Hoofdstuk 1

Richt 1:1 En het geschiedde na de dood van Jozua, dat de kinderen Israels de HEERE vroegen, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanašnieten, om tegen hen te strijden?
Richt 1:2 En de HEERE zei: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.
Richt 1:3 Toen zei Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op naar het gebied dat mij is toebedeeld met mijn lot, en laat ons tegen de Kanašnieten strijden, zo zal ik ook met u optrekken naar het gebied dat u is toebedeeld met uw lot. Alzo toog Simeon op met hem.
Richt 1:4 En Juda trok op, en de HEERE gaf de Kanašnieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man.
Richt 1:5 En zij vonden Adoni-bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanašnieten en de Ferezieten.
Richt 1:6 Doch Adoni-bezek vluchtte; en zij joegen hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen van zijn handen en zijn voeten af.
Richt 1:7 Toen zei Adoni-bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en voeten, waren onder mijn tafel, de kruimels opetend; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar.
Richt 1:8 Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in brand gestoken.

Richt 1:9 En daarna daalden de kinderen van Juda af, om te strijden tegen de Kanašnieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in het laagland.
Richt 1:10 En Juda was opgetrokken tegen de Kanašnieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai.
Richt 1:11 En van daar was hij opgetrokken tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was tevoren Kirjath-sefer.
Richt 1:12 En Kaleb zei: Wie Kirjath-sefer zal verslaan, en haar innemen, die zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.
Richt 1:13 Toen nam OthniŽl haar in, de zoon van Kenaz, broer van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
Richt 1:14 En het geschiedde, toen zij tot hem kwam, dat zij hem aanspoorde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van de ezel af; toen zei Kaleb tot haar: Wat wilt u?
Richt 1:15 En zij zei tot hem: Geef mij een zegen; daar gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterbronnen. Toen gaf Kaleb haar hooggelegen en laaggelegen bronnen.
Richt 1:16 De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, trokken ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
Richt 1:17 Juda dan toog met zijn broeder Simeon, en zij sloegen de Kanašnieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad Horma.
Richt 1:18 Ook nam Juda Gaza in, met haar grensgebied, en Askelon met haar grensgebied, en Ekron met haar grensgebied.
Richt 1:19 En de HEERE was met Juda, zodat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij kon de bewoners van de vallei niet verdrijven, omdat zij ijzeren wagens hadden.
Richt 1:20 En zij gaven Hebron aan Kaleb, zoals Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.

Richt 1:21 En de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten wonen met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag.
Richt 1:22 En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-el. En de HEERE was met hen.
Richt 1:23 En het huis van Jozef liet Beth-el verkennen; de naam nu van deze stad was tevoren Luz.
Richt 1:24 En de verkenners zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch de ingang van de stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.
Richt 1:25 En toen hij hun de ingang van de stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte van het zwaard; maar die man en zijn ganse huis lieten zij gaan.
Richt 1:26 Toen toog deze man in het land van de Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op deze dag.
Richt 1:27 En Manasse verdreef Beth-sean niet, noch zijn bijbehorende plaatsen, noch Thašnach met zijn bijbehorende plaatsen, noch de inwoners van Dor met zijn bijbehorende plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met zijn bijbehorende plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met zijn bijbehorende plaatsen; en de Kanašnieten waren vastbesloten te blijven wonen in hetzelfde land.
Richt 1:28 En het geschiedde, als Israel sterk werd, dat hij de Kanašnieten schatplichtig maakte; maar hij verdreef hen niet geheel.
Richt 1:29 Ook verdreef EfraÔm de Kanašnieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanašnieten woonden in het midden van hem te Gezer.
Richt 1:30 Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanašnieten woonden in het midden van hem, en waren schatplichtig.
Richt 1:31 Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
Richt 1:32 Maar de Aserieten woonden in het midden van de Kanašnieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet.
Richt 1:33 Nafthali verdreef de inwoners van Beth-semes niet, noch de inwoners van Beth-anath, maar woonde in het midden van de Kanašnieten, die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-semes en Beth-anath werden hun schatplichtig.
Richt 1:34 En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in de vallei.
Richt 1:35 Ook wilden de Amorieten blijven wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Sašlbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar op hen, zodat zij schatplichtig werden.
Richt 1:36 En de grens van de Amorieten was bij de Schorpioenpas, vanaf de rots verder, opwaarts.

Hoofdstuk 2
Richt 2:1 En een Engel des HEEREN ging op van Gilgal naar Bochim, en Hij zei: Ik heb u uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uw vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met u niet verbreken in eeuwigheid.
Richt 2:2 En u aangaande, gij zult geen verbond maken met de inwoners van dit land; hun altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt Mijn stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt gij dit gedaan?
Richt 2:3 Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u tot een gesel in de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.
Richt 2:4 En het geschiedde, toen de Engel des HEEREN deze woorden tot alle kinderen Israels gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en weende.
Richt 2:5 Daarom noemden zij de naam van die plaats Bochim; en zij offerden aldaar de HEERE.

Richt 2:6 Toen Jozua het volk had laten gaan, waren de kinderen Israels heengegaan, een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten.
Richt 2:7 En het volk diende de HEERE, al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat grote werk van de HEERE, dat Hij aan Israel gedaan had.
Richt 2:8 Maar toen Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, gestorven was, honderd en tien jaar oud;
Richt 2:9 En zij hem begraven hadden binnen de grens van zijn erfdeel, te Timnath-heres, op een berg van EfraÔm, tegen het noorden van de berg Gašsh;
Richt 2:10 En heel dat geslacht ook tot zijn vaderen vergaderd was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat de HEERE niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israel gedaan had.
Richt 2:11 Toen deden de kinderen Israels, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij dienden de Bašls.
Richt 2:12 En zij verlieten de HEERE, de God van hun vaderen, Die hen uit Egypte had uitgeleid, en volgden andere goden na, van de goden der volken, die rondom hen waren, en bogen zich voor die, en zij maakten de HEERE toornig.
Richt 2:13 Want zij verlieten de HEERE, en dienden de Bašl en de Astharoth.
Richt 2:14 Zo ontstak de toorn van de HEERE tegen Israel, en Hij gaf hen in de hand der rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand van hun vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van hun vijanden.
Richt 2:15 Overal, waarheen zij uittrokken, was de hand des HEEREN tegen hen, ten kwade, zoals de HEERE gesproken en zoals de HEERE gezworen had; en zij waren zeer beangst.
Richt 2:16 En de HEERE verwekte richters, die hen verlosten uit de hand van degenen, die hen beroofden;
Richt 2:17 Doch zij hoorden ook niet naar hun richters, maar hoereerden andere goden na, en bogen zich voor die; ras weken zij af van de weg, die hun vaderen gewandeld hadden, horende de geboden des HEEREN; alzo deden zij niet.
Richt 2:18 En als de HEERE richters voor hen deed opstaan, zo was de HEERE met de richter, en verloste hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de richter; want het berouwde de HEERE, om hun gekreun vanwege degenen, die hen onderdrukten en persten.
Richt 2:19 Maar het geschiedde met het sterven van de richter, dat zij zich afkeerden, en verdierven het meer dan hun vaderen, navolgende andere goden, die dienende, en zich voor die buigende; zij lieten niets na van hun werken, noch van deze, hun weerspannige weg.
Richt 2:20 Daarom ontstak de toorn van de HEERE tegen Israel, dat Hij zei: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naar Mijn stem niet gehoord hebben;
Richt 2:21 Zo zal Ik ook niet verder gaan om voor hun aangezicht iemand uit de bezitting te verdrijven, van de heidenen, die Jozua heeft achtergelaten, toen hij stierf;
Richt 2:22 Opdat Ik Israel door hen beproeve, of zij de weg des HEEREN zullen houden, om daarin te wandelen, zoals hun vaderen gehouden hebben, of niet.
Richt 2:23 Alzo liet de HEERE deze heidenen blijven, dat Hij hen niet haastig uit de bezitting verdreef; die Hij in de hand van Jozua niet had overgegeven.

Hoofdstuk 3
Richt 3:1 Dit nu zijn de heidenen, die de HEERE liet blijven, om door hen Israel te beproeven, allen, die niet meer wisten van al de oorlogen van Kanašn;
Richt 3:2 Alleen, opdat de geslachten der kinderen Israels die zouden weten, opdat Hij hun de oorlog leerde, tenminste degenen, die daar tevoren niet van wisten.
Richt 3:3 Vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanašnieten, en de SidoniŽrs, en de Hevieten, wonend in het gebergte van de Libanon, van de berg Bašl-hermon, tot waar men komt te Hamath.
Richt 3:4 Dezen dan waren, om Israel door hen te beproeven, om te weten, of zij de geboden des HEEREN zouden horen, die Hij hun vaderen door de hand van Mozes geboden had.
Richt 3:5 Als nu de kinderen Israels woonden in het midden van de Kanašnieten, en de Hethieten, en de Amorieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten;
Richt 3:6 Zo namen zij zich hun dochters tot vrouwen, en gaven hun dochters aan hun zonen; en zij dienden hun goden.
Richt 3:7 En de kinderen Israels deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en vergaten de HEERE, hun God, en zij dienden de Bašls en de Asherahs.

Richt 3:8 Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan RischataÔm, koning van Mesopotamië; en de kinderen Israels dienden Cuschan RischataÔm acht jaren.
Richt 3:9 Zo riepen de kinderen Israels tot de HEERE; en de HEERE verwekte de kinderen Israels een verlosser, die hen verloste, OthniŽl, zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij.
Richt 3:10 En de Geest des HEEREN was over hem, en hij richtte Israel, en trok uit ten strijde; en de HEERE gaf Cuschan RischataÔm, de koning van SyriŽ, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan RischataÔm.
Richt 3:11 Toen was het land veertig jaren stil, en OthniŽl, de zoon van Kenaz, stierf.

Richt 3:12 Maar de kinderen Israels voegden nog toe aan hetgeen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; toen sterkte de HEERE Eglon, de koning der Moabieten, tegen Israel, omdat zij deden, wat kwaad was in de ogen des HEEREN.
Richt 3:13 En hij vergaderde tot zich de kinderen Ammons en de Amalekieten en hij toog heen, en versloeg Israel, en zij namen de Palmstad in bezit.
Richt 3:14 En de kinderen Israels dienden Eglon, koning der Moabieten, achttien jaren.
Richt 3:15 Toen riepen de kinderen Israels tot de HEERE, en de HEERE verwekte hun een verlosser, Ehud, de zoon van Gera, een zoon van Benjamin, een man, die links was. En de kinderen Israels zonden door zijn hand de schatting aan Eglon, de koning der Moabieten.
Richt 3:16 En Ehud maakte zich een tweesnijdend scherp zwaard, van één el lang; en hij gordde dat onder zijn klederen, aan zijn rechterheup.
Richt 3:17 En hij bracht aan Eglon, de koning der Moabieten, die schatting; Eglon nu was een zeer zware man.
Richt 3:18 En het geschiedde, toen hij geŽindigd had de schatting te leveren, zo stuurde hij het volk weg, die de schatting gedragen hadden;
Richt 3:19 Maar hij zelf keerde terug bij de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zei: Ik heb een geheime zaak aan u, o koning! die zei: Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit.
Richt 3:20 En Ehud kwam tot hem in waar hij zat, in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zei Ehud: Ik heb een woord van God aan u. Toen stond hij op van de stoel.
Richt 3:21 Ehud dan strekte zijn linkerhand uit, en nam het zwaard van zijn rechterheup, en stak het in zijn buik;
Richt 3:22 Dat ook het heft achter het lemmet inging, en het vet om het lemmet toesloot (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik), en de drek uitging.
Richt 3:23 Toen ging Ehud uit van de voorzaal, en sloot de deuren van de opperzaal voor zich toe, en deed ze op slot.
Richt 3:24 Toen hij uitgegaan was, zo kwamen zijn knechten, en zagen, en ziet, de deuren van de opperzaal waren op slot gedaan; zo zeiden zij: Zeker, hij is gaan slapen in de koele kamer.
Richt 3:25 Als zij nu tot schamens toe gewacht hadden, ziet, zo opende hij de deuren van de opperzaal niet. Toen namen zij de sleutel en deden open; en ziet, hun heer lag dood ter aarde.
Richt 3:26 En Ehud ontkwam, terwijl zij wachtten; want hij ging voorbij de gesneden beelden, en ontkwam naar Sehirath.
Richt 3:27 En het geschiedde, toen hij aankwam, zo blies hij met de bazuin op het gebergte van EfraÔm; en de kinderen Israels trokken met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht heen.
Richt 3:28 En hij zei tot hen: Volgt mij na; want de HEERE heeft uw vijanden, de Moabieten, in uw hand gegeven. En zij togen af, hem na, en namen de veerplaatsen van de Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan.
Richt 3:29 En zij versloegen de Moabieten in die tijd, omtrent tien duizend man, allen sterke en dappere mannen, dat er niet één man ontkwam.
Richt 3:30 Alzo werd Moab die dag onder Israels hand vernederd; en het land was stil tachtig jaren.
Richt 3:31 Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; alzo verloste ook hij Israel.

Hoofdstuk 4
Richt 4:1 Maar de kinderen Israels voegden nog toe aan hetgeen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, nadat Ehud gestorven was.
Richt 4:2 Zo verkocht hen de HEERE in de hand van Jabin, koning van de Kanašnieten, die te Hazor regeerde; en zijn legeroverste was Sisera; deze nu woonde in Haroseth der heidenen.
Richt 4:3 Toen riepen de kinderen Israels tot de HEERE; want hij had negenhonderd ijzeren strijdwagens, en hij had de kinderen Israels met geweld onderdrukt, twintig jaren.

Richt 4:4 Debora nu, een vrouw, die een profetesse was, de huisvrouw van Lappidoth, deze richtte in die tijd Israel.
Richt 4:5 En zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Beth-el, op het gebergte van EfraÔm; en de kinderen Israels gingen op tot haar ten gerichte in geschillen.
Richt 4:6 En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft de HEERE, de God van Israel, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
Richt 4:7 En Ik zal aan de beek Kison tot u trekken Sisera, de legeroverste van Jabin, met zijn strijdwagens en zijn menigte; en Ik zal hem in uw hand geven.
Richt 4:8 Toen zei Barak tot haar: Indien gij met mij gaan zult, zo zal ik daarheen trekken; maar indien gij niet met mij zult gaan, zo zal ik niet trekken.
Richt 4:9 En zij zei: Ik zal zeker met u trekken, maar de eer zal u niet toekomen op deze weg, die gij gaat; want de HEERE zal Sisera verkopen in de hand van een vrouw. Alzo maakte Debora zich op, en toog met Barak naar Kedes.

Richt 4:10 Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij trok op met tien duizend man; ook toog Debora met hem op.
Richt 4:11 Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van de kinderen van Hobab, Mozes' schoonvader; en hij had zijn tenten opgeslagen tot aan de eik in ZašnaÔm, die bij Kedes is.
Richt 4:12 Toen boodschapten zij Sisera, dat Barak, de zoon van Abinoam, de berg Thabor was opgetrokken.
Richt 4:13 Zo riep Sisera al zijn strijdwagens bijeen, negenhonderd ijzeren strijdwagens, en al het volk, dat met hem was, van Haroseth der heidenen tot de beek Kison.
Richt 4:14 Debora dan zei tot Barak: Op!; want dit is de dag, in welke de HEERE Sisera in uw hand gegeven heeft; is de HEERE niet voor uw aangezicht heen uitgetrokken? Zo trok Barak van de berg Thabor af, en tien duizend man achter hem.
Richt 4:15 En de HEERE versloeg Sisera, met al zijn wagens, en het ganse leger, door de scherpte van het zwaard, voor het aangezicht van Barak; dat Sisera van de wagen af klom, en vluchtte op zijn voeten.  *)
Richt 4:16 En Barak joeg de wagens en het leger achterna, tot aan Haroseth der heidenen. En het ganse leger van Sisera viel door de scherpte van het zwaard, dat er niet één overbleef.

Richt 4:17 Maar Sisera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jael, de huisvrouw van Heber, de Keniet; want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, de Keniet.
Richt 4:18 Jael nu ging Sisera tegemoet, en zei tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken.
Richt 4:19 Daarna zei hij tot haar: Geef mij toch een weinig water te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkzak, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe.
Richt 4:20 Ook zei hij tot haar: Sta in de deur van de tent; en als er iemand komt, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand.
Richt 4:21 Daarna nam Jael, de huisvrouw van Heber, een pin van de tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef de pin in de slaap van zijn hoofd, zodat hij in de grond kwam; hij nu was met een diepe slaap bevangen en vermoeid, en stierf.
Richt 4:22 En ziet, Barak achtervolgde Sisera; en Jael ging uit hem tegemoet, en zei tot hem: Kom, en ik zal u de man wijzen, die gij zoekt. Zo kwam hij tot haar in, en ziet, Sisera lag dood, en de nagel was in de slaap van zijn hoofd.
Richt 4:23 Alzo heeft God op die dag Jabin, de koning van Kanašn, tenonder gebracht, voor het aangezicht van de kinderen Israels.
Richt 4:24 En de hand van de kinderen Israels werd steeds zwaarder over Jabin, de koning van Kanašn, totdat zij Jabin, de koning van Kanašn, hadden verdelgd.

Hoofdstuk 5
Richt 5:1 Voorts zongen Debora, en Barak, de zoon van Abinoam, op die dag, met de woorden:
Richt 5:2 Looft de HEERE, voor de verlossing van Israel, voor het volk dat zich gewillig heeft aangeboden.
Richt 5:3 Hoort, gij koningen, neemt ter ore, gij vorsten! Ik, ja ik, zal de HEERE zingen, ik zal de HEERE, de God van Israel, psalmzingen.
Richt 5:4 HEERE! toen Gij optrok uit SeÔr, toen Gij voortging van het veld van Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water.
Richt 5:5 De bergen beefden voor het aangezicht des HEEREN; zelfs SinaÔ van het aangezicht des HEEREN, de God van Israel.

Richt 5:6 In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jael, waren de wegen gesloten, de reizigers gingen kromme wegen.
Richt 5:7 De dorpen in Israel hielden op veilig te zijn, zij hielden op; totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, een moeder in Israel.
Richt 5:8 Zij kozen nieuwe goden, toen kwam er oorlog in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israel?
Richt 5:9 Mijn hart spreekt van de leiders van Israel, die zich gewillig aangeboden hebben onder het volk; looft de HEERE!
Richt 5:10 Gij, die op witte ezelinnen rijdt, gij, die ten gericht zit, en gij, die wandelt onderweg, spreek er van!
Richt 5:11 Ver van het geluid van de schutters, tussen de plaatsen, waar men water put, aldaar zal men tezamen spreken van de gerechtigheid des HEEREN, van de gerechtigheden, bewezen aan zijn dorpen in Israel. Dan gaat het volk des HEEREN weer naar de poorten.

Richt 5:12 Waak op, waak op, Debora, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op, Barak! en leid uw gevangenen gevangen, gij zoon van Abinoam.
Richt 5:13 Toen deed Hij de overgeblevenen heersen over de machtigen; de HEERE doet mij heersen over de geweldigen.
Richt 5:14 Uit EfraÔm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers gekomen, en uit Zebulon kwamen zij, die het riet van de schrijver hanteerden.
Richt 5:15 Ook waren de vorsten in Issaschar met Debora; en gelijk Issaschar, alzo was Barak; met zijn voetvolk werd hij in het dal gezonden. In Rubens afdelingen waren de inbeeldingen des harten groot.
Richt 5:16 Waarom bleef gij zitten tussen de stallingen, om te horen het geblaat van de kudden? De afdelingen van Ruben hadden grote onderzoekingen des harten.
Richt 5:17 Gilead bleef aan gene zijde van de Jordaan; en Dan, waarom verbleef hij bij de schepen! Aser zat aan de zeehaven, en woonde bij de kreken.
Richt 5:18 Zebulon, het is een volk, dat zijn leven in doodsgevaar bracht, insgelijks Nafthali, op de hoogten van het veld.
Richt 5:19 De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanašn, te Thašnach aan de wateren van Megiddo; zij moesten vluchten zonder gewin van zilver.
Richt 5:20
Vanuit de hemel streden zij, de sterren uit haar loopbanen streden tegen Sisera.
Richt 5:21 De beek Kison veegde hen weg; de aloude beek, de beek Kison; o mijn ziel! gij hebt de sterken vertreden.
Richt 5:22 Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het rennen, het rennen van zijn machtigen.
Richt 5:23 Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt haar inwoners gedurig; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden.
Richt 5:24 Gezegend zij boven de vrouwen Jael, de huisvrouw van Heber, de Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent!
Richt 5:25 Water eiste hij, melk gaf zij; in een schaal voor edelen bracht zij boter.
Richt 5:26 Haar hand nam de pin, en haar rechterhand de hamer van de arbeider; en zij dreef de pin door Sisera's hoofd; zodat de pin in de grond kwam.
Richt 5:27 Tussen haar voeten kromde hij zich, viel heen, lag daar neer; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij dood!
Richt 5:28 De moeder van Sisera keek uit door het venster, en schreeuwde door de tralies: Waarom vertoeft zijn wagen te komen! Waarom blijven de wielen van zijn wagens weg?
Richt 5:29 De slimsten van haar hofdames antwoordden; ook beantwoordde zij haar woorden zelf:
Richt 5:30 Zouden zij dan de buit niet vinden en delen? een liefje, of twee liefjes, voor iedere man? Voor Sisera een buit van geverfde mantels, een buit van verschillend geverfde, geborduurde mantels; van verschillend geverfde mantels aan beide zijden geborduurd, op de nek van de dragers van de buit?
Richt 5:31 Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o HEERE! die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn, als wanneer de zon opgaat in haar kracht. En het land was stil, veertig jaren.

Hoofdstuk 6
Richt 6:1 Maar de kinderen Israels deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; zo gaf hen de HEERE in de hand der Midianieten, zeven jaren.
Richt 6:2 Toen nu de hand der Midianieten sterk werd over Israel, maakten de kinderen Israels zich, vanwege de Midianieten, holen in de bergen en spelonken, en versterkte plaatsen.
Richt 6:3 Want het geschiedde, als Israel gezaaid had, zo kwamen de Midianieten en de Amalekieten, en de kinderen van het oosten trokken ook op tegen hen.
Richt 6:4 En zij legerden zich tegen hen, en verwoestten het gewas van het land, tot aan waar gij komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht over in Israel, noch klein vee, noch os, noch ezel.
Richt 6:5 Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kamelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven.
Richt 6:6 Alzo werd Israel zeer verarmd, vanwege de Midianieten. Toen riepen de kinderen Israels tot de HEERE.

Richt 6:7 En het geschiedde, toen de kinderen Israels tot de HEERE riepen, vanwege de Midianieten;
Richt 6:8 Zo zond de HEERE een man, die een profeet was, tot de kinderen Israels; die zei tot hen: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Ik heb u uit Egypte doen opkomen, en u uit het diensthuis uitgeleid;
Richt 6:9 En Ik heb u verlost van de hand der Egyptenaren, en van de hand van allen, die u benauwden; en Ik heb hen voor uw aangezicht uitgedreven, en u hun land gegeven;
Richt 6:10 En Ik zei tot ulieden: Ik ben de HEERE, uw God; vreest de goden der Amorieten niet, in het land van wie gij woont; maar gij zijt Mijn stem niet gehoorzaam geweest.

Richt 6:11 Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, die aan Joas, de AbiŽzriet, behoorde; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te verbergen voor het aangezicht der Midianieten.
Richt 6:12 Toen verscheen hem de Engel des HEEREN, en zei tot hem: De HEERE is met u, gij, strijdbare held!
Richt 6:13 Maar Gideon zei tot Hem: Och, mijn Heer! zo de HEERE met ons is, waarom is ons dan dit alles overkomen? en waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben, zeggende: Heeft ons de HEERE niet uit Egypte opgevoerd? Doch nu heeft ons de HEERE verlaten, en heeft ons in de hand der Midianieten gegeven.
Richt 6:14 Toen keerde zich de HEERE tot hem, en zei: Ga heen in deze kracht van uw geloof, en gij zult Israel uit der Midianieten hand verlossen; heb Ik u niet gezonden?
Richt 6:15 En hij zei tot Hem: Och, mijn Heer! waarmee zal ik Israel verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in het huis van mijn vader.
Richt 6:16 En de HEERE zei tot hem: Omdat Ik met u zal zijn, zo zult gij de Midianieten verslaan, als een enig man.
Richt 6:17 En hij zei tot Hem: Indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo doe mij een teken, dat Gij het zijt, Die met mij spreekt.
Richt 6:18 Wijk toch niet van hier, totdat ik tot U kom, en mijn geschenk aanbied, en U voorzet. En Hij zei: Ik zal blijven, totdat gij terugkomt.
Richt 6:19 En Gideon ging naar binnen, en bereidde een geitenbokje, en ongezuurde koeken van een efa meel; het vlees legde hij in een korf, en het vleesnat deed hij in een pot; en hij bracht het tot Hem uit, tot onder de eik, en zette het neer.
Richt 6:20 Doch de Engel Gods zei tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde koeken, en leg ze op die rots, en giet het vleesnat uit; en hij deed alzo.
Richt 6:21 En de Engel des HEEREN stak de staf uit, die in Zijn hand was, en roerde met de punt ervan het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel des HEEREN verdween uit zijn ogen.
Richt 6:22 Toen zag Gideon, dat het een Engel des HEEREN was; en Gideon zei: Ach, Heere, HEERE! daarom, omdat ik een Engel des HEEREN gezien heb van aangezicht tot aangezicht.
Richt 6:23 Doch de HEERE zei tot hem: Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven.
Richt 6:24 Toen bouwde Gideon aldaar de HEERE een altaar, en noemde het: De HEERE is vrede! het is nog tot op deze dag in Ofra van de AbiŽzrieten.

Richt 6:25 En het geschiedde in diezelfde nacht, dat de HEERE tot hem zei: Neem een var van de ossen, die van uw vader zijn, te weten, de tweede var, van zeven jaar; en breek af het altaar van Bašl, dat van uw vader is, en houw af het bos, dat daarbij is.
Richt 6:26 En bouw de HEERE, uw God, een altaar, op de hoogte van deze rots, op de bestemde plaats; en neem de tweede var, en offer een brandoffer met het hout van het bos, dat gij zult hebben afgehouwen.  *)
Richt 6:27 Toen nam Gideon tien mannen uit zijn knechten, en deed, gelijk als de HEERE tot hem gesproken had. Doch het geschiedde, omdat hij het huis van zijn vader en de mannen van die stad vreesde, om dat te doen bij dag, dat hij het deed bij nacht.
Richt 6:28 Toen nu de mannen van die stad des morgens vroeg opstonden, ziet, zo was het altaar van Bašl omgeworpen, en het bos, dat daarbij was, afgehouwen, en die tweede var was op het gebouwde altaar geofferd.
Richt 6:29 Zo zeiden zij, de een tot de ander: Wie heeft dit gedaan? En als zij onderzochten en navroegen, zo zei men: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit gedaan.
Richt 6:30 Toen zeiden de mannen van die stad tot Joas: Breng uw zoon uit, dat hij sterve, omdat hij het altaar van Bašl heeft omgeworpen, en omdat hij het bos, dat daarbij was, afgehouwen heeft.
Richt 6:31 Joas daarentegen zei tot allen, die bij hem stonden: Zult gij voor de Bašl twisten; zult gij hem verlossen? Die voor hem zal twisten, zal nog deze morgen gedood worden! Indien hij een god is, hij twiste voor zichzelf, omdat men zijn altaar heeft omver geworpen.
Richt 6:32 Daarom noemde hij hem te dien dage Jerubbašl, zeggende: Bašl twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen.

Richt 6:33 Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van JizreŽl.
Richt 6:34 Toen dreef de Geest des HEEREN Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de AbiŽzrieten werden achter hem bijeengeroepen.
Richt 6:35 Ook zond hij boden in gans Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet.
Richt 6:36 En Gideon zei tot God: Indien Gij Israel door mijn hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt;
Richt 6:37 Zie, ik zal een wollen vlies op de dorsvloer leggen; indien er dauw op het vlies alleen zal zijn, en droogte op de ganse aarde, zo zal ik weten, dat Gij Israel door mijn hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt.
Richt 6:38 En het geschiedde alzo; want hij stond de andere dag vroeg op, en drukte het vlies ineen, en wrong de dauw uit het vlies, een schaal vol water.
Richt 6:39 En Gideon zei tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleen dit keer spreke; laat mij nog alleen dit keer met het vlies beproeven; er zij toch droogte op het vlies alleen, en op de ganse aarde zij dauw.
Richt 6:40 En God deed alzo in die nacht; want de droogte was op het vlies alleen, en op de ganse aarde was dauw.

Hoofdstuk 7
Richt 7:1 Toen stond Jerubbašl -dat is Gideon- vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij legerden zich aan de bron van Harod; zodat hij de legermacht van de Midianieten had tegen het noorden, achter de heuvel More, in het dal.
Richt 7:2 En de HEERE zei tot Gideon: Er zijn te veel mensen, die met u zijn, dan dat Ik de Midianieten in hun hand zou geven; opdat zich Israel niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn hand heeft mij verlost.
Richt 7:3 Nu dan, roep nu uit voor de oren van het volk, zeggende: Wie bang en bevreesd is, die kere terug, en spoede zich naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk terug twee en twintig duizend, zodat er tien duizend overbleven.
Richt 7:4 En de HEERE zei tot Gideon: Nog zijn er te veel mensen; doe hen afgaan naar het water, en Ik zal ze u aldaar beproeven; en het zal geschieden, van degenen, die Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal met u trekken; maar allen, van wie Ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken.
Richt 7:5 En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zei de HEERE tot Gideon: Al wie met zijn tong van het water zal lekken, zoals een hond zou lekken, die zult gij apart nemen; evenzo al wie op zijn knieŽn zal bukken om te drinken.
Richt 7:6 Toen was het getal van hen, die water lekten nadat zij hun hand aan hun mond gebracht hadden, driehonderd man; maar alle overigen van het volk hadden op hun knieŽn gebukt, om water te drinken.
Richt 7:7 En de HEERE zei tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelekt hebben, zal Ik ulieden verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats.
Richt 7:8 En het volk nam de teerkost in hun hand, en hun bazuinen; en hij liet al die mannen van Israel gaan, een ieder naar zijn tent; maar die driehonderd man behield hij. En hij had de legermacht der Midianieten beneden in het dal.

Richt 7:9 En het geschiedde in diezelfde nacht, dat de HEERE tot hem zei: Sta op, ga heen af in het leger, want Ik heb het in uw hand gegeven.
Richt 7:10 Vreest gij dan nog af te gaan, zo ga af, gij, en Pura, uw dienaar, naar het leger.
Richt 7:11 En gij zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw handen gesterkt zijn, dat gij aftrekken zult naar het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn dienaar, tot de verste schildwachten, die in het leger waren.
Richt 7:12 En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kamelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan de oever van de zee is, in menigte.
Richt 7:13 Toen nu Gideon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zei: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een geroosterd gerstebrood wentelde zich in het leger der Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg het, dat zij viel, en keerde het ondersteboven, zodat de tent plat lag.
Richt 7:14 En zijn metgezel antwoordde, en zei: Dit is niet anders, dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de Israelietische man; God heeft de Midianieten en dit ganse leger in zijn hand gegeven.
Richt 7:15 En het geschiedde, toen Gideon de vertelling van deze droom, en zijn uitleg hoorde, zo aanbad hij; en hij keerde terug tot het leger van Israel, en zei: Maakt u op, want de HEERE heeft het leger der Midianieten in uw hand gegeven.

Richt 7:16 En hij deelde de driehonderd man in drie groepen; en hij gaf een ieder een bazuin in zijn hand, en lege kruiken, en fakkels in de kruiken.
Richt 7:17 En hij zei tot hen: Ziet naar mij en doet alzo; en ziet, als ik zal komen aan de rand van het leger, zo zal het geschieden, gelijk als ik zal doen, alzo zult gij doen.
Richt 7:18 Als ik met de bazuin zal blazen, ik en allen, die met mij zijn, dan zult gijlieden ook met de bazuin blazen, rondom het ganse leger, en gij zult roepen: Voor de HEERE en voor Gideon!
Richt 7:19 Alzo kwam Gideon, en de honderd mannen, die met hem waren, aan de rand van het leger, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachten opgesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken.
Richt 7:20 Alzo bliezen de drie groepen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkels, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van de HEERE, en van Gideon!
Richt 7:21 En zij stonden op, een ieder in zijn plaats, rondom het leger. Toen verliep het ganse leger, en zij schreeuwden en vluchtten.
Richt 7:22 Toen de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette de HEERE het zwaard van de één tegen de ander, en dat in het ganse leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath.

Richt 7:23 Toen werden de mannen van Israel bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit gans Manasse; en zij joegen de Midianieten achterna.
Richt 7:24 Ook zond Gideon boden in het ganse gebergte van EfraÔm, zeggende: Komt af de Midianieten tegemoet, en ontneemt hun de waterovergangen, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; alzo werd alle man van EfraÔm bijeengeroepen, en zij ontnamen hun de waterovergangen tot aan Beth-bara, en de Jordaan.
Richt 7:25 En zij vingen twee vorsten van de Midianieten, Oreb en ZeŽb, en doodden Oreb op de rots Oreb, en ZeŽb doodden zij in de perskuip van ZeŽb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en ZeŽb tot Gideon, over de Jordaan.

Hoofdstuk 8
Richt 8:1 Toen zeiden de mannen van EfraÔm tot hem: Waarom hebt gij ons dit gedaan, dat gij ons niet hebt geroepen, toen gij optrok om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten hevig met hem.
Richt 8:2 Hij daarentegen zei tot hen: Wat heb ik nu gedaan, in vergelijking met u; zijn niet de nalezingen van EfraÔm beter dan de wijnoogst van AbiŽzer?
Richt 8:3 God heeft de vorsten van de Midianieten, Oreb en ZeŽb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, vergeleken met u? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.

Richt 8:4 Toen nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, in hun vermoeidheid, nochtans de achtervolging voortzettend.
Richt 8:5 En hij zei tot de inwoners van Sukkoth: Geeft toch enige stukken brood aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, koningen van de Midianieten, achterna.
Richt 8:6 Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw leger brood zouden geven?
Richt 8:7 Toen zei Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distels.
Richt 8:8 En hij trok van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de inwoners van Pnuel antwoordden hem, zoals de inwoners van Sukkoth geantwoord hadden.
Richt 8:9 Daarom sprak hij ook tot de inwoners van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkom, zal ik deze toren afbreken.
Richt 8:10 Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftienduizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd twintig duizend man, die het zwaard uittrokken.
Richt 8:11 En Gideon trok langs de weg van hen. die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij versloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.
Richt 8:12 En Zebah en Tsalmuna vluchtten; maar hij joeg hen na; en hij nam beide koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmuna gevangen, en bracht het ganse leger in verwarring.
Richt 8:13 Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van de strijd terugkwam, voor de opgang van de zon,
Richt 8:14 Zo nam hij een jongen van de inwoners te Sukkoth gevangen, en ondervroeg hem; die schreef hem de namen van de oversten van Sukkoth en hun oudsten op, zeven en zeventig mannen.
Richt 8:15 Toen kwam hij tot de inwoners van Sukkoth, en zei: Ziet daar Zebah en Tsalmuna, waarmee gij mij smadelijk bespot hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moe zijn, brood zouden geven?
Richt 8:16 En hij nam de oudsten van die stad, en doornen der woestijn, en distels, en tuchtigde de inwoners van Sukkoth daarmee.
Richt 8:17 En de toren van Pnuel brak hij af, en doodde de inwoners van de stad.

Richt 8:18 Daarna zei hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloeg? En zij zeiden: Zoals gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.
Richt 8:19 Toen zei hij: Het waren mijn broers, zonen van mijn moeder; zo waarlijk als de HEERE leeft, zo gij hen had laten leven, ik zou ulieden niet doden!
Richt 8:20 En hij zei tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeman trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, omdat hij nog een jongeman was.
Richt 8:21 Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naardat de man is, zo is zijn kracht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de halve maantjes, die aan de halzen van hun kamelen waren.

Richt 8:22 Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en de zoon van uw zoon, omdat u ons uit de hand van de Midianieten verlost hebt.
Richt 8:23 Maar Gideon zei tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen.
Richt 8:24 Voorts zei Gideon tot hen: Eén verzoek zal ik u doen; geeft mij een ieder een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsiersels gehad, omdat zij Ismaelieten waren.
Richt 8:25 En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een ieder een voorhoofdsiersel van zijn roof.
Richt 8:26 En het gewicht van de gouden voorhoofdsiersels, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkels goud, zonder de halve maantjes, en kettingen, en purperen klederen, die de koningen van de Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen van hun kamelen geweest waren.
Richt 8:27 En Gideon maakte daarvan een efod, en plaatste die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde die aldaar achterna; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.
Richt 8:28 Alzo werden de Midianieten ten ondergebracht voor het aangezicht van de kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.

Richt 8:29 En Jerubbašl, de zoon van Joas, ging heen en woonde in zijn huis.
Richt 8:30 Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heup voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen.
Richt 8:31 En zijn bijvrouw, die te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech.
Richt 8:32 En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goede ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra van de AbiŽzrieten.
Richt 8:33 En het geschiedde, toen Gideon gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Bašls nahoereerden; en zij stelden zich Bašl-berith tot een God.
Richt 8:34 En de kinderen Israels dachten niet meer aan de HEERE, hun God, Die hen gered had uit de hand van al hun vijanden van rondom.
Richt 8:35 En zij deden geen weldadigheid aan het huis van Jerubbašl, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij aan Israel gedaan had.

Hoofdstuk 9
Richt 9:1 Abimelech nu, de zoon van Jerubbašl, ging heen naar Sichem, tot de broers van zijn moeder; en hij sprak tot hen, en tot het ganse geslacht van het huis van de vader van zijn moeder, zeggende:
Richt 9:2 Spreekt toch voor de oren van alle burgers van Sichem: Wat is u beter, dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbašl, over u heersen, of dat één man over u heerst? Gedenkt ook, dat ik uw been en uw vlees ben.
Richt 9:3 Toen spraken de broers van zijn moeder van hem, voor de oren van alle burgers van Sichem, al deze woorden; en hun hart neigde zich naar Abimelech; want zij zeiden: Hij is onze broeder.
Richt 9:4 En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Bašl-berith; en Abimelech huurde daarmee ijdele en lichtvaardige mannen, die hem volgden.
Richt 9:5 En hij kwam in het huis van zijn vader te Ofra, en doodde zijn broers, de zonen van Jerubbašl, zeventig mannen, op een steen; doch Jotham, de jongste zoon van Jerubbašl werd overgelaten, want hij had zich verborgen.
Richt 9:6 Toen vergaderden zich alle burgers van Sichem, en het ganse Beth-Millo, en gingen heen en maakten Abimelech tot koning, bij de hoge eik, die bij Sichem is.

Richt 9:7 Als zij dit Jotham vertelden, zo ging hij heen, en stond op de hoogte van de berg Gerizim, en verhief zijn stem, en riep, en hij zei tot hen: Hoort naar mij, gij, burgers van Sichem! en God zal naar u horen.
Richt 9:8 De bomen gingen eens heen, om een koning over zich te zalven, en zij zeiden tot de olijfboom: Wees gij koning over ons.
Richt 9:9 Maar de olijfboom zei tot hen: Zou ik mijn vettigheid verlaten, die God en de mensen in mij prijzen? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen?
Richt 9:10 Toen zeiden de bomen tot de vijgeboom: Kom gij, wees koning over ons.
Richt 9:11 Maar de vijgeboom zei tot hen: Zou ik mijn zoetigheid en mijn goede vrucht verlaten? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen?
Richt 9:12 Toen zeiden de bomen tot de wijnstok: Kom gij, wees koning over ons.
Richt 9:13 Maar de wijnstok zei tot hen: Zou ik mijn most verlaten, die God en mensen vrolijk maakt? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen?
Richt 9:14 Toen zeiden al de bomen tot de doornenstruik: Kom gij, wees koning over ons.
Richt 9:15 En de doornenstruik zei tot de bomen: Indien gij mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, verkwik u onder mijn schaduw; maar indien niet, zo ga vuur uit de doornenstruik, en vertere de ceders van de Libanon.
Richt 9:16 Alzo nu, indien gij het in waarheid en oprechtheid gedaan hebt, dat gij Abimelech koning gemaakt hebt, en indien gij welgedaan hebt bij Jerubbašl en bij zijn huis, en indien gij hem naar de verdienste van zijn handen gedaan hebt.
Richt 9:17 -Want mijn vader heeft voor ulieden gestreden, en hij heeft zijn leven niet geacht, en u uit de hand van de Midianieten gered;
Richt 9:18 Maar gij zijt heden opgestaan tegen het huis van mijn vader, en hebt zijn zonen, zeventig mannen, op een steen gedood; en gij hebt Abimelech, een zoon van zijn dienstmaagd, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broeder is-;
Richt 9:19 Indien gij dan in waarheid en in oprechtheid bij Jerubbašl en bij zijn huis heden gehandeld hebt, zo weest vrolijk over Abimelech, en hij zij ook vrolijk over ulieden.
Richt 9:20 Maar indien niet, zo ga vuur uit van Abimelech, en vertere de burgers van Sichem, en Beth-Millo; en vuur ga uit van de burgers van Sichem, en van Beth- Millo, en vertere Abimelech!
Richt 9:21 Toen haastte zich Jotham, en vluchtte, en ging naar BeŽr; en hij woonde aldaar vanwege zijn broer Abimelech.

Richt 9:22 Toen nu Abimelech drie jaren over Israel geheerst had,
Richt 9:23 Zo zond God een boze geest tussen Abimelech en de burgers van Sichem; en de burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimelech;
Richt 9:24 Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbašl, en hun bloed gelegd werd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden.
Richt 9:25 En de burgers van Sichem legden tegen hem hinderlagen op de hoogten der bergen, en ook al wie hen op de weg voorbijging, beroofden zij; en het werd Abimelech aangezegd.
Richt 9:26 Gašl, de zoon van Ebed, kwam ook met zijn broers, en zij gingen over in Sichem; en de burgers van Sichem stelden hun vertrouwen op hem.
Richt 9:27 En zij gingen uit in het veld, en lazen hun wijnbergen, en traden de druiven, en hielden feest; en zij gingen in het huis van hun god, en aten en dronken, en vloekten Abimelech.
Richt 9:28 En Gašl, de zoon van Ebed, zei: Wie is Abimelech, en wat is Sichem, dat wij hem dienen zouden? is hij niet een zoon van Jerubbašl? en Zebul zijn bevelhebber? dient liever de mannen van Hemor, de vader van Sichem; want waarom zouden wij hem dienen?
Richt 9:29 Och, dat dit volk in mijn hand was! ik zou Abimelech wel verdrijven. En tot Abimelech zei hij uitdagend: Vermeerder uw legermacht, en trek uit.
Richt 9:30 Als Zebul, de overste van de stad, de woorden van Gašl, de zoon van Ebed, hoorde, zo ontstak zijn toorn.
Richt 9:31 En hij zond listig boden tot Abimelech, zeggende: Zie, Gašl, de zoon van Ebed, en zijn broers zijn te Sichem gekomen, en zie, zij, met deze stad, handelen vijandig tegen u.
Richt 9:32 Zo maak u nu op bij nacht, gij en het volk, dat met u is, en leg hinderlagen in het veld.
Richt 9:33 En het geschiede in de morgen, als de zon opgaat, zo maak u vroeg op, en overval deze stad; en zie, zo hij en het volk, dat met hem is, tot u uittrekken, zo doe hem, zoals uw hand vinden zal te doen.
Richt 9:34 Abimelech dan maakte zich op, en al het volk, dat met hem was, bij nacht; en zij legden hinderlagen bij Sichem, in vier groepen.
Richt 9:35 En Gašl, de zoon van Ebed, ging uit, en stond aan de deur van de stadspoort; en Abimelech stond op, en al het volk, dat met hem was, uit de hinderlaag.
Richt 9:36 Als Gašl dat volk zag, zo zei hij tot Zebul: Zie, er komt volk af van de hoogten van de bergen. Zebul daarentegen zei tot hem: Gij ziet de schaduw van de bergen voor mensen aan.
Richt 9:37 Maar Gašl sprak verder en zei: Zie daar volk, afkomend uit het midden van het land, en een groep komt van de weg van de eik Meonenim.
Richt 9:38 Toen zei Zebul tot hem: Waar is nu uw mond, waarmee gij hebt gezegd: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen? is niet dit het volk, dat gij veracht hebt? trek toch nu uit en strijd tegen hem!
Richt 9:39 En Gašl trok uit voor het aangezicht van de burgers van Sichem, en hij streed tegen Abimelech.
Richt 9:40 En Abimelech joeg hem na, want hij vluchtte voor zijn aangezicht; en er vielen vele verslagenen tot aan de deur van de stadspoort.
Richt 9:41 Abimelech nu bleef te Aruma; en Zebul verdreef Gašl en zijn broers, dat zij te Sichem niet zouden wonen.
Richt 9:42 En het geschiedde de volgende dag dat het volk uittrok in het veld, en men zei het Abimelech aan.
Richt 9:43 Toen nam hij het volk, en verdeelde hen in drie groepen, en hij legde hinderlagen in het veld; en hij zag toe, en ziet, het volk trok uit de stad, zo maakte hij zich tegen hen op, en versloeg hen.
Richt 9:44 Want Abimelech en de groepen, die bij hem waren, overvielen hen, en bleven staan aan de deur van de stadspoort; en de twee andere groepen overvielen allen, die in het veld waren, en versloegen hen.
Richt 9:45 Voorts streed Abimelech tegen de stad die ganse dag, en nam de stad in, en doodde het volk, dat daarin was; en hij brak de stad af, en bezaaide hem met zout.
Richt 9:46 Toen alle burgers van de toren van Sichem dat hoorden, zo gingen zij in de versterking van het huis van de god Berith.
Richt 9:47 En het werd Abimelech aangezegd, dat alle burgers van de toren van Sichem zich verzameld hadden.
Richt 9:48 Zo ging Abimelech op de berg Zalmon, hij en al het volk, dat met hem was; en Abimelech nam een bijl in zijn hand, en hakte een tak van de bomen, en nam hem op, en legde hem op zijn schouder; en hij zei tot het volk, dat bij hem was: Wat gij mij hebt zien doen, haast u, doet als ik.
Richt 9:49 Zo hakte ook al het volk een ieder zijn tak af, en zij volgden Abimelech na, en legden ze tegen de versterking, en verbrandden daardoor de versterking met vuur; zodat ook alle mensen in de toren van Sichem stierven, omtrent duizend mannen en vrouwen.
Richt 9:50 Voorts trok Abimelech naar Thebez, en hij legerde zich tegen Thebez, en nam het in.
Richt 9:51 Doch er was een sterke toren in het midden van de stad; daarom vluchtten daarheen al de mannen en de vrouwen, en alle burgers van de stad, en sloten die voor zich toe; en zij klommen op het dak van de toren.
Richt 9:52 Toen kwam Abimelech tot aan de toren, en bestormde die; en hij kwam tot bij de deur van de toren, om die met vuur te verbranden.
Richt 9:53 Maar een vrouw wierp een stuk van een molensteen op Abimelechs hoofd; en zij verpletterde zijn hersenpan.
Richt 9:54 Toen riep hij haastig de jongeman, die zijn wapens droeg, en zei tot hem: Trek uw zwaard uit, en dood mij, opdat zij niet van mij zeggen: Een vrouw heeft hem gedood. En zijn dienaar doorstak hem, zodat hij stierf.
Richt 9:55 Als nu de mannen van Israel zagen, dat Abimelech dood was, zo gingen zij een ieder naar zijn plaats.
Richt 9:56 Alzo deed God weerkeren het kwaad van Abimelech, dat hij aan zijn vader gedaan had, toen hij zijn zeventig broers doodde.
Richt 9:57 Evenzo al het kwaad van de inwoners van Sichem deed God weerkeren op hun hoofd; en de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbašl, kwam over hen.

Hoofdstuk 10
Richt 10:1 Na Abimelech nu stond op, om Israel te behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van EfraÔm.
Richt 10:2 En hij richtte Israel drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir.
Richt 10:3 En na hem stond op JaÔr, de Gileadiet; en hij richtte Israel twee en twintig jaren.
Richt 10:4 En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-JaÔr, tot op deze dag, die in het land van Gilead zijn.
Richt 10:5 En JaÔr stierf, en werd begraven te Kamon.

Richt 10:6 Toen deden de kinderen Israels weer, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en dienden de Bašls, en de Ashtaroth, en de goden van SyriŽ, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden van de kinderen Ammons, alsook de goden van de Filistijnen; en zij verlieten de HEERE, en dienden Hem niet.
Richt 10:7 Zo ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel; en Hij verkocht hen in de hand van de Filistijnen, en in de hand van de kinderen Ammons.
Richt 10:8 En zij onderdrukten en vertraden de kinderen Israels dat jaar; achttien jaren onderdrukten zij al de kinderen Israels, die aan gene zijde van de Jordaan waren, in het land van de Amorieten, dat in Gilead is.
Richt 10:9 Daartoe togen de kinderen Ammons over de Jordaan, om te strijden, zelfs tegen Juda, en tegen Benjamin, en tegen het huis van EfraÔm; zodat het Israel zeer bang werd.

Richt 10:10 Toen riepen de kinderen Israels tot de HEERE, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zowel omdat wij onze God hebben verlaten, als dat wij de Bašls gediend hebben.
Richt 10:11 Maar de HEERE zei tot de kinderen Israels: Heb Ik u niet van de Egyptenaren, en van de Amorieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen,
Richt 10:12 En de SidoniŽrs, en Amalekieten, en Maonieten, die u onderdrukten, toen gij tot Mij riep, alsdan uit hun hand verlost?
Richt 10:13 Nochtans hebt gij Mij verlaten, en andere goden gediend; daarom zal Ik u niet meer verlossen.
Richt 10:14 Gaat heen, roept tot de goden, die gij verkoren hebt; laten die u verlossen, in de tijd van uw benauwdheid.
Richt 10:15 Maar de kinderen Israels zeiden tot de HEERE: Wij hebben gezondigd; doe Gij ons, naar alles, wat goed is in Uw ogen; alleen verlos ons toch heden!
Richt 10:16 En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg, en dienden de HEERE. En Zijn ziel werd verdrietig over de ellende van Israel.
Richt 10:17 En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; en de kinderen Israels werden vergaderd, en legerden zich te Mizpa.
Richt 10:18 Toen zei het volk, de oversten van Gilead, de een tot de ander: Wie is de man, die beginnen zal te strijden tegen de kinderen Ammons? die zal tot een hoofd zijn over alle inwoners van Gilead.

Hoofdstuk 11
Richt 11:1 Jeftha nu, de Gileadiet, was een strijdbaar held, maar hij was de zoon van een hoer; maar Gilead had Jeftha verwekt.
Richt 11:2 Gileads huisvrouw baarde hem ook zonen; en de zonen van deze vrouw, groot geworden zijnde, joegen Jeftha weg, en zeiden tot hem: Gij zult in het huis van onze vader niet erven, want gij zijt een zoon van een andere vrouw.
Richt 11:3 Toen vluchtte Jeftha voor het aangezicht van zijn broers, en woonde in het land Tob; en nietswaardige mannen vergaderden zich tot Jeftha, en trokken met hem uit.

Richt 11:4 En het geschiedde, na enige tijd, dat de kinderen Ammons tegen Israel streden.
Richt 11:5 Zo geschiedde het, toen de kinderen Ammons tegen Israel streden, dat de oudsten van Gilead heengingen, om Jeftha te halen uit het land van Tob.
Richt 11:6 En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons.
Richt 11:7 Maar Jeftha zei tot de oudsten van Gilead: Hebt gij mij niet gehaat, en mij uit het huis van mijn vader verstoten? waarom zijt gij dan nu tot mij gekomen, terwijl gij in benauwdheid zijt?
Richt 11:8 En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: Daarom zijn wij nu tot u teruggekomen, opdat gij met ons trekt, en tegen de kinderen Ammons strijdt; en gij zult ons tot een hoofd zijn, over alle inwoners van Gilead.
Richt 11:9 Toen zei Jeftha tot de oudsten van Gilead: Zo gij mij terughaalt, om te strijden tegen de kinderen Ammons, en de HEERE hen voor mijn aangezicht geven zal, zal ik u dan tot een hoofd zijn?
Richt 11:10 En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: De HEERE zij getuige tussen ons, indien wij niet alzo naar uw woord doen.
Richt 11:11 Alzo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht des HEEREN te Mizpa.

Richt 11:12 Voorts zond Jeftha boden tot de koning van de kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben ik en gij met elkaar te doen, dat gij tot mij gekomen zijt, om tegen mijn land te strijden?
Richt 11:13 En de koning van de kinderen Ammons zei tot de boden van Jeftha: Omdat Israel, toen hij uit Egypte optrok, mijn land genomen heeft, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en tot aan de Jordaan; zo geef mij dat nu terug met vrede.
Richt 11:14 Jeftha zond opnieuw boden tot de koning van de kinderen Ammons.
Richt 11:15 En hij zei tot hem: Zo zegt Jeftha: Israel heeft het land der Moabieten, en het land van de kinderen Ammons niet genomen;
Richt 11:16 Want toen zij uit Egypte optrokken, zo wandelde Israel door de woestijn tot aan de Rode Zee, en kwam te Kades.
Richt 11:17 En Israel zond boden tot de koning van de Edomieten, zeggende: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning der Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot de koning der Moabieten, die ook niet wilde. Alzo bleef Israel in Kades.
Richt 11:18 Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land der Edomieten en het land der Moabieten heen, en kwam van de opgang van de zon aan het land der Moabieten, en zij legerden zich op de andere zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de grens der Moabieten; want de Arnon is de grens der Moabieten.
Richt 11:19 Maar Israel zond boden tot Sihon, de koning der Amorieten, koning van Hesbon, en Israel zei tot hem: Laat ons toch door uw land doortrekken tot aan mijn plaats.
Richt 11:20 Doch Sihon vertrouwde Israel niet toe door zijn gebied te trekken; maar Sihon verzamelde al zijn volk, en zij legerden zich te Jaza; en hij streed tegen Israel.
Richt 11:21 En de HEERE, de God van Israel, gaf Sihon met al zijn volk in de hand van Israel, dat zij hen versloegen; alzo nam Israel erfelijk in het ganse land der Amorieten, die in dat land woonden.
Richt 11:22 En zij namen erfelijk in het ganse gebied der Amorieten, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en van de woestijn tot aan de Jordaan.
Richt 11:23 Zo heeft nu de HEERE, de God van Israel, de Amorieten voor het aangezicht van Zijn volk Israel uit de bezitting verdreven; en zoudt gij hun erfgenaam zijn?
Richt 11:24 Zoudt gij niet moeten erven, hetgeen uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Alzo zullen wij al hetgeen erven, dat de HEERE, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft.
Richt 11:25 Nu voorts, zijt gij veel beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten? heeft hij ooit met Israel getwist? heeft hij ook ooit tegen hem gestreden?
Richt 11:26 Terwijl Israel driehonderd jaren gewoond heeft in Hesbon, en in zijn dorpen, en in AroŽr en in de dorpen, en in al de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn; waarom hebt gij het dan in die tijd niet gered?
Richt 11:27 Ook heb ik tegen u niet gezondigd, maar gij doet kwalijk bij mij, dat gij tegen mij strijdt; de HEERE, Die Rechter is, richte heden tussen de kinderen Israels en de kinderen Ammons!
Richt 11:28 Maar de koning der kinderen Ammons hoorde niet naar de woorden van Jeftha, die hij tot hem gezonden had.

Richt 11:29 Toen kwam de Geest des HEEREN op Jeftha, dat hij Gilead en Manasse doortrok; want hij trok door tot Mizpa in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons.
Richt 11:30 En Jeftha beloofde de HEERE een gelofte, en zei: Indien Gij de kinderen Ammons in mijn hand zult geven;
Richt 11:31 Zo zal hetgeen, dat uit de deur van mijn huis mij tegemoet gaat, als ik met vrede van de kinderen Ammons wederkom, dat zal van de HEERE zijn, en ik zal het offeren ten brandoffer.
Richt 11:32 Alzo trok Jeftha door naar de kinderen Ammons, om tegen hen te strijden; en de HEERE gaf hen in zijn hand.
Richt 11:33 En hij versloeg hen van AroŽr af tot waar gij komt te Minnith, twintig steden, en tot aan Abel-keramim, met een zeer grote slag. Alzo werden de kinderen Ammons tenonder gebracht voor het aangezicht van de kinderen Israels.
Richt 11:34 Toen nu Jeftha te Mizpa bij zijn huis kwam, ziet, zo ging zijn dochter uit hem tegemoet, met tamboerijn en dans. Zij nu was alleen, een enig kind; hij had buiten haar geen zoon of dochter.
Richt 11:35 En het geschiedde, toen hij haar zag, zo verscheurde hij zijn klederen, en zei: Ach, mijn dochter! gij hebt mij gans neergebogen, en gij zijt onder degenen, die mij beroeren; want ik heb mijn mond opengedaan tot de HEERE, en ik zal niet kunnen teruggaan.
Richt 11:36 En zij zei tot hem: Mijn vader! hebt gij uw mond opengedaan tot de HEERE, doe mij, gelijk als uit uw mond gegaan is; nu dat u de HEERE volkomen wraak gegeven heeft van uw vijanden, van de kinderen Ammons.
Richt 11:37 Voorts zei zij tot haar vader: Laat deze zaak aan mij geschieden: Laat mij twee maanden alleen, dat ik heenga, en ga tot de bergen, en beween mijn maagdom, ik en mijn vriendinnen.
Richt 11:38 En hij zei: Ga heen; en hij liet haar twee maanden gaan. Toen ging zij heen met haar vriendinnen, en beweende haar maagdom op de bergen.
Richt 11:39 En het geschiedde na twee maanden dat zij tot haar vader weerkwam, die aan haar volbracht zijn gelofte, die hij beloofd had; en zij heeft geen man bekend. Voorts werd het een gewoonte in Israel,
Richt 11:40 Dat de dochters van Israel van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, de Gileadiet, te beklagen, vier dagen in het jaar.

Hoofdstuk 12
Richt 12:1 Toen werden de mannen van EfraÔm bijeengeroepen, en trokken over naar het noorden; en zij zeiden tot Jeftha: Waarom zijt gij doorgetrokken om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen, om met u te gaan? wij zullen uw huis met u met vuur verbranden.
Richt 12:2 En Jeftha zei tot hen: Ik en mijn volk waren in zware strijd met de kinderen Ammons; en ik heb ulieden geroepen, maar gij hebt mij uit hun hand niet verlost.
Richt 12:3 Toen ik nu zag, dat gij niet verloste, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en trok door tot de kinderen Ammons, en de HEERE gaf hen in mijn hand; waarom zijt gij dan vandaag tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden?
Richt 12:4 En Jeftha vergaderde alle mannen van Gilead, en streed met EfraÔm; en de mannen van Gilead versloegen EfraÔm, want de Gileadieten, zijnde tussen EfraÔm en Manasse, zeiden: Gijlieden zijt vluchtelingen van EfraÔm.
Richt 12:5 Want de Gileadieten namen de EfraÔmieten de veerplaatsen van de Jordaan af; en het geschiedde, als de vluchtelingen van EfraÔm zeiden: Laat mij overgaan; zo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt gij een EfraÔmiet? wanneer hij dan zei: Neen;
Richt 12:6 Zo zeiden zij tot hem: Zeg nu Schibboleth; maar hij zei: Sibbolet, en kon het dus niet goed uitspreken; zo grepen zij hem, en versloegen hem aan de veerplaatsen van de Jordaan, zodat in die tijd van EfraÔm vielen twee en veertig duizend man.
Richt 12:7 Jeftha nu richtte Israel zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.

Richt 12:8 En na hem richtte Israel Ebzan, van Bethlehem.
Richt 12:9 En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochters naar buiten, en bracht dertig dochters van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte Israel zeven jaren.
Richt 12:10 Toen stierf Ebzan, en werd begraven te Bethlehem.
Richt 12:11 En na hem richtte Israel Elon, de Zebuloniet, en hij richtte Israel tien jaren.
Richt 12:12 En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajalon, in het land van Zebulon.
Richt 12:13 En na hem richtte Israel Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet.
Richt 12:14 En hij had veertig zonen, en dertig kleinzonen, rijdende op zeventig ezelveulens; en hij richtte Israel acht jaren.
Richt 12:15 Toen stierf Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet; en hij werd begraven te Pirhathon, in het land van EfraÔm, op de berg van de Amalekieten.

Hoofdstuk 13
Richt 13:1 En de kinderen Israels voegden nog toe aan dat kwaad was in de ogen des HEEREN; zo gaf de HEERE hen in de hand van de Filistijnen veertig jaren.
Richt 13:2 En er was een man van Zora, uit het geslacht van Dan, wiens naam was Manoah; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet.
Richt 13:3 En een Engel des HEEREN verscheen aan deze vrouw, en Hij zei tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar, en hebt niet gebaard; maar gij zult zwanger worden, en een zoon baren.
Richt 13:4 Zo wacht u toch nu, en drink geen wijn noch sterke drank, en eet niets dat onrein is.
Richt 13:5 Want zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een NazireŽr Gods zijn, van moeders schoot af; en hij zal beginnen Israel te verlossen uit de hand van de Filistijnen.
Richt 13:6 Toen kwam deze vrouw binnen, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man Gods tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel Gods, zeer vreselijk; en ik vroeg Hem niet, vanwaar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
Richt 13:7 Maar Hij zei tot mij: Zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterke drank, en eet niets dat onrein is; want dat knechtje zal een NazireŽr Gods zijn, van moeders schoot af tot op de dag van zijn dood.

Richt 13:8 Toen aanbad Manoah de HEERE vurig, en zei: Och, HEERE! dat toch de Man Gods, Die Gij gezonden hebt, weer tot ons kome, en ons zal leren, wat we dat knechtje doen zullen, dat geboren zal worden.
Richt 13:9 En God verhoorde de stem van Manoah; en de Engel Gods kwam weer tot de vrouw. Zij nu zat in het veld, doch haar man Manoah was niet bij haar.
Richt 13:10 Zo haastte de vrouw, en liep, en gaf het haar man te kennen; en zij zei tot hem: Zie, die Man is mij verschenen, Die op die dag tot mij kwam.
Richt 13:11 Toen stond Manoah op, en ging zijn huisvrouw na; en hij kwam tot die Man, en zei tot Hem: Zijt gij die Man, Die tot deze vrouw gesproken hebt? En Hij zei: Ik ben het.
Richt 13:12 Toen zei Manoah: Nu, dat Uw woorden mogen komen; maar wat moeten wij bij het opgroeien van dit kind in acht nemen en wat zal zijn werk zijn?
Richt 13:13 En de Engel des HEEREN zei tot Manoah: Van alles, wat Ik tot de vrouw gezegd heb, zal zij zich wachten.
Richt 13:14 Zij zal niet eten van iets, dat van de wijnstok voortkomt; en wijn en sterke drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten; al wat Ik haar geboden heb, zal zij onderhouden.

Richt 13:15 Toen zei Manoah tot de Engel des HEEREN: Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden.
Richt 13:16 Maar de Engel des HEEREN zei tot Manoah: Indien gij Mij zult ophouden, Ik zal van uw brood niet eten; en indien gij een brandoffer zult doen, dat zult gij de HEERE offeren. Want Manoah wist niet, dat het een Engel des HEEREN was.
Richt 13:17 En Manoah zei tot de Engel des HEEREN: Hoe is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen.
Richt 13:18 En de Engel des HEEREN zei tot hem: Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die toch is Wonderlijk.
Richt 13:19 Toen nam Manoah een geitenbokje, en het spijsoffer, en offerde het op de rots, aan de HEERE. En Hij handelde wonderlijk in Zijn doen; en Manoah en zijn huisvrouw zagen toe.
Richt 13:20 En het geschiedde, toen de vlam van het altaar opvoer naar de hemel, zo voer de Engel des HEEREN op in de vlam van het altaar. Als Manoah en zijn huisvrouw dat zagen, zo vielen zij op hun aangezichten ter aarde.
Richt 13:21 En de Engel des HEEREN verscheen niet meer aan Manoah, en aan zijn huisvrouw. Toen bekende Manoah, dat het een Engel des HEEREN was.
Richt 13:22 En Manoah zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen zeker sterven, omdat wij God gezien hebben.
Richt 13:23 Maar zijn huisvrouw zei tot hem: Zo de HEERE lust had ons te doden, Hij had het brandoffer en spijsoffer van onze hand niet aangenomen, noch ons dit alles getoond, noch ons om deze tijd laten horen, zulke dingen als deze.

Richt 13:24 Daarna baarde deze vrouw een zoon, en zij noemde zijn naam Simson; en dat kindje werd groot, en de HEERE zegende het.
Richt 13:25 En de Geest des HEEREN begon hem aan te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en Esthaol.

Hoofdstuk 14
Richt 14:1 En Simson ging af naar Thimnath, en toen hij een vrouw gezien had in Thimnath, van de dochters der Filistijnen,
Richt 14:2 Zo ging hij opwaarts, en gaf het zijn vader en zijn moeder te kennen, en zei: Ik heb een vrouw gezien te Thimnath, van de dochters der Filistijnen; nu dan, neem mij die tot een vrouw.
Richt 14:3 Maar zijn vader zei tot hem, evenals zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochters van uw broeders, en onder al mijn volk, dat gij heengaat, om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zei tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen.
Richt 14:4 Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van de HEERE was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten in die tijd over Israel.
Richt 14:5 Alzo ging Simson, met zijn vader en zijn moeder, af naar Thimnath. Toen zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar kwam een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.
Richt 14:6 Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem vaneen scheurde, gelijk men een bokje vaneen scheurt, en er was niets in zijn hand; doch hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had.
Richt 14:7 En hij kwam af, en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Simsons ogen.
Richt 14:8 En na enige dagen kwam hij weer, om haar ten huwelijk te nemen; toen maakte hij een omweg, om het aas van de leeuw te bezien, en ziet, een bijenzwerm was in het lichaam van de leeuw, met honing.
Richt 14:9 En hij nam die in zijn handen, en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijn vader en tot zijn moeder, en gaf hun daarvan, en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij de honing uit het lichaam van de leeuw genomen had.

Richt 14:10 Toen nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw om voorbereidingen te treffen, zo maakte Simson aldaar een bruiloft, want alzo plachten de jongemannen te doen.
Richt 14:11 En het geschiedde, toen zij hem zagen, zo namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn.
Richt 14:12 Simson dan zei tot hen: Ik zal nu ulieden een raadsel te raden geven; indien gij mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft wel zult verklaren en oplossen, zo zal ik ulieden geven dertig fijne linnen klederen, en dertig wisselklederen.
Richt 14:13 En indien gij het mij niet zult kunnen verklaren, zo zult gijlieden mij geven dertig fijne linnen klederen, en dertig wisselklederen. En zij zeiden tot hem: Geef uw raadsel om te raden, en laat het ons horen.
Richt 14:14 En hij zei tot hen: Spijze ging uit van de eter, en zoetigheid ging uit van de sterke. En zij konden dat raadsel na drie dagen niet oplossen.
Richt 14:15 Daarna geschiedde het op de zevende dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Haal uw man over, dat hij dat raadsel verklaart, opdat wij niet misschien u, en het huis van uw vader, met vuur verbranden. Hebt gij ons genodigd, om ons te laten verarmen?
Richt 14:16 En Simsons huisvrouw weende voor hem en zei: Gij haat mij maar, en hebt mij niet lief; gij hebt de kinderen van mijn volk een raadsel te raden gegeven, en hebt het mij niet verklaard. En hij zei tot haar: Zie, ik heb het mijn vader en mijn moeder niet verklaard, zou ik het u dan verklaren?
Richt 14:17 En zij weende voor hem, op de zevende dag waarop zij deze bruiloft hadden; zo geschiedde het op de zevende dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem; en zij verklaarde dat raadsel aan de kinderen van haar volk.
Richt 14:18 Toen zeiden de mannen van de stad tot hem, op de zevende dag, eer de zon onderging: Wat is zoeter dan honing? en wat is sterker dan een leeuw? En hij zei tot hen: Zo gij met mijn kalf niet had geploegd, gij zoudt mijn raadsel niet hebben opgelost.
Richt 14:19 Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man neer; en hij nam hun gewaad, en gaf de wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Doch zijn toorn ontstak, en hij ging op in het huis van zijn vader.
Richt 14:20 En de huisvrouw van Simson werd gegeven aan zijn metgezel, die hem begeleid had.

Hoofdstuk 15
Richt 15:1 En het geschiedde na enige dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn huisvrouw bezocht met een geitenbokje, en hij zei: Laat mij tot mijn huisvrouw ingaan in de kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan.
Richt 15:2 Want haar vader zei: Ik dacht voorzeker, dat gij haar geheel en al haatte, zo heb ik haar aan uw metgezel gegeven. Is niet haar jongste zuster schoner dan zij? Laat zij u toch zijn in haar plaats.
Richt 15:3 Toen zei Simson tot henlieden: Ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe.
Richt 15:4 En Simson ging heen, en ving driehonderd vossen; en hij nam fakkels, en keerde staart aan staart, en deed een fakkel tussen twee staarten in het midden.
Richt 15:5 En hij stak de fakkels aan met vuur, en liet ze los in het staande koren van de Filistijnen; en hij stak in brand zowel de korenhopen als het staande koren, zelfs tot de wijngaarden en olijfbomen toe.
Richt 15:6 Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de Thimniet, omdat hij zijn huisvrouw heeft genomen, en heeft haar aan zijn metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op, en verbrandden haar en haar vader met vuur.
Richt 15:7 Toen zei Simson tot hen: Doet gij aldus? Als ik mij aan u gewroken heb, zal ik daarna ophouden.
Richt 15:8 En hij sloeg hen aan dij en heup, met een grote slag; en hij ging af, en woonde op de hoogte van de rots Etam.

Richt 15:9 Toen trokken de Filistijnen op, en legerden zich tegen Juda, en verspreidden zich in Lechi.
Richt 15:10 En de mannen van Juda zeiden: Waarom zijt gijlieden tegen ons opgetrokken? En zij zeiden: Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om hem te doen, gelijk als hij ons gedaan heeft.
Richt 15:11 Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot de spelonk van de rots Etam, en zeiden tot Simson: Wist gij niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan? En hij zei tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hun gedaan.
Richt 15:12 En zij zeiden tot hem: Wij zijn gekomen om u te binden, om u over te leveren in de hand der Filistijnen. Toen zei Simson tot hen: Zweert mij, dat gijlieden mij niet zult aanvallen.
Richt 15:13 En zij spraken tot hem, zeggende: Nee, maar wij zullen u wel binden, en u in hun hand overleveren; doch wij zullen u geenszins doden. En zij bonden hem met twee nieuwe touwen, en brachten hem op van de rots.
Richt 15:14 Als hij kwam tot Lechi, zo juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest des HEEREN werd vaardig over hem; en de touwen, die aan zijn armen waren, werden als linnen draden, die van het vuur gebrand zijn, en zijn banden versmolten van zijn handen.
Richt 15:15 En hij vond een vochtig kaakbeen van een ezel, en hij strekte zijn hand uit, en nam het, en sloeg daarmee duizend man.
Richt 15:16 Toen zei Simson: Met een ezelskaakbeen, één hoop, twee hopen, met een ezelskaakbeen heb ik duizend man verslagen.
Richt 15:17 En het geschiedde, toen hij geŽindigd had te spreken, zo wierp hij het kaakbeen uit zijn hand, en hij noemde die plaats Ramath-lechi.

Richt 15:18 Toen hij nu zeer dorstig was, zo riep hij tot de HEERE, en zei: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand van deze onbesnedenen?
Richt 15:19 Toen kloofde God de holle plaats, die in Lechi is, en er ging water uit daarvan, en hij dronk. Toen kwam zijn geest terug, en hij werd levend. Daarom noemde hij haar naam: De bron van de roepende, die in Lechi is, tot op deze dag.
Richt 15:20 En hij richtte Israel, in de dagen van de Filistijnen, twintig jaren.

Hoofdstuk 16
Richt 16:1 Simson nu ging heen naar Gaza; en hij zag daar een vrouw, die een hoer was; en hij ging tot haar in.
Richt 16:2 Toen werd de Gazieten gezegd: Simson is hier binnen gekomen; zo gingen zij rondom, en lagen de hele nacht in hinderlaag in de stadspoort; maar zij hielden zich de hele nacht stil, zeggende: Tot aan het morgenlicht, dan zullen wij hem doden.
Richt 16:3 Maar Simson lag tot middernacht; toen stond hij op te middernacht, en hij greep de deuren van de stadspoort met de beide posten, en nam ze weg met de grendelboom, en legde ze op zijn schouders, en droeg ze omhoog op de hoogte van de berg, die vanuit Hebron te zien is.

Richt 16:4 En het geschiedde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek, haar naam was Delila.
Richt 16:5 Toen kwamen de vorsten van de Filistijnen tot haar, en zeiden tot haar: Verleid hem, en zie, waaraan hij zijn grote kracht dankt, en waarmee wij hem in onze macht zouden krijgen, en hem binden, om hem te kwellen; zo zullen wij u geven, een ieder, duizend en honderd zilverstukken.
Richt 16:6 Delila dan zei tot Simson: Verklaar mij toch, waarin uw grote kracht ligt, en waarmee gij zoudt kunnen gebonden worden, zodat men u kan kwellen.
Richt 16:7 En Simson zei tot haar: Indien zij mij bonden met zeven verse touwen, die niet uitgedroogd zijn, zo zou ik zwak worden, en wezen als elk ander mens.
Richt 16:8 Toen brachten de vorsten van de Filistijnen haar zeven verse touwen, die niet uitgedroogd waren; en zij bond hem daarmee.
Richt 16:9 De mannen in hinderlaag nu zaten bij haar in een binnenkamer. Zo zei zij tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen verbrak hij de touwen, gelijk als een snoertje van grof vlas verbroken wordt, als het maar even in het vuur is geweest. Alzo werd zijn kracht niet bekend.
Richt 16:10 Toen zei Delila tot Simson: Zie, gij hebt met mij de spot gedreven, en leugens tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmee gij zoudt kunnen gebonden worden?
Richt 16:11 En hij zei tot haar: Indien zij mij vastbonden met nieuwe touwen, waarmee geen werk gedaan is, zo zou ik zwak worden, en wezen als elk ander mens.
Richt 16:12 Toen nam Delila nieuwe touwen, en bond hem daarmee, en zei tot hem: De Filistijnen over u, Simson! -De mannen van de hinderlaag nu zaten in een binnenkamer.- Toen verbrak hij ze van zijn armen als een draad.
Richt 16:13 En Delila zei tot Simson: Tot hiertoe hebt gij met mij de spot gedreven, en leugens tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmee gij zoudt kunnen gebonden worden. En hij zei tot haar: Indien gij de zeven haarlokken van mijn hoofd samen vlecht in het weefgetouw en met een pin vast maakt.
Richt 16:14 En zij maakte ze vast met een pin, en zei tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen waakte hij op uit zijn slaap, en nam de pin van de gevlochten haarlokken weg, met het weefgetouw.
Richt 16:15 Toen zei zij tot hem: Hoe kunt gij zeggen: Ik heb u lief, daar uw hart niet met mij is? Gij hebt nu driemaal met mij de spot gedreven, en mij niet verklaard, waarin uw grote kracht ligt.
Richt 16:16 En het geschiedde, toen zij hem alle dagen met haar woorden perste, en hem moeilijk viel, dat zijn ziel verdrietig werd tot stervens toe;
Richt 16:17 Zo verklaarde hij haar zijn hele hart, en zei tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een NazireŽr Gods van mijn geboorte af; indien ik geschoren werd, zo zou mijn kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle andere mensen.

Richt 16:18 Toen nu Delila zag, dat hij haar zijn hele hart verklaard had, zo zond zij heen, en riep de vorsten van de Filistijnen, zeggende: Komt nog ditmaal op, want hij heeft mij zijn hele hart verklaard. En de vorsten van de Filistijnen kwamen tot haar, en brachten het geld mee in hun hand.
Richt 16:19 Toen deed zij hem slapen op haar knieën, en riep een man en liet hem de zeven haarlokken van zijn hoofd afscheren, en zij begon hem te plagen; en zijn kracht week van hem.
Richt 16:20 En zij zei: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap, en zei: Ik zal ditmaal uitgaan, zoals de andere keren, en mij los schudden; want hij wist niet, dat de HEERE van hem geweken was.
Richt 16:21 Toen grepen hem de Filistijnen, en staken zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketens, en hij moest koren malen in de gevangenis.

Richt 16:22 En het haar van zijn hoofd begon weer te groeien, zoals voordat hij geschoren werd.
Richt 16:23 Toen verzamelden zich de vorsten van de Filistijnen, om hun god Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze hand gegeven.
Richt 16:24 Desgelijks als hem het volk zag, loofden zij hun god, want zij zeiden: Onze god heeft in onze hand gegeven onze vijand, en die ons land verwoestte, en die onze verslagenen velen maakte!
Richt 16:25 En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij ons vermaakt. En zij riepen Simson uit de gevangenis; en hij vermaakte hen, en zij deden hem staan tussen de pilaren.
Richt 16:26 Toen zei Simson tot de jongen, die hem bij de hand hield: Laat mij gaan, dat ik de pilaren kan aanraken, waarop het huis gevestigd is, dat ik daartegen kan leunen.
Richt 16:27 Het huis nu was vol mannen en vrouwen; ook waren daar alle vorsten van de Filistijnen; en op het dak waren omtrent drie duizend mannen en vrouwen, die toezagen, terwijl Simson hen vermaakte.
Richt 16:28 Toen riep Simson tot de HEERE, en zei: Heere, HEERE! gedenk mij toch, en sterk mij toch alleen ditmaal, o God! dat ik mij met een wraak voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke.
Richt 16:29 En Simson vatte de twee middelste pilaren, waarop het huis was gevestigd, en waarop het steunde, de ene met zijn rechterhand, en de andere met zijn linkerhand;
Richt 16:30 En Simson zei: Dat ik sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had.
Richt 16:31 Toen kwamen zijn broers af, en het hele huis van zijn vader, en namen hem op, en brachten hem opwaarts, en begroeven hem tussen Zora en Esthaol, in het graf van zijn vader Manoah; hij nu had Israel gericht twintig jaren.

Hoofdstuk 17
Richt 17:1 En er was een man van het gebergte van EfraÔm, wiens naam was Micha.
Richt 17:2 Die zei tot zijn moeder: De duizend en honderd zilverstukken, die u ontnomen zijn, waarom gij gevloekt en ook voor mijn oren gesproken hebt, zie, dat geld is bij mij, ik heb dat genomen. Toen zei zijn moeder: Gezegend zij mijn zoon door de HEERE!
Richt 17:3 Alzo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverstukken terug. Maar zijn moeder zei: Ik heb dat geld de HEERE geheel geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu teruggeven.
Richt 17:4 Maar hij gaf dat geld aan zijn moeder terug. En zijn moeder nam tweehonderd zilverstukken, en gaf ze de goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in het huis van Micha.
Richt 17:5 En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod en terafim, en wijdde de hand van een van zijn zonen, dat hij hem tot een priester was.
Richt 17:6 In die dagen was er geen koning in Israel; een ieder deed, wat recht was in zijn ogen.

Richt 17:7 Nu was er een jongeman van Bethlehem-juda, van het geslacht van Juda; die een Leviet was, en aldaar verbleef.
Richt 17:8 En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-juda vertrokken, om te verblijven, waar hij een plaats zou vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte van EfraÔm tot het huis van Micha, om zijn weg te gaan,
Richt 17:9 Zo zei Micha tot hem: vanwaar komt gij? En hij zei tot hem: Ik ben een Leviet, van Bethlehem-juda, en ik reis, om te zoeken, waar ik een plaats zal vinden.
Richt 17:10 Toen zei Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverstukken, en kleding en voedsel; alzo ging de Leviet met hem.
Richt 17:11 En de Leviet stemde toe bij die man te blijven; en de jonge man was hem als één van zijn zonen.
Richt 17:12 En Micha wijdde de Leviet, dat hij hem tot een priester zou zijn; alzo was hij in het huis van Micha.
Richt 17:13 Toen zei Micha: Nu weet ik, dat de HEERE mij weldoen zal, omdat ik deze Leviet tot een priester heb.

Hoofdstuk 18
Richt 18:1 In die dagen was er geen koning in Israel; en in die dagen zocht de stam der Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op die dag onder de stammen van Israel niet genoeg ter erfenis toegevallen.
Richt 18:2 Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hun midden, mannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Esthaol, om het land te verspieden, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van EfraÔm, tot aan het huis van Micha, en overnachtten aldaar.
Richt 18:3 Toen zij bij het huis van Micha waren, zo kenden zij de stem van de jongeman, de Leviet; en zij gingen daarheen, en zeiden tot hem: Wie heeft u hier gebracht, en wat doet gij hier, en wat hebt gij hier?
Richt 18:4 En hij zei tot hen: Zo en zo heeft Micha mij gedaan; en hij heeft mij gehuurd, en ik ben hem tot een priester.
Richt 18:5 Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, die wij gaan, voorspoedig zal zijn.
Richt 18:6 En de priester zei tot hen: Gaat in vrede; uw weg, die gij zult gaan, is voor de HEERE.

Richt 18:7 Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te LaÔs; en zij zagen het volk, dat daarin woonde, zijnde gelegen in veiligheid, naar de wijze der SidoniŽrs, stil en zeker; en daar was geen gezaghebber, die iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de SidoniŽrs, en hadden niets te doen met enige mens.
Richt 18:8 En zij kwamen tot hun broeders te Zora en te Esthaol, en hun broeders zeiden tot hen: Wat hebt gij te zeggen?
Richt 18:9 En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, en ziet, het is zeer goed; zoudt gij dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken, dat gij daar inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen;
Richt 18:10 -Als gij daar komt, zo zult gij komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte- want God heeft het in uw hand gegeven; een plaats, waar geen gebrek is van enig ding, dat op de aarde is.
Richt 18:11 Toen reisden van daar uit het geslacht der Danieten, van Zora en van Esthaol, zeshonderd man, uitgerust met krijgswapens.
Richt 18:12 En zij trokken op, en legerden zich bij Kirjath-jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machane-dan, tot op deze dag; ziet, het is achter Kirjath-jearim.
Richt 18:13 En van daar trokken zij door naar het gebergte van EfraÔm, en zij kwamen tot aan het huis van Micha.

Richt 18:14 Toen antwoordden de vijf mannen, die naar het land van LaÔs gegaan waren om het te verspieden, en zeiden tot hun broeders: Weet gijlieden ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen staat.
Richt 18:15 Toen gingen zij daarheen, en kwamen aan het huis van de jongeman, de Leviet, ten huize van Micha; en zij vroegen hem naar vrede.
Richt 18:16 En de zeshonderd mannen, die van de kinderen van Dan waren, met hun krijgswapens aangegord, bleven staan aan de deur van de poort.
Richt 18:17 Maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land te verspieden, gingen verder, kwamen daar binnen, en namen het gesneden beeld weg, en de efod, en de terafim, en het gegoten beeld; de priester nu bleef staan aan de deur van de poort, met de zeshonderd mannen, die met krijgswapens uitgerust waren.
Richt 18:18 Als die nu in het huis van Micha waren ingegaan, en het gesneden beeld, de efod, en de terafim, en het gegoten beeld weggenomen hadden, zo zei de priester tot hen: Wat doet gij?
Richt 18:19 En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een priester! Is het beter, dat gij een priester zijt voor het huis van één man, of dat gij een priester zijt voor een stam, en een geslacht in Israel?
Richt 18:20 Toen werd het hart van de priester vrolijk, en hij nam de efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden van het volk.
Richt 18:21 Alzo keerden zij zich, en trokken voort; en zij stelden de kinderen, en het vee, en de bagage voor zich op.
Richt 18:22 Toen zij al ver van Micha's huis gekomen waren, zo werden de mannen in de huizen, die bij het huis van Micha waren, bijeengeroepen, en zij achterhaalden de kinderen van Dan.
Richt 18:23 En zij riepen de kinderen van Dan na; die hun aangezichten omkeerden, en tot Micha zeiden: Wat is er met u, dat gij bijeengeroepen zijt?
Richt 18:24 Toen zei hij: Gij hebt mijn goden, die ik gemaakt had, weggenomen, evenals de priester, en zijt weggegaan; wat heb ik nu nog? Wat is het dan, dat gij tot mij zegt: Wat is er met u?
Richt 18:25 Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uw stem bij ons niet horen, opdat niet misschien mannen, van bitter gemoed, op u aanvallen, en gij uw leven verliest, en het leven van uw huis.
Richt 18:26 Alzo gingen de kinderen van Dan huns weegs; en Micha, ziende, dat zij sterker waren dan hij, zo keerde hij om, en kwam terug tot zijn huis.

Richt 18:27 Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en de priester, die hij gehad had, en kwamen te LaÔs, tot een stil en veilig volk, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, en de stad verbrandden zij met vuur.
Richt 18:28 En er was niemand, die hen verloste; want zij was verre van Sidon, en zij hadden niets met enig mens te doen; en zij lag in het dal, dat bij Beth-rechob is. Daarna herbouwden zij de stad, en woonden daarin.
Richt 18:29 En zij noemden de naam van de stad Dan, naar de naam van hun vader Dan, die aan Israel geboren was; hoewel de naam van deze stad tevoren LaÔs was.
Richt 18:30 En de kinderen van Dan richtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, hij en zijn zonen waren priesters voor de stam der Danieten, tot de dag toe, dat de bewoners van het land gevangen werden weggevoerd.
Richt 18:31 Alzo stelden zij voor zich het gesneden beeld op van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis Gods te Silo was.

Hoofdstuk 19
Richt 19:1 Het geschiedde ook in die dagen, toen er geen koning was in Israel, dat er een Levietische man was, die als vreemdeling verbleef aan de zijden van het gebergte van EfraÔm, die zich een vrouw, een bijvrouw, nam van Bethlehem-juda.
Richt 19:2 Maar zijn bijvrouw hoereerde, bij hem zijnde, en trok van hem weg naar het huis van haar vader, tot Bethlehem-juda; en zij was daar enige dagen, te weten vier maanden.
Richt 19:3 En haar man stond op, en ging haar na, om vriendelijk tot haar te spreken, om haar terug te halen; en zijn dienaar was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hem in het huis van haar vader. En toen de vader van de jonge vrouw hem zag, verheugde hij zich over deze ontmoeting.
Richt 19:4 En zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, hield hem op, dat hij drie dagen bij hem bleef; en zij aten en dronken, en overnachtten aldaar.
Richt 19:5 Op de vierde dag nu geschiedde het, dat zij des morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trekken; toen zei de vader van de jongedochter tot zijn schoonzoon: Sterk uw hart met een stuk brood, en daarna zult gijlieden wegtrekken.
Richt 19:6 Zo zaten zij neder, en zij beiden aten tezamen, en dronken. Toen zei de vader van de jonge vrouw tot de man: Blijf toch nog deze nacht, en laat uw hart vrolijk zijn.
Richt 19:7 Maar de man stond op, om weg te trekken. Toen overreedde hem zijn schoonvader, dat hij aldaar nog eens overnachtte.
Richt 19:8 Toen hij op de vijfde dag des morgens vroeg op was, om weg te trekken, zo zei de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij vertoefden, totdat de dag zich neigde; en zij beiden aten tezamen.
Richt 19:9 Toen maakte zich de man op, om weg te gaan, hij en zijn bijvrouw en zijn dienaar; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zei: Zie toch, de dag neigt zich reeds, dat het avond zal worden, overnacht toch; zie, de dag gaat al ten einde, overnacht hier, en laat uw hart vrolijk zijn, en ga morgen vroeg uws weegs, en ga dan naar uw tent.
Richt 19:10 Doch de man wilde niet overnachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus -dat is Jeruzalem-, en met hem het paar gezadelde ezels; ook was zijn bijvrouw met hem.
Richt 19:11 Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag al ver heen; en de dienaar zei tot zijn meester: Trek toch voort, en laat ons naar deze stad van de Jebusieten gaan, en daar overnachten.
Richt 19:12 Maar zijn meester zei tot hem: Wij zullen daar niet heen gaan, tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen Israels; maar wij zullen voorttrekken tot Gibea toe.
Richt 19:13 Voorts zei hij tot zijn dienaar: Ga voort, dat wij tot een van die plaatsen komen, en te Gibea of te Rama overnachten.
Richt 19:14 Alzo liepen zij verder; en de zon ging hun onder bij Gibea, dat tot Benjamin behoort;
Richt 19:15 En zij keerden daarheen, om in Gibea te overnachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in een straat van de stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te overnachten.

Richt 19:16 En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in de avond, die man was ook van het gebergte van EfraÔm, maar verkeerde als vreemdeling te Gibea; doch de inwoners van deze plaats waren kinderen van Jemini.
Richt 19:17 Als hij nu zijn ogen ophief, zo zag hij die reizende man op de straat van de stad; en de oude man zei: Waar trekt gij heen, en vanwaar komt gij?
Richt 19:18 En hij zei tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-juda tot aan de zijden van het gebergte van EfraÔm, vanwaar ik ben; en ik was naar Bethlehem-juda getrokken, maar ik trek nu naar het huis des HEEREN; en er is niemand, die mij in huis neemt.
Richt 19:19 Daar toch onze ezels zowel stro als voer hebben, en ook brood en wijn is er voor mij, en voor uw dienstmaagd, en voor de dienaar, die bij uw knechten is; er is aan geen ding gebrek.
Richt 19:20 Toen zei de oude man: Vrede zij u! al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleen breng de nacht niet door op de straat.
Richt 19:21 En hij bracht hem in zijn huis, en gaf aan de ezels voer; en hun voeten gewassen hebbende, zo aten en dronken zij.

Richt 19:22 Toen zij zich nu verkwikten, ziet, zo omringden de mannen van die stad -mannen, die Belialskinderen waren- het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot de oude man, de heer des huizes, zeggende: Breng de man uit, die in uw huis gekomen is, opdat wij hem bekennen.
Richt 19:23 En de man, de heer des huizes, ging tot hen uit, en zei tot hen: Niet, mijn broeders, doet toch zo kwalijk niet; daar deze man in mijn huis gekomen is, zo doet zulke dwaasheid niet.
Richt 19:24 Ziet, mijn dochter die maagd is, en zijn bijvrouw, die zal ik nu buiten brengen, dat gij die schendt, en haar doet, wat goed is in uw ogen; maar doet aan deze man zulk een dwaas ding niet.
Richt 19:25 Maar de mannen wilden naar hem niet horen. Toen greep de man zijn bijvrouw, en bracht haar uit tot hen daarbuiten; en zij bekenden haar, en waren met haar bezig de hele nacht tot aan de morgen, en lieten haar gaan, toen de dageraad aanbrak.
Richt 19:26 En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van de morgenstond, en viel neer voor de deur van het huis van de man, waarin haar heer was, totdat het licht werd.
Richt 19:27 Als nu haar heer des morgens opstond en de deuren van het huis opendeed, en uitging om zijns weegs te gaan, ziet, zo lag de vrouw, zijn bijvrouw, aan de deur van het huis, en haar handen op de dorpel.
Richt 19:28 En hij zei tot haar: Sta op, en laat ons gaan; maar niemand antwoordde. Toen nam hij haar op de ezel, en de man maakte zich op, en trok naar zijn plaats.
Richt 19:29 Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijvrouw, en deelde haar overeenkomstig haar ledematen in twaalf stukken; en hij zond ze in alle gebieden van Israel.
Richt 19:30 En het geschiedde, dat al wie het zag, zei: Zoiets is niet geschied noch gezien, van die dag af, dat de kinderen Israels uit Egypteland zijn opgetrokken, tot op deze dag; neemt het ter harte, overlegt en spreekt!

Hoofdstuk 20
Richt 20:1 Toen togen alle kinderen Israels uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot de HEERE te Mizpa.
Richt 20:2 En de oversten van het hele volk stelden zich op temidden van al de stammen van Israel in de vergadering van het volk van God, vierhonderdduizend man te voet, die het zwaard uittrokken.
Richt 20:3 -De kinderen Benjamins nu hoorden, dat de kinderen Israels opgetrokken waren naar Mizpa.- En de kinderen Israels zeiden: Spreekt, hoe is dit kwaad geschied?
Richt 20:4 Toen antwoordde de Levietische man, de man van de vrouw, die gedood was, en zei: Ik kwam met mijn bijvrouw te Gibea, dat van Benjamin is, om te overnachten.
Richt 20:5 En de burgers van Gibea maakten zich tegen mij op, en omringden tegen mij het huis bij nacht; zij dachten mij te doden, en mijn bijvrouw hebben zij zo geschonden, dat zij gestorven is.
Richt 20:6 Toen nam ik mijn bijvrouw, en verdeelde haar, en zond haar in het ganse land der erfenis van Israel, omdat zij een schandelijke daad en dwaasheid in Israel gedaan hadden.
Richt 20:7 Ziet, gij allen zijt kinderen Israels, geef uw raad en voorstel!
Richt 20:8 Toen maakte zich al het volk op, als een enig man, zeggende: Wij zullen niet teruggaan, een ieder naar zijn tent, noch wijken, een ieder naar zijn huis.
Richt 20:9 Maar nu, dit is de zaak, die wij aan Gibea zullen doen: tegen haar optrekken in volgorde van het lot!
Richt 20:10 En wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen Israels, en honderd van duizend, en duizend van tien duizend, om proviand te verkrijgen voor het volk, opdat zij, komende te Gibea-benjamins, haar doen naar al de dwaasheid, die zij in Israel gedaan heeft.
Richt 20:11 Alzo werden alle mannen van Israel verzameld tot deze stad, verbonden als een enig man.

Richt 20:12 En de stammen van Israel zonden mannen door de hele stam van Benjamin, zeggende: Wat voor een kwaad is dit, dat onder u geschied is?
Richt 20:13 Zo geeft nu die mannen, die kinderen Belials, die te Gibea zijn, dat wij hen doden, en het kwaad uit Israel wegdoen. Doch de kinderen van Benjamin wilden niet horen naar de stem van hun broeders, de kinderen Israels.
Richt 20:14 Maar de kinderen van Benjamin verzamelden zich uit de steden naar Gibea, om uit te trekken ten strijde tegen de kinderen Israels.
Richt 20:15 En de kinderen van Benjamin werden op die dag geteld uit de steden, zes en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gibea geteld werden, zevenhonderd uitgelezen mannen.
Richt 20:16 Onder al dit volk waren zevenhonderd bijzondere manschappen, die links waren; deze allen slingerden met een steen op een haar nauwkeurig, zonder te missen.
Richt 20:17 En de mannen van Israel werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderd duizend mannen, die het zwaard uittrokken; deze allen waren mannen van oorlog.

Richt 20:18 En de kinderen Israels maakten zich op, en togen op naar het huis van God, en vroegen God, en zeiden: Wie zal onder ons het eerst optrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin? En de HEERE zei: Juda het eerst.
Richt 20:19 Alzo maakten zich de kinderen Israels in de morgenstond op, en legerden zich tegen Gibea.
Richt 20:20 En de mannen van Israel togen uit ten strijde tegen Benjamin; voorts gingen de mannen Israels de strijd tegen hen aan bij Gibea.
Richt 20:21 Toen trokken de kinderen van Benjamin uit van Gibea, en op die dag vielen door hen twee en twintig duizend man van Israel .
Richt 20:22 Doch het volk stelde zich weer in slagorde, te weten de mannen van Israel, om de strijd weer aan te gaan ter plaatse, waar zij die de vorige dag aangegaan waren.
Richt 20:23 En de kinderen Israels gingen op, en weenden voor het aangezicht des HEEREN tot de avond, en vroegen de HEERE zeggende: Zal ik weer ten strijde trekken tegen de kinderen van Benjamin, mijn broeder? En de HEERE zei: Trekt tegen hem op.
Richt 20:24 Zo naderden de kinderen Israels tot de kinderen van Benjamin, de volgende dag.
Richt 20:25 En die van Benjamin trokken uit hun tegemoet, uit Gibea, op de tweede dag, en velden van de kinderen Israels nog achttien duizend man neer ter aarde; die allen het zwaard uittrokken.

Richt 20:26 Toen trokken alle kinderen Israels en al het volk op, en kwamen tot het huis van God, en weenden, en bleven aldaar voor het aangezicht des HEEREN, en vastten die dag tot op de avond; en zij offerden brandoffers en dankoffers voor het aangezicht des HEEREN.
Richt 20:27 En de kinderen Israels vroegen de HEERE, want aldaar was de ark van het verbond Gods in die dagen.
Richt 20:28 En Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Ašron, stond voor Zijn aangezicht, in die dagen, zeggende: Zal ik nog meer uittrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broeder, of zal ik ophouden? en de HEERE zei: Trekt op, want morgen zal Ik hem in uw hand geven.
Richt 20:29 Toen legde Israel hinderlagen rondom Gibea.
Richt 20:30 En de kinderen Israels trokken op, aan de derde dag, tegen de kinderen van Benjamin; en zij gingen de strijd aan tegen Gibea, zoals de andere keren.
Richt 20:31 Toen togen de kinderen van Benjamin uit, het volk tegemoet, en werden van de stad weggelokt; en zij begonnen te slaan van het volk, en te doorsteken, gelijk de andere keren, op de wegen, waarvan de een opgaat naar het huis Gods, en de ander naar Gibea, in het veld, omtrent dertig man van Israel.
Richt 20:32 Toen zeiden de kinderen van Benjamin: Zij zijn voor ons aangezicht geslagen, zoals tevoren; maar de kinderen Israels zeiden: Laat ons vluchten, en hen van de stad weglokken naar de wegen.
Richt 20:33 Toen maakten zich alle mannen van Israel op uit hun plaatsen, en deden de strijd ontbranden te Bašl-thamar; ook brak Israels hinderlaag op uit haar plaats, nadat Gibea weerloos was achtergebleven.
Richt 20:34 En tien duizend uitgelezen mannen van heel Israel kwamen van tegenover Gibea, en de strijd werd zwaar; doch de Benjaminieten wisten niet, dat het kwaad hen treffen zou.
Richt 20:35 Toen sloeg de HEERE Benjamin voor Israels aangezicht; dat de kinderen Israels op die dag van Benjamin doodden vijf en twintig duizend en honderd mannen; die allen het zwaard uittrokken.
Richt 20:36 En de kinderen van Benjamin zagen, dat zij geslagen waren; want de mannen van Israel gaven de Benjaminieten plaats, omdat zij vertrouwden op de hinderlaag, die zij tegen Gibea gesteld hadden.
Richt 20:37 En de mannen van de hinderlaag haastten zich, en braken op voorwaarts naar Gibea toe; ja, deze mannen trokken recht door, en sloegen de ganse stad met de scherpte van het zwaard.
Richt 20:38 En de mannen van Israel hadden een zekere tijd afgesproken met de mannen van de hinderlaag, wanneer zij een omvangrijke rookkolom van de stad zouden doen opstijgen.
Richt 20:39 Zo keerden zich de mannen van Israel om in de strijd; en Benjamin was begonnen te slaan en te doorsteken van de mannen van Israel omtrent dertig man; en zij zeiden: Immers is hij zeker voor ons aangezicht geslagen, zoals in de vorige strijd.
Richt 20:40 Toen begon de verheffing op te gaan van de stad, als een pilaar van rook; als nu Benjamin achter zich omzag, ziet, zo ging de brand van de stad op naar de hemel.
Richt 20:41 En de mannen van Israel keerden zich om; en de mannen van Benjamin werden verschrikt, want zij zagen, dat het kwaad hen treffen zou.
Richt 20:42 Zo keerden zij zich voor het aangezicht der mannen van Israel naar de weg van de woestijn; maar de strijd achtervolgde hen, en die uit de steden vernielden hen in het midden daarvan.
Richt 20:43 Zij omringden Benjamin, zij vervolgden hem, zij vertraden hem gemakkelijk, tot voor Gibea, tegen de opgang van de zon.
Richt 20:44 En er vielen van Benjamin achttien duizend mannen; deze allen waren strijdbare mannen.
Richt 20:45 Toen keerden zij zich, en vluchtten naar de woestijn, tot de rots van Rimmon; maar de kinderen Israels deden een nalezing onder hen op de wegen, van vijf duizend man; voorts zaten zij hen op de hielen tot aan Gideom, en sloegen van hen twee duizend man.
Richt 20:46 Alzo waren allen, die op die dag van Benjamin vielen, vijf en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen.
Richt 20:47 Doch zeshonderd mannen keerden zich, en vluchtten naar de woestijn, tot de rots van Rimmon, en bleven in de rots van Rimmon, vier maanden.
Richt 20:48 En de mannen van Israel keerden weer tot de kinderen van Benjamin, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, die van de gehele stad tot de beesten toe, ja, al wat gevonden werd; ook staken zij alle steden, die gevonden werden, in brand.

Hoofdstuk 21
Richt 21:1 De mannen van Israel nu hadden te Mizpa gezworen, zeggende: Niemand van ons zal zijn dochter aan de Benjaminieten tot vrouw geven.
Richt 21:2 Zo kwam het volk tot het huis Gods, en zij bleven daar tot op de avond, voor Gods aangezicht; en zij hieven hun stem op en weenden met groot geween.
Richt 21:3 En zeiden: O HEERE, God van Israel! Waarom is dit geschied in Israel, dat er heden een stam van Israel gemist wordt?
Richt 21:4 En het geschiedde de volgende dag, dat zich het volk vroeg opmaakte, en aldaar een altaar bouwde; en zij offerden brandoffers en dankoffers.
Richt 21:5 En de kinderen Israels zeiden: Wie is er, die niet is opgekomen in de vergadering uit al de stammen van Israel tot de HEERE? Want er was een grote eed gedaan aangaande degene, die niet opkwam tot de HEERE te Mizpa, zeggende: Hij zal zeker gedood worden.
Richt 21:6 En het berouwde de kinderen Israels over Benjamin, hun broeder; en zij zeiden: Heden is een stam van Israel afgesneden.
Richt 21:7 Wat zullen wij, betreffende de vrouwen, doen aan degenen, die overgebleven zijn? Want wij hebben bij de HEERE gezworen, dat wij hun van onze dochters geen tot vrouwen zullen geven.
Richt 21:8 En zij zeiden: Is er iemand van de stammen van Israel, die niet opgekomen is tot de HEERE te Mizpa? En ziet, van Jabes in Gilead was niemand opgekomen in het leger, tot de gemeente.
Richt 21:9 Want het volk werd geteld, en ziet, er was niemand van de inwoners van Jabes in Gilead.
Richt 21:10 Toen zond de vergadering daarheen twaalf duizend mannen, van de strijdbaarste; en zij geboden hun, zeggende: Trekt heen, en slaat met de scherpte van het zwaard de inwoners van Jabes in Gilead, met de vrouwen en de kinderen.
Richt 21:11 Doch dit is de zaak, die gij doen zult; al wat mannelijk is, en alle vrouwen, die bij een man gelegen hebben, zult gij doden.
Richt 21:12 En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd jongedochters, die maagden waren, die geen man bekend hadden door bij hem te liggen; en zij brachten die in het leger te Silo, dat in het land Kanašn ligt.
Richt 21:13 Toen zond de ganse vergadering heen, en sprak tot de kinderen van Benjamin, die in de rots van Rimmon waren, en zij riepen hun vrede toe.
Richt 21:14 Alzo kwamen de Benjaminieten toen terug; en zij gaven hun de vrouwen, die zij in het leven behouden hadden van de vrouwen van Jabes in Gilead; maar alzo waren er nog niet genoeg voor hen.
Richt 21:15 Toen berouwde het het volk over Benjamin, omdat de HEERE een scheur gemaakt had in de stammen van Israel.
Richt 21:16 En de oudsten der vergadering zeiden: Wat zullen wij, betreffende de vrouwen, doen aan degenen, die overgebleven zijn? Want de vrouwen zijn uit Benjamin verdelgd.
Richt 21:17 Verder zeiden zij: De erfenis van hen, die ontkomen zijn, blijft van Benjamin, en er moet geen stam uitgedelgd worden uit Israel.
Richt 21:18 Maar wij zullen hun geen vrouwen van onze dochters kunnen geven; want de kinderen Israels hebben gezworen, zeggende: Vervloekt zij, die de Benjaminieten een vrouw geeft!
Richt 21:19 Toen zeiden zij: Ziet, er is een feest des HEEREN te Silo, van jaar tot jaar, dat gehouden wordt ten noorden van Bethel, aan de oostzijde van de hoge weg, die opgaat van Bethel naar Sichem, en tegen het zuiden van Lebona.
Richt 21:20 En zij geboden de kinderen van Benjamin, zeggende: Gaat heen, en leg u in hinderlaag in de wijngaarden.
Richt 21:21 En let er op, en zie, als de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reien te dansen, zo komt tevoorschijn uit de wijngaarden, en schaakt u, een ieder zijn huisvrouw, uit de dochters van Silo; en gaat heen in het land van Benjamin.
Richt 21:22 En het zal geschieden, wanneer hun vaders of hun broers zullen komen, om hen bij ons aan te klagen, dat wij tot hen zullen zeggen: Zijt hun om onzentwil genadig, omdat wij geen huisvrouw voor een ieder van hen in deze strijd genomen hebben; want gij hebt ze hun niet gegeven te dezer tijd; alleen in dat geval zoudt gij schuldig geweest zijn.
Richt 21:23 En de kinderen van Benjamin deden zo, en voerden naar hun getal vrouwen weg, van de rei-dansende dochters, die zij roofden, en zij trokken heen, en keerden weer tot hun erfenis, en herbouwden de steden, en woonden daarin.
Richt 21:24 Ook trokken de kinderen Israels in die tijd van daar, een ieder naar zijn stam en naar zijn geslacht; alzo trokken zij uit van daar, een ieder naar zijn erfenis.
Richt 21:25 In die dagen was er geen koning in Israel; een ieder deed, wat recht was in zijn ogen.


Aantekeningen
4:15 scherpte van het zwaard -in het Hebreeuws- zou ook vertaald kunnen worden met 'einde van de droogte', nl. door een (slag)regen.
6:26 het bos: het bos van de Asherah (godin van de vruchtbaarheid-cultus)