Psalm 1
Psa 1:1 Welgelukzalig is de man, die niet wandelt naar de raad der goddelozen, noch staat op de weg van zondaren, noch zit in de stoel van spotters;
Psa 1:2 Maar zijn lust is in de wet des HEEREN, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
Psa 1:3
Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
Psa 1:4 Alzo zijn de goddelozen niet, maar zij zijn als het kaf, dat de wind wegwaait.
Psa 1:5 Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het oordeel, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
Psa 1:6 Want de HEERE kent de weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.

Psalm 2
Psa 2:1
Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
Psa 2:2 De koningen der aarde stellen zich op; de machthebbers beraadslagen tezamen tegen de HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:  *)
Psa 2:3 Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
Psa 2:4 Die in de hemel woont, zal lachen; mijn HEERE zal hen bespotten.
Psa 2:5 Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
Psa 2:6 "Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Mijn heiligheid".

Psa 2:7
Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Psa 2:8 Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezit.
Psa 2:9
Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.

Psa 2:10 Nu dan, gij koningen, handelt verstandig; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
Psa 2:11 Dient de HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
Psa 2:12 Kust de Zoon, opdat Hij niet zal toornen, en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden.
Welgelukzalig zijn allen, die op Hem vertrouwen.

Psalm 3
Psa 3:1 Een psalm van David, toen hij vluchtte voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.
(3:2) O HEERE! hoe zijn mijn tegenstanders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.
Psa 3:2 (3:3) Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.  *)
Psa 3:3 (3:4) Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.
Psa 3:4 (3:5) Ik riep met mijn stem tot de HEERE, en Hij verhoorde mij van de berg van Zijn heiligheid. Sela.
Psa 3:5 (3:6) Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.
Psa 3:6 (3:7) Ik zal niet vrezen voor tienduizenden van het volk, die zich rondom tegen mij opstellen.
Psa 3:7 (3:8) Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al eerder mijn vijanden op de kaak geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken.
Psa 3:8 (3:9) Bij de HEERE is redding;
Uw zegen zij over Uw volk. Sela.

Psalm 4
Psa 4:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
(4:2) Als ik roep, verhoor mij, o God van mijn gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.  *)
Psa 4:2 (4:3) Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
Psa 4:3 (4:4) Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.
Psa 4:4 (4:5) Zijt beroerd, maar zondigt niet; onderzoekt uw hart in de stilte van uw slaapplaats, en zwijgt. Sela.
Psa 4:5 (4:6) Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op de HEERE.

Psa 4:6 (4:7) Velen uit ons midden zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht van Uw aanschijn, o HEERE!
Psa 4:7 (4:8) Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan in de tijd, toen hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.
Psa 4:8 (4:9) Ik zal in vrede zowel gaan neerliggen als slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij zeker doen wonen.

Psalm 5
Psa 5:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de nechiloth.
(5:2) O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.  *)
Psa 5:2 (5:3) Merk op de stem van mijn geroep, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
Psa 5:3 (5:4) Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U richten, en Uw antwoord verwachten.
Psa 5:4 (5:5) Want Gij zijt geen God, Die behagen heeft aan goddeloosheid; het kwaad zal bij U niet vertoeven.
Psa 5:5 (5:6) Die leugen spreken, zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
Psa 5:6 (5:7) Gij zult de leugensprekers verdoen; een man van bloed en bedrog is de HEERE een gruwel.
Psa 5:7 (5:8) Maar ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis van Uw heiligheid, in Uw vreze.
Psa 5:8 (5:9) HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, omwille van mijn verspieders; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
Psa 5:9 (5:10) Want in hun mond is niets dat recht is, hun binnenste is enkel verderf, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
Psa 5:10 (5:11) Verklaar hen schuldig, o God; laat hen struikelen in hun beraadslagen; drijf hen weg om de menigte van hun overtredingen, want zij zijn opstandig tegen U.
Psa 5:11 (5:12) Maar laat verblijd zijn allen, die op U vertrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.
Psa 5:12 (5:13) Want Gij, HEERE, zult de rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid beschermen, als met een schild.

Psalm 6
Psa 6:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.
(6:2) O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!  
*)
Psa 6:2 (6:3) Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.
Psa 6:3 (6:4) Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?
Psa 6:4 (6:5) Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, omwille van Uw goedertierenheid.
Psa 6:5 (6:6) Want in de dood is er geen gedachtenis aan U; wie zal U loven in het dodenrijk?  *)
Psa 6:6 (6:7) Ik ben moe van mijn zuchten; ik doe mijn bed de ganse nacht zwemmen; ik doordrenk mijn bedstede met mijn tranen.
Psa 6:7 (6:8) Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is verouderd vanwege al mijn tegenstanders.
Psa 6:8 (6:9) Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem van mijn geween gehoord.
Psa 6:9 (6:10) De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.
Psa 6:10 (6:11) Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.

Psalm 7
Psa 7:1 Davids Schiggajon, dat hij de HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, de zoon van Jemini.
(7:2) HEERE, mijn God, op U vertrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.  *)
Psa 7:2 (7:3) Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
Psa 7:3 (7:4) HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;
Psa 7:4 (7:5) Indien ik kwaad vergolden heb hem, die vrede met mij had; -ja, ik heb die gered, die mij zonder oorzaak benauwde!-
Psa 7:5 (7:6) Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.
Psa 7:6 (7:7) Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden van mijn benauwers, en ontwaak tot mij;
Gij hebt het rechtsgeding bevolen.
Psa 7:7 (7:8) Zo zal de vergadering der volken U omringen; keer dan boven haar weder in de hoge.
Psa 7:8 (7:9) De HEERE richt de volken; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtheid, die bij mij is.
Psa 7:9 (7:10) Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!
Psa 7:10 (7:11) Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
Psa 7:11 (7:12) God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage vertoornd is over de bozen.
Psa 7:12 (7:13) Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen en bereid.
Psa 7:13 (7:14) En heeft dodelijke wapens voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de heftige vervolgers gebruiken.
Psa 7:14 (7:15) Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.
Psa 7:15 (7:16) Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is zelf gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.
Psa 7:16 (7:17) Zijn moeite zal op zijn hoofd weerkeren, en zijn geweld op zijn schedel neerdalen.
Psa 7:17 (7:18) Ik zal de HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en de Naam van de HEERE, de Allerhoogste, psalmzingen.

Psalm 8
Psa 8:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Gitthith.
(8:2) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.   *)
Psa 8:2
(8:3) Uit de mond der kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, omwille van Uw tegenpartijen, om de vijand en wraakzuchtige te doen verstommen.
Psa 8:3 (8:4) Als ik Uw hemel aanschouw, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
Psa 8:4
(8:5) Wat is de mens, dat Gij hem gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?
Psa 8:5 (8:6) En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
Psa 8:6 (8:7) Gij doet hem heersen over de werken van Uw handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
Psa 8:7 (8:8) Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren van het veld.
Psa 8:8 (8:9) Het gevogelte van de hemel, en de vissen van de zee; hetgeen de paden van de zeeŽn doorwandelt.
Psa 8:9 (8:10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!

Psalm 9
Psa 9:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op Muth-labben.
(9:2) Ik zal de HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.   *)
Psa 9:2 (9:3) In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!
Psa 9:3 (9:4) Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.
Psa 9:4 (9:5) Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak gedaan; Gij hebt gezeten op de troon, o Rechter der gerechtigheid.
Psa 9:5 (9:6) Gij hebt de heidenen vermaand, de goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altijd.
Psa 9:6 (9:7) O vijand! gij zijt tot uw einde gekomen, verwoest voor altijd; en hebt gij de steden uitgeroeid? Hun gedachtenis is met u voor eeuwig vergaan.
Psa 9:7 (9:8) Maar de HEERE troont in eeuwigheid; Hij heeft Zijn troon bereid voor het gericht.
Psa 9:8 (9:9) En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.
Psa 9:9 (9:10) En de HEERE zal een toevlucht zijn voor de verdrukte, een toevlucht in tijden van benauwdheid.
Psa 9:10 (9:11) En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.
Psa 9:11 (9:12) Zingt de HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.
Psa 9:12 (9:13) Want Hij onderzoekt het bloedvergieten, Hij gedenkt die; Hij vergeet het geroep van de ellendigen niet.
Psa 9:13 (9:14) Wees mij genadig, HEERE, Gij Die mij opheft van de poorten des doods, zie de ellende aan, die mijn vijanden mij aandoen;
Psa 9:14 (9:15) Opdat ik Uw lof geheel en al in de poorten van de dochter van Sion zal vertellen, dat ik mij verheug in Uw heil.
Psa 9:15 (9:16) De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hun voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.
Psa 9:16 (9:17) De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk van zijn handen! Higgajon, Sela.   *)
Psa 9:17 (9:18) De goddelozen zullen terugkeren, tot naar het dodenrijk toe; ja, alle volken die God vergeten.
Psa 9:18 (9:19) Want de behoeftige zal niet voor altijd vergeten worden, noch de verwachting van de ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.
Psa 9:19 (9:20) Sta op, HEERE, laat de mens niet de overhand krijgen; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.
Psa 9:20 (9:21) O HEERE! jaag hun vrees aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela.

Psalm 10
Psa 10:1 O HEERE! waarom staat Gij zo veraf? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?
Psa 10:2 De goddeloze vervolgt, in zijn hoogmoed, de ellendige heftig; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
Psa 10:3 Want de goddeloze roemt over de begeerte van zijn ziel; de gierigaard smaadt en hoont de HEERE.
Psa 10:4 De goddeloze in zijn hoogmoed onderzoekt niet; al zijn gedachten gaan ervan uit, dat er geen God is.
Psa 10:5 Zijn wegen maken te allen tijde smart; Uw oordelen zijn een hoogte, hem te hoog; allen die hem tegenstaan, daagt hij uit.
Psa 10:6 Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want mij zal van geslacht tot geslacht geen kwaad overkomen.
Psa 10:7 Zijn mond is vol verwensingen, leugen en bedrog; onder zijn tong is verderf en ongerechtigheid.
Psa 10:8 Hij zit in hinderlaag bij de dorpen, in verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige; zijn ogen loeren heimelijk naar de arme.
Psa 10:9 Hij legt hinderlagen in een verborgen plaats, als een leeuw in dekking; hij legt hinderlagen, om de ellendige te vangen; hij vangt de ellendige, hem in zijn net trekkend.
Psa 10:10 Hij duikt neder, hij buigt zich; en de hulpeloze valt in zijn sterke poten.
Psa 10:11 Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.
Psa 10:12 Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendige niet.
Psa 10:13 Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?
Psa 10:14 Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand zal geven; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van de wees.
Psa 10:15 Breek de arm van de goddeloze en boze; zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt.
Psa 10:16 De HEERE is Koning eeuwig en altijd; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land.
Psa 10:17 HEERE! Gij hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart versterken, Uw oor zal opmerken;
Psa 10:18 Om de wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortgaat geweld te bedrijven.

Psalm 11
Psa 11:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester.
Ik vertrouw op de HEERE; hoe zegt gij dan tot mijn ziel: Zwerft heen naar uw gebergte, als een vogel?
Psa 11:2 Want ziet, de goddelozen spannen de boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donker te schieten naar de oprechten van hart.
Psa 11:3 Zeker, de fundamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?
Psa 11:4 De HEERE is in het paleis van Zijn heiligheid, de troon des HEEREN is in de hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden onderzoeken de mensenkinderen.
Psa 11:5 De HEERE proeft de rechtvaardige; maar de goddeloze, en degene, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel.
Psa 11:6 Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel, en een verzengend hete storm zal het deel van hun beker zijn.
Psa 11:7 Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt de oprechte.

Psalm 12
Psa 12:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Scheminith.
(12:2) Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.  *)
Psa 12:2 (12:3) Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.
Psa 12:3 (12:4) De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong;
Psa 12:4 (12:5) Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?
Psa 12:5 (12:6) Om de verwoesting van de ellendigen, om het kermen van de nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; die er naar smacht. zal Ik behouden.
Psa 12:6 (12:7) De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
Psa 12:7 (12:8) Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
Psa 12:8 (12:9) De goddelozen lopen trots rond, als slechtheid onder de mensenkinderen verhoogd wordt.

Psalm 13
Psa 13:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester.
(13:2)Hoe lang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?
Psa 13:2 (13:3) Hoe lang zal ik overleggen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij de overhand hebben?
Psa 13:3 (13:4) Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik niet (ont)slaap;
Psa 13:4 (13:5) Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenstanders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
Psa 13:5 (13:6) Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil;
Psa 13:6 ik zal de HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.

Psalm 14
Psa 14:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester.
De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij doen afschuwelijke dingen; er is niemand, die goed doet.
Psa 14:2 De HEERE heeft uit de hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of er iemand verstandig was, die God zocht.
Psa 14:3 Zij zijn allen afgeweken, tezamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet ťťn.
Psa 14:4 Ontbreekt dan alle werkers der ongerechtigheid elke kennis, zij, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen de HEERE niet aan.
Psa 14:5 Toen vreesden zij; want God is bij het geslacht van de rechtvaardige.
Psa 14:6 Gijlieden bespot de gezindheid van de ellendige, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.
Psa 14:7 Och, dat Israels verlossing uit Sion mocht komen! Als de HEERE de gevangenen van Zijn volk zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.

Psalm 15
Psa 15:1 Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg van Uw heiligheid?
Psa 15:2 Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;
Psa 15:3 Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;
Psa 15:4
Die in eigen ogen verworpen en veracht is, maar hij eert degenen, die de HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;
Psa 15:5 Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk aanneemt tegen de onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.

Psalm 16
Psa 16:1 Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God! want ik vertrouw op U.
Psa 16:2 O mijn ziel! gij hebt tot de HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, mijn goedheid raakt niet tot U;
Psa 16:3 Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in wie al mijn lust is.
Psa 16:4 De smarten van hen, die een andere God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankoffers van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.
Psa 16:5 De HEERE is het deel van mijn erfenis en mijn beker; Gij onderhoudt mijn lot.
Psa 16:6 De snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.
Psa 16:7 Ik zal de HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.
Psa 16:8 Ik stel de HEERE gedurig voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.
Psa 16:9 Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.
Psa 16:10
Want Gij zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zal zien.
Psa 16:11 Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor eeuwig.

Psalm 17
Psa 17:1 Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, gesproken met lippen zonder bedrog.
Psa 17:2 Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen aanschouwen rechtmatige zaken.
Psa 17:3 Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; ik heb mij voorgenomen dat niets verkeerds mijn lippen zal overtreden.
Psa 17:4 Aangaande de werken van de mensen, ik heb mij, naar het woord van Uw lippen, gewacht voor de paden van de inbreker;
Psa 17:5 Mijn wandel richtend in uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
Psa 17:6 Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
Psa 17:7 Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, die verlost degenen, die op U vertrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!
Psa 17:8 Bewaar mij als het zwart van de oogappel, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels,
Psa 17:9 Voor het aangezicht van de goddelozen, die mij verwoesten, van mijn doodsvijanden, die mij omringen.
Psa 17:10 Met hun trotse hart verharden zij zich, met hun mond spreken zij hovaardig.
Psa 17:11 Op onze tocht hebben zij ons nu omsingeld, hun ogen spieden om ons ter aarde neder te werpen.
Psa 17:12 Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.
Psa 17:13 Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neer; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van de goddeloze,
Psa 17:14 met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker genoegens Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en die laten hun overschot hun kinderen na.
Psa 17:15 Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal ontwaken.

Psalm 18
Psa 18:1 Voor de opperzangmeester, een psalm van David, de knecht des HEEREN, die de woorden van dit lied tot de HEERE gesproken heeft, ten dage, toen hem de HEERE gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.
(18:2) Hij zei dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!
Psa 18:2 (18:3) De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burcht, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Wie ik vertrouw; mijn Schild, en de Hoorn van mijn heil, mijn Toevlucht.
Psa 18:3 (18:4) Ik riep de HEERE aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.
Psa 18:4 (18:5) Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.  *)
Psa 18:5 (18:6) Banden van het dodenrijk omringden mij, strikken van de dood waren voor mij.
Psa 18:6 (18:7) In mijn angst riep ik de HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
Psa 18:7 (18:8) Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
Psa 18:8 (18:9) Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daardoor aangestoken.
Psa 18:9 (18:10) En Hij boog de hemel, en daalde neer, en donkerheid was onder Zijn voeten.
Psa 18:10 (18:11) En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog op de vleugels van de wind.
Psa 18:11 (18:12) Duisternis zette Hij tot Zijn schuilplaats; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
Psa 18:12 (18:13) Vanwege de glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarheen, hagel en vurige kolen.
Psa 18:13 (18:14) En de HEERE donderde in de hemel, en de Allerhoogste deed Zijn stem horen, hagel en vurige kolen.
Psa 18:14 (18:15) En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide hen; en Hij vermenigvuldigde de bliksemschichten, en verschrikte hen.
Psa 18:15 (18:16) En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, door Uw bestraffing, o HEERE! door het blazen van de adem van Uw neus.
Psa 18:16 (18:17) Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
Psa 18:17 (18:18) Hij verloste mij van mijn sterke vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.
Psa 18:18 (18:19) Zij hadden mij kwalijk bejegend ten dage van mijn tegenspoed; maar de HEERE was mij tot een Steun.
Psa 18:19 (18:20) En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had een behagen in mij.
Psa 18:20 (18:21) De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinheid van mijn handen.
Psa 18:21 (18:22) Want ik heb de wegen des HEEREN gehouden, en ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.
Psa 18:22 (18:23) Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.
Psa 18:23 (18:24) Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
Psa 18:24 (18:25) Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid van mijn handen, voor Zijn ogen.
Psa 18:25 (18:26) Bij de goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij de oprechte man houdt Gij U oprecht.
Psa 18:26 (18:27) Bij de reine houdt Gij U rein, maar bij de verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.
Psa 18:27 (18:28) Want Gij verlost het verdrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.
Psa 18:28 (18:29) Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.
Psa 18:29 (18:30) Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.
Psa 18:30 (18:31) Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem vertrouwen.
Psa 18:31 (18:32) Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rots dan alleen onze God?
Psa 18:32 (18:33) Het is God, die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
Psa 18:33 (18:34) Hij maakt mijn voeten gelijk als die der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.
Psa 18:34 (18:35) Hij leert mijn handen ten strijde, zodat ik een koperen boog met mijn armen spande.
Psa 18:35 (18:36) Ook hebt Gij mij het schild van Uw heil gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
Psa 18:36 (18:37) Gij hebt mijn voetstap onder mij verruimd, en mijn enkels hebben niet gewankeld.
Psa 18:37 (18:38) Ik vervolgde mijn vijanden, en haalde hen in; en ik keerde niet weer, totdat ik hen verdaan had.
Psa 18:38 (18:39) Ik doorstak hen, dat zij niet weer konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.
Psa 18:39 (18:40) Want Gij omgordde mij met kracht ten strijde; Gij deed onder mij neerbukken, die tegen mij opstonden.
Psa 18:40 (18:41) En Gij gaf mij de nek van mijn vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
Psa 18:41 (18:42) Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
Psa 18:42 (18:43) Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind; ik ruimde hen weg als het slijk van de straat.
Psa 18:43 (18:44) Gij hebt mij gered uit de twisten van het volk; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.
Psa 18:44 (18:45) Zodra als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij in geveinsdheid onderworpen.
Psa 18:45 (18:46) Vreemden werden moedeloos, en kwamen sidderend uit hun burchten.
Psa 18:46 (18:47) De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rots en verhoogd zij de God van mijn heil!
Psa 18:47 (18:48) De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;
Psa 18:48 (18:49) Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van de man van geweld.
Psa 18:49 (18:50) Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;
Psa 18:50 (18:51) Die de verlossingen van Zijn koning groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.

Psalm 19
Psa 19:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester.
(19:2) De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen.
Psa 19:2 (19:3) De dag aan de dag stort overvloedig spraak uit, en de nacht aan de nacht toont kennis.
Psa 19:3 (19:4) Geen spraak, en geen taal is er, waar hun stem niet wordt gehoord.
Psa 19:4 (19:5) Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen tot aan het einde van de wereld; Hij heeft daarin een tent gesteld voor de zon.
Psa 19:5 (19:6) En die gelijkt een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; vrolijk als een held, om het pad te lopen.
Psa 19:6 (19:7) Haar uitgang is van het einde van de hemel, en haar omloop tot aan de einden daarvan; en niets is verborgen voor haar hitte.
Psa 19:7 (19:8) De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is zeker, de eenvoudigen wijsheid gevend.
Psa 19:8 (19:9) De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
Psa 19:9 (19:10) De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
Psa 19:10 (19:11) Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honing en honingzeem.  *)
Psa 19:11 (19:12) Ook wordt Uw knecht er duidelijk door gewaarschuwd; in het houden van die is grote loon.
Psa 19:12 (19:13) Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen.
Psa 19:13 (19:14) Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.
Psa 19:14 (19:15) Laat de redenen van mijn mond, en de overdenking van mijn hart welbehaaglijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rots en mijn Verlosser!

Psalm 20
Psa 20:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester.
(20:2) De HEERE verhore u in de dag der benauwdheid; de Naam van de God Jakobs zette u in een hoog vertrek.
Psa 20:2 (20:3) Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion.
Psa 20:3 (20:4) Hij gedenke al uw spijsoffers, en make uw brandoffer tot as. Sela.
Psa 20:4 (20:5) Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad.
Psa 20:5 (20:6) Wij zullen juichen over Uw heil, en de banieren opsteken in de Naam van onze God. De HEERE vervulle al uw begeerten.
Psa 20:6 (20:7) Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit de hemel van Zijn heiligheid; het heil van Zijn rechterhand zal zijn met mogendheden.
Psa 20:7 (20:8) Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden de Naam van de HEERE onze God.
Psa 20:8 (20:9) Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven.
Psa 20:9 (20:10) O HEERE! behoud de koning en verhoor ons ten dage van ons roepen.

Psalm 21
Psa 21:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester.
(21:2) O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!
Psa 21:2 (21:3) Gij hebt hem de wens van zijn hart gegeven, en de uitspraak van zijn lippen hebt Gij niet weerhouden. Sela.
Psa 21:3 (21:4) Want Gij komt hem voor met zegens van goedheid; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud.
Psa 21:4 (21:5) Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwig en altijd.
Psa 21:5 (21:6) Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.
Psa 21:6 (21:7) Want Gij zet hem tot zegen voor altijd; Gij verblijdt hem door vreugde van Uw aangezicht.
Psa 21:7 (21:8) Want de koning vertrouwt op de HEERE, en door de goedertierenheid van de Allerhoogste zal hij niet wankelen.
Psa 21:8 (21:9) Uw hand zal al uw vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden.
Psa 21:9 (21:10) Gij zult hen zetten als in een vurige oven ten tijde van uw toorn; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden; het vuur hen verteren.
Psa 21:10 (21:11) Gij zult hun vrucht van de aarde verdelgen, en hun zaad van de kinderen der mensen.
Psa 21:11 (21:12) Want zij hebben kwade plannen tegen U gesmeed; zij hebben een schandelijke daad bedacht, maar zullen niets vermogen.
Psa 21:12 (21:13) Want Gij zult hen zetten tot een doelwit; met de pijlen op Uw boogpezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen en hen op de vlucht doen slaan.
Psa 21:13 (21:14) Verhef U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven.

Psalm 22
Psa 22:1
Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.
(22:2) Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden van mijn schreeuwen?  *)
Psa 22:2 (22:3) Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en er is geen stilte voor mij.
Psa 22:3 (22:4) Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels.
Psa 22:4 (22:5) Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.
Psa 22:5 (22:6) Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.
Psa 22:6
(22:7) Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht door het volk.  *)
Psa 22:7 (22:8) Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:
Psa 22:8
(22:9) Hij heeft het op de HEERE gewenteld, dat Die hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, omdat Hij behagen aan hem heeft!

Psa 22:9 (22:10) Gij zijt het immers, die mij uit de buik hebt genomen; die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan de borsten van mijn moeder.
Psa 22:10 (22:11) Op U ben ik geworpen vanaf mijn geboorte; van de moederschoot aan zijt Gij mijn God.
Psa 22:11 (22:12) Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.
Psa 22:12 (22:13) Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
Psa 22:13 (22:14) Zij hebben hun mond tegen mij opengesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.
Psa 22:14 (22:15) Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden van mijn ingewand.
Psa 22:15 (22:16) Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof van de dood.
Psa 22:16
(22:17) Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.
Psa 22:17 (22:18) Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij zien het aan, zij kijken naar mij.
Psa 22:18
(22:19) Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
Psa 22:19 (22:20) Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.
Psa 22:20 (22:21) Red mijn leven van het zwaard, mijn eenzame ziel van het geweld van de hond.
Psa 22:21 (22:22) Red mij uit de muil van de leeuwen; en verlos mij als met de hoornen van de eenhoorn.  *)
Psa 22:22
(22:23) Zo zal ik Uw Naam mijn broeders vertellen; in het midden van de gemeente zal ik U prijzen.

Psa 22:23 (22:24) Gij, die de HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en hebt ontzag voor Hem, al gij zaad van Israel!
Psa 22:24
(22:25) Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking van de verdrukte, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
Psa 22:25
Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid van hen, die Hem vrezen.
Psa 22:26 (22:27) De nederigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen de HEERE prijzen, die Hem zoeken; uw hart zal in eeuwigheid leven.
Psa 22:27
(22:28) Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot de HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
Psa 22:28 (22:29) Want het koninkrijk is HEERE, en Hij heerst te midden van de natiŽn.
Psa 22:29 (22:30) Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof neerdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen, die in het stof neerdalen en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.  *)
Psa 22:30 (22:31) Het zaad zal Hem dienen; de HEERE zal verkondigd worden in de komende geslachten.
Psa 22:31 (22:32)Zij zullen komen, en Zijn gerechtigheid verkondigen aan het volk, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.

Psalm 23
Psa 23:1 Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets.
Psa 23:2 Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
Psa 23:3 Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, omwille van Zijn Naam.
Psa 23:4 Al ging ik ook door het dal van schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Psa 23:5 Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker vloeit over.
Psa 23:6 Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen van mijn leven; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.

Psalm 24
Psa 24:1 Een psalm van David. De aarde is van de HEERE, zo ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
Psa 24:2 Want Hij heeft ze gegrond op de zeeŽn, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
Psa 24:3 Wie zal klimmen op de berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats van Zijn heiligheid?
Psa 24:4 Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedrieglijk zweert;
Psa 24:5 Die zal de zegen ontvangen van de HEERE, en gerechtigheid van de God van zijn heil.
Psa 24:6 Dat is het geslacht van hen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.
Psa 24:7 Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!
Psa 24:8 Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in de strijd.
Psa 24:9 Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!
Psa 24:10 Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heerscharen, Die is de Koning der ere. Sela.

Psalm 25
Psa 25:1 Een psalm van David.
Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.
Psa 25:2 Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.
Psa 25:3 Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die zonder oorzaak trouweloos handelen.
Psa 25:4 HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
Psa 25:5 Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God van mijn heil; U verwacht ik de ganse dag.
Psa 25:6 Gedenk, HEERE! Uw barmhartigheden en Uw goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid af.
Psa 25:7 Gedenk niet de zonden van mijn jeugd, noch mijn overtredingen; gedenk mij naar Uw goedertierenheid, omwille van Uw goedheid, o HEERE!
Psa 25:8 De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in de weg.
Psa 25:9 Hij zal de nederigen leiden in het recht, en Hij zal de zachtmoedigen Zijn weg leren.
Psa 25:10 Alle wegen des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, voor hen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.
Psa 25:11 Omwille van Uw Naam, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.
Psa 25:12 Wie is de man, die de HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in de weg, die hij zal hebben te verkiezen.
Psa 25:13 Zijn ziel zal overnachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beŽrven.
Psa 25:14 De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.
Psa 25:15 Mijn ogen zijn gedurig op de HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.

Psa 25:16 Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.
Psa 25:17 De benauwdheden van mijn hart hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.
Psa 25:18 Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.
Psa 25:19 Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wrede haat.
Psa 25:20 Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik vertrouw op U.
Psa 25:21 Laat oprechtheid en onschuld mij behoeden, want ik verwacht U.
Psa 25:22 O God! verlos Israel uit al zijn benauwdheden.

Psalm 26
Psa 26:1 Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtheid; en ik vertrouw op de HEERE, ik zal niet wankelen.
Psa 26:2 Onderzoek mij, HEERE, en beproef mij; toets mijn nieren en mijn hart.
Psa 26:3 Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.
Psa 26:4 Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.
Psa 26:5 Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
Psa 26:6 Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!
Psa 26:7 Om te doen horen de stem van lof, en om te vertellen al Uw wonderen.
Psa 26:8 HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats van de tabernakel van Uw eer.
Psa 26:9 Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van bloed;
Psa 26:10 In hun handen is schandelijk bedrijf, en hun rechterhand is vol geschenken.
Psa 26:11 Maar ik wandel in mijn oprechtheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
Psa 26:12 Mijn voet staat op effen baan; ik zal de HEERE loven in de vergaderingen.

Psalm 27
Psa 27:1 Een psalm van David.
De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? De HEERE is de kracht van mijn leven, voor wie zou ik vervaard zijn?
Psa 27:2 Toen de bozen, mijn tegenstanders, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, struikelden zij zelf en vielen.
Psa 27:3 Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij uitbrak, zo vertrouw ik hierop.
Psa 27:4 Eťn ding heb ik van de HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen van mijn leven mocht wonen in het huis des HEEREN, om hetgeen de Heere behaagt te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.
Psa 27:5 Want Hij verbergt mij in Zijn hut, ten dage van het kwaad; Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent; Hij verhoogt mij op een rots.
Psa 27:6 Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offers van jubelklank offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen de HEERE.
Psa 27:7 Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.
Psa 27:8 Toen U sprak, Zoek Mijn aangezicht; Mijn hart zei tot U: ik zal Uw aangezicht zoeken, o HEERE!
Psa 27:9 Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer U niet af van Uw knecht in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God van mijn heil!
Psa 27:10 Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE neemt mij aan.
Psa 27:11 HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, omwille van mijn verspieders.
Psa 27:12
Geef mij niet over in de begeerte van mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, die wreedheid uitblazen.
Psa 27:13 Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik zou bezweken zijn.
Psa 27:14 Wacht op de HEERE, weest sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op de HEERE.

Psalm 28
Psa 28:1 Van David.
Tot U roep ik, HEERE! mijn Rots, houd U niet als doof voor mij; opdat ik niet, zo Gij U naar mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in de kuil neerdalen.
Psa 28:2 Hoor de stem van mijn smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspreekplaats van Uw heiligheid.
Psa 28:3 Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
Psa 28:4 Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid van hun handelingen; geef hun naar het werk van hun handen; doe hun vergelding tot hen wederkeren.
Psa 28:5 Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk van Zijn handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.
Psa 28:6 Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem van mijn smekingen gehoord.
Psa 28:7 De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; daarom springt mijn hart op van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.

Psa 28:8 De HEERE sterkt Zijn volk en is de Kracht der verlossingen van Zijn Gezalfde.
Psa 28:9 Verlos Uw volk, en zegen Uw erfdeel, weid hen en verhef hen tot in eeuwigheid.

Psalm 29
Psa 29:1 Een psalm van David.
Geeft de HEERE, gij kinderen der machtigen! geeft de HEERE eer en sterkte.
Psa 29:2 Geeft de HEERE de eer van Zijn Naam, aanbidt de HEERE in de heerlijkheid van het heiligdom.
Psa 29:3 De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.
Psa 29:4 De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid.
Psa 29:5 De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon.
Psa 29:6 En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jonge eenhoorn.
Psa 29:7 De stem des HEEREN houwt er vlammen vuur uit.
Psa 29:8 De stem des HEEREN doet de woestijn beven; de HEERE doet de woestijn Kades beven.
Psa 29:9 De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbladert de wouden; maar in Zijn tempel zegt een ieder: ere.
Psa 29:10 De HEERE heeft getroond over de wateren van de zondvloed; ja, de HEERE troont, Koning in eeuwigheid.
Psa 29:11 De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.

Psalm 30
Psa 30:1 Een psalm, een lied van inwijding van Davids huis.
(30:2) Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
Psa 30:2 (30:3) HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.
Psa 30:3 (30:4) HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het dodenrijk opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in de kuil niet ben nedergedaald.
Psa 30:4 (30:5) Psalmzingt de HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis van Zijn heiligheid.
Psa 30:5 (30:6) Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds komt geween, maar des morgens is er gejuich.
Psa 30:6 (30:7) Ik zei wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
Psa 30:7 (30:8) Want, HEERE! Gij had mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborg, werd ik verschrikt.
Psa 30:8 (30:9) Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot de HEERE:
Psa 30:9 (30:10) Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
Psa 30:10 (30:11) Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper.
Psa 30:11 (30:12) Gij hebt mij mijn weeklacht veranderd in een reidans; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord;
Psa 30:12 (30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven.

Psalm 31
Psa 31:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester.
(31:2) Op U, o HEERE! vertrouw ik, laat mij nimmer beschaamd worden; help mij uit door Uw gerechtigheid.
Psa 31:2 (31:3) Neig Uw oor tot mij, red mij haastig; wees mij tot een sterke Rots, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden.
Psa 31:3 (31:4) Want Gij zijt mijn Rots en mijn Burcht; leid mij dan, en toon mij de weg, omwille van Uw Naam.
Psa 31:4 (31:5) Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.
Psa 31:5
(31:6) In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!
Psa 31:6 (31:7) Ik haat hen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik vertrouw op de HEERE.
Psa 31:7 (31:8) Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend;
Psa 31:8 (31:9) En mij niet hebt overgeleverd in de hand van de vijand; Gij hebt mijn voeten in een ruime plaats gesteld.
Psa 31:9 (31:10) Wees mij genadig, HEERE! want ik ben bang; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn lichaam.
Psa 31:10 (31:11) Want mijn leven wordt verteerd door droefheid, en mijn jaren door zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn versmolten.
Psa 31:11 (31:12) Voor al mijn vijanden ben ik een smaad geworden, door mijn buren veracht en voor mijn vrienden een schrik; die mij op de straten zien, vluchten weg van mij.
Psa 31:12 (31:13) Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.
Psa 31:13 (31:14) Want ik hoorde het kwaadspreken van velen; vrees is van rondom, omdat zij tezamen tegen mij beraadslagen; zij denken mijn ziel te nemen.
Psa 31:14 (31:15) Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.
Psa 31:15 (31:16) Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij uit de hand van mijn vijanden, en van mijn vervolgers.
Psa 31:16 (31:17) Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.
Psa 31:17 (31:18) HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, breng hen tot zwijgen in het dodenrijk.
Psa 31:18 (31:19) Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen de rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.
Psa 31:19 (31:20) O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor hen, die U vrezen; dat Gij bewerkt hebt voor degenen, die op U vertrouwen, in de tegenwoordigheid van de mensenkinderen!
Psa 31:20 (31:21) Gij verbergt hen in het verborgene van Uw aanwezigheid voor de trotsheden van de mens; Gij verbergt hen in een hut voor de twist der tongen.
Psa 31:21 (31:22) Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een sterke stad.
Psa 31:22 (31:23) Ik zei wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoorde U de stem van mijn smekingen, als ik tot U riep.
Psa 31:23 (31:24) Hebt de HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten! want de HEERE behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloedig degene, die hoogmoed bedrijft.
Psa 31:24 (31:25) Zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, allen gij, die op de HEERE hoopt!

Psalm 32
Psa 32:1 Een onderwijzing van David.
Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
Psa 32:2 Welgelukzalig is de mens, die de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.
Psa 32:3 Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, door mijn kermen de ganse dag.
Psa 32:4 Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn vocht werd veranderd als door zomerdroogte. Sela.
Psa 32:5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HEERE; en U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde. Sela.
Psa 32:6
Hierom zal U iedere vrome aanbidden in vindenstijd; ja,een overloop van grote wateren zal hem niet deren.
Psa 32:7 Gij zijt mij een Toevlucht; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.
Psa 32:8 Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.
Psa 32:9 Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, dat geen verstand heeft, welks bek men breidelt met toom en bit, dat anders tot u niet kan naderen.
Psa 32:10 De goddeloze heeft veel smarten, maar die op de HEERE vertrouwt, die zal door goedertierenheid worden omringd.
Psa 32:11 Verblijdt u in de HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van hart!

Psalm 33
Psa 33:1 Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in de HEERE; lof past de oprechten.
Psa 33:2 Looft de HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
Psa 33:3 Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijke klanken.
Psa 33:4 Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
Psa 33:5 Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
Psa 33:6 Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door de adem van Zijn mond al hun legerscharen.
Psa 33:7 Hij hoopt de wateren van de zee bijeen; Hij stelt de diepten in schatkamers.
Psa 33:8 Laat de ganse aarde voor de HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld ontzag voor Hem hebben.
Psa 33:9 Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
Psa 33:10 De HEERE vernietigt de raad der heidenen; Hij verijdelt de voornemens der volken.
Psa 33:11 Maar de raad van de HEERE bestaat in eeuwigheid, de gedachten van Zijn hart van geslacht tot geslacht.
Psa 33:12 Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich als erfenis verkoren heeft.
Psa 33:13 De HEERE schouwt uit de hemel, en ziet alle mensenkinderen.
Psa 33:14 Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
Psa 33:15 Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
Psa 33:16 Een koning wordt niet behouden door een groot leger; een held wordt niet gered door grote kracht;
Psa 33:17 Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote kracht.
Psa 33:18 Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
Psa 33:19 Om hun ziel van de dood te redden, en om hen bij het leven te behouden in de honger.
Psa 33:20 Onze ziel verwacht de HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.
Psa 33:21 Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op de Naam van Zijn heiligheid vertrouwen.
Psa 33:22 Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; zoals wij op U hopen.

Psalm 34
Psa 34:1
Een psalm van David, toen hij zijn gedrag veranderd had in dat van een waanzinnige voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, zodat hij vertrok.
(34:2) Aleph. Ik zal de HEERE loven te allen tijd; Zijn lof zal gedurig in mijn mond zijn.
Psa 34:2 (34:3) Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in de HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
Psa 34:3 (34:4) Gimel. Maakt de HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.
Psa 34:4 (34:5) Daleth. Ik heb de HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn angsten gered.
Psa 34:5 (34:6) He. die hoopvol naar Hem opzagen, zijn niet beschaamd geworden.
Psa 34:6 (34:7) Zain. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
Psa 34:7 (34:8) Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en verlost hen.
Psa 34:8 (34:9) Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem vertrouwt.
Psa 34:9 (34:10) Jod. Vreest de HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.
Psa 34:10 (34:11) Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die de HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
Psa 34:11 (34:12) Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u de vreze des HEEREN leren.
Psa 34:12
(34:13) Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die de dagen liefheeft, om het goede te zien?
Psa 34:13 (34:14) Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
Psa 34:14 (34:15) Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek de vrede, en jaag die na.
Psa 34:15 (34:16) Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
Psa 34:16 (34:17) Pe. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.
Psa 34:17 (34:18) Tsade. de rechtvaardigen roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.
Psa 34:18
(34:19) Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van hart, en Hij behoudt de verslagenen van geest.
Psa 34:19 (34:20 ) Resch. Vele zijn de tegenspoeden van de rechtvaardige; maar uit alle die redt hem de HEERE.
Psa 34:20
(34:21) Schin, Hij bewaart al zijn beenderen; niet ťťn van die wordt gebroken.
Psa 34:21 (34:22) Thau. Het kwaad zal de goddeloze doden; en die de rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden.
Psa 34:22 (34:23) De HEERE verlost de ziel van Zijn knechten; en allen, die op Hem vertrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.

Psalm 35
Psa 35:1 Een psalm van David.
Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.
Psa 35:2 Grijp het grote en het kleine schild, en sta op tot mijn hulp.
Psa 35:3 En breng de spies voort; om de weg te versperren voor mijn vervolgers; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.
Psa 35:4 Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen teruggedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.
Psa 35:5 Laat hen worden als kaf voor de wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.
Psa 35:6 Hun weg zij donker en glad; en de Engel des HEEREN vervolge hen.
Psa 35:7 Want zij hebben zonder oorzaak hun vangnet in een kuil voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak een kuil gegraven voor mijn ziel.
Psa 35:8 De verwoesting overkome hem onverwacht, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelf; hij valle daarin met verwoesting.
Psa 35:9 Zo zal mijn ziel zich verheugen in de HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.
Psa 35:10 Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die de ellendige redt van hem, die sterker is dan hij, en de ellendige en nooddruftige van zijn berover.
Psa 35:11
Valse getuigen staan op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.
Psa 35:12 Zij vergelden mij kwaad voor goed; verlaten ben ik en eenzaam.
Psa 35:13 Mij aangaande daarentegen, als zij ziek waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weer in mijn boezem.
Psa 35:14 Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest was; ik ging gebogen in verdriet, als ťťn, die over zijn moeder treurt.
Psa 35:15 Maar als ik struikelde, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich om mij in de val te lokken, en ik merkte het niet; zij belaagden mij onophoudelijk.
Psa 35:16 samen met onbeschaamde spotters knersten zij over mij met hun tanden.
Psa 35:17 HEERE! hoe lang zult Gij toezien? Bescherm mijn leven voor hun verwoestingen, mijn eenzame ziel voor de jonge leeuwen.
Psa 35:18 Zo zal ik U loven in de grote gemeente; te midden van een grote menigte zal ik U prijzen.
Psa 35:19 Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch hun snode plannen volbrengen, die mij zonder oorzaak haten.
Psa 35:20 Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedrieglijke zaken tegen de stillen in het land.
Psa 35:21 En zij sperren hun mond wijd open tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!
Psa 35:22 HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet ver van mij.
Psa 35:23 Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.
Psa 35:24 Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.
Psa 35:25 Laat hen niet zeggen in hun hart: Aha, we hebben ons doel bereikt! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
Psa 35:26 Laat hen beschaamd en tezamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.
Psa 35:27 Maar laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen gedurig zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot de vrede van Zijn knecht!
Psa 35:28 Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof de ganse dag.

Psalm 36
Psa 36:1 Een psalm van David, de knecht van de HEERE, voor de opperzangmeester.
(36:2) De overtreding van de goddeloze spreekt in mijn hart; er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
Psa 36:2(36:3) Want hij vleit zichzelf in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bemerkt, die te haten is.
Psa 36:3(36:4) De woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.
Psa 36:4(36:5) Hij bedenkt onrecht op zijn bed; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.
Psa 36:5(36:6) O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken.
Psa 36:6
(36:7) Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn zo diep als een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en dieren.
Psa 36:7(36:8) Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom nemen de mensenkinderen hun toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels.
Psa 36:8(36:9) Zij worden versterkt met de vettigheid van Uw huis; en Gij drenkt hen uit de beek van Uw genoegens.
Psa 36:9(36:10) Want bij U is de fontein van het leven; in Uw licht zien wij het licht.
Psa 36:10(36:11) Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
Psa 36:11(36:12) Doe mij niet ontmoeten de voet van de hoogmoed, en laat de hand van de goddelozen mij niet doen afwijken.
Psa 36:12(36:13) Aldus zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn neergestoten, en kunnen niet weer opstaan.

Psalm 37
Psa 37:1 Een psalm van David.
Windt u niet op over de boosdoeners; benijdt hen niet, die onrecht doen.
Psa 37:2 Want als gras zullen zij weldra worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij verwelken.
Psa 37:3 Vertrouw op de HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en bewaar de trouw.
Psa 37:4 Verlustig u in de HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten van uw hart.
Psa 37:5 Wentel uw weg op de HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;
Psa 37:6 En zal uw gerechtigheid doen uitkomen als het licht, en uw recht als de middag.
Psa 37:7 Zwijg de HEERE, en verbeid Hem; wind u niet op over degene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.
Psa 37:8
Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
Psa 37:9 Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die de HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.
Psa 37:10 En nog een weinig tijd, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.
Psa 37:11
De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over grote vrede.
Psa 37:12 De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen de rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
Psa 37:13 De HEERE lacht over hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
Psa 37:14 De goddelozen hebben het zwaard getrokken, en hun boog gespannen, om de ellendige en nooddruftige neer te vellen, om te slachten, degenen wier weg oprecht is.
Psa 37:15 Maar hun zwaard zal in hun eigen hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.
Psa 37:16 Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed van vele goddelozen.
Psa 37:17 Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
Psa 37:18 De HEERE kent de dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
Psa 37:19 Zij zullen niet beschaamd worden in de kwade tijd, en in de dagen van de honger zullen zij verzadigd worden.
Psa 37:20 Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen als het vet van de lammeren; zoals met de rook van de offerande daarvan zullen zij verdwijnen.
Psa 37:21 De goddeloze leent en geeft niet terug; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.
Psa 37:22 Want Zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar Zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.
Psa 37:23 De wegen van de rechtvaardige man worden van de HEERE bevestigd; Hij heeft lust aan zijn weg.
Psa 37:24 Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand.
Psa 37:25 Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien de rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.
Psa 37:26 De ganse dag ontfermt hij zich, en leent uit; en zijn zaad is tot zegen.
Psa 37:27 Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
Psa 37:28 Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.
Psa 37:29 De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.
Psa 37:30 De mond van de rechtvaardige vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
Psa 37:31 De wet van zijn God is in zijn hart; zijn gangen zullen niet glibberen.
Psa 37:32 De goddeloze loert op de rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
Psa 37:33 Maar de HEERE laat hem niet in zijn hand; en Hij veroordeelt hem niet, als hij berecht wordt.
Psa 37:34 Wacht op de HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.
Psa 37:35 Ik heb gezien een tirannieke goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inheemse boom.
Psa 37:36 Maar ik ging er voorbij, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
Psa 37:37 Let op de vrome, en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn.
Psa 37:38 Maar de overtreders worden tezamen verdelgd; het overblijfsel van de goddelozen wordt uitgeroeid.
Psa 37:39 Doch het heil van de rechtvaardige is van de HEERE; hun Sterkte in tijd van benauwdheid.
Psa 37:40 En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij vertrouwen op Hem.

Psalm 38
Psa 38:1 Een psalm van David, om te doen gedenken.
(38:2) O HEERE! straf mij niet in Uw grote toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.
Psa 38:2 (38:3) Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij neergedaald.
Psa 38:3 (38:4) Er is niets heel in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.
Psa 38:4 (38:5) Want mijn ongerechtigheden groeien mij boven het hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
Psa 38:5 (38:6) Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.
Psa 38:6 (38:7) Ik ben krom geworden, ik ben zeer neergebogen; ik treur de ganse dag.
Psa 38:7 (38:8) Want een brand is in mijn ingewand, en er is niets heel in mijn vlees.
Psa 38:8 (38:9) Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik schreeuw vanwege de onrust van mijn hart.
Psa 38:9 (38:10) HEERE! U is al mijn begeerte bekend; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.
Psa 38:10 (38:11) Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht van mijn ogen is niet bij mij.
Psa 38:11 (38:12) Mijn aanhangers en mijn vrienden staan tegenover mijn plaag, en mijn nabestaanden van verre.
Psa 38:12 (38:13) En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mij kwaad wensen, spreken schadelijke dingen, en zij overdenken de ganse dag listen.
Psa 38:13 (38:14) Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.
Psa 38:14 (38:15) Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.
Psa 38:15 (38:16) Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!
Psa 38:16 (38:17) Want ik zei: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.
Psa 38:17 (38:18) Want ik sta op het punt te struikelen, en mijn smart is steeds voor mij.
Psa 38:18 (38:19) Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.
Psa 38:19 (38:20) Mijn vijanden echter zijn levend, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.
Psa 38:20 (38:21) En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.
Psa 38:21 (38:22) Verlaat mij niet, o HEERE, mijn God! wees niet verre van mij.
Psa 38:22 (38:23) Haast U tot mijn hulp, HEERE, mijn Heil!

Psalm 39
Psa 39:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, voor Jeduthun.
(39:2) Ik zei: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondig met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, zolang de goddeloze nog tegenover mij is.  *)
Psa 39:2 (39:3) Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
Psa 39:3 (39:4) Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
Psa 39:4 (39:5) HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de maat van mijn dagen is; dat ik wete, hoe vergankelijk ik ben.
Psa 39:5 (39:6) Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
Psa 39:6 (39:7) Immers wandelt de mens als in een schaduw, immers woelen zij ijdel; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
Psa 39:7 (39:8) En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.
Psa 39:8 (39:9) Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad van de dwazen.
Psa 39:9 (39:10) Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
Psa 39:10 (39:11) Neem Uw plaag van op mij weg, ik ben bezweken door de bestrijding van Uw hand.
Psa 39:11 (39:12) Kastijdt Gij iemand met bestraffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn schoonheid vergaan als een, door de mot gevreten kleed; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
Psa 39:12
(39:13) Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaderen.
Psa 39:13 (39:14) Wend U van mij af, dat ik nog herstel, eer dat ik heenga, en ik niet meer ben.

Psalm 40
Psa 40:1 Davids psalm, voor de opperzangmeester.
(40:2) Ik heb de HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.
Psa 40:2 (40:3) En Hij heeft mij uit een verdervende kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rots gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.
Psa 40:3 (40:4) Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang tot onze God; velen zullen het zien, en vrezen, en op de HEERE vertrouwen.
Psa 40:4 (40:5) Welgelukzalig is de man, die de HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.
Psa 40:5 (40:6) Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.
Psa 40:6
(40:7) Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geŽist.
Psa 40:7
(40:8) Toen zei ik: Zie, ik kom; in de boekrol is van mij geschreven.
Psa 40:8
(40:9) Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden van mijn ingewand.
Psa 40:9
(40:10) Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.
Psa 40:10 (40:11) Uw gerechtigheid verberg ik niet in mijn hart; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
Psa 40:11 (40:12) Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij gedurig behoeden.
Psa 40:12 (40:13) Want ontelbare kwaden hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, ik kan ze niet meer overzien; zij zijn menigvuldiger dan de haren van mijn hoofd, en mijn moed is vergaan.
Psa 40:13 (40:14) Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.
Psa 40:14 (40:15) Laat hen tezamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen teruggedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
Psa 40:15 (40:16) Laat hen die van mij zeggen: Ha, ha!, schaamte ontvangen als beloning.
Psa 40:16 (40:17) Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers van Uw heil gedurig zeggen: De HEERE zij groot gemaakt!
Psa 40:17 (40:18) Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.≠

Psalm 41
Psa 41:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester
(41:2) Welgelukzalig is hij, die zich verstandig gedraagt jegens een ellendige; de HEERE zal hem redden ten dage van het kwaad.
Psa 41:2 (41:2) De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in de begeerte van zijn vijanden.
Psa 41:3 (41:4) De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed; door zijn ziekte verandert Gij zijn hele gesteldheid.
Psa 41:4 (41:5) Ik zei: O HEERE! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.

Psa 41:5 (41:6) Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?
Psa 41:6 (41:7) En zo iemand van hen komt, om mij te bezoeken, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.
Psa 41:7 (41:8) Al mijn haters mompelen tezamen tegen mij; ze bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is, zeggende:
Psa 41:8 (41:9) Een Belialsstuk kleeft hem aan; en: hij, die neerligt, zal niet weer opstaan.
Psa 41:9
(41:10) Zelfs mijn bondgenoot, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij grotelijks verheven.
Psa 41:10 (41:12) Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.
Psa 41:12 (41:13) Hieraan weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
Psa 41:12 (41:13) Want mij aangaande, Gij onderhoudt mij in mijn oprechtheid, en Gij stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid.
Psa 41:13 (41:14) Geloofd zij de HEERE, de God van Israel, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen, ja, amen.

Psalm 42  *)
Psa 42:1 Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
(42:2) Gelijk een hinde hijgend snakt naar de waterstromen, alzo snakt mijn ziel naar U, o God!  *)
Psa 42:2 (42:3) Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?
Psa 42:3 (42:4) Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij de ganse dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
Psa 42:4 (42:5) Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen naar Gods huis te gaan, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feestvierende menigte.
Psa 42:5 (42:6) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven om de verlossingen van Zijn aangezicht.
Psa 42:6 (42:7) O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom denk ik aan U uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.
Psa 42:7 (42:8) De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis van Uw watervallen; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.
Psa 42:8 (42:9) Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God van mijn leven.
Psa 42:9 (42:10) Ik zal zeggen tot God: Mijn Rots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik treurend, vanwege de onderdrukking van de vijand?
Psa 42:10 (42:11) Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn tegenstanders, als zij de ganse dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
Psa 42:11 (42:12) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing van mijn aangezicht en mijn God.

Psalm 43
Psa 43:1 Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van de man van bedrog en van onrecht.
Psa 43:2 Want Gij zijt de God van mijn sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds treurend, vanwege de onderdrukking van de vijand?
Psa 43:3 Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot de berg van Uw heiligheid, en tot Uw woningen;
Psa 43:4 En dat ik inga tot het altaar van God, tot de God van mijn overvloedige vreugde, en U met de harp loof, o God, mijn God!
Psa 43:5 Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing van mijn aangezicht, en mijn God.

Psalm 44
Psa 44:1 Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
(44:2) O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewerkt in hun dagen, in de dagen van weleer.
Psa 44:2 (44:3) Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar hen geplant; Gij hebt de volken geplaagd, maar hen uitgebreid.
Psa 44:3 (44:4) Want zij hebben het land niet verkregen door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht van Uw aangezicht, omdat Gij een welbehagen in hen had.
Psa 44:4 (44:5) Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.
Psa 44:5 (44:6) Door U zullen wij onze tegenstanders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.
Psa 44:6 (44:7) Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.
Psa 44:7 (44:8) Maar Gij verlost ons van onze tegenstanders, en Gij maakt onze haters beschaamd.
Psa 44:8 (44:9) In God roemen wij de ganse dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.

Psa 44:9 (44:10) Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, omdat Gij met onze legers niet uittrekt.
Psa 44:10 (44:11) Gij doet ons achterwaarts keren van de tegenstander; en onze haters beroven ons.
Psa 44:11 (44:12) Gij geeft ons over als schapen tot voedsel, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.
Psa 44:12 (44:13) Gij verkoopt Uw volk om niet; en Gij verhoogt hun prijs niet.
Psa 44:13 (44:14) Gij stelt ons onze buren tot smaad, tot spot en schimp degenen, die rondom ons zijn.
Psa 44:14 (44:15) Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudden onder de volken.
Psa 44:15 (44:16) Mijn schande is de ganse dag voor mij, en de schaamte van mijn aangezicht bedekt mij;
Psa 44:16 (44:17) Om de stem van de smaders en van de lasteraars, vanwege de vijand en de wraakzuchtige.
Psa 44:17 (44:18) Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, en zijn van uw verbond niet afgeweken.
Psa 44:18 (44:19) Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze wandel geweken van Uw pad.
Psa 44:19 (44:20) Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats van jakhalzen, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.
Psa 44:20 (44:21) Zo wij de Naam van onze God hadden vergeten, en onze handen tot een vreemde God uitgebreid,
44:21 (44:22) Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden van het hart.
Psa 44:22
(44:23) Maar om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
Psa 44:23 (44:24) Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet voor altijd.
Psa 44:24 (44:25) Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?
Psa 44:25 (44:26) Want onze ziel is in het stof neergebogen; onze buik kleeft aan de aarde.
Psa 44:26 (44:27) Sta op, ons ter hulp, en verlos ons omwille van Uw goedertierenheid.

Psalm 45
Psa 45:1 Een onderwijzing, een lied der liefde, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
(45:2) Mijn hart geeft een goede rede op; ik spreek mijn gedichten uit over een Koning; mijn tong is een pen van een vaardig schrijver.  *)
Psa 45:2 (45:3) Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort op Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.
Psa 45:3 (45:4) Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.
Psa 45:4 (45:5) En rijd voorspoedig in Uw heerlijkheid, voor de waarheid, de zachtmoedigheid en de rechtvaardigheid; en Uw rechterhand zal U ontzaglijke dingen leren.
Psa 45:5 (45:6) Uw pijlen zijn scherp; volken zullen voor U vallen; zij treffen in het hart van de vijanden van de Koning.
Psa 45:6 (45:7) Uw troon, o God! is eeuwig en altijd; de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtmatigheid.
Psa 45:7
(45:8) Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
Psa 45:8 (45:9) Al Uw klederen zijn mirre, aloť, en kaneel; uit de ivoren paleizen, van waaruit zij U verblijden.
Psa 45:9 (45:10) Dochters van koningen in uw gevolg verblijden u; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.

Psa 45:10 (45:11) Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en het huis van uw vader.
Psa 45:11 (45:12) Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; daar Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neer.
Psa 45:12 (45:13) En de dochter van Tyrus, alsook de rijken onder het volk zullen uw aangezicht met geschenk zoeken.
Psa 45:13 (45:14) De dochter van de Koning is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.
Psa 45:14 (45:15) In geborduurde klederen zal zij tot de Koning geleid worden; de jonge dochters, die achter haar zijn, haar gevolg, zullen tot u gebracht worden.
Psa 45:15 (45:16) Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en vreugde; zij zullen ingaan in het paleis van de Koning.
Psa 45:16 (45:17) In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.
Psa 45:17 (45:18) Ik zal Uw Naam doen gedenken van geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven voor eeuwig en altijd.

Psalm 46
Psa 46:1 Een lied op Alamoth, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
(46:2) God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtig bevonden een Hulp in benauwdheden.  *)
Psa 46:2 (46:3) Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeŽn;
Psa 46:3 (46:4) Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door hun oprijzen! Sela.
Psa 46:4 (46:5) De beekjes der rivier zullen de stad Gods verblijden, het heiligdom der woningen van de Allerhoogste.
Psa 46:5 (46:6) God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond.
Psa 46:6 (46:7) De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.
Psa 46:7 (46:8) De HEERE der legerscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.
Psa 46:8 (46:9) Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die ontzaglijke dingen op aarde doet.
Psa 46:9 (46:10) Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, de boog verbreekt, en de spies in tweeŽn slaat, de wagens met vuur verbrandt.
Psa 46:10 (46:11) Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde.
Psa 46:11 (46:12) De HEERE der legerscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.

Psalm 47
Psa 47:1 Een psalm, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
(47:2) Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.
Psa 47:2 (47:3) Want de HEERE, de Allerhoogste, is ontzagljik, een groot Koning over de ganse aarde.
Psa 47:3 (47:4) Hij onderwerpt ons volken, en brengt de natiŽn onder onze voeten.
Psa 47:4 (47:5) Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, die Hij heeft liefgehad. Sela.
Psa 47:5
(47:6) God vaart op met gejuich, de HEERE met het geluid van de bazuin.
Psa 47:6 (47:7) Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onze Koning, psalmzingt!
Psa 47:7 (47:8) Want God is een Koning van de ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
Psa 47:8 (47:9) God regeert over de natiŽn; God zetelt op de troon van Zijn heiligheid.
Psa 47:9 (47:10) De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van de God van Abraham; want de schilden der aarde zijn van God. Hij is zeer verheven!

Psalm 48
Psa 48:1 Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
(48:2) De HEERE is groot en zeer te prijzen, in de stad van onze God, op de berg van Zijn heiligheid.
Psa 48:2 (48:3) Schoon verheft zich de berg Sion boven Jeruzalem, een vreugde der ganse aarde, aan de noordzijde; de stad van de grote Koning.
Psa 48:3 (48:4) God is in haar paleizen; Hij is er bekend als een Hoog Vertrek.
Psa 48:4 (48:5) Want ziet, de koningen waren vergaderd; zij waren tezamen opgetrokken.
Psa 48:5 (48:6) Maar toen zij het zagen, waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten zich weg.
Psa 48:6 (48:7) Beving greep hen aldaar aan, smart als van een barende vrouw.
Psa 48:7 (48:8) Met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tharsis.
Psa 48:8 (48:9) Gelijk wij gehoord hadden, alzo hebben wij gezien in de stad van de HEERE der legerscharen, in de stad van onze God; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela.
Psa 48:9 (48:10) O God! wij gedenken Uw weldadigheid, in het midden van Uw tempel.
Psa 48:10 (48:11) Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.
Psa 48:11 (48:12) Laat de berg Sion verblijd zijn; laat de dochters van Juda zich verheugen, vanwege Uw oordelen.
Psa 48:12 (48:13) Gaat rondom Sion, en omringt haar; telt haar torens;
Psa 48:13 (48:14) Let op haar muren; beschouwt haar paleizen, opdat gij het aan het navolgende geslacht vertelt.
Psa 48:14 (48:15) Want deze God is onze God eeuwig en altijd; Hij zal ons geleiden tot de dood toe.

Psalm 49
Psa 49:1 Een psalm, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
(49:2) Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle bewoners van de wereld,
Psa 49:2 (49:3) Zowel aanzienlijken als onaanzienlijken, tezamen rijk en arm!
Psa 49:3 (49:4) Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking van mijn hart zal vol inzicht zijn.
Psa 49:4 (49:5) Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgen rede openbaren op de harp.

Psa 49:5 (49:6) Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de onrechtvaardigen, die mij op de hielen zitten, mij omringen?
Psa 49:6 (49:7) Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid van hun rijkdom roemen?
Psa 49:7 (49:8) Niemand van hen zal zijn broeder ooit kunnen verlossen; hij zal God zijn losgeld niet kunnen geven;
Psa 49:8 (49:9) -Want de verlossing van hun ziel is te kostbaar, en zal tot in eeuwigheid niet mogelijk zijn-;
Psa 49:9 (49:10) Zodat hij voortaan gedurig zou leven, en de verderving niet zien.
Psa 49:10 (49:11) Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat tezamen een dwaas en een onverstandige omkomen, en hun goed aan anderen nalaten.
Psa 49:11 (49:12) Hun diepste gedachte is, dat hun huizen tot in eeuwigheid zullen zijn, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.
Psa 49:12 (49:13) De mens nochtans, die in aanzien is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.
Psa 49:13 (49:14) Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.
Psa 49:14 (49:15) Als schapen zullen zij neerdalen in het dodenrijk, de dood zal hun herder zijn; de morgen komt, dat de oprechten over hen zullen heersen; hun aanzien wordt verteerd, hun woning is in het dodenrijk.
Psa 49:15 (49:16) Maar God zal mijn ziel uit de macht van het dodenrijk verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela.
Psa 49:16 (49:17) Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;
Psa 49:17 (49:18) Want hij zal in zijn sterven niets meenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.
Psa 49:18 (49:19) Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u (o rijke) loven, omdat gij uzelf goed doet;
Psa 49:19 (49:20) Zo komt hij toch tot het geslacht van zijn vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien.
Psa 49:20 (49:21) De mens, die in aanzien is, maar geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.

Psalm 50
Psa 50:1 Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang.  *)
Psa 50:2 Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.
Psa 50:3 Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het geweldig stormen.
Psa 50:4 Hij zal roepen tot de hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
Psa 50:5 Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die met Mij een verbond sloten met offerande!
Psa 50:6 En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
Psa 50:7 Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.
Psa 50:8 Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandoffers zijn steeds voor Mij.
Psa 50:9 Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;
Psa 50:10 Want al de dieren van het woud zijn Mijn, de beesten op duizend bergen.
Psa 50:11 Ik ken al de vogels van de bergen, en het wild van het veld is bij Mij.
Psa 50:12 Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.
Psa 50:13 Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?
Psa 50:14 Offert Gode dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften.
Psa 50:15 En roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.

Psa 50:16 Maar tot de goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
Psa 50:17 Omdat gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u wegwerpt.
Psa 50:18 Indien gij een dief ziet, zo gaat gij met hem mee; en uw deel is met de overspelers.
Psa 50:19 Uw mond leent gij tot het kwade, en uw tong voegt bedrog aan bedrog.
Psa 50:20 Gij zit, gij spreekt tegen uw broer; tegen de zoon van uw moeder lastert gij.
Psa 50:21 Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik ten enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordelijk voor uw ogen stellen.
Psa 50:22 Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en er geen verlosser zal zijn.
Psa 50:23 Wie dank offert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, die zal Ik Gods heil doen zien.

 naar Psalm 51 e.v.

Aantekeningen

2:2 Gezalfde: Hebr. Messias, (Gr. Christus)
3:2 De betekenis van het woordje Sela is onzeker. Mogelijk is het een aanduiding voor de zangers om te pauzeren (de muziek speelt verder) en voor de lezer om het gelezene te overdenken.
4:1 Neginoth: muziekinstrument
5:1 nechiloth: muziekinstrument
6:1 Neginoth: z aant 4:1
Scheminith: misschien een toonsoort.
6:5 dodenrijk: in de grondtekst Sheol (Hebr), zoals ook o.m. in 16:10
7:1 Schiggajon: een gedicht (?)
8:1 Gittith: muzikale aanwijzing(?)
9:1 Muth-labben: melodie van een lied(?)
9:16 Higgajon, Sela: Denk hierover na, let op.
12:1 Scheminith: z.aant. 6:1
18:5 Belial: bijnaam van Satan
19:10 honingzeem: niet-geperste honing.
22:1 Aijeleth hasschachar: melodie van:  "hinde van de morgen"
22:6 worm: in de grondtekst is sprake van een karmozijn-kleurige made. Met de kleurstof van deze maden werd kleding karmozijn-rood geverfd. (Jes 1:18)
22:21
een andere vertaling geeft: hoornen van de hoge plaatsen
39:1
Psa 42 en 43 vormen een geheel
42:1
45:1 Schoschannim: (op de wijs van:) de lelies
46:1 Alamoth: een muziek-notatie
50:1