Matt 21:44 En wie op deze steen valt, die zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.
Matt 21:45 En toen de overpriesters en Farizeeën deze Zijn gelijkenissen hoorden, begrepen zij, dat Hij van hen sprak.
Matt 21:46 En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, omdat die Hem voor een profeet hielden.

Hoofdstuk 22
Matt 22:1 En Jezus, antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende:
Matt 22:2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had;
Matt 22:3 En zond zijn dienstknechten uit, om de genodigden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.
Matt 22:4 Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt de genodigden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.
Matt 22:5 Maar zij stelden het niet op prijs en zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap.
Matt 22:6 En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen.
Matt 22:7 toen nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn legers zendende, heeft die doodslagers vernield, en hun stad in brand gestoken.
Matt 22:8 Toen zei hij tot zijn dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genodigden waren het niet waardig.
Matt 22:9 Daarom gaat naar de kruisingen van de wegen, en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.
Matt 22:10 En die dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beiden kwaden en goeden; en de bruiloft werd gevuld met aanzittende gasten.
Matt 22:11 En toen de koning binnen gegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed;
Matt 22:12 En zei tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde.
Matt 22:13 Toen zei de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.
Matt 22:14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Matt 22:15 Toen gingen de Farizeeën heen, en hielden tezamen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden in Zijn rede.
Matt 22:16 En zij zonden tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en de weg Gods in waarheid leert, en naar niemand vraagt; want Gij ziet de persoon der mensen niet aan;
Matt 22:17 Zeg ons dan: wat dunkt U? Is het geoorloofd, de keizer schatting te geven of niet?
Matt 22:18 Maar Jezus, hun boosheid doorziende, zei:
Matt 22:19 Gij huichelaars, wat verzoekt gij Mij? Toont Mij een belastingmunt. En zij brachten Hem een denarius.
Matt 22:20 En Hij zei tot hen: Van wie is dit beeld en het opschrift?
Matt 22:21 Zij zeiden tot Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tot hen: Geeft dan de keizer, dat van de keizer is, en God, dat van God is.
Matt 22:22 En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan.

Matt 22:23 Diezelfde dag kwamen tot Hem de Sadduceeën, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vroegen Hem,
Matt 22:24 Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broeder diens vrouw trouwen, en zijn broeder zaad verwekken.
Matt 22:25 Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste, een vrouw getrouwd hebbende, stierf; en omdat hij geen zaad had, zo liet hij zijn vrouw voor zijn broeder.
Matt 22:26 Evenzo ook de tweede, en de derde, tot de zevende toe.
Matt 22:27 Tenslotte na allen, is ook de vrouw gestorven.
Matt 22:28 In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven, want zij hebben haar allen gehad?
Matt 22:29 Maar Jezus antwoordde en zei tot hen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods.
Matt 22:30 Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn als engelen Gods in de hemel.
Matt 22:31 En wat aangaat de opstanding van de doden, hebt gij niet gelezen, hetgeen door God tot ulieden gesproken is, Die daar zegt:
Matt 22:32
Ik ben de God van Abraham, en de God van Izaäk, en de God van Jakob! God is niet een God van doden, maar van levenden.
Matt 22:33 En de scharen, dit horende, verbaasden zich over Zijn leer.

Matt 22:34 En de Farizeeën, gehoord hebbende, dat Hij de Sadduceeën de mond gestopt had, zijn tezamen bijeenvergaderd.
Matt 22:35 En één uit hen, zijnde een wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende, en zeggende:
Matt 22:36 Meester! welk is het grote gebod in de wet?
Matt 22:37 En Jezus zei tot hem: Gij zult liefhebben de Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.
Matt 22:38 Dit is het eerste en het grote gebod.
Matt 22:39 En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Matt 22:40 Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

Matt 22:41 Toen nu de Farizeeën samenvergaderd waren, vroeg hun Jezus,
Matt 22:42 En zei: Wat dunkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.
Matt 22:43 Hij zei tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in de Geest, zijn Heere? zeggende:
Matt 22:44
De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Matt 22:45 Indien Hem dan David zijn Heere noemt, hoe is Hij dan zijn Zoon?
Matt 22:46 En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van die dag af iets meer te vragen.

Hoofdstuk 23
Matt 23:1 Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen,
Matt 23:2 Zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gezeten op de stoel van Mozes;
Matt 23:3 Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.
Matt 23:4 Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren.
Matt 23:5 En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gebedsriemen breed, en maken de zomen van hun klederen groot.
Matt 23:6 En zij beminnen de voornaamste plaatsen bij de maaltijden, en in de synagogen;
Matt 23:7 Ook de begroetingen op de markten, en door de mensen genaamd te worden: rabbi, rabbi!
Matt 23:8 Doch gij zult niet meester genaamd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders.
Matt 23:9 En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Eén is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.
Matt 23:10 Noch zult gij leidslieden genoemd worden; want Eén is uw Leidsman, namelijk Christus.
Matt 23:11 Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.
Matt 23:12 En wie zichzelf verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, die zal verhoogd worden.
Matt 23:13 Maar wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen; overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.
Matt 23:14 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij eet de huizen van de weduwen op, en dat onder de schijn van lange gebeden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.
Matt 23:15 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij reist zee en land af, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der hel, tweemaal zo erg als gij zijt.
Matt 23:16 Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij de tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud van de tempel, die is aan die eed gebonden.
Matt 23:17 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt?
Matt 23:18 En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de offergave, die daarop is, die aan die eed gebonden.
Matt 23:19 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?
Matt 23:20 Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert daarbij, en bij al wat daarop is.
Matt 23:21 En wie zweert bij de tempel, die zweert daarbij, en bij Die, Die daarin woont.
Matt 23:22 En wie zweert bij de hemel, die zweert bij de troon van God, en bij Die, Die daarop zit.
Matt 23:23 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, en de dille, en de komijn, en gij laat na het belangrijkste van de wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.
Matt 23:24 Gij blinde leidslieden, die de mug uitzift, en de kameel doorzwelgt.
Matt 23:25 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij reinigt het buitenste van de drinkbeker en de schotel, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid.
Matt 23:26 Gij blinde Farizeeër, reinig eerst wat binnen in de drinkbeker en de schotel is, opdat ook het buitenste daarvan rein worde.
Matt 23:27 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij zijt de witgepleisterde graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinheid.
Matt 23:28 Alzo ook schijnt gij wel de mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.
Matt 23:29 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij bouwt de graven van de profeten op, en versiert de graftekenen van de rechtvaardigen;
Matt 23:30 En zegt: Indien wij in de tijden van onze vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed van de profeten.
Matt 23:31 Aldus getuigt gij tegen uzelf, dat gij kinderen zijt van hen, die de profeten gedood hebben.
Matt 23:32 Gij dan ook, vervult de maat van uw vaderen!
Matt 23:33 Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zou u het vonnis van de hel ontkomen?
Matt 23:34 Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit hen zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit hen zult gij geselen in uw synagogen, en hen vervolgen van stad tot stad;
Matt 23:35 Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, die gij gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
Matt 23:36 Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.
Matt 23:37 Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kuikens bijeenvergadert onder de vleugels; en gij hebt niet gewild.
Matt 23:38 Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.
Matt 23:39 Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren!

Hoofdstuk 24
Matt 24:1 En Jezus ging uit en vertrok van de tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen van de tempel te tonen.
Matt 24:2 En Jezus zei tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet één steen op de andere steen gelaten worden, die niet weggebroken zal worden.
Matt 24:3 En toen Hij op de Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en wat zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?
Matt 24:4 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.
Matt 24:5 Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.
Matt 24:6 En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.
Matt 24:7 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilenties, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.
Matt 24:8 Doch al die dingen zijn maar een beginsel van de smarten.
Matt 24:9 Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, omwille van Mijn Naam.
Matt 24:10 En dan zullen er velen struikelen, en zullen elkaar overleveren, en elkaar haten.
Matt 24:11 En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.
Matt 24:12 En omdat de wetteloosheid vermenigvuldigd zal worden, zal de liefde van velen verkillen.
Matt 24:13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Matt 24:14 En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.
Matt 24:15
Wanneer gij dan zult zien de gruwel van verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; -die het leest, die merke daarop!-
Matt 24:16 Dat alsdan, die in Judea zijn, vluchten op de bergen;
Matt 24:17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;
Matt 24:18 En die op de akker is, kere niet weer terug, om zijn klederen te halen.
Matt 24:19 Maar wee de bevruchte, en de zogende vrouwen in die dagen!
Matt 24:20 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiedt in de winter, noch op een sabbat.
Matt 24:21 Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.
Matt 24:22 En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar omwile van de uitverkorenen zullen die dagen verkort worden.
Matt 24:23 Alsdan, zo iemand tot u zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet.
Matt 24:24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, alzo dat zij -indien het mogelijk ware- ook de uitverkorenen zouden verleiden.
Matt 24:25 Ziet, Ik heb het u voorzegd!
Matt 24:26 Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkamers; gelooft het niet.
Matt 24:27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de komst van de Zoon des mensen wezen.
Matt 24:28 Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.

Matt 24:29 En terstond na de verdrukking van die dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten van de hemelen zullen bewogen worden.
Matt 24:30 En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid.
Matt 24:31 En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste ervan.
Matt 24:32 En leert van de vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
Matt 24:33 Alzo ook gij, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat Hij nabij is, voor de deur.
Matt 24:34 Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
Matt 24:35
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
Matt 24:36 Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.
Matt 24:37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen.
Matt 24:38 Want gelijk zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag toe, in welke Noach in de ark ging;
Matt 24:39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen.
Matt 24:40 Alsdan zullen er twee op de akker zijn, de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
Matt 24:41 Er zullen twee vrouwen malen met de molensteen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.
Matt 24:42 Waakt dan; want gij weet niet, in welk uur uw Heere komen zal.
Matt 24:43 Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou in zijn huis niet hebben laten inbreken.
Matt 24:44 Daarom, zijt ook gij bereid; want in het uur, dat gij niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
Matt 24:45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, die zijn heer over zijn huis gesteld heeft, om hun hun voedsel te geven te rechter tijd?
Matt 24:46 Zalig is die dienstknecht, die zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.
Matt 24:47 Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.
Matt 24:48 Maar zo die dienstknecht, kwaad zijnde, in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen;
Matt 24:49 En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;
Matt 24:50 Zo zal de heer van deze dienstknecht komen op een dag, waarop hij hem niet verwacht, en op een uur, dat hij niet weet;
Matt 24:51 En zal hem afsnijden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

Hoofdstuk 25
Matt 25:1 Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, die hun lampen namen, en uitgingen, de bruidegom tegemoet.
Matt 25:2 En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.
Matt 25:3 Die dwaas waren, hun lampen nemende, namen geen olie met zich mee.
Matt 25:4 Maar de wijzen namen olie in hun vaten, met hun lampen.
Matt 25:5 toen nu de bruidegom vertoefde te komen, werden zij allen slaperig, en vielen in slaap.
Matt 25:6 En te middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!
Matt 25:7 Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen.
Matt 25:8 En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie; want onze lampen gaan uit.
Matt 25:9 Maar de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt voor uzelf.
Matt 25:10 toen zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.
Matt 25:11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open!
Matt 25:12 En hij, antwoordende, zei: Voorwaar zeg ik u: Ik ken u niet.
Matt 25:13 Zo waakt dan; want gij weet de dag niet, noch het uur, waarin de Zoon des mensen komen zal.

Matt 25:14 Want het is gelijk een mens, die buitenslands reizende, zijn dienstknechten riep, en gaf hun zijn goederen in beheer.
Matt 25:15 En de één gaf hij vijf talenten, en de ander twee, en de derde één, een ieder naar zijn vermogen, en reisde direct af.
Matt 25:16 Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmee, en won andere vijf talenten.
Matt 25:17 Evenzo ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee.
Matt 25:18 Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld van zijn heer.
Matt 25:19 En na een lange tijd kwam de heer van die dienstknechten, en hield afrekening met hen.
Matt 25:20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven deze gewonnen.
Matt 25:21 En zijn heer zei tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde van uw heer.
Matt 25:22 En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zei: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven deze gewonnen.
Matt 25:23 Zijn heer zei tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde van uw heer.
Matt 25:24 Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zei: Heer! ik kende u, dat gij een hard mens zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt;
Matt 25:25 En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, gij hebt het uwe.
Matt 25:26 Maar zijn heer, antwoordende, zei tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb?
Matt 25:27 Zo moest gij dan mijn geld de wisselaren gebracht hebben, en ik, komende, zou het mijne opgevraagd hebben met rente.
Matt 25:28 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het degene, die de tien talenten heeft.
Matt 25:29 Want een ieder die heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van degene, die niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft.
Matt 25:30 En werpt de onnutte dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

Matt 25:31 En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid.
Matt 25:32 En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.
Matt 25:33 En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand.
Matt 25:34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is vanaf de grondlegging der wereld.
Matt 25:35 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.
Matt 25:36 Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen.
Matt 25:37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?
Matt 25:38 En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?
Matt 25:39 En wanneer hebben wij U ziek gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?
Matt 25:40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit één van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.
Matt 25:41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is.
Matt 25:42 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;
Matt 25:43 Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; ziek, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.
Matt 25:44 Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of ziek, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?
Matt 25:45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit één van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan.
Matt 25:46 En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

Hoofdstuk 26
Matt 26:1 En het is geschied, toen Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot Zijn discipelen zei:
Matt 26:2 Gij weet, dat over twee dagen de pascha(-viering) is; en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.
Matt 26:3 Toen vergaderden de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de oudsten van het volk, in de zaal van de hogepriester, die genaamd was Kajafas;
Matt 26:4 En zij beraadslaagden tezamen, dat zij Jezus met list vangen en doden zouden.
Matt 26:5 Doch zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk.

Matt 26:6 toen nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon, de melaatse,
Matt 26:7 Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten kruik met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, terwijl Hij aanlag voor de maaltijd.
Matt 26:8 En Zijn discipelen, dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies?
Matt 26:9 Want deze zalf had duur verkocht, en de opbrengst aan de armen gegeven kunnen worden.
Matt 26:10 Maar Jezus, zulks verstaande, zei tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan Mij gedaan.

Matt 26:11
Want de armen hebt gij altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd.
Matt 26:12 Want toen zij deze zalf op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis.
Matt 26:13 Voorwaar zeg Ik u: Overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in de hele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.

Matt 26:14 Toen ging één van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters,
Matt 26:15
En zei: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij gaven hem dertig zilveren penningen.
Matt 26:16 En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.

Matt 26:17 En op de eerste dag van het feest kwamen de discipelen tot Jezus, en zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij voor U het pascha te eten bereiden?
Matt 26:18
En Hij zei: Gaat heen in de stad, tot zo één, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn discipelen.
Matt 26:19 En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha.
Matt 26:20 En toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalven.
Matt 26:21 En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden.
Matt 26:22 En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begonnen een ieder van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere?
Matt 26:23
En Hij, antwoordende, zei: Die de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden.
Matt 26:24 De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt; het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geweest.
Matt 26:25 En Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ben ik het, Rabbi? Hij zei tot hem: Gij hebt het gezegd.
Matt 26:26 En toen zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
Matt 26:27 En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die, zeggende: Drinkt allen daaruit;
Matt 26:28 Want dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving van zonden.  *)
Matt 26:29 En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op die dag, wanneer Ik het met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader.
Matt 26:30 En toen zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg.  *)
Matt 26:31
Toen zei Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.
Matt 26:32 Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
Matt 26:33 Doch Petrus, antwoordende, zei tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nooit geërgerd worden.
Matt 26:34 Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in deze zelfde nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.
Matt 26:35 Petrus zei tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

Matt 26:36 Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemané, en zei tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben.
Matt 26:37 En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeüs, begon Hij droevig en zeer beangst te worden.
Matt 26:38 Toen zei Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe; blijft hier en waakt met Mij.
Matt 26:39 En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.
Matt 26:40 En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zei tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met Mij waken?
Matt 26:41 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Matt 26:42 Wederom ten tweede male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede!
Matt 26:43 En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hun ogen waren bezwaard.
Matt 26:44 En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derde male, zeggende dezelfde woorden.
Matt 26:45 Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zei tot hen: Slaapt nu voort, en rust; ziet, het uur is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren.
Matt 26:46 Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.

Matt 26:47 En toen Hij nog sprak, ziet, Judas, één van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden door de overpriesters en oudsten van het volk.
Matt 26:48 En die Hem verraadde, had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, Die is het, grijpt Hem.
Matt 26:49 En terstond komende tot Jezus, zei hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem.
Matt 26:50 Maar Jezus zei tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
Matt 26:51 En ziet, één van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en de dienstknecht van de hogepriester slaande, hieuw zijn oor af.
Matt 26:52 Toen zei Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.
Matt 26:53 Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen toevoegen?
Matt 26:54
Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet?
Matt 26:55 In datzelfde uur sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in de tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen;
Matt 26:56 Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.

Matt 26:57 Die nu Jezus gevangen hadden, voerden Hem heen tot Kajafas, de hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en oudsten vergaderd waren.
Matt 26:58 En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal van de hogepriester, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.
Matt 26:59 En de overpriesters, en de oudsten, en de gehele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden niet.
Matt 26:60 En hoewel er vele valse getuigen gekomen waren, zo vonden zij toch niet.
Matt 26:61 Maar tenslotte kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken, en deze in drie dagen opbouwen.
Matt 26:62 En de hogepriester, opstaande, zei tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
Matt 26:63 Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?
Matt 26:64 Jezus zei tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u: Van nu aan zult gij zien de Zoon des mensen, zittende ter rechterhand van de kracht Gods, en komende op de wolken van de hemel.
Matt 26:65 Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen nodig? Ziet, nu hebt gij Zijn godslastering gehoord.
Matt 26:66 Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij verdient de dood.
Matt 26:67 Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten.
Matt 26:68 En anderen gaven Hem kaakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft?

Matt 26:69 En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart ook met Jezus, de Galileër.
Matt 26:70 Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij zegt.
Matt 26:71 En toen hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zei tot degenen, die aldaar waren: Deze was ook met Jezus de Nazarener.
Matt 26:72 En hij loochende het wederom met een eed, zeggende: Ik ken de Mens niet.
Matt 26:73 En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uw spraak verraadt u.
Matt 26:74 Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken de Mens niet.
Matt 26:75 En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitter.

Hoofdstuk 27
Matt 27:1 Toen nu de morgen was aangebroken, hebben al de overpriesters en de oudsten van het volk tezamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden.
Matt 27:2 En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder.
Matt 27:3 Toen heeft Judas, die Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen de overpriesters en de oudsten teruggebracht,
Matt 27:4 Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.
Matt 27:5 En toen hij de zilveren penningen in de tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verhing zichzelf.
Matt 27:6 En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dit in de offerkist te leggen, omdat het een bloedprijs is.
Matt 27:7 En tezamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede de akker van de pottenbakker, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.
Matt 27:8 Daarom is die akker genaamd de bloedakker, tot op de huidige dag.
Matt 27:9
Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde van de Gewaardeerde van de kinderen Israels, Die zij gewaardeerd hebben;
Matt 27:10 En hebben dat gegeven voor de akker van de pottenbakker; volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.  *)
Matt 27:11 En Jezus stond voor de stadhouder; en de stadhouder vroeg Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zei tot hem: Gij zegt het.
Matt 27:12 En toen Hij door de overpriesters en de oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
Matt 27:13 Toen zei Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele zaken zij tegen U getuigen?
Matt 27:14 Maar Hij antwoordde hem niet op één enkel woord van beschuldiging, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.
Matt 27:15 En op het feest was de stadhouder gewoon het volk een gevangene los te laten, die zij wilden.
Matt 27:16 En zij hadden toen een welbekende gevangene, genaamd Bar-abbas.
Matt 27:17 toen zij dan vergaderd waren, zei Pilatus tot hen: Welke wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?
Matt 27:18 Want hij wist, dat zij Hem uit nijd overgeleverd hadden.
Matt 27:19 En terwijl hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil.
Matt 27:20 Maar de overpriesters en de oudsten hebben de scharen overgehaald, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden.
Matt 27:21 En de stadhouder, antwoordende, zei tot hen: Wie van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas.
Matt 27:22 Pilatus zei tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.
Matt 27:23 Doch de stadhouder zei: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!
Matt 27:24 toen nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardige; gij moogt toezien.
Matt 27:25 En al het volk, antwoordende, zei: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.
Matt 27:26 Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.
Matt 27:27 Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus met zich in het rechthuis, en verzamelden bij Hem de hele afdeling.
Matt 27:28 En nadat zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
Matt 27:29 En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand; en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
Matt 27:30 En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd.
Matt 27:31 En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem de mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.

Matt 27:32 En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; die zij dwongen, dat hij Zijn kruis droeg.
Matt 27:33 En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,
Matt 27:34 Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en toen Hij die gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.
Matt 27:35
Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door de profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.
Matt 27:36 En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar.
Matt 27:37 En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: Deze is Jezus, de Koning der Joden.
Matt 27:38 Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, één ter rechter-, en één ter linkerzijde.
Matt 27:39 En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden.
Matt 27:40 En zeggende: Gij, Die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf. Indien Gij de Zoon van God zijt, zo kom af van het kruis.
Matt 27:41 En evenzo ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en oudsten, en Farizeeën, Hem bespottende, zeiden:
Matt 27:42 Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelf niet verlossen. Indien Hij de Koning van Israel is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven.
Matt 27:43
Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.
Matt 27:44 En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren.
Matt 27:45 En vanaf het zesde uur werd er duisternis over de gehele aarde, tot het negende uur toe.
Matt 27:46
En omtrent het negende uur riep Jezus met een luide stem zeggende: Eli, Eli, lama sabachthani! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!
Matt 27:47 En sommigen van die daar stonden, dat horende, zeiden: Deze roept Elia.
Matt 27:48
En terstond één van hen toelopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak het op een rietstok, en gaf Hem te drinken.
Matt 27:49 Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elia komt, om Hem te verlossen.
Matt 27:50 En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf de geest.

Matt 27:51 En ziet, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.
Matt 27:52 En de graven werden geopend, en vele lichamen van de heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt;
Matt 27:53 En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen.
Matt 27:54 En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon!

Matt 27:55 En aldaar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galilea, om Hem te dienen.
Matt 27:56 Waaronder was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedeüs.
Matt 27:57 En toen het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathea, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.
Matt 27:58 Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zou worden.
Matt 27:59 En Jozef, het lichaam nemende, wond het in een zuiver fijn lijnwaad.
Matt 27:60 En legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in een steenrots uitgehouwen had; en een grote steen tegen de deur van het graf gewenteld hebbende, ging hij weg.
Matt 27:61 En aldaar waren Maria Magdalena, en de andere Maria, zittende tegenover het graf.

Matt 27:62 De volgende dag nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de Farizeeën tot Pilatus,
Matt 27:63 Zeggende: Heer, wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan.
Matt 27:64 Beveel dan, dat het graf verzekerd wordt tot de derde dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden; en zo zal de laatste dwaling erger zijn, dan de eerste.
Matt 27:65 En Pilatus zei tot hen: Gij hebt een wacht; gaat heen, verzekert het, zo goed als u kunt.
Matt 27:66 En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, de steen verzegeld hebbende.

Hoofdstuk 28
Matt 28:1 En laat na de sabbat, toen het begon te lichten, tegen de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te zien.
Matt 28:2 En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit de hemel, kwam toe, wentelde de steen af van de deur, en zat daarop.
Matt 28:3 En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw.
Matt 28:4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt, en werden als doden.
Matt 28:5 Maar de engel, antwoordende, zei tot de vrouwen: Vreest gij niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.
Matt 28:6 Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.
Matt 28:7 En gaat haastig heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de doden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb het u gezegd.
Matt 28:8 En haastig uitgaande van het graf, met vrees en grote blijdschap, liepen zij heen, om het Zijn discipelen te boodschappen.
Matt 28:9 En toen zij heengingen, om Zijn discipelen te boodschappen, ziet, Jezus heeft hen ontmoet, zeggende: Weest gegroet! En zij, tot Hem komende, grepen Zijn voeten, en aanbaden Hem.
Matt 28:10 Toen zei Jezus tot hen: Vreest niet; gaat heen, boodschapt Mijn broeders, dat zij heengaan naar Galilea, en aldaar zullen zij Mij zien.
Matt 28:11 En toen zij heengingen, ziet, enigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten de overpriesters al de dingen, die geschied waren.
Matt 28:12 En zij vergaderd zijnde met de oudsten, en tezamen raad genomen hebbende, gaven zij de soldaten veel geld,
Matt 28:13 En zeiden: Zegt: Zijn discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben Hem gestolen, toen wij sliepen.
Matt 28:14 En indien zulks de stadhouder ter ore mocht komen, wij zullen hem tevreden stellen, en maken, dat gij zonder zorg zijt.
Matt 28:15 En zij, het geld genomen hebbende, deden, gelijk zij onderricht waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op de huidige dag.

Matt 28:16 En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galilea, naar de berg, waar Jezus hen bescheiden had.
Matt 28:17 En toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem; doch sommigen twijfelden.
Matt 28:18 En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Matt 28:19 Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
Matt 28:20 En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.

Aantekeningen


1:1 Christus: Gr. voor Gezalfde; in het Hebr. Messias
1:17 Mattheüs laat in deze geslachtsrekening verschillende namen weg, hetgeen bij de Joden niet ongebruikelijk was, zo laat Ezra in 7:2-3 zelfs meer dan 5 namen weg.
5:3 In de grondtekst staat bedelaar in plaats van arme. Bedelaar niet om geld, maar om lucht, geest.
5:29-30 Ook met één oog of één hand kan men dan nog voort gaan te zondigen. Derhalve moet bij deze woorden gedacht worden aan hun figuurlijke betekenis van (in)zicht, en handel(en).
5:43 Uw naaste liefhebben, zie Lev. 19:18.
Het 'en uw vijand zult gij haten' was in de loop der tijden toegevoegd
6:22-24 Indien ons geestelijk oog, ons inzicht eenvoudig, enkelvoudig, zie ook Psa 86:11. helder is, dan is ons gehele geestelijke wezen, zien, horen, denken, handel en wandel verlicht. Indien ons oog boos. d.i. hebzuchtig, vol begeerte is zie ook Luk 8:14, dan is er nauwelijks sprake van enig geestelijk leven, maar wel van duisternis.
9:15 bruiloftsgasten -in de grondtekst: kinderen van de bruiloftskamer, d.i. vrienden van de bruidegom
10:29 As(sarius), het 1/16 deel van een denarius, een Romeinse munt.
12:4 blijkbaar op sabbat:zie Lev 24:8
12:23 Zoon van David was een, onder de Joden welbekende benaming van de Messias
13:26 Deze valse tarwe is pas kort voor de oogsttijd te onderscheiden van echte tarwe
15:5 geenszins zal eren: dus door bijv. niet bij te dragen in hun noodzakelijke kosten van levensonderhoud
17:24 de zgn. tempelbelasting. Een didrachme kwam overeen met een Romeinse denarius.
17:27 Een stater was oorspr. een Grieks standaard gewicht van een (edel)metaal
18:9 zie de aant. bij Matt 5:29-30
20:3 het derde uur: negen uur 's morgens
21:19 in eeuwigheid: in het Gr. tot de eeuw, of periode; t.w. een Messiaanse periode (Joodse uitdrukking)
26:28 het gr.woord in de grondtekst voor 'nieuwe' mag ook vertaald worden met 'vernieuwde'; een andere vertaling voor het gr.woord voor 'Testament' is 'Verbond'; terwijl de woorden van de Heiland Zelf hier terug zien op de verbondssluiting aan de Sinaï; zie ook Ex 24:8.
Mogelijk zal de Heiland dus gezegd hebben: "... dat is Mijn bloed, (het bloed) van het vernieuwde verbond, dat voor velen vergoten wordt ..." Dat verbond was al diverse keren vernieuwd, zoals door Jozua, Salomo, Asa, Josia, Nehemia en nu dus tenslotte definitief door de Heere Jezus Christus op Golgotha.
26:30 De viering van het Pascha nam zo goed als de hele avond in beslag. Verdeeld over deze viering werd het zgn. Halleel (Ps 113-118) gezongen, waarvan in het bijzonder de laatste verzen van Ps 118 zeer veelzeggend zijn.
27:10 deze profetie wordt niet in het boek Jeremia gevonden, maar in Zacharia. Verschillende, aannemelijke verklaringen zijn hiervoor gegeven, maar wat de juiste verklaring is, is niet bekend. In de Peshitta (één van de eerste vertalingen van het NT uit het Grieks in een andere taal (2e eeuw na Chr) wordt de naam niet genoemd