Psalm 101
Psa 101:1 Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE!
Psa 101:2 Ik zal verstandig handelen in de oprechte weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden van mijn huis wandelen, met een oprecht hart.
Psa 101:3 Ik zal geen Belialsstuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen van de afvalligen, het zal mij niet aankleven.
Psa 101:4 Het verkeerde hart zal van mij wijken; de boze zal ik niet kennen.
Psa 101:5 Die over zijn naaste in het heimelijke kwaadspreekt; die zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, zal ik niet verdragen.
Psa 101:6 Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in de oprechte weg wandelt, die zal mij dienen.
Psa 101:7 Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugens spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.
Psa 101:8 Elke morgen zal ik alle goddelozen van het land verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.

Psalm 102
Psa 102:1 Gebed van een verdrukte, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.
(102:2) O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.
Psa 102:2 (102:3) Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage van mijn benauwdheid; ten dage als ik roep, verhoor mij haastig.
Psa 102:3 (102:4) Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een kachel.
Psa 102:4 (102:5) Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
Psa 102:5 (102:6) Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem van mijn zuchten.
Psa 102:6 (102:7) Ik ben een pelikaan in de wildernis gelijk geworden, ik ben geworden als een uil in verlaten land.
Psa 102:7 (102:8) Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.
Psa 102:8 (102:9) Mijn vijanden smaden mij al de dag; die tegen mij te keer gaan, zweren samen tegen mij.
Psa 102:9 (102:10) Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.
Psa 102:10 (10:11) Vanwege Uw verstoordheid en Uw grote toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weer neergeworpen.
Psa 102:11 (102:12) Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.
Psa 102:12 (102:13) Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.
Psa 102:13 (102:14) Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.
Psa 102:14 (102:15) Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.
Psa 102:15 (102:16) Dan zullen de heidenen de Naam des HEEREN vrezen, en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.
Psa 102:16 (102:17) Als de HEERE Sion weer opgebouwd zal hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,
Psa 102:17 (102:18) Zich gewend zal hebben tot het gebed van de berooiden, en niet versmaad hebben hun gebed;
Psa 102:18 (102:19) Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal de HEERE loven;
Psa 102:19 (102:20) Omdat Hij uit de hoogte van Zijn heiligdom naar beneden zal hebben gezien; de HEERE uit de hemel op de aarde geschouwd zal hebben;
Psa 102:20 (102:21) Om het zuchten van de gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;
Psa 102:21 (102:22) Opdat men de Naam des HEEREN zal vertellen te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;
Psa 102:22 (102:23) Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om de HEERE te dienen.
Psa 102:23 (102:24) Hij heeft mijn kracht op de weg terneer gedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.
Psa 102:24 (102:25) Ik zei: Mijn God! neem mij niet weg in het midden van mijn dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.
Psa 102:25 (102:26) Gij hebt in de voortijd de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn het werk van Uw handen;
Psa 102:26
(102:27) Die zullen vergaan, maar Gij blijft; en zij alle zullen als een kleed verouderen; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.
Psa 102:27 (102:28) Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren hebben geen einde.
Psa 102:28 (102:29) De kinderen van Uw knechten zullen veilig wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.

Psalm 103
Psa 103:1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam.
Psa 103:2 Loof de HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;
Psa 103:3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw ziekten geneest;
Psa 103:4 Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;
Psa 103:5 Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als die van een arend.
Psa 103:6 De HEERE doet gerechtigheid en verschaft recht allen die onderdrukt worden.
Psa 103:7 Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt, de kinderen Israels Zijn daden.
Psa 103:8 Barmhartig en genadig is de HEERE, geduldig en groot van goedertierenheid.
Psa 103:9 Hij zal niet altijd twisten, noch eeuwig de toorn behouden.
Psa 103:10 Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
Psa 103:11 Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.
Psa 103:12 Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.
Psa 103:13 Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.
Psa 103:14 Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, indachtig zijnde, dat wij stof zijn.
Psa 103:15 De dagen van de mens zijn als het gras, gelijk een bloem van het veld, alzo bloeit hij.
Psa 103:16 Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.
Psa 103:17 Maar de goedertierenheid van de HEERE is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;
Psa 103:18 Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen.
Psa 103:19 De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.
Psa 103:20 Looft de HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, de stem van Zijn woord gehoorzamen.
Psa 103:21 Looft de HEERE, al Zijn legerscharen! gij Zijn dienaars, die Zijn welbehagen doet!
Psa 103:22 Looft de HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen van Zijn heerschappij. Loof de HEERE, mijn ziel!

Psalm 104
Psa 104:1 Loof de HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.
Psa 104:2 Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij spant de hemel uit als een gordijn.
Psa 104:3 Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugels van de wind wandelt.
Psa 104:4
Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
Psa 104:5 Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer wankelen in eeuwigheid.
Psa 104:6 Gij had ze met de afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
Psa 104:7 Door Uw bestraffing vluchtten zij, zij haastten zich weg voor de stem van Uw donder.
Psa 104:8 De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plekke, die Gij voor hen had bepaald.
Psa 104:9 Gij hebt een grens gesteld, die zij niet zullen overschrijden; zij zullen de aarde niet weer bedekken.
Psa 104:10 Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de heuvels doorgaan.
Psa 104:11 Zij drenken al het gedierte van het veld; de woudezels lessen er hun dorst mee.
Psa 104:12 Het gevogelte van de hemelen woont daarbij, hun lied klinkt van tussen de takken.
Psa 104:13 Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht van Uw werken.
Psa 104:14 Hij doet het gras uitspruiten voor de dieren, en het kruid tot dienst van de mensen, Hij doet het brood uit de aarde voortkomen.
Psa 104:15 En de wijn, die het hart van de mensen verheugt; Hij doet het aangezicht blinken van olie; en geeft het brood, dat het hart van de mensen sterkt.
Psa 104:16 De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;
Psa 104:17 Alwaar de vogels nestelen; de cypressen vormen een huis voor de ooievaar.
Psa 104:18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een verblijf voor de konijnen.
Psa 104:19 Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
Psa 104:20 Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, waarin al het gedierte van het woud zich beweegt:
Psa 104:21 De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.
Psa 104:22 Als de zon opgaat, gaan zij weg, en liggen neder in hun holen.
Psa 104:23 De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot de avond toe.
Psa 104:24 Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goedheden.
Psa 104:25 Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wemelend gedierte, en dat zonder getal, kleine dieren en grote.
Psa 104:26 Daar varen de schepen, en zwemt de Leviathan, die Gij geformeerd hebt, om zich daarin te vermaken.
Psa 104:27 Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun voedsel geeft ter bestemde tijd.
Psa 104:28 Geeft Gij ze hun, zij verzamelen zich; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
Psa 104:29 Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weer tot hun stof.
Psa 104:30 Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat van het aardrijk.
Psa 104:31 De heerlijkheid van de HEERE zij tot in eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.
Psa 104:32 Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.
Psa 104:33 Ik zal de HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
Psa 104:34 Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in de HEERE verblijden.
Psa 104:35 De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof de HEERE, mijn ziel! Hallelujah!

Psalm 105
Psa 105:1 Looft de HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
Psa 105:2 Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtig van al Zijn wonderen.
Psa 105:3 Beroemt u in de Naam van Zijn heiligheid; het hart van hen, die de HEERE zoeken, verblijde zich.
Psa 105:4 Vraagt naar de HEERE en Zijn kracht; zoekt Zijn aangezicht gedurig.
Psa 105:5 Gedenkt Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijn wondertekenen, en de oordelen van Zijn mond.
Psa 105:6 Gij zaad van Abraham, Zijn knecht, gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene!
Psa 105:7 Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
Psa 105:8 Hij gedenkt Zijn verbond tot in eeuwigheid, het woord, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten;
Psa 105:9 Het verbond, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eed aan Izak;
Psa 105:10 Dat Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een inzetting, aan Israel tot een eeuwig verbond,
Psa 105:11 zeggende: Ik zal u geven het land Kanaän, het snoer van uw erfdeel.
Psa 105:12 Toen zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin;
Psa 105:13 En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;
Psa 105:14 Liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
Psa 105:15 Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.
Psa 105:16 Hij riep ook een honger in het land; Hij brak alle staf des broods.
Psa 105:17 Hij zond een man voor hun aangezicht heen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.
Psa 105:18 Men drukte zijn voeten in de stok; zijn persoon kwam in de ijzers.
Psa 105:19 Tot de tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.
Psa 105:20 De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser der volken liet hem los.
Psa 105:21 Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;
Psa 105:22 Om zijn vorsten te binden naar zijn inzicht, en zijn oudsten te onderwijzen.
Psa 105:23 Daarna kwam Israel in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.
Psa 105:24 En Hij deed Zijn volk zeer uitgroeien, en maakte het machtiger dan Zijn tegenstanders.
Psa 105:25 Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten arglistig handelden.
Psa 105:26 Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aäron, die Hij verkoren had.
Psa 105:27 Zij deden onder hen de bevelen van Zijn tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.
Psa 105:28 Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet weerspannig.
Psa 105:29 Hij verkeerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.
Psa 105:30 Hun land bracht kikvorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kamers van hun koningen.
Psa 105:31 Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse gebied.
Psa 105:32 Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.
Psa 105:33 En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte van hun land.
Psa 105:34 Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal;
Psa 105:35 Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht van hun landerijen op.
Psa 105:36 Hij sloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen van hun kracht.
Psa 105:37 En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.
Psa 105:38 Egypte was blij, toen zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.
Psa 105:39 Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om de nacht te verlichten.
Psa 105:40 Zij baden, en Hij deed kwakkels komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.
Psa 105:41 Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.
Psa 105:42 Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht.
Psa 105:43 Alzo voerde Hij Zijn volk uit met blijdschap, Zijn uitverkorenen met gejuich.
Psa 105:44 En Hij gaf hun de landen van de heidenen, zodat zij in erfenis bezaten de arbeid van de volken;
Psa 105:45 Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!

Psalm 106
Psa 106:1 Hallelujah! Looft de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 106:2 Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?
Psa 106:3 Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, en hij die te allen tijd gerechtigheid doet.
Psa 106:4 Gedenk mij, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;
Psa 106:5 Opdat ik aanschouw het goede van Uw uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap van Uw volk; opdat ik mij beroem met Uw erfdeel.
Psa 106:6 Wij hebben gezondigd, zoals ook onze vaderen, wij hebben verkeerd gedaan; wij hebben goddeloos gehandeld.
Psa 106:7 Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn de overvloed van Uw goedertierenheden niet gedachtig geweest; maar zij waren weerspannig aan de zee, bij de Schelfzee.
Psa 106:8 Doch Hij verloste hen omwille van Zijn Naam, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.
Psa 106:9 En Hij bestrafte de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.
Psa 106:10 En Hij verloste hen uit de hand van de hater, en Hij bevrijdde hen van de hand van de vijand.
Psa 106:11 En de wateren overdekten hun tegenstanders; niet een van hen bleef over.
Psa 106:12 Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.
Psa 106:13 Doch zij vergaten spoedig Zijn werken, zij verwachtten naar Zijn raad niet.
Psa 106:14 Maar zij werden bovenmate begerig in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.
Psa 106:15 Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond hun zielen magerheid.
Psa 106:16 En zij benijdden Mozes in het leger, en Aäron, de heilige des HEEREN.
Psa 106:17 De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram.
Psa 106:18 En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen in brand.
Psa 106:19 Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.
Psa 106:20 En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.
Psa 106:21 Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;
Psa 106:22 Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.
Psa 106:23 Daarom zei Hij, dat Hij hen verdelgen zou; ware het niet dat Mozes, Zijn uitverkorene, in de bres voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.
Psa 106:24 Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.
Psa 106:25 Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem van de Heere hoorden zij niet.
Psa 106:26 Daarom hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerend dat Hij hen neervellen zou in de woestijn;
Psa 106:27 En dat Hij hun zaad zou neervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.
Psa 106:28 Ook hebben zij zich gekoppeld aan Bašl-peor, en zij hebben de offers der doden gegeten.
Psa 106:29 En zij hebben de Heere tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag onder hen uitbrak.
Psa 106:30 Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.
Psa 106:31 En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.
Psa 106:32 Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.
Psa 106:33 Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij iets onbedachtzaams voortbracht met zijn lippen.
Psa 106:34 Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had;
Psa 106:35 Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden hun werken.
Psa 106:36 En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.
Psa 106:37 Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochters de demonen geofferd.
Psa 106:38 En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed van hun zonen en hun dochters, die zij de afgoden van Kanaän hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.
Psa 106:39 En zij verontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.
Psa 106:40 Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.
Psa 106:41 En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.
Psa 106:42 En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.
Psa 106:43 Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.
Psa 106:44 Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun gekerm hoorde.
Psa 106:45 En Hij dacht tot hun bestwil aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de overvloed van Zijn goedertierenheden.
Psa 106:46 Daarom gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden.
Psa 106:47 Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij de Naam van Uw heiligheid loven, en ons beroemen in Uw lof.
Psa 106:48 Geloofd zij de HEERE, de God van Israel, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!

Psalm 107
Psa 107:1 Looft de HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 107:2 Dat zulks de bevrijden des HEEREN zeggen, die Hij van de hand der tegenstanders bevrijd heeft.
Psa 107:3 En die Hij uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.

Psa 107:4 Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden;
Psa 107:5 Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.
Psa 107:6 Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;
Psa 107:7 En Hij leidde hen op een rechte weg, om te gaan tot een stad ter woning.
Psa 107:8 Laat hen voor de HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;
Psa 107:9 Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;

Psa 107:10 Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;
Psa 107:11 Omdat zij weerspannig waren geweest tegen Gods geboden, en de raad des Allerhoogsten geminacht hadden.
Psa 107:12 Waarom Hij hun het hart door moeite vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.
Psa 107:13 Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Psa 107:14 Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij brak hun banden.
Psa 107:15 Laat hen voor de HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;
Psa 107:16 Want Hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendels in stukken gehouwen.

Psa 107:17 De zotten worden om de weg van hun overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;
Psa 107:18 Hun ziel gruwde van alle voedsel, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen.
Psa 107:19 Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Psa 107:20 Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen.
Psa 107:21 Laat hen voor de HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
Psa 107:22 En dat zij lofoffers offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.

Psa 107:23 Die met schepen ter zee varen, handel doende op grote wateren;
Psa 107:24 Die zien de werken des HEEREN, en Zijn wonderwerken in de diepte.
Psa 107:25 Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.
Psa 107:26 Zij rijzen op naar de hemel; zij dalen neer tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.
Psa 107:27 Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid gaat teniet.
Psa 107:28 Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten.
Psa 107:29 Hij stilt de storm, zodat hun golven zwijgen.
Psa 107:30 Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij hen tot de haven van hun begeerte geleid heeft.
Psa 107:31 Laat hen voor de HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;
Psa 107:32 En Hem verhogen in de gemeente van het volk, en in de zetels van de oudsten Hem roemen.

Psa 107:33 Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en waterbronnen tot dorstig land.
Psa 107:34 Het vruchtbaar land tot zoute grond, om de boosheid van hen, die daarin wonen.
Psa 107:35 Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot waterbronnen.
Psa 107:36 En Hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten een stad ter woning;
Psa 107:37 En bezaaien akkers, en planten wijngaarden, die toenemend vrucht voortbrengen.
Psa 107:38 En Hij zegent hen, zodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet.
Psa 107:39 Daarna verminderen zij, en gaan ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.
Psa 107:40 Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
Psa 107:41 Maar Hij heft de nooddruftige op uit de verdrukking, en maakt de huisgezinnen als kudden.
Psa 107:42 De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid zwijgt.
Psa 107:43 Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandig letten op de goedertierenheden des HEEREN.

Psalm 108
Psa 108:1 Een lied, een psalm van David.
(108:2) O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ja ook met mijn eer.
Psa 108:2 (108:3) Waak op, gij luit en harp! ik zal in de dageraad opwaken.
Psa 108:3 (108:4) Ik zal U loven onder de volken, o HEERE! en ik zal U psalmzingen onder de natiŽn.
Psa 108:4 (108:5) Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
Psa 108:5 (108:6) Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.
Psa 108:6 (108:7) Opdat Uw beminden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.
Psa 108:7 (108:8) God heeft gesproken in Zijn heiligdom, daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.
Psa 108:8 (108:9) Gilead is mijn, Manasse is mijn, en EfraÔm is de sterkte van mijn hoofd; Juda is mijn wetgever.
Psa 108:9 (108:10) Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen.
Psa 108:10 (108:11) Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?
Psa 108:11 (108:12) Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten had, en Die niet uittrok, o God! met onze legerscharen?
Psa 108:12 (108:13) Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid; want heil van mensen is ijdelheid.
Psa 108:13 (108:14) In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze tegenstanders vertreden.

Psalm 109
Psa 109:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. O God van mijn lofzang zwijg niet.
Psa 109:2 Want de mond van de goddeloze en de mond van het bedrog zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
Psa 109:3 En met hatelijke woorden hebben zij mij omringd; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.
Psa 109:4 Tegenover mijn liefde stellen zij vijandschap; maar ik bleef in gebed.
Psa 109:5 En zij hebben mij kwaad voor goed vergolden, en haat voor mijn liefde.
Psa 109:6 Stel een goddeloze tegenover hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.
Psa 109:7 Als hij berecht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.
Psa 109:8
Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;
Psa 109:9 Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.
Psa 109:10 En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en hun brood ver van hun verwoeste plaatsen zoeken.
Psa 109:11 Dat de schuldeiser opeise al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.
Psa 109:12 Dat hij niemand zal hebben, die weldadigheid over hem zal uitstrekken, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.
Psa 109:13 Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het volgende geslacht.
Psa 109:14 De ongerechtigheid van zijn vaderen worde gedacht door de HEERE, en de zonde van zijn moeder worde niet uitgedelgd.
Psa 109:15 Dat zij gedurig voor de HEERE zijn; en Hij verdelge hun gedachtenis van de aarde.
Psa 109:16 Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft de ellendige en de nooddruftige man vervolgd, en de verslagene van hart, om hem te doden.
Psa 109:17 Omdat hij de vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot de zegen, zo zij die verre van hem.
Psa 109:18 En hij zij bekleed met de vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.
Psa 109:19 Die zij hem als een kleed, waarmee hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmee hij zich steeds omgordt.
Psa 109:20 Dit zij het werkloon van mijn tegenstanders door de HEERE, en van hen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.
Psa 109:21 Maar Gij, o HEERE Heere! maak het goed met mij omwille van Uw Naam; omdat Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.
Psa 109:22 Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.
Psa 109:23 Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik word omgedreven als een sprinkhaan.
Psa 109:24 Mijn knieën struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.
Psa 109:25 Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.
Psa 109:26 Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
Psa 109:27 Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.
Psa 109:28 Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.
Psa 109:29 Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.
Psa 109:30 Ik zal de HEERE met mijn mond overvloedig loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
Psa 109:31 Want Hij zal de nooddruftige ter rechterzijde staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.

Psalm 110
Psa 110:1
Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten.
Psa 110:2 De HEERE zal de scepter van Uw macht zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden van Uw vijanden.
Psa 110:3 Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van het aanvaarden van Uw macht, in heilig sieraad; uit de moederschoot van de dageraad zal U de dauw van Uw jonge volk zijn.
Psa 110:4
De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.
Psa 110:5 De HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage van Zijn toorn.
Psa 110:6 Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan degene, die het hoofd is over een groot land.
Psa 110:7 Hij zal op de weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.

Psalm 111
Psa 111:1 Hallelujah! Ik zal de HEERE loven van ganser harte; in de vergadering der oprechten, in de gemeente.
Psa 111:2 De werken van de HEERE zijn groot; zij worden gezocht door allen, die zich er in verheugen.
Psa 111:3 Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; en Zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.
Psa 111:4 Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt; de HEERE is genadig en barmhartig.
Psa 111:5 Hij heeft degenen, die Hem vrezen, gespijzigd; Hij gedenkt eeuwig Zijn verbond.
Psa 111:6 Hij heeft de macht van Zijn werken aan Zijn volk getoond; hun gevend de erfenis der heidenen.
Psa 111:7 De werken van Zijn handen zijn waarheid en oordeel; al Zijn bevelen zijn getrouw.
Psa 111:8 Zij staan vast voor altijd en eeuwig; zij zijn gedaan in waarheid en oprechtheid.
Psa 111:9 Hij heeft Zijn volk verlossing gezonden; Hij heeft Zijn verbond voor eeuwig geboden; Zijn Naam is heilig en ontzaglijk.
Psa 111:10 De vreze des HEEREN is het beginsel van de wijsheid; allen, die ze doen, hebben goed verstand; Zijn lof bestaat tot in eeuwigheid.

Psalm 112
Psa 112:1 Hallelujah! Welgelukzalig is de man, die de HEERE vreest; die zich bovenmate verheugt in Zijn geboden.
Psa 112:2 Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; het geslacht der oprechten zal gezegend worden.
Psa 112:3 In zijn huis zal have en rijkdom wezen; en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.
Psa 112:4 De oprechte gaat het licht op in de duisternis; Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig.
Psa 112:5 Wel die man, die zich ontfermt en uitleent; hij beschikt zijn zaken met recht.
Psa 112:6 Ja zeker, hij zal in eeuwigheid niet wankelen; de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.
Psa 112:7 Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; zijn hart is vastberaden, vertrouwend op de HEERE.
Psa 112:8 Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; totdat hij zijn wens over zijn tegenstanders vervuld ziet.
Psa 112:9 Hij strooit uit, hij geeft de nooddruftige; zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.
Psa 112:10 De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; hij zal met zijn tanden knersen en wegsmelten. De wens van de goddelozen zal vergaan.

Psalm 113   *)
Psa 113:1 Hallelujah! Looft, gij knechten van de HEERE! looft de Naam des HEEREN.
Psa 113:2 De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in eeuwigheid.
Psa 113:3 Van de opgang van de zon af tot haar ondergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
Psa 113:4 De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.
Psa 113:5 Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.
Psa 113:6 Die zeer laag ziet, in de hemel en op de aarde.
Psa 113:7 Die de geringe uit het stof opricht, en de ellendige uit de drek verhoogt;
Psa 113:8 Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen van Zijn volk.
Psa 113:9 Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!

Psalm 114
Psa 114:1 Toen Israel uit Egypte wegtrok, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;
Psa 114:2 Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israel Zijn volkomen heerschappij.
Psa 114:3 De zee zag het, en vluchtte; de Jordaan keerde terug.
Psa 114:4 De bergen sprongen op als rammen, de heuvelen als lammeren.
Psa 114:5 Wat was u, gij zee! dat gij vluchtte? gij Jordaan! dat gij terugkeerde?
Psa 114:6 Gij bergen, dat gij opsprong als rammen? gij heuvels! als lammeren?
Psa 114:7 Beef, gij aarde! voor het aangezicht van de Heere, voor het aangezicht van de God van Jakob;
Psa 114:8 Die de rots veranderde in een watervloed, de keisteen in een fontein van wateren.

Psalm 115
Psa 115:1 Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, omwille van Uw goedertierenheid, omwille van Uw waarheid.
Psa 115:2 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
Psa 115:3 Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
Psa 115:4 Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden;
Psa 115:5 Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
Psa 115:6 Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij ruiken niet;
Psa 115:7 Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.
Psa 115:8 Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
Psa 115:9 Israel! vertrouw op de HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
Psa 115:10 Gij huis van Aäron! vertrouw op de HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
Psa 115:11 Gij, die de HEERE vreest! vertrouwt op de HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
Psa 115:12 De HEERE heeft aan ons gedacht, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aäron zegenen.
Psa 115:13 Hij zal zegenen, die de HEERE vrezen, de kleinen met de groten.
Psa 115:14 De HEERE zal de zegen over u vermeerderen, over u en over uw kinderen.
Psa 115:15 Gij zijt van de HEERE gezegend, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft.
Psa 115:16 Aangaande de hemel, de hemel is van de HEERE; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.
Psa 115:17 De doden zullen de HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
Psa 115:18 Maar wij zullen de HEERE loven van nu aan tot in eeuwigheid. Hallelujah!

Psalm 116
116:1 Ik heb God lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;
Psa 116:2 Want Hij neigt Zijn oor tot mij; daarom zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
Psa 116:3
De banden van de dood hadden mij omvangen, en de angsten van het dodenrijk hadden mij getroffen; ik ondervond benauwdheid en verdriet.
Psa 116:4 Maar ik riep de Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.
Psa 116:5 De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God ontfermt Zich.
Psa 116:6 De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.
Psa 116:7 Mijn ziel! keer terug tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.
Psa 116:8 Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.
Psa 116:9 Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.
Psa 116:10 Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.
Psa 116:11 Ik zei in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.
Psa 116:12 Wat zal ik de HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
Psa 116:13 Ik zal de beker der verlossingen opnemen, en de Naam des HEEREN aanroepen.
Psa 116:14 Mijn geloften zal ik de HEERE betalen, nu, in de aanwezigheid van al Zijn volk.
Psa 116:15 Kostbaar is in de ogen des HEEREN de dood van Zijn gunstgenoten.
Psa 116:16 Och, HEERE! zeker ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon van Uw dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.
Psa 116:17 Ik zal U offeren een offerande van dankzegging, en de Naam des HEEREN aanroepen.
Psa 116:18 Ik zal mijn gelofte de HEERE betalen, nu, in de aanwezigheid van al Zijn volk.
Psa 116:19 In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!

Psalm 117
Psa 117:1 Looft de HEERE, alle gij volken; prijst Hem, alle gij natiŽn!
Psa 117:2 Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is tot in eeuwigheid! Hallelujah!

Psalm 118  *)
Psa 118:1 Looft de HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Psa 118:2 Dat Israel nu zegge, dat Zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid is.
Psa 118:3 Het huis van Aäron zegge nu, dat Zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid is.
Psa 118:4 Dat degenen, die de HEERE vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid is.
Psa 118:5 Uit de benauwdheid heb ik de HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, mij in de ruimte gesteld.
Psa 118:6 De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
Psa 118:7 De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik onbevreesd aanschouwen, die mij haten.
Psa 118:8 Het is beter tot de HEERE toevlucht te nemen, dan op de mens te vertrouwen.
Psa 118:9 Het is beter tot de HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.
Psa 118:10 Alle heidenen hadden mij omringd; het is in de Naam des HEEREN, dat ik ze verslagen heb.
Psa 118:11 Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in de Naam des HEEREN, dat ik ze verslagen heb.
Psa 118:12 Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in de Naam des HEEREN, dat ik ze verslagen heb.
Psa 118:13 Men had mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.
Psa 118:14 De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.
Psa 118:15 In de tenten der rechtvaardigen is een stem van gejuich en van heil; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
Psa 118:16 De rechterhand des HEEREN is verhoogd; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
Psa 118:17 Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.
Psa 118:18 De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
Psa 118:19 Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal de HEERE loven.
Psa 118:20 Dit is de poort des HEEREN, waardoor de rechtvaardigen zullen ingaan.
Psa 118:21 Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.
Psa 118:22
De steen, die de bouwlieden verworpen hadden, is tot de hoeksteen geworden.
Psa 118:23 Dit is van de HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
Psa 118:24 Dit is de dag, die de HEERE gemaakt heeft; laat ons op dezelve ons verheugen, en verblijd zijn.
Psa 118:25 Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed.
Psa 118:26 Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden vanuit het huis des HEEREN.
Psa 118:27 De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.
Psa 118:28
Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
Psa 118:29 Loof de HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Psalm 119  *)
Psa 119:1 Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
Psa 119:2 Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
Psa 119:3 Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.
Psa 119:4 HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
Psa 119:5 Och, dat mijn wegen er op gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
Psa 119:6 Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik letten zou op al Uw geboden.
Psa 119:7 Ik zal U loven in oprechtheid van hart, als ik de rechten van Uw gerechtigheid geleerd zal hebben.
Psa 119:8 Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.

Psa 119:9 Beth. Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
Psa 119:10 Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
Psa 119:11 Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
Psa 119:12 HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
Psa 119:13 Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten van Uw mond.
Psa 119:14 Ik ben vrolijker in de weg van Uw getuigenissen, dan over alle rijkdom.
Psa 119:15 Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
Psa 119:16 Ik zal mij vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.

Psa 119:17 Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leef en Uw woord bewaar.
Psa 119:18 Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouw de wonderen van Uw wet.
Psa 119:19 Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
Psa 119:20 Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te allen tijd.
Psa 119:21 Gij bestraft de hoogmoedigen, die vervloekt zijn, die van Uw geboden afdwalen.
Psa 119:22 Wentel van mij smaad en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
Psa 119:23 Zelfs toen de vorsten bijeen kwamen en tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
Psa 119:24 Ook zijn Uw getuigenissen mijn blijdschap, en mijn raadslieden.

Psa 119:25 Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
Psa 119:26 Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
Psa 119:27 Geef mij de weg van Uw bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betracht.
Psa 119:28 Mijn ziel kwijnt weg van verdriet; richt mij op naar Uw woord.
Psa 119:29 Wend van mij de weg van valsheid, en verleen mij genadig Uw wet.
Psa 119:30 Ik heb verkozen de weg van waarheid, Uw rechten heb ik mij voor ogen gesteld.
Psa 119:31 Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.
Psa 119:32 Ik zal de weg van Uw geboden lopen, als Gij mijn hart verruimd zult hebben.

Psa 119:33 He. HEERE! leer mij de weg van Uw inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
Psa 119:34 Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met heel mijn hart.
Psa 119:35 Doe mij treden op het pad van Uw geboden, want daarin heb ik lust.
Psa 119:36 Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot hebzucht.
Psa 119:37 Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
Psa 119:38 Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht, die Uw vreze is toegedaan.
Psa 119:39 Wend mijn smaadheid af, die ik vrees, want Uw rechten zijn goed.
Psa 119:40 Zie, ik heb een verlangen tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.

Psa 119:41 Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
Psa 119:42 Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
Psa 119:43 En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
Psa 119:44 Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwig en altijd.
Psa 119:45 En ik zal wandelen in de vrijheid, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
Psa 119:46 Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.
Psa 119:47 En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
Psa 119:48 En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.

Psa 119:49 Zain. Gedenk het woord, tot Uw knecht gesproken, waar Gij mij op hebt doen hopen.
Psa 119:50 Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
Psa 119:51 De hovaardigen hebben mij bovenmate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
Psa 119:52 Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van oudsher, en heb mij getroost.
Psa 119:53 Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
Psa 119:54 Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plekke van mijn vreemdelingschappen.
Psa 119:55 HEERE! des nachts ben ik Uw Naam gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.
Psa 119:56 Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.

Psa 119:57 Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.
Psa 119:58 Ik heb Uw aanschijn ernstig gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
Psa 119:59 Ik heb mijn wegen overdacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
Psa 119:60 Ik heb mij gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
Psa 119:61 Goddelozen hebben mij met banden omsingeld, nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
Psa 119:62 Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten van Uw gerechtigheid.
Psa 119:63 Ik ben een metgezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.
Psa 119:64 HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.

Psa 119:65 Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
Psa 119:66 Leer mij een goed inzicht en kennis, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
Psa 119:67 Voordat ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
Psa 119:68 Gij zijt goed en doet goed; leer mij Uw inzettingen.
Psa 119:69 De hoogmoedigen hebben leugens tegen mij verzonnen; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
Psa 119:70 Hun hart is gevoelloos als vet; maar ik verheug mij in Uw wet.
Psa 119:71 Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
Psa 119:72 De wet van Uw mond is mij beter, dan duizenden stukken goud of zilver.

Psa 119:73 Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden leer.
Psa 119:74 Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
Psa 119:75 Ik weet, HEERE! dat Uw oordelen gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit trouw verdrukt hebt.
Psa 119:76 Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
Psa 119:77 Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leef, want Uw wet is al mijn blijdschap.
Psa 119:78 Laat de hoogmoedigen beschaamd worden, omdat zij mij met valsheid behandeld hebben; doch ik betracht Uw geboden.
Psa 119:79 Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
Psa 119:80 Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.

Psa 119:81 Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.
Psa 119:82 Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zei: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
Psa 119:83 Want ik ben geworden als een leren zak in rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.
Psa 119:84 Hoe vele zullen de dagen van Uw knecht zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
Psa 119:85 De hoogmoedigen hebben mij kuilen gegraven, hetgeen niet is naar Uw wet.
Psa 119:86 Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
Psa 119:87 Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
Psa 119:88 Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis van Uw mond onderhouden.

Psa 119:89 Lamed. O HEERE! Uw woord bestaat in eeuwigheid in de hemelen.
Psa 119:90 Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;
Psa 119:91 Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.
Psa 119:92 Indien Uw wet niet al mijn blijdschap was geweest, zou ik in mijn druk al lang vergaan zijn.
Psa 119:93 Ik zal Uw bevelen in eeuwigheid niet vergeten, want daarmee hebt Gij mij levend gemaakt.
Psa 119:94 Ik ben de Uwe, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
Psa 119:95 De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
Psa 119:96 Aan alle volmaaktheid heb ik een grens gezien; maar Uw gebod is onbegrensd.

Psa 119:97 Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn overdenking de ganse dag.
Psa 119:98 Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
Psa 119:99 Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn overdenking zijn.
Psa 119:100 Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
Psa 119:101 Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
Psa 119:102 Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
Psa 119:103 Hoe zoet zijn Uw redenen voor mijn gehemelte geweest, meer dan honing voor mijn mond!
Psa 119:104 Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.

Psa 119:105 Nun.Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
Psa 119:106 Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten van Uw gerechtigheid.
Psa 119:107 Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
Psa 119:108 Laat toch, o HEERE! de vrijwillige offeranden van mijn mond U welgevallig zijn, en leer mij Uw rechten.
Psa 119:109 Mijn ziel is gedurig in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.  *)
Psa 119:110 De goddelozen hebben mij een valstrik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
Psa 119:111 Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erfenis, want zij zijn de vrolijkheid van mijn hart.
Psa 119:112 Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwig te doen, ten einde toe.

Psa 119:113 Samech. Ik haat de overtreders, maar Uw wet heb ik lief.
Psa 119:114 Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
Psa 119:115 Wijkt van mij, gij boosdoeners! opdat ik de geboden van mijn God bewaar.
Psa 119:116 Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leef; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hoop.
Psa 119:117 Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen verheugen.
Psa 119:118 Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is valsheid.
Psa 119:119 Gij doet alle goddelozen van de aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
Psa 119:120 Het haar van mijn vlees is rechtop gaan staan van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.

Psa 119:121 Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
Psa 119:122 Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hoogmoedigen mij niet onderdrukken.
Psa 119:123 Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging van Uw rechtvaardigheid.
Psa 119:124 Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
Psa 119:125 Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
Psa 119:126 Het is tijd voor U, HEERE, om te werken, want zij hebben Uw wet verbroken.
Psa 119:127 Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
Psa 119:128 Daarom heb ik al Uw bevelen aangaande alle dingen, voor recht gehouden; maar elk vals pad heb ik gehaat.

Psa 119:129 Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
Psa 119:130 De opening van Uw woorden geeft licht, de eenvoudigen verstandig makend.
Psa 119:131 Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en diep ingeademd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
Psa 119:132 Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht voor hen, die Uw Naam beminnen.
Psa 119:133 Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
Psa 119:134 Verlos mij van de overlast van mensen, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
Psa 119:135 Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
Psa 119:136 Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.

Psa 119:137 Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elk van Uw oordelen is recht.
Psa 119:138 Gij hebt Uw getuigenissen geboden, rechtvaardig en zeer betrouwbaar.
Psa 119:139 Mijn ijver heeft mij verteerd, omdat mijn tegenstanders Uw woorden vergeten hebben.
Psa 119:140 Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
Psa 119:141 Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
Psa 119:142 Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
Psa 119:143 Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
Psa 119:144 De gerechtigheid van Uw getuigenissen is in eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.

Psa 119:145 Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.
Psa 119:146 Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
Psa 119:147 Ik ben de morgenschemering voorgekomen, en heb geweend; op Uw woord heb ik gehoopt.
Psa 119:148 Mijn ogen komen de nachtwaken voor, om Uw rede te betrachten.
Psa 119:149 Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
Psa 119:150 Die kwade praktijken najagen, naderen mij, zij wijken verre van Uw wet.
Psa 119:151 Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.
Psa 119:152 Vanouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gevestigd hebt.

Psa 119:153 Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
Psa 119:154 Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.
Psa 119:155 Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.
Psa 119:156 HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
Psa 119:157 Mijn vervolgers en mijn tegenstanders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
Psa 119:158 Ik heb gezien degenen, die trouweloos handelen, en het deed mij verdriet, dat zij Uw woord niet onderhielden.
Psa 119:159 Zie aan, dat ik Uw bevelen liefheb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
Psa 119:160 Het begin van Uw woord is waarheid, en voor eeuwig is al het recht van Uw gerechtigheid.

Psa 119:161 Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
Psa 119:162 Ik ben vrolijk over Uw woord, als iemand, die een grote buit vindt.
Psa 119:163 Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
Psa 119:164 Ik loof U zevenmaal des daags, over de rechten van Uw gerechtigheid.
Psa 119:165 Die Uw wet beminnen, hebben grote vrede, en zij struikelen niet.
Psa 119:166 O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
Psa 119:167 Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
Psa 119:168 Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.

Psa 119:169 Thau. O HEERE! laat mijn tranen voor Uw aanschijn komen, maak mij verstandig naar Uw woord.
Psa 119:170 Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
Psa 119:171 Mijn lippen zullen Uw lof overvloedig uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
Psa 119:172 Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
Psa 119:173 Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkozen.
Psa 119:174 O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
Psa 119:175 Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.
Psa 119:176 Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.

Psalm 120
Psa 120:1 Een lied Hammašloth.   *)
Ik heb tot de HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
Psa 120:2 O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedrieglijke tong.
Psa 120:3 Wat zal Hij de bedrieglijke tong geven, of wat zal Hij u toevoegen?
Psa 120:4 Scherpe pijlen van een machtige, mitsgaders gloeiende kolen.
Psa 120:5 O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten van Kedar woon.
Psa 120:6 Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die de vrede haten.
Psa 120:7 Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan de oorlog.

Psalm 121
Psa 121:1 Een lied Hammašloth.   *)
Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal.
Psa 121:2 Mijn hulp is van de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Psa 121:3 Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
Psa 121:4 Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.
Psa 121:5 De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.
Psa 121:6 De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
Psa 121:7 De HEERE zal u bewaren voor alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
Psa 121:8 De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in eeuwigheid.

Psalm 122
Psa 122:1 Een lied Hammašloth, van David.  *)
Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.
Psa 122:2 Onze voeten staan in uw poorten, o Jeruzalem!
Psa 122:3 Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;
Psa 122:4 Waarheen de stammen opgaan, de stammen van de HEERE, tot de getuigenis van Israel, om de Naam des HEEREN te danken.
Psa 122:5 Want daar zijn de tronen van de rechtspraak gesteld, de tronen van het huis van David.
Psa 122:6 Bidt om de vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.
Psa 122:7 Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.
Psa 122:8 Omwille van mijn broeders en mijn vrienden in deze stad, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
Psa 122:9 Omwille van het huis van de HEERE, onze God, zal ik het goede voor u zoeken.

Psalm 123
Psa 123:1 Een lied Hammašloth.   *)
Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
Psa 123:2 Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand van hun heren; gelijk de ogen van de dienstmaagd zijn op de hand van haar vrouwe; alzo zijn onze ogen op de HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.
Psa 123:3 Wees ons genadig, o HEERE! wees ons genadig, want wij zijn de verachting veel te zat.
Psa 123:4 Onze ziel is veel te zat van de spot der lichtzinnigen, van de verachting der hoogmoedigen.

Psalm 124
Psa 124:1 Een lied Hammašloth, van David.  *)
Als niet de HEERE bij ons geweest was, zegge nu Israel,
Psa 124:2 Als niet de HEERE bij ons geweest was, toen de mensen tegen ons opstonden;
Psa 124:3 zouden zij ons levend verslonden hebben, toen hun brandende woede tegen ons ontstak;
Psa 124:4 zouden ons de wateren overstroomd hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn;
Psa 124:5 zouden de trotse wateren over onze ziel gegaan zijn.
Psa 124:6 De HEERE zij geloofd, Die ons aan hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.
Psa 124:7 Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit de strik van de vogelvanger; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.
Psa 124:8 Onze hulp is in de Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Psalm 125
Psa 125:1 Een lied Hammašloth.  *)
Die op de HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
Psa 125:2 Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in eeuwigheid.
Psa 125:3 Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.
Psa 125:4 HEERE! doe wel aan de goeden, en aan degenen, die oprecht zijn in hun harten.
Psa 125:5 Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!

Psalm 126
Psa 126:1 Een lied Hammašloth.  *)
Toen de HEERE de gevangenen van Sion terugbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.
Psa 126:2 Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zei men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.
Psa 126:3 De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; daarom zijn wij verblijd.

Psa 126:4 O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.
Psa 126:5 Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.
Psa 126:6 Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.

Psalm 127
Psa127:1 Een lied Hammašloth, van Salomo.  *)
Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden haar bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
Psa 127:2 Het is tevergeefs, dat gij vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in de slaap geeft.
Psa 127:3 Ziet, kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; de vrucht van de buik is een beloning.
Psa 127:4 Gelijk de pijlen zijn in de hand van een held, alzo zijn de zonen der jeugd.
Psa 127:5 Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.

Psalm 128
Psa 128:1 Een lied Hammašloth.  *)
Welgelukzalig is een ieder, die de HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.
Psa 128:2 Want gij zult eten de arbeid van uw handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u wel gaan.
Psa 128:3 Uw huisvrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.
Psa 128:4 Ziet, alzo zal zeker die man gezegend worden, die de HEERE vreest.
Psa 128:5 De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen van uw leven;
Psa 128:6 En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!

Psalm 129
Psa 129:1 Een lied Hammašloth.  *)
Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;
Psa 129:2 Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.
Psa 129:3 Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getrokken.
Psa 129:4 De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.
Psa 129:5 Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.
Psa 129:6 Laat hen worden als gras op de daken, dat verdort, eer men het uittrekt;
Psa 129:7 Waarmee de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;
Psa 129:8 En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen u in de Naam des HEEREN.

Psalm 130
Psa 130:1 Een lied Hammašloth.  *)
Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!
Psa 130:2 HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkzaam zijn op de stem van mijn smekingen.
Psa 130:3 Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?
Psa 130:4 Maar bij U is vergeving, opdat men U eerbiedigt.
Psa 130:5 Ik verwacht de HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
Psa 130:6 Mijn ziel wacht op de HEERE, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen.
Psa 130:7 Israel hope op de HEERE; want bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
Psa 130:8 En Hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Psalm 131
Psa 131:1 Een lied Hammašloth, van David.  *)
O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.
Psa 131:2 Heb ik niet mijn ziel gerustgesteld en gestild, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder? Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.
Psa 131:3 Israel hope op de HEERE van nu aan tot in eeuwigheid.

Psalm 132
Psa 132:1 Een lied Hammašloth.  *)
O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;
Psa 132:2 Dat hij de HEERE gezworen heeft, de Machtige Jakobs een gelofte gedaan heeft, toen hij zei:
Psa 132:3 Zo ik in de tent van mijn huis inga, zo ik op mijn bed klim!
Psa 132:4 Zo ik mijn ogen slaap gun, mijn oogleden sluimering;
Psa 132:5 Totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor de Machtige Jakobs!
Psa 132:6 Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jašr.
Psa 132:7 Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.
Psa 132:8 Begeef U, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark van Uw macht!
Psa 132:9 Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.
Psa 132:10 Weer het aangezicht van Uw Gezalfde niet af, omwille van David, Uw knecht.
Psa 132:11 De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht van uw buik zal Ik op uw troon zetten.
Psa 132:12 Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
Psa 132:13 Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:
Psa 132:14 Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.
Psa 132:15 Ik zal haar rijkelijk in haar levensonderhoud zegenen, haar armen zal Ik met brood verzadigen.
Psa 132:16 En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen luid juichen.
Psa 132:17 Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp gereed gemaakt.
Psa 132:18 Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.

Psalm 133
Psa 133:1 Een lied Hammašloth, van David.  *)
Ziet, hoe goed en hoe lieflijk is het, dat broeders ook samenwonen!
Psa 133:2 Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, neerdalend op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt tot op de zoom van zijn klederen.
Psa 133:3 Het is gelijk de dauw van Hermon, en die neerdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar de zegen en het leven tot in eeuwigheid.

Psalm 134
Psa 134:1 Een lied Hammašloth.  *)
Ziet, looft de HEERE, alle gij knechten van de HEERE! gij, die elke nacht in het huis des HEEREN staat.
Psa 134:2 Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft de HEERE.
Psa 134:3 De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft.

Psalm 135
Psa 135:1 Hallelujah! Prijst de Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten van de HEERE!
Psa 135:2 Gij, die staat in het huis van de HEERE, in de voorhoven van het huis van onze God!
Psa 135:3 Looft de HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is lieflijk.
Psa 135:4 Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren, Israel tot Zijn eigendom.
Psa 135:5 Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.
Psa 135:6 Al wat de HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden.
Psa 135:7 Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen; Hij brengt de wind uit Zijn schatkamers voort.
Psa 135:8 Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van de mens af tot het vee toe.
Psa 135:9 Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Farao en tegen al zijn knechten.
Psa 135:10 Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;
Psa 135:11 Sihon, de koning der Amorieten, en Og, de koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaän,
Psa 135:12 En Hij gaf hun land ten erfenis, ten erfenis aan Zijn volk Israel.
Psa 135:13 O HEERE! Uw Naam is in eeuwigheid; HEERE! Uw gedachtenis is van geslacht tot geslacht.
Psa 135:14 Want de HEERE zal Zijn volk richten, en Hij zal medelijden hebben met Zijn knechten.
Psa 135:15 De afgoden van de heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.
Psa 135:16 Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
Psa 135:17 Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.
Psa 135:18 Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
Psa 135:19 Gij huis Israels! looft de HEERE; gij huis van Aäron! looft de HEERE.
Psa 135:20 Gij huis van Levi! looft de HEERE; gij die de HEERE vreest! looft de HEERE.
Psa 135:21 Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!

Psalm 136
Psa 136:1 Looft de HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid;
Psa 136:2 Looft de God der goden; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:3 Looft de Heere der heren; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:4 Looft Hem, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:5 Looft Hem, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:6 Looft Hem, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:7 Looft Hem, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:8 De zon tot heerschappij op de dag; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:9 De maan en sterren tot heerschappij in de nacht; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:10 Looft Hem, Die de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:11 En heeft Israel uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:12 Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:13 Looft Hem, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:14 En voerde Israel door het midden daarvan; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:15 Hij heeft Farao met zijn leger gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:16 Looft Hem, Die Zijn volk door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:17 Looft Hem, Die grote koningen verslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:18 En heeft heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:19 Sihon, de koning der Amorieten; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:20 En Og, de koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:21 En heeft hun land als erfenis gegeven; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:22 Als erfenis aan Zijn knecht Israel; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:23 Looft Hem, Die aan ons gedacht heeft in onze lage staat; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:24 En Hij heeft ons aan onze tegenstanders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:25 Looft Hem, Die alle vlees spijs geeft; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
Psa 136:26 Looft de God des hemels; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.

Psalm 137
Psa 137:1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.
Psa 137:2 Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn.
Psa 137:3 Als zij, die ons daar gevangen hielden, de woorden van een lied van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugde, zeggende: Zingt ons één van de liederen van Sion;
Psa 137:4 Zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen in een vreemd land?
Psa 137:5 Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mij mijn rechterhand!
Psa 137:6 Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste van mijn blijdschap!
Psa 137:7 HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag der verwoesting van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fundament toe!
Psa 137:8 O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt.
Psa 137:9 Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderen grijpt, en aan de steenrots verpletteren zal.

Psalm 138
Psa 138:1 Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.
Psa 138:2 Ik zal mij buigen naar het paleis van Uw heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt, meer dan Uw Naam beloofde, Uw woord vermeerderd.
Psa 138:3 Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord; Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Psa 138:4 Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen van Uw mond.
Psa 138:5 En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.
Psa 138:6 Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, maar de verhevene kent Hij van verre.
Psa 138:7 Als ik wandel in het midden van benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen de toorn van mijn vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.
Psa 138:8 De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken van Uw handen.

Psalm 139
Psa 139:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester.
HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
Psa 139:2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
Psa 139:3 Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt op de hoogte van al mijn wegen.
Psa 139:4 Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Heere! Gij weet het alles.
Psa 139:5 Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij legt Uw hand op mij.
Psa 139:6 Die kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
Psa 139:7 Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik vluchten voor Uw aangezicht?
Psa 139:8 Zo ik opvoer naar de hemel, Gij zijt daar; of spreidde ik mijn bed in het dodenrijk, zie, Gij zijt daar.
Psa 139:9 Nam ik vleugels van de dageraad, woonde ik aan het uiterste der zee;
Psa 139:10 Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij vasthouden.
Psa 139:11 Indien ik zei: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
Psa 139:12 Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
Psa 139:13 Want Gij hebt mijn nieren gevormd; Gij hebt mij in de schoot van mijn moeder bedekt.
Psa 139:14 Ik loof U, omdat ik op een ontzagwekkende wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
Psa 139:15 Mijn gebeente was voor U niet onbekend, toen ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de diepste delen der aarde.
Psa 139:16 Uw ogen hebben mijn onvolgroeide gedaante gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
Psa 139:17 Daarom, hoe kostbaar zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel al deze tezamen!
Psa 139:18 Zou ik ze tellen? Er zijn er meer dan het zand; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
Psa 139:19 O God! dat Gij de goddeloze ombracht! en gij, mannen van bloed, wijkt van mij!
Psa 139:20 Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden gebruiken Uw Naam ijdel.
Psa 139:21 Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben over degenen, die tegen U opstaan?
Psa 139:22 Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
Psa 139:23 Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
Psa 139:24 En zie, of bij mij een schadelijke weg is; en leid mij op de eeuwige weg.

Psalm 140
Psa 140:1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. (140:2)
Red mij, HEERE! van de kwade mens; behoed mij voor de man van geweld;
Psa 140:2 (140:3) Die veel kwaad in het hart denken, alle dag samenkomen om oorlog te voeren.
Psa 140:3 (140:4) Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergif is onder hun lippen. Sela.
Psa 140:4 (140:5) Bewaar mij, HEERE! van de handen van de goddeloze; behoed mij van de man van geweld; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
Psa 140:5 (140:6) De hoogmoedigen hebben mij een strik verborgen en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de kant van de weg; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
Psa 140:6 (140:7) Ik heb tot de HEERE gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter ore, o HEERE! de stem van mijn smekingen.
Psa 140:7 (140:8) HEERE, Heere, Sterkte van mijn heil! Gij hebt mijn hoofd beschermd ten dage van de strijd.
Psa 140:8 (140:9) Laat, HEERE! de begeerten van de goddeloze niet vervuld worden; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.
Psa 140:9 (140:10) Aangaande het hoofd van hen, die mij omringen, moge het onheil van hun lippen hen overdekken.
Psa 140:10 (140:11) Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weer opstaan.
Psa 140:11 (140:12) Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man van geweld, die zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.
Psa 140:12 (140:13) Ik weet, dat de HEERE de rechtszaak van de ellendige, en het recht van de arme zal uitvoeren.
Psa 140:13 (140:14) Gewis, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven.

Psalm 141
Psa 141:1 Een psalm van David.
HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.
Psa 141:2 Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing van mijn handen als het avondoffer.
Psa 141:3 HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur van mijn lippen.
Psa 141:4 Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enige handel in goddeloosheid te bedrijven, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
Psa 141:5 De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie voor het hoofd zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.
Psa 141:6 Hun rechters zijn aan de zijde van de steenrots neergeworpen, en mijn redenen zijn erkend, dat zij aangenaam waren.
Psa 141:7 Zoals wanneer iemand ploegt en de aarde openbreekt, zo worden onze beenderen verstrooid voor de mond van het dodenrijk.
Psa 141:8 Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet.
Psa 141:9 Bewaar mij voor het geweld van de strik, die zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
Psa 141:10 Dat de goddelozen tezamen in hun netten vallen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.

Psalm 142
Psa 142:1 Een onderwijzing van David, een gebed, toen hij in de spelonk was.
(142:2)
Ik riep met mijn stem tot de HEERE; ik smeekte tot de HEERE met mijn stem.
Psa 142:2 (142:3) Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
Psa 142:3 (142:4) Toen mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op de weg, die ik gaan zou.
Psa 142:4 (142:5) Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, er was niemand, die mij kende, er was geen ontvluchten voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.
Psa 142:5 (142:6) Tot U riep ik, o HEERE! ik zei: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.
Psa 142:6 (142:7) Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik.
Psa 142:7 (142:8) Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij bij mij wel gedaan zult hebben.

Psalm 143
Psa 143:1 Een psalm van David.
O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.
Psa 143:2 En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
Psa 143:3 Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die reeds lang geleden gestorven zijn.
Psa 143:4 Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
Psa 143:5 Ik gedenk aan de dagen van ouds; ik overleg al Uw daden; ik spreek bij mijzelf van de werken Uwer handen.
Psa 143:6 Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.
Psa 143:7 Verhoor mij haastig, HEERE! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou worden als degenen, die in de kuil dalen.
Psa 143:8 Doe mij Uw goedertierenheid in de morgenstond horen, want ik vertrouw op U; maak mij bekend de weg, die ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.
Psa 143:9 Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.
Psa 143:10 Leer mij Uw welbehagen te doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land.
Psa 143:11 O HEERE! maak mij levend, omwille van Uw Naam; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
Psa 143:12 En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel beangstigen; want ik ben Uw knecht.

Psalm 144
Psa 144:1 Een psalm van David.
Gezegend zij de HEERE, mijn Rots, Die mijn handen onderwijst tot de strijd, mijn vingers tot de oorlog;
Psa 144:2 Mijn Goedertierenheid en mijn Burcht, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder, mijn Schild, en op Wie ik vertrouw; Die mijn volk aan mij onderwerpt!
Psa 144:3 O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, de zoon des mensen, dat Gij hem acht?
Psa 144:4 De mens is de ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
Psa 144:5 Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neer; raak de bergen aan, dat zij roken.
Psa 144:6 Doe Uw bliksem lichten, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.
Psa 144:7 Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;
Psa 144:8 van hen wier mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand van valsheid.
Psa 144:9 O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.
Psa 144:10 Gij, Die de koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;
Psa 144:11 Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, wier mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand van valsheid;
Psa 144:12 Opdat onze zonen zijn als planten, die groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochters als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis.
Psa 144:13 Dat onze schuren vol zijnde, de ene voorraad na de andere uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze velden vermenigvuldigen.
Psa 144:14 Dat onze ossen wel beladen zijn; dat geen inval, noch uittocht, noch geschreeuw zij op onze straten.
Psa 144:15 Welgelukzalig is het volk, dat het alzo gaat; welgelukzalig, is het volk, welks God de HEERE is.

Psalm 145
Psa 145:1 Een lofzang van David. O mijn God, Gij Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altijd.
Psa 145:2 Elke dag zal ik U loven, en Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altijd.
Psa 145:3 De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.
Psa 145:4 Geslacht na geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.
Psa 145:5 Ik zal uitspreken de heerlijkheid van de eer Uwer majesteit, en Uw wonderlijke daden.
Psa 145:6 Men zal spreken van de kracht van Uw ontzaglijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen.
Psa 145:7 Zij zullen de gedachtenis aan de grootheid van Uw goedheid overvloedig uitstorten, en zij zullen Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen.
Psa 145:8 Genadig en barmhartig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
Psa 145:9 De HEERE is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken.
Psa 145:10 Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.
Psa 145:11 Zij zullen de heerlijkheid van Uw Koninkrijk vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken.
Psa 145:12 Om de mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer der heerlijkheid van Zijn Koninkrijk.
Psa 145:13 Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is van geslacht tot geslacht.
Psa 145:14 De HEERE ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen.
Psa 145:15 Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs op de juiste tijd.
Psa 145:16 Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.
Psa 145:17 De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.
Psa 145:18 De HEERE is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in waarheid.
Psa 145:19 Hij voorziet in de behoeften van hen, die Hem vrezen, Hij hoort hun geroep, en verlost hen.
Psa 145:20 De HEERE bewaart al degenen, die Hem liefhebben; maar Hij verdelgt alle goddelozen.
Psa 145:21 Mijn mond zal de lof des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heilige Naam loven in eeuwigheid en altijd.

Psalm 146
Psa 146:1 Hallelujah! O mijn ziel! prijs de HEERE.
Psa 146:2 Ik zal de HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
Psa 146:3 Vertrouwt niet op prinsen, op een mensenkind, bij wie geen heil is.
Psa 146:4 Zijn geest gaat uit, hij keert weer tot zijn aarde; op die dag vergaan zijn aanslagen.
Psa 146:5 Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op de HEERE, zijn God is;
Psa 146:6 Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is; Die trouwe houdt in eeuwigheid.
Psa 146:7 Die de verdrukte recht doet, Die de hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los.
Psa 146:8 De HEERE opent de ogen van de blinden; de HEERE richt de gebogenen op; de HEERE heeft de rechtvaardigen lief.
Psa 146:9 De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt de wees en de weduwe staande; maar de weg van de goddelozen keert Hij om.
Psa 146:10 De HEERE zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!

Psalm 147
Psa 147:1 Looft de HEERE, want onze God te psalmzingen is goed, omdat Hij lieflijk is; de lof is betamelijk.
Psa 147:2 De HEERE bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israels verdrevenen.
Psa 147:3 Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.
Psa 147:4 Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij name.
Psa 147:5 Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijn verstand is onmetelijk.
Psa 147:6 De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe.
Psa 147:7 Zingt de HEERE met dankzegging; psalmzingt onze God op de harp.
Psa 147:8 Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;
Psa 147:9 Die het vee zijn voedsel geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
Psa 147:10 Hij heeft geen lust aan de kracht van het paard; Hij heeft geen welgevallen aan de benen van de man.
Psa 147:11 De HEERE heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
Psa 147:12 O Jeruzalem! roem de HEERE; o Sion! loof uw God.
Psa 147:13 Want Hij maakt de grendels van uw poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u.
Psa 147:14 Die uw grenzen vrede geeft; Hij verzadigt u met het vette der tarwe.
Psa 147:15 Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.
Psa 147:16 Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit de rijm als as.
Psa 147:17 Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?
Psa 147:18 Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien heen.
Psa 147:19 Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israel Zijn inzettingen en Zijn rechten.
Psa 147:20 Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!

Psalm 148
Psa 148:1 Hallelujah! Looft de HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!
Psa 148:2 Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn legerscharen!
Psa 148:3 Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!
Psa 148:4 Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!
Psa 148:5 Dat zij de Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.
Psa 148:6 En Hij heeft ze bevestigd voor altijd in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.
Psa 148:7 Looft de HEERE van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!
Psa 148:8 Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!
Psa 148:9 Gij bergen en alle heuvels; vruchtbomen en alle cederbomen!
Psa 148:10 Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!
Psa 148:11 Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
Psa 148:12 Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen!
Psa 148:13 Dat zij de Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en de hemel.
Psa 148:14 En Hij heeft de hoorn van Zijn volk verhoogd, de roem van al Zijn gunstgenoten, van de kinderen Israels, van het volk, dat nabij Hem is. Hallelujah!

Psalm 149
Psa 149:1 Hallelujah! Zingt de HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de Gemeente van Zijn gunstgenoten.
Psa 149:2 Dat Israel zich verblijde in Degene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.
Psa 149:3 Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de tamboerijn en harp.
Psa 149:4 Want de HEERE heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil.
Psa 149:5 Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun slaapplaatsen.
Psa 149:6 De lofzangen voor God zullen in hun mond zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand;
Psa 149:7 Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;
Psa 149:8 Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;
Psa 149:9 Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah!

Psalm 150
Psa 150:1 Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel van Zijn macht!
Psa 150:2 Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem vanwege Zijn, alles te boven gaande grootheid!
Psa 150:3 Looft Hem met de klank van de bazuin; looft Hem met de luit en met de harp!
Psa 150:4 Looft Hem met de tamboerijn en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel!
Psa 150:5 Looft Hem met luid klinkende cimbalen; looft Hem op cimbalen met geluid van vreugde!
Psa 150:6 Alles, wat adem heeft, love de HEERE! Hallelujah!


Aantekeningen
Psa 113 De Psalmen 113 tot en met 118 vormen samen het Halleel. Dit Halleel werd gezongen tijdens plechtige feesten en in het bijzonder op de avond van het Joodse Pascha bij de maaltijd, zie o.m.Markus 14:26
Psa 118 De Heere Jezus zong deze lofzang samen met Zijn discipelen, wetend (zie verwijzing bij Psa 118:22) dat deze psalm op Hem zag en op Zijn kruisiging de volgende dag.
Psa 119  deze langste psalm is alfabetisch geordend in groepen van 8 verzen. De eerste groep begint met de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet. De tweede groep met de tweede letter, enzovoort tot en met de laatste letter. Ieder vers in een groep begint met dezelfde letter, waarmee de groep wordt aangeduid. Het Hebreeuwse alfabet kende 22 letters. Dus telt deze psalm 176 verzen.
Psa 119:109 mijn ziel is gedurig in mijn hand: mijn leven is steeds in gevaar
Psa 120:1 Hammašloth: opgang. De psalmen 120 tot en met 134 zijn allemaal ´opgang´-liederen
Psa 121:1 Hammašloth: opgang
Psa 122:1 Hammašloth: opgang
Psa 123:1 Hammašloth: opgang
Psa 124:1 Hammašloth: opgang
Psa 125:1 Hammašloth: opgang
Psa 126:1 Hammašloth: opgang
Psa 127:1 Hammašloth: opgang
Psa 128:1 Hammašloth: opgang
Psa 129:1 Hammašloth: opgang
Psa 130:1 Hammašloth: opgang
Psa 131:1 Hammašloth: opgang
Psa 132:1 Hammašloth: opgang
Psa 133:1 Hammašloth: opgang
Psa 134:1 Hammašloth: opgang